CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Programma omgevingskwaliteit

Commissievergadering Fysiek 13 mei 2025, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Programma omgevingskwaliteit en kwaliteitsfonds9.459 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Programma omgevingskwaliteit Leudal

20

8.4

Subsidies

Voor het realiseren van kwaliteitsverbeterende maatregelen door derden worden subsidieregelingen opgesteld. Voor deze regelingen geldt een subsidieplafond. Een subsidieplafond is het bedrag dat voor een subsidieregeling beschikbaar is voor een bepaalde periode. Het college kan met het oog op de gemeentebegroting subsidieplafonds vaststellen. Het subsidieplafond wordt ieder jaar opnieuw vastgesteld. Nieuwe of gewijzigde subsidieplafonds worden voorafgaand aan een subsidiejaar bekend gemaakt.

Programma omgevingskwaliteit Leudal

21

Hoofdstuk 9: Proces en vaststelling 9.1

Participatie

Artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit bepaalt dat het bestuursorgaan bij de vaststelling van het programma aangeeft hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. Ook geeft het aan wat de resultaten van het participatieproces zijn. De participatie is vormvrij. Er is aangesloten bij de participatieladder uit het Participatiebeleid Omgevingswet gemeente Leudal. Voor het programma omgevingskwaliteit kiezen wij om uitsluitend te informeren. Het programma omgevingskwaliteit is een verdere uitwerking van de omgevingsvisie. Deze visie is tot stand gekomen na een zeer recent en uitgebreid participatietraject. Voor iedere ruimtelijke ontwikkeling die niet past binnen het omgevingsplan geldt dat participatie verplicht is. Dit betekent dat omwonenden en andere betrokkenen bij elk van deze ontwikkelingen de gelegenheid krijgen om te participeren. Daarnaast is het programma veelal technisch en financieel van aard. Het is van inwoners, ondernemers en organisaties niet te verwachten dat zij op deze punten een actieve bijdrage leveren.

9.2

Uitwerking en doorwerking

Het kwaliteitskader wordt verder uitgewerkt met beleidsregels in de zin van artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het doel van deze beleidsregels is om het programma uit te voeren en de gestelde doelen te bereiken. Gelijktijdig met het programma wordt is de beleidsregel ruimtelijke bijdragen omgevingskwaliteit vastgesteld, ter uitvoering van het kwaliteitsbeleid. Deze beleidsregel heeft voorrang op de versnellingsagenda wonen en de daarin genoemde bedragen. Bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) zijn het programma omgevingskwaliteit en de compensatieregeling altijd van toepassing. Voor nu worden de grenzen voor het buitengebied uit de nota kwaliteit gehanteerd. In het omgevingsplan worden nieuwe grenzen voor buitengebied en de kernen opgenomen. Ook worden regels opgenomen die een vertaling van het programma omgevingskwaliteit zijn, zo wordt bijvoorbeeld bepaald hoe het programma wordt toegepast bij binnenplanse omgevingsplanactiviteiten. Het programma vindt zo op meerdere manieren doorwerking in het omgevingsplan.

9.3

Procedure

Bij een vrijwillig programma, dus een programma dat niet is aangewezen in de paragrafen 3.2.2 tot en met 3.2.4 van de Omgevingswet, gelden geen procedure-eisen. Voor dit programma is gekozen om niet aanvullend te participeren. De geldende nota kwaliteit uit 2013 dient te worden ingetrokken door de gemeenteraad. Daarmee komt deze nota te vervallen. Tevens wordt in het omgevingsplan van rechtswege nog verwezen naar de nota kwaliteit en is deze opgenomen als bijlage bij de regels. Om deze reden worden in een volgende wijziging van het omgevingsplan voorrangsregels opgenomen.

9.4

Vaststelling

De bevoegdheid tot het vaststellen van een programma is bij wet neergelegd bij het college van B&W. Het kwaliteitskader Leudal is op [datum] vastgesteld door het college van B&W van de gemeente Leudal.

Programma omgevingskwaliteit Leudal

22

Bijlage 1: Afwegingsmatrix locatiekeuze Het doel van dit document is om de initiatiefnemer te helpen in de locatiekeuze voor het initiatief. Met deze wegingsmatrix kan de initiatiefnemer beoordelen of de voorgestelde locatie van het initiatief de meest geschikte locatie is en kan de initiatiefnemer eventuele alternatieve locaties verkennen. ONDERDEEL A Voorkeur initiatiefnemer B Is in eigendom initiatiefnemer Voorzieningen sluiten aan op functionele C bedrijfsvoering Sluit (eenvoudig) aan op de juridische D mogelijkheden van de locatie E Past ruimtelijk gezien in beleid en visie Sluit aan op bestaande landschappelijke of F stedelijke structuren G Financiële haalbaarheid H Ruimtelijke impact

LOCATIE 1 (-/o/+) (-/o/+)

LOCATIE 2 (-/o/+) (-/o/+)

LOCATIE 3 (-/o/+) (-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+)

(-/o/+) (-/o/+)

(-/o/+) (-/o/+)

(-/o/+) (-/o/+)

Figuur 1: Wegingsmatrix voor locatiebepaling (het aantal locaties kan afwijken), weging t.o.v. voorkeurslocatie. A. De initiatiefnemer wordt gevraagd te onderbouwen waarom de gekozen locatie de voorkeurslocatie is. Hierbij kan de initiatiefnemer gebruik maken van de reeds opgestelde toekomstvisie/business plan als onderbouwing. Denk hierbij aan de mogelijkheden/beperkingen die de locatie met zich meebrengt richting de toekomst. B. De initiatiefnemer maakt inzichtelijk of er op eigen grond kan worden ontwikkeld of er elders nieuw eigendom verworven dient te worden. Ook onderbouwt de initiatiefnemer wat de voordelen en nadelen zijn van het gebruik van eigen grond en/of het verwerven van andere grond. C. De initiatiefnemer toont aan welke voorzieningen aanwezig zijn voor het goed functioneren of integreren van de ontwikkeling in de huidige/ toekomstige functionele bedrijfsvoering. D. De initiatiefnemer neemt kennis van de juridische voorwaarden en richtlijnen die gelden op elke locatie. Denk hierbij aan wat er mogelijk is op basis van bestaande bouwvergunningen, milieuvergunningen, bouwvlakken of eventuele herstructurering (sloop). E. De initiatiefnemer geeft aan welk ruimtelijk beleid en/of visie er op elke locatie geldt. De initiatiefnemer bekijkt of het plan ruimtelijk gezien past en kan bijdragen aan geldende visie(s).

Denk hierbij aan het landschapstype of deelgebied waarin de locatie zich bevindt en of de locatie dit kan versterken. F. De initiatiefnemer maakt inzichtelijk op welke wijze het initiatief bestaande landschappelijke of stedelijke structuren kan versterken. De ontwikkeling moet passen in het landschap. G. De initiatiefnemer maakt inzichtelijk of de locatie financieel haalbaar is in relatie tot de gewenste bedrijfsvoering en noodzakelijke investeringen. H. Bij de afweging tussen verschillende locaties wordt er ook al – vooruitdenkend richting de volgende stappen – nagedacht over de ruimtelijke gevolgen op de locatie. Het gaat bij een ruimtelijk initiatief namelijk niet alleen over een object, maar ook over programma ter plekke, verhouding tot bestaande bebouwing, ontsluiting, logica van positionering op het erf of omgeving etc. Hierbij zijn de principes uit hoofdstuk 6.2 leidend.

Programma omgevingskwaliteit Leudal

23

Bijlage 2: Positie en massa Het doel van dit document is om de initiatiefnemer te helpen om de meest passende verschijningsvorm van het plan te bepalen. Op basis van deze afwegingsmatrix kan de initiatiefnemer bepalen wat de juiste plek, grootte en vorm van het (bouw)plan is, in relatie tot het programma van eisen en de (kern) kwaliteiten van de omgeving. ONDERDEEL A Korrelgrootte B Oriëntatie C Leesbaarheid D Doorzichten E Toegankelijkheid F Beleving G Voldoet aan PvE H Typologie

MODEL 1 (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+)

MODEL 2 (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+)

MODEL 3 (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+) (-/o/+)

Figuur 1: Wegingsmatrix voor positionering en massa (het aantal locaties kan afwijken) A. De mate waarin nieuwe gebouwen passen bij de grootte van wat er al is, zowel totaal als per gebouw. B. De mate waarin de nieuw toe te voegen volumes passen bij de (hoofd) richting van de bestaande volumes. C. De mate waarin de nieuw toe te voegen volumes een samenhangend geheel vormen met de bestaande volumes, denk hierbij ook aan bijvoorbeeld de kapvorm (dit geheel wordt ook wel het ensemble genoemd). D. De mate waarin of de wijze waarop het ensemble zichtlijnen in het landschap respecteert. E. De mate waarin de toegang van het ensemble aansluit op de logica van het landschap en de bedrijfsvoering. F. De beleving, het ‘mooie’, het beeld van het ensemble en het omliggende landschap is vanzelfsprekend. G. De mate waarin de opzet en afmetingen van de nieuwe volumes voldoen aan het programma conform de gewenste bedrijfsvoering. H. De mate waarin de nieuwe volumes en het ensemble passen bij of bewust reageren op de manier waarop gebouwen en ensembles in de omgeving doorgaans zijn opgebouwd. Of hier bewust vanaf wijken op basis van een sterk idee.

Programma omgevingskwaliteit Leudal

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=0ded6cac-e3d9-43da-83b5-3c14869455f3