CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Verslag KBG Leudal binnensport en buitensport 15 september 2025

Raadsvergadering 18 november 2025, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Verdieping accommodatiebeleid (Referentiebeeld accommodaties en uitvoeringsnotitie accommodatiebeleid)2.905 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verslag klankbordgroep bijeenkomst Leudal binnen -en buitensport Datum: 15 september 2025 Aanvang: 20:00 uur Locatie: gemeenschapshuis Baexem Doel: Toelichting op technische vragen en plenaire terugkoppeling op de beleidsnota.

Technische vragen en wijzigingen Vraag 1: Wat geldt er voor de vergoeding die geen betrekking heeft op gemeentelijk eigendom, maar op dat van derden, zoals bijvoorbeeld een schutterij. Antwoord vraag 1: De maatschappelijke functie is leidend, niet het eigendom. In hoofdstuk 4 staat beschreven waarop getoetst kan worden. Vraag 2: Hoe wordt de bezetting gemeten voor de handboogverenigingen? Antwoord vraag 2: Zoals bij gemeenschapshuizen. (we zullen nog aangeven hoe we dit doen en toevoegen aan de notitie). Vraag 3: Hoe worden het aantal m2 bepaald van een handboog accommodatie Antwoord vraag 3: Met de normen vanuit de bond Vraag 4: Valt de handboogschutterij onder sociaal cultureel of binnensport? Antwoord vraag 4: De bezetting vindt plaats vanuit het sociaal-culturele domein. Bij eventuele planvorming is het echter verstandig ook te kijken naar de mogelijkheden binnen sportaccommodaties. Vraag 5: Waarom is er een verschil in dekkingspercentage bij verschillende sporten (bijvoorbeeld tussen voetbal en tennis)? Antwoord vraag 5: De aanleg, vervanging en het reguliere onderhoud tussen sporten is verschillend bij het voorbeeld van voetbal en tennis is een voetbalveld aanzienlijk duurder dan een tennisveld. Vraag 6: Waar worden de tarieven tegen afgezet? In verband met betaalbaarheid.

Antwoord vraag 6: Afgezet tegen het omgevingsgemiddelde van Leudal en de landelijke trend volgens Mulier.

Extra toelichting vraag 6: Het is logisch om de huurprijs van €4.000 per tennisbaan te vergelijken met die van een natuurgrasvoetbalveld. Een tennisbaan bedient gemiddeld circa 75 leden, terwijl een natuurgrasvoetbalveld ruimte biedt aan ongeveer 90 tot 120 spelers. De bespeelbaarheid van een natuurgrasveld ligt rond de 400 uur per jaar, wat overeenkomt met gebruik door circa 6 à 7 voetbalteams (90–120 spelers). Daarnaast vraagt een voetbalveld om aanzienlijk meer dagelijks onderhoud, terwijl een tennisbaan (met uitzondering van gravelbanen) vrijwel het hele jaar door bespeeld kan worden. Daarmee komt de gebruikscapaciteit per veld of baan uit op een vergelijkbaar aantal leden. Het is om die reden uitlegbaar en consistent dat de gemeente voor beide sporten dezelfde huurprijs hanteert. Voor inwoners die de contributie niet kunnen betalen, bestaan ondersteuningsmogelijkheden via het Jeugdfonds Sport en het Volwassenenfonds Sport. Vraag 7: Wordt achterstallig onderhoud in gehaald? Antwoord vraag 7: Het klopt dat bij de invoering van nieuwe tarieven ook mag worden verwacht dat het onderhoud op peil is. Hoe dit precies wordt vormgegeven, wordt uitgewerkt in het implementatieplan. Vraag 8: Hoe gaan jullie om met lopende initiatieven? Antwoord vraag 8: Op dit moment zijn er een aantal lopende initiatieven en ontwikkelingen.

Na vaststelling van het verdiepende accommodatiebeleid passen we de kaders en uitgangspunten van voorliggend beleid toe. Indien afspraken al in een vergevorderd stadium zijn waarbij overeenkomsten op het punt staan om ondertekend te worden dan kiezen we voor een korte looptijd van de overeenkomst waarbij na afloop van de overeenkomst het natuurlijke moment ontstaat om afspraken volgens de nieuwe beleidskaders te herzien. Vraag 9: Worden alle verenigingen bij alle plannen geconsulteerd en om hun mening gevraagd? Antwoord vraag 9: Op termijn, gedurende de looptijd van het beleid, gaan we inderdaad in overleg met alle partijen waarmee een overeenkomst is afgesloten. Vraag 10: Hoe is de draagkracht inzichtelijk gemaakt van verenigingen t.o.v. de nieuwe voorgestelde tarieven? Antwoord vraag 10: De draagkracht is niet inzichtelijk gemaakt, maar er wordt uitgegaan van uitlegbare tarieven en een stapsgewijze invoering. Vraag 11: Wordt hiermee opnieuw de deur geopend om bestaande faciliteiten te verwijderen?

Antwoord vraag 11: Is een mogelijkheid, maar afwegingskader bepaald de behoefte en daaraan gekoppelde huurprijs. Overcapaciteit kan, maar tegen kostprijsdekkende huur. Monitoring stapsgewijs! En tijdens monitoring overleg wat te doen en wenselijk is betreft de overcapaciteit. Vraag 12: Gaan we opnieuw samenkomen om het capaciteitspunt te bespreken zodra alle cijfers bekend zijn? Antwoord 12: Zie bijlage 5 voor de regeling omtrent over- en ondercapaciteit. Er wordt jaarlijks gemonitord; de precieze inrichting daarvan wordt later vastgesteld. Vraag 13: Voor de bezetting wordt uitgegaan van 75 leden per baan, terwijl de norm 1⅓ baan per competitieteam stelt. Hoe verhoudt zich dit tot elkaar? Antwoord vraag 13: 1. Competitie is inbegrepen in de 75-leden-norm De KNLTB heeft deze norm juist ontwikkeld als gemiddelde jaarbezetting, waarin rekening is gehouden met het reguliere aandeel competitie. Met andere woorden: de 75 leden per baan is geen “vrije speel”norm, maar een integrale capaciteit, inclusief competitie. 2. Geen maatstaf op piekbelasting Piekbelasting (bijvoorbeeld tijdens competitiedagen) is incidenteel en tijdelijk, terwijl huur- en beleidsafspraken gaan over structureel en jaarlijks gebruik. Een norm gebaseerd op piekmomenten zou leiden tot een scheef beeld en hogere lasten, terwijl banen de rest van het jaar vaak ruimer beschikbaar zijn.

Daarom kiest de gemeente voor de 75-leden-per-baan-norm, die een realistische jaargemiddelde capaciteit weergeeft. 3. Extra banen = ambitie en extra baten Als een vereniging méér banen wil om extra teams of toernooien te faciliteren, dan hoort dat bij een eigen sportieve ambitie. Daarmee ontstaan vaak ook extra inkomstenstromen (baromzet, sponsorgelden, competitiegelden). Het is dan uitlegbaar dat die extra capaciteit ook gepaard gaat met een kostprijsdekkende huur: de gemeente biedt de basis, en de vereniging kan uitbreiden wanneer zij daar financieel en organisatorisch draagvlak voor heeft. Vraag 14: Geldt bijlage 5 de regeling van over- en ondercapaciteit zowel voor voetbal als voor tennis? Antwoord vraag 14: Dat klopt, het geldt zowel voor voetbal als voor tennis. Vraag 15: Er mist nog een demarcatielijst van de primaire voorzieningen. Rol gemeente vs. rol verenigingen? Antwoord vraag 15: Klopt, de verdeling tussen primaire voorzieningen en niet-primaire voorzieningen staat in bijlage 1. Wat er vervolgens in het gebouwonderdeel bv. de kleedkamers valt onder de gemeentelijke

verantwoordelijkheid en wat voor de vereniging, dat is er nog niet. Hiervoor dient ROZ model als uitgangspunt en wordt in de implementatie verder vormgegeven. Toelichting op technische wijziging vanuit de gemeente Naast juridische toets is er ook nog financieel overleg met de gemeente geweest. Dit leidt tot de volgende wijziging: Voor de accommodaties die niet in ons eigendom zijn, is de gemeente verantwoordelijk (mits door afwegingskader) voor ‘de stenen’ , lees groot onderhoud en vervangingen. Deze gelden worden niet naar de beherende instelling overgemaakt, maar hiervoor wordt een reserveringsfonds in geregeld. Verschil met nu, is geen expliciete goedkeuring door de raad benodigd zal zijn.

Plenaire terugkoppeling werkvormen (aanvullingen ten opzichte van de geschreven input): Vragen, antwoorden en opmerkingen over de implementatiefase ▪

Vraag: hoe gaat de implementatie in detail plaatsvinden? Antwoord: De implementatie vindt gefaseerd plaats via een uitvoeringsprogramma, waarin de acties worden geprioriteerd en afgestemd op capaciteit en middelen. Belangrijke onderdelen zijn gesprekken met beherende instellingen, het opstellen van vervangings- en onderhoudsplannen, een nulmeting (waar aanvullend nodig) van gebruik en bezetting, en gefaseerde tariefaanpassingen.

▪

Vraag: mag de gemeente huurverhogingen doorvoeren bij uitvoering van het nieuwe beleid, ook juridisch gezien? Antwoord: De gemeente heeft te maken met lopende overeenkomsten. In de implementatiefase wordt onderzocht welke mogelijkheden er binnen deze overeenkomsten bestaan en welke stappen eventueel gezet kunnen worden.

Algemene opmerkingen en zorgen over de implementatiefase ▪

Communicatie en beeldvorming: Bij sportverenigingen leeft het gevoel dat het nieuwe beleid een vorm van bezuiniging is en dat zij hiervoor opdraaien. De gemeente benadrukt dat dit nadrukkelijk niet de bedoeling is: het beleid gaat over het stellen van kaders en het maken van een eerlijke verdeling, niet over het wegnemen van middelen. Duidelijke communicatie is cruciaal om dit onderscheid te verhelderen.

▪

Overcapaciteit en keuzes: Er dienen heldere afspraken te worden gemaakt over hoe keuzes rondom overcapaciteit in de monitoringsfase concreet worden vormgegeven.

▪

Toegankelijkheid sportdeelname en fondsen: De bestaande regelingen zoals het Jeugdfonds en het Volwassenfonds sport worden door deelnemers als ontoereikend ervaren; zij dekken niet alle kosten.

▪

DMJOP en duurzaamheid: Er is behoefte aan verduidelijking over de praktische uitwerking van het DMJOP (Duurzaam Meerjaren Onderhoudsplan).

▪

Afstemming met sportbonden: Bij de verdere uitwerking van het beleid is het van belang dat normeringen en richtlijnen goed worden afgestemd met de betreffende sportbonden (zoals KNLTB, KNVB en Handboog). Dit zorgt

voor een gedragen en realistische invulling van de afwegingen. In dit kader heeft reeds overleg plaatsgevonden met de KNLTB. De samengevatte uitkomsten van dit gesprek zijn navolgend beschreven.

Extra afstemming met de KNLTB Hospitality Group heeft samen met de gemeente overleg gevoerd met de KNLTB om de beleidskaders en onderbouwingen te delen en te toetsen. Uit dit overleg is het volgende naar voren gekomen: ▪

De KNLTB onderschrijft dat 75 leden per baan een uitlegbare en gangbare maatstaf vormt voor een goede baanbezetting.

▪

Erkenning is uitgesproken dat er op piekmomenten (bijvoorbeeld competitie of toernooien) meer banen nodig zijn.

▪

De bond is positief over het gemeentelijk voornemen om bestaande overcapaciteit niet actief terug te dringen. Verenigingen kunnen ervoor kiezen meerdere banen te behouden, maar in dat geval wordt de huurprijs verhoogd naar een kostendekkende huur.

▪

De KNLTB gaat is voornemens om met de verenigingen in gesprek te gaan om binnen de voorgestelde kaders te bekijken hoe de capaciteit per vereniging is georganiseerd. Daarbij wordt ook verkend of er slimme samenwerkingen mogelijk zijn tussen verenigingen om het totaal aantal banen zo efficiënt mogelijk in te zetten.

▪

De KNLTB signaleert dat het totale verzorgingsgebied in en rondom de gemeente Leudal momenteel een globale baanbezetting kent van minder dan 30 leden per baan, wat de urgentie van dit gesprek onderstreept.

Vragen die later per mail binnen zijn gekomen: Hier plaatsen wij alle geanonimiseerde vragen en antwoorden die nog niet eerder in het verslag zijn behandeld. Vraag: Kan de gemeente bestaande afspraken of contracten eenzijdig opzeggen onder het nieuwe beleid? Antwoord: Lopende overeenkomsten worden gerespecteerd. Aanpassingen kunnen pas plaatsvinden na afloop van de contractperiode. De gemeente kiest hierbij voor een zorgvuldige overgang, zodat bestaande afspraken niet eenzijdig worden opengebroken. Vraag: Komt er een compensatie voor kosten van clubhuizen die in eigendom zijn van verenigingen? Antwoord: De beleidsnota gaat uit van het principe dat de gemeente verantwoordelijk is voor de ‘stenen’ (groot onderhoud en vervanging) wanneer dit via het afwegingskader als primaire voorziening wordt aangemerkt. Clubhuizen (kantines en bestuurskamers) vallen buiten de primaire voorziening. Vraag: Wat gebeurt er met bestaande huurcontracten onder het nieuwe accommodatiebeleid? Antwoord: Bestaande huurcontracten blijven van kracht tot de afloopdatum. Bij verlenging, opzegging of nieuwe afspraken worden de nieuwe kaders toegepast. Hiermee ontstaat een natuurlijke overgang zonder dat tussentijds afspraken worden gewijzigd. Vraag: Hoe zijn de huurtarieven voor tennisbanen onderbouwd? Antwoord: De tarieven zijn gebaseerd op landelijke kengetallen anno.

2025 van instandhoudingskosten tennisbanen en kleed- en wasruimten als primaire voorziening. Vraag: Hoe moet worden omgegaan met groot onderhoud en verlichting die nu voor rekening van de vereniging komen, in relatie tot de huurprijzen?

Antwoord: Het beleid maakt onderscheid tussen primaire voorzieningen waarvoor de gemeente verantwoordelijk is en voorzieningen die horen bij de exploitatie van verenigingen. Groot onderhoud en vervanging van primaire voorzieningen valt onder gemeentelijke verantwoordelijkheid. Lichtmasten voor het aantal velden wat volgens het afwegingskader nodig is, is onderdeel van de primaire voorziening. In de implementatiefase wordt dit per accommodatie verder verduidelijkt in de demarcatielijst. In rapport staat nu: “Uit de tabel blijkt dat de huurtarieven voor gemeentelijke tennisaccommodaties in de gemeente Leudal laag zijn in vergelijking met omliggende gemeenten. Een landelijk gemiddeld tarief is niet beschikbaar, omdat tennisaccommodaties in veel gemeenten (deels) geprivatiseerd zijn en de organisatievorm sterk verschilt. Om toch een beleidsmatige vergelijking te kunnen maken, is in de onderstaande grafiek de kostendekkingsgraad van tennisaccommodaties in gemeentelijk eigendom weergegeven (Mulier Instituut 2019). Daaruit blijkt dat de gemeente Leudal met een dekkingsgraad van 19% tot 24% (exclusief de kosten voor de primaire voorzieningen van het kleed- en clubgebouw) aan de onderkant van het landelijke spectrum zit.” Percentages zijn gebaseerd op huidige huurtarieven in relatie tot onderstaande tabel: Type veld/baan Kunstgras tennisbaan Gravel tennisbaan

Reservering vervangingen €4.300 €4.300

Jaarlijks onderhoud €2.000 €2.700

Totaal per jaar €6.300 €7.000

Vraag: Hoe gaat de gemeente om met accommodaties of sportvoorzieningen die niet expliciet in de beleidsnota zijn benoemd, zoals paardensport? Worden verzoeken om onderhoud, herstel of ondersteuning dan ook meegenomen, en welke criteria gelden daarbij? Antwoord: Alle maatschappelijke accommodaties en sportvoorzieningen vallen onder het afwegingskader. Dit kader bepaalt of er sprake is van een gemeentelijke basisvoorziening en welke rol de gemeente daarbij heeft. Het belang van de beoordelingscriteria kan verschillen per aanvraag, afhankelijk van het type voorziening, de aard van de accommodatie en het verzorgingsgebied. Het is nadrukkelijk bedoeld voor organisaties zonder winstoogmerk, zoals stichtingen en verenigingen, die gevestigd zijn in de gemeente Leudal en die zich inzetten op het vlak van ontmoeten, leren, sporten, cultuur en (ver)zorgen. Voor sportorganisaties geldt dat zij moeten zijn aangesloten bij een erkende sportbond. Aanvragers moeten zich daarbij allereerst afvragen of er een noodzaak is voor een gemeentelijke bijdrage en of het gebruikelijk is dat gemeenten dergelijke voorzieningen ondersteunen. Als een voorziening door het afwegingskader heen komt, geldt dat de gemeente verantwoordelijk is voor de instandhouding van de primaire voorzieningen.

Vraag: Wat is de kostprijs van een accommodatie? Antwoord: De beleidsnota legt de systematiek van kostprijsdekkendheid uit. De kostprijs voor buitensport is gebaseerd op kengetallen. Het betreft hier alleen de primaire voorzieningen. Zie tabel 1 in beleidsnota. Vraag: Is het overschot van velden gebaseerd op noodzakelijke of werkelijke benuttingstijden? Antwoord: De huidige analyse is voor tennis gebaseerd op de normen zoals gesteld in de beleidsnota, op basis van het aantal leden conform de KNLTB. In de implementatiefase wordt dit verfijnd met de

nieuwste feitelijke gebruiksgegevens, zodat een realistisch beeld ontstaat van de capaciteitsbehoefte conform norm. Voor voetbal geldt: “Voor de bepaling van de capaciteit van voetbalaccommodaties hanteert de gemeente een vaste rekenmethodiek. Deze methodiek brengt het aantal benodigde speeluren in beeld op basis van het aantal teams per leeftijdscategorie, de standaard trainings- en wedstrijdfrequentie, en het deel van het veld dat per activiteit wordt gebruikt. Hierbij geldt één uniforme set uitgangspunten, zonder rekening te houden met extra trainingen voor selectieteams of andere vereniging specifieke keuzes. Dit zorgt voor een sobere en objectieve basis waarmee verenigingen onderling vergeleken kunnen worden.

Het totaal aantal benodigde uren wordt afgezet tegen de bespeelbaarheid van de beschikbare velden: voor natuurgrasvelden wordt uitgegaan van 400 uur per jaar, voor kunstgrasvelden van 1.500 uur per jaar. Deze waarden zijn gebaseerd op landelijke kengetallen en sluiten aan bij de gemiddelde onderhoudsniveaus in gemeente Leudal. De volledige normenset voor trainings- en wedstrijdcapaciteit is opgenomen in de bijlage 3.” Vraag: Hoe wordt de 400-uur norm voor natuurgrasvelden verdeeld over het seizoen? Antwoord: De norm van 400 uur is een jaargemiddelde, gebaseerd op landelijke richtlijnen. Vraag: Wordt bij clustering rekening gehouden met maatschappelijke bijdrage en financiële positie van verenigingen? Antwoord: Er wordt bij nieuwe vraagstukken rekening gehouden met de thema’s zoals staat beschreven in paragraaf 4.3 in de beleidsnota. Naast de maatschappelijke behoefte wordt ook gekeken naar gezonde financiële basis en zelfwerkzaamheid. Vraag: Wordt duurzaamheid meegenomen in de toetsing (afstand, mobiliteit, verkeersveiligheid)? Antwoord: idem zoals hiervoor: er wordt bij nieuwe vraagstukken rekening gehouden met de thema’s zoals staat beschreven in paragraaf 4.3 in de beleidsnota. Vraag: Hoe wordt zelfwerkzaamheid van verenigingen in de kosten meegewogen? Antwoord: Wordt niet specifiek in kosten meegewogen.

Voor het jaarlijks onderhoud is mogelijk dat verenigingen of stichtingen, onder voorwaarden, een vergoeding ontvangen voor het uitvoeren van het onderhoud aan velden en banen. Deze praktijk wordt in de huidige situatie soms al toegepast. De voorwaarden hebben betrekking op de kwaliteit van het onderhoud (conform bestek en onder gemeentelijke controle). De bijdragen worden vastgesteld op basis van MJOP’s. Daarbij gaat de gemeente uit van 75% van de normbedragen (zoals opgenomen in de MJOP’s), omdat verenigingen door zelfwerkzaamheid het onderhoud doorgaans goedkoper kunnen uitvoeren. Vraag: Hoe worden afgeschreven investeringen in de kosten verwerkt? Antwoord: “Voor de velden en banen geldt dat de reserveringen voor groot onderhoud en vervanging zijn berekend op basis van de gemiddelde levensduur van de verschillende veldonderdelen. Zoals eerder beschreven in paragraaf 5.3 (kostprijsberekening buitensportvelden) zijn in de bedragen voor velden en banen géén afzonderlijke kapitaallasten opgenomen. De bedragen bestaan uit een jaarlijkse reservering voor toekomstige vervangingen en de jaarlijkse onderhoudskosten. Daarbij worden naast toplagen ook onderbouw en drainage meegenomen (met langere vervangingscycli). Deze systematiek sluit aan bij de beleidslijn om structureel te sparen voor toekomstige investeringen.

In de implementatiefase wordt vastgesteld welke investeringen op de korte termijn nodig zijn om een goed vertrekpunt te creëren. Daarna moeten de jaarlijkse reserveringen toereikend zijn en kunnen nieuwe vervangingen rechtstreeks uit deze middelen worden betaald. Zo stabiliseren de jaarlijkse lasten en ontstaat een uitlegbaar en voorspelbaar financieel kader, zonder telkens nieuwe kapitaallasten bij vervangingsmomenten”

Vraag: Moet een kunstgrasveld elke 4 jaar volledig worden vervangen? Antwoord: Nee, de vervangingscycli zijn afhankelijk van gebruik en technische levensduur. Wij hebben gerekend met een cyclus van 10 jaar voor kunstgras. Vraag: Waarom worden tariefstijgingen niet gebaseerd op de werkelijke lasten per accommodatie? Antwoord: Het uitgangspunt is harmonisatie: gelijke tarieven voor vergelijkbare accommodaties. Daarmee ontstaat een eerlijk speelveld tussen verenigingen. Vraag: Hoe worden accommodaties zonder recente investeringen meegenomen? Antwoord: Bij toepassing van het afwegingskader wordt gekeken naar de actuele staat en toekomstbestendigheid van accommodaties. Daarbij wordt in basis geen verschil gemaakt op basis van wel of geen recente investeringen. Vraag: Waarom zijn er geen duurzaamheidscriteria opgenomen in het plan? Antwoord: Het beleid schetst de hoofdlijnen. Duurzaamheid is in het afwegingskader meegenomen en de nieuw op te stellen onderhoudsplannen worden ook (Duurzame)MJOP’s. Vraag: Waarom is er geen differentiatie per locatie bij de 10%-norm voor buitensport? Antwoord: De 10%-norm is een generieke beleidslijn om het speelveld te harmoniseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=fa68bd71-af05-4b12-816f-18eae18de6f0