CConstaterende datLeudal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke motivering woningbouwlocatie sportvelden Kelpen-Oler

Raadsvergadering 10 februari 2026, gemeente LeudalBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies 37 woningen Kelpen-Oler19.083 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Voor de twee onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen kan door middel van individuele voorzieningen per perceel worden voorzien in de benodigde berging. Voor de rijwoningen en de openbare verharding

8 Kragten, Weging van het waterbelang ontwikkeling

’t Heukske in Kelpen -Oler , projectnummer LEU2 75 , 12 januari 2026 .

44

-

-

-

-

wordt in de benodigde berging voorzien middels wadi’s en eventueel indien nodig aanvullende voorzieningen zoals infiltratiekratten onder de openbare parkeerplaatsen. Dit dient nader te worden uitgewerkt in het kader van de civieltechnische uitwerking. De infiltratiewaarden in het projectgebied liggen tussen de 0,8 en 6,55 m/dag en variëren veel per locatie. Hierdoor zal op bepaalde locaties de werking van de infiltratievoorziening beter zijn dan op een andere locatie. In de directe omgeving van het projectgebied is oppervlaktewater aanwezig waar mogelijk een overstort kan worden geïmplementeerd, mits er overeenstemming is met Waterschap Limburg. Voor de infiltratiekratten wordt geadviseerd om een noodoverstort richting het (bestaande) riool te maken. Het initiatief leidt niet tot beïnvloeding van grondwaterstanden en-stromingen in de omgeving van het projectgebied en het voorgenomen gebruik veroorzaakt geen risico’s op aantasting van de grondwaterkwaliteit. De afvalwateropgave is voor ‘t Heukske berekend op 11,1 m 3 /dag. Er ligt een grote leiding van 900 mm ten noordwesten van het projectgebied. Dit is een gemengd rioolstelsel en hier kan het afvalwater van de nieuwe woningen op worden aangesloten.

Gezien de omvang van de te verwachten hoeveelheid afvalwater, zal het initiatief niet leiden tot capaciteitsproblemen voor de bestaande riolering in de omgeving van het projectgebied.

Aanbevolen wordt: Bij toepassing van de infiltratiekratten wordt aanbevolen peilbuizen te plaatsen op de gewenste locaties om preciezer inzicht te krijgen in de grondwaterstanden. Bij alle hemelwaterafvoeren bladvangers installeren om te voorkomen dat vuil terecht komt in de infiltratievoorziening. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dienen initiatiefnemers de uitwerking van de individuele infiltratievoorziening toe te voegen zodat de gemeente kan toetsen of deze juist is ontworpen en gaat functioneren zoals bedoeld. Conclusie In het kader van de weging van het waterbelang is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.15

Duurzaamheid Algemeen Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende re gelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG -eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan i s onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens

45

de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW -werken . De eisen met betrekking tot de milieuprestatie en energiezuinigheid van gebouwen zijn opgenomen in afdeling 4.4, artikelen 4.148 t/m 4.160 (Duurzaamheid) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In afdeling 4.4 zijn ook regels opgenomen over de ‘Laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen’. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar paragraaf 6.14 ‘W eging van het Waterbelang ’. Toetsing Toetsing aan het aspect duurzaamheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid voor dit thema. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. Leudal wil een gemeente zijn waar mensen met plezier wonen, werken en recreëren, nu en in de toekomst. De gemeente Leudal richt zich op meerdere gebieden, namelijk: aardgasloos Leudal, energie besparen in woningen, energie besparen in bedrijven en zonnepanelen op alle daken. Ontwikkelingen worden dan ook getoetst aan deze uitgangspunten. Ook een duurzame instandhouding is van belang. In het voorliggende geval wordt voldaan aan de BENG -eisen en de eisen ten aanzien van de milieuprestatie. De woningen worden gasloos uitgevoerd en voorzien van duurzame energiesystemen. Één en ander wordt nader uitgewerkt in de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvragen voor de bouw van de beoogde woningen.

6.16

M.e.r. -beoordeling Algemeen Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een BOPA volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer -verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer -plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden.

Project-mer-beoordeling Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer -richtlijn; en b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

46

Afweging De beoogde ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn v oor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over de verlening van de omgevingsvergunning in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r. -procedure. In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het project weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het project op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor de voor ditproject relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in hoofdstuk 4 van deze motivering, blijkt dat het project geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft. Kenmerken van het plan De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik natuurlijke hulpbronnen

Productie afvalstoffen

Het betreft de ontwikkeling van 37 woningen een oppervlakte van circa 3 ha de locatie aan de Oranjestraat, Grathemerweg en de Limburgstraat in Kelpen – Oler, gemeente Leudal. Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het besluitgebied bekend, die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten. Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen bij de realisering van de voorgenomen activiteiten zoals hiervoor beschreven. De woningen zullen allen aardgasvrij worden gerealiseerd. Er worden (bouw)materialen gebruikt zoals staal, hout, steen en beton, maar dit betreft een eenmalig gebruik en deze materialen zijn niet bijzonder schaars. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Bouw- en sloopafval tijdens de aanlegfase zal door de betreffende aannemers worden afgevoerd en verwerkt. Tijdens de gebruiksfase is sprake van de productie van huishoudelijk afval, GFT, papier, plastic, restafval en overige stromingen zoals textiel. Afvalverzameling zal op de reguliere wijze plaatsvinden.

Tijdens zowel de aanleg - als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Daar mee is voor wat betreft de productie van afvalstoffen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten.

47

Verontreiniging en hinder

Risico voor ongevallen

De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de aanlegfase, die gebruikelijk is bij een dergelijke stedelijke ontwikkeling, geen onevenredige hinder die leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat deels sprake is van MorgenWonen woningen, waarbij overlast tijdens de aanlegfase beperkt is in vergelijking met reguliere woningen. MorgenWonen woningen worden in de fabriek geassembleerd en vervolgens ter plaatse in een kort tijdsbestek gerealiseerd. Verder valt uit hoofdstuk6 van deze motivering af te leiden dat voor wat betreft de diverse (milieu)aspecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. De ontwikkeling brengt geen significante risico's voor ongevallen met zich mee. Verkeersbewegingen van, naar en binnen het besluitgebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden daarnaast binnen het besluitgebied geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Daarmee is voor wat betreft risico's voor ongevallen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten.

Plaats van het project Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie zijn de gronden gelegen aan de Oranjestraat, Grathemerweg en de Limburgstraat braakliggend en werden in het verleden gebruikt als sportvelden. Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt voor het besluitgebied de bestemmingen 'Sport', ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Bedrijf’. De relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig. hulpbronnen Opname vermogen milieu met aandacht voor Wetlands: niet van toepassing wetlands, kustgebieden, berg - en bosgebieden, Kustgebieden: niet van toepassing reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, Berg- en bosgebieden: niet van toepassing gebieden waar milieunormen worden overschreden, Reservaten en natuurparken: niet van toepassing gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing landschappelijk historisch cultureel of archeologische Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: niet van gebieden van belang toepassing. Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: niet van toepassing. Op basis van het onderzoek dat in het kader van de planvorming is uitgevoerd blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving.

De ontwikkeling kan mogelijk e en negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau . Nader onderzoek dient hier meer duidelijkheid over te geven. Het uitvoeren van nader onderzoek kan eventueel als

48

voorwaarde aan de omgevingsvergunning worden gekoppeld. Het project heeft geen significant negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving (zie paragraaf 6.3.2 ). Op basis van de uitgevoerde flora en fauna onderzoek worden er als gevolg van de ontwikkeling geen aanzienlijke milieueffectenverwacht (zie paragraaf 6.10 ). Uit het nader onderzoek naar stikstofdepositie (zie paragraaf 6.10 ) is naar voren gekomen dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van het project. Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten voor de omgeving als gevolg van stikstofdepositie. Ten behoeve van verkeerslawaai is een onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 6.2 ) waarbij naar voren is gekomen dat vanuit het aspect verkeerslawaai geen belemmeringen bestaan. Gelet op het beperkte aantal woningen en de relatief beperkte verkeersintensiteiten in de omgeving en verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat als gevolg van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten op de omgeving. Voor de beoogde ontwikkeling is voor het besluitgebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 6.4 ). Op basis van de resultaten van het onderzoek, wordt de bodemkwaliteit voor het overgrote deel voldoende geacht voor de beoogde woonfuncties.

Uitsluitend ter hoogte van boring 32 is sprake van een matige verontreiniging met minerale olie in de bovengrond, die aanleiding geeft tot het uitvoeren van nader onderzoek. Het benodigde onderzoek wordt uitgevoerd en indien nodig zal de verontreiniging gesaneerd worden. Gelet op de resultaten van het bodemonderzoek en de aard van de ontwikkeling, zijn er als gevolg van de ontwikkeling naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van noemenswaardige landschappelijke waarden die als gevolg van de ontwikkeling worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toenemende parkeerdruk op het openbaar gebied omdat voldoende parkeerruimte gerealiseerd wordt binnen het besluitgebied zelf (zie paragraaf 6.12 ).

Kenmerken van het potentiële effect

49

Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect Waarschijnlijkheid effect Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect

Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing

Tabel: m.e.r. -beoordeling Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. Nadere analyse in een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.

50

7

FINANCIËLE HAALBAARHEID

7.1

Kostenverhaal In afdeling 13.6 van de Omgevingswet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin sprake is van een kostenverhaalplichtige activiteiten, de kosten te verhalen. Artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit bepaalt dat de bo uw van één of meer woningen een kostenverhaalplichtige activiteit is. De gemeente is dus verplicht om de kosten te verhalen, privaatrechtelijk dan wel publiekrechtelijk. In dit geval zijn de gronden in eigendom van de gemeente en de kosten worden verrekend in de verkoopprijs van de grond. Er hoeft daarom geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Naast het kostenverhaal wordt ook de kwaliteitsbijdrage, in dit geval een financiële bijdrage aan het gemeentelijk groenfonds, verrekend in de verkoopprijs van de grond. Voor het initiatief is een grondexploitatie geopend, waarbinnen de kosten en baten wor den opgenomen.

51

8

CONCLUSIE EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 3, 4, 5, 6). Hieruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leudal&id=222a8278-e4d5-4dbb-8744-986d54a77d11