CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Inspraakmatrix

Raadsvergadering 18 november 2025, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen verordening jeugdhulp 20261.714 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 6: Inspraakmatrix

Bij de totstandkoming van de Verordening Jeugdhulp 2026 zijn verschillende partijen actief betrokken om input te leveren. Dit is op diverse manieren gebeurd: via gesprekken met het Ouderpanel Midden-Limburg, de Jongerenraad Leudal en de Adviesraad Sociaal Domein Leudal. Daarnaast is de verordening fysiek ter inzage gelegd bij de publieksbalie. Ook is de conceptverordening besproken met het CJG. In onderstaande tabel is de inbreng opgenomen die voortkwam uit de schriftelijke reacties op de Verordening Jeugdhulp 2026.

Adviesraad Sociaal Domein Leudal Vraag, aanbeveling, opmerking Reactie Art. 3.12 lid 3 sub b: Waarom moet bij een PGB aangegeven worden Omdat bij een PGB de burger zelf zorg en ondersteuning aan welk resultaat dit wordt besteed en bij een Zorg in Natura (ZIN) inkoopt. De burger bepaalt zelf welke zorgverleners gaan niet ondersteunen en wanneer zij komen en sluit zelf contracten af met zorgverleners, maakt een planning en stuurt de zorgverleners aan. Ook houdt de burger de administratie bij en regelt zelf de betalingen. Bij het beheren van een pgb horen daarom verplichtingen en vaardigheden. Bij ZIN maakt de gemeente, het zorgkantoor of de zorgverzekeraar afspraken met verschillende zorgorganisaties. De gemeente, het zorgkantoor of de zorgverzekeraar regelt de administratie. Artikel 2.9, onder c en d van de Jeugdwet bepaalt: “De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld, en d. voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet”. Art. 3.13 lid 3 sub b: Welke criteria worden er gehanteerd als er geen instrument beschikbaar is voor het aantrekken van een professional?

Als gesproken wordt over gevalideerde instrumenten betreft dit de beroepsgroep waartoe de professional behoort en met inachtneming van de voor de doelgroep ontwikkelde instrumenten voor oordeels-en besluitvorming. Om de kwaliteit te beoordelen is het nodig dat de professional beschikt over inhoudelijke expertise zoals opgenomen in lid 2. Daarnaast is er altijd een academisch opgeleide professional beschikbaar. Als het nodig is voor de beoordeling wordt deze betrokken. Waar nodig kan een door de gemeente gecontracteerde aanbieder in de rol van consultatie en advies worden betrokken bij het onderzoek. Deze aanbieder is niet betrokken bij de besluitvorming zelf.

Art. 3.14 lid 1 sub b: Hoe wordt er gehandeld als onvoldoende wordt meegewerkt maar hulp toch noodzakelijk is?

Indien ouders niet meewerken en er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging dan start de RvdK een onderzoek om de aard en ernst van deze bedreiging te onderzoeken. De uitkomsten van dit onderzoek worden voorgelegd aan een kinderrechter die beslist of de bedreigingen een gedwongen maatregel rechtvaardigen.

Art. 4.1: Minimaal een half jaar vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar de consequenties voor de zorg aangeven. Dit geldt ook voor het gestelde hieromtrent in art. 4.4 Art. 4.2 lid 1: Geef hier ook de mogelijkheid om professionele cliëntondersteuning aan te vragen

Dit zou mogelijk nader in beleidsregels opgenomen/uitgewerkt kunnen worden.

Art. 4.4 lid 2: De lokale toegang zou altijd mede moeten voorbereiden om de juiste continuering te waarborgen.

Dit artikel regelt de afstemming tussen de lokale toegang en de wet langdurige zorg. De verordening regelt de Jeugdhulp in Leudal. Clientondersteuning is géén jeugdhulp en kan derhalve niet geregeld worden in de verordening. Dat is inderdaad beoogd met hoofdstuk 4 van de Verordening.

Art. 6.4 lid 1 sub a Kunnen deze eisen ook worden gesteld aan een aanbieder van ZIN?

Art. 6.4 lid 1 sub b: Alvorens terugvordering eerst onderbouwing en verantwoording van voorziening voor een ander doel. Art. 7.3 lid 1 sub f: Er zijn veel regels aangaande een PGB, maar minimaal voor ZIN, terwijl de kans op fraude bij ZIN vele malen groter is.

Art. 7.3 lid 1 sub g: Hoe gaat het college monitoren?

Vraag, aanbeveling, opmerking Er wordt een paginanummering gemist

Ja, dat gebeurt ook. Wij betalen de zorgaanbieders ZIN op verschillende manieren. Grofweg zijn er twee manieren. PxQ, dan hoeven we niet terug te vorderen. Of op basis van bevoorschotting. Dan wordt er achteraf terug gevorderd.

Ogenschijnlijk lijkt dat inderdaad in deze verordening. Het is goed om te weten dat dergelijke afspraken met ZINaanbieders zijn vastgelegd in contracten tussen de aanbieder en de gemeente. Bij een PGB heeft de aanbieder een overeenkomst met de PGB-houder. Vandaar dat dit in de verordening geregeld wordt. Het college doet dit op verschillende manieren. Onder andere wordt er iedere maand een rapportage gemaakt door de business controller over het gebruik van jeugdzorg (en haar vormen). Ook ligt hier op casusniveau een taak voor de lokale toegang.

Ouderpanel Midden – Limburg Reactie Dit is bij verordeningen niet gebruikelijk: er is sprake van een indeling middels artikelen.

Art. 2.3 het vervoer. Daar zeiden we tijdens onze bijeenkomst al iets over. Het is nogal zwart-wit gesteld. Ouders moeten nou eenmaal werken voor de kost en het is niet vanzelfsprekend, dat werkgevers alle ruimte geven, om je kind heen en weer te vervoeren elke dag. Ditzelfde komt min of meer nog eens terug in Art. 3.11b ‘ het belang van het kind gaat voor de (werk) carrière van de ouders’. Ook hiervoor geldt, dat de werkgever óók nog wel wat mag vinden en dat ouders niet zomaar zelf alle ruimte kunnen claimen voor de zorg van het kind. De werkgever heeft ook belangen en de ouder heeft behalve rechten in het werk ook plichten.

Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer. Alleen als ouders of jeugdige het niet zelf kunnen valt vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp gegeven wordt binnen de door het college te treffen voorzieningen. Dit is het geval als een jeugdige jeugdhulp ontvangt op grond van de Jeugdwet en niet in staat is om zelfstandig van en naar de locatie te komen waar de jeugdhulp wordt gegeven in verband met een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid (dit staat in artikel 2.3, lid 2 van de Jeugdwet).

Art 3.5 “ het college maakt een afspraak voor een gesprek….”. Dat is geen gesprek met het college zelf uiteraard, maar die schijn wordt wel gewekt. Verder valt op dat de omloopsnelheid heel laag ligt. Alleen al voor dit genoemde gesprek staat een termijn van 6 weken ! Wachtlijsten zijn lang, maar als dan ook het traject eraan voorafgaand nog eens weken en weken kan duren is dat niet in het belang van het kind, om het maar eens voorzichtig uit te drukken.

Dat het college genoemd wordt vloeit voort uit het feit dat het college het bestuursorgaan is waaraan ingevolge de Jeugdwet de taak is opgedragen om voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen. In de praktijk wordt deze bevoegdheid/taak gemandateerd.

Art. 3.7b. Dit is wazig, het stuurt mensen wel wat het bos in…pas veel later in het hele stuk komt er meer duidelijkheid over wat die “andere voorziening” is/kan zijn. Begrepen wordt dat je in de echte tekst van de verordening niet de hele uitleg kan geven, maar de zinsnede art 3.7b is niet expliciet genoeg.

In de begripsbepalingen in artikel 1, onder a wordt uitgelegd wat onder een ‘andere voorziening’ wordt verstaan, namelijk: “voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen”.

Artikel 3.9.1: Uitsluiting op grond vanwege ouderproblematiek: net in deze situaties zou het goed zijn als behandeling mogelijk is om ontwikkeling van verdere problematiek te voorkomen. Denk aan KOPP kinderen. Want de problematiek van ouders heeft vaak gevolgen voor het hele gezin.

Artikel 3.9 lid 2 beoogt juist die situatie te ondervangen waarin problematiek bij ouders – hoe primair ook bij henzelf gelegen – zodanig doorwerkt in het gezinsfunctioneren dat ook sprake is van een hulpvraag bij de jeugdige zelf. Door als uitzondering te bepalen dat bij meervoudige problematiek in de gezinscontext wél een individuele voorziening mogelijk blijft, wordt voorkomen dat kinderen buiten de jeugdhulp vallen als zij indirect lijden onder de psychische of relationele problemen van hun ouders. Dit artikel borgt daarmee dat het college in gezinnen met structurele, verweven problematiek – denk aan ouders met psychiatrie én opvoedproblemen – niet kan volstaan met de mededeling dat de hulpvraag alleen bij de ouders ligt. Zolang die problematiek het kind mede raakt, moet hulp voor de jeugdige (bijvoorbeeld systeemtherapie of opvoedondersteuning) beoordeeld worden op basis van diens eigen situatie. Samengevat: lid 2 bevat een vangnetbepaling die waarborgt dat jeugdigen niet de dupe worden van het formele onderscheid tussen ouderhulp en jeugdhulp. De bepaling vraagt van het college een bredere probleemanalyse (de stappen van de CRvB) waarin wordt meegewogen of de

De bedoelde zes weken zien op de (gehele) onderzoeksfase. Het intakegesprek maakt onderdeel uit van deze onderzoeksfase.

ouderproblematiek mede leidt tot of verweven is met een hulpvraag bij de jeugdige. Daarmee wordt voorkomen dat noodzakelijke hulp aan het gezin uitblijft en de ontwikkeling van het kind in gevaar komt.

Art. 3.10d. Wat als het kind jonger is dan 5 jaar ?

Bij jeugdigen ónder de 5 jaar is 24-uurs toezicht vanzelfsprekend noodzakelijk. Dit toezicht voor kinderen t/m 4 jaar is echter géén jeugdhulp.

Art 4.4. Dit is echt zéér belangrijk!!! Hier gaat het met de hulp aan jeugd/jongeren veel te vaak fout. Goed dat het erin staat. Nou ook erop toezien dat het goed gebeurt! Artikel 4.1.2 Afstemming gezondheidszorg. S.v.p. aanvullen dat er een mogelijkheid is tot verlengde jeugdhulp aan jeugdigen van 18 tot 23 jaar.

De mogelijkheid van verlengde jeugdhulp staat in art. 1.1 van de Jeugdwet en hoeft niet in de verordening opgenomen te worden.

Toelichting onder “toegang via huisarts(…)”. Citaat : deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket…. De taalkundige in ons kan het niet laten, om aan te geven, dat deze zin in het Nederlands van 2025 niet klopt 😁. Verder viel mij een taalfoutje op in de toelichting. Onder de kop “Jeugdhulpstelsel” staat een alinea die de titel “wat mogen inwoners verwachten WE van de gemeente”. Dat WE is te veel.

Is aangepast.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=a0d44680-fa1a-4208-8953-574b670f6dd1