Bijlage 1_Gewijzigde Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023
Tekst van het document
VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING LEUDAL 2023 GEWIJZIGDE VERSIE PER 01-01-2026
VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING LEUDAL 2023
Hoofdstuk I: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. abonnementstarief: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a Wmo; b. acute opvang: opvangvoorziening voor spoedeisende gevallen waarbij het college onverwijld in afwachting van het onderzoek opvang ter beschikking stelt; c. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; • daadwerkelijk beschikbaar is; • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; • financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. d. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader Wmo 2015; e. beleidsregels: de door het college vastgestelde Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning, ter uitvoering van deze verordening; f. beperking: aan de cliënt verbonden factoren die er toe leiden dat deze niet (geheel) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie; g. beschermd wonen: betreft een maatwerkvoorziening bestaande uit de volgende kenmerken: I.
wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; en, II. de begeleiding wordt planbaar en onplanbaar (24 uur per dag) geboden op gevraagde en ongevraagde momenten, zodat er goed kan worden ingespeeld op de (al dan niet geëxpliceerde) zorgvraag van de cliënt. h. diensten: elke niet-tastbare voorziening; i. eigen kracht: het vermogen van mensen om zelf, dan wel met het sociale netwerk, mantelzorg, gebruikelijke hulp en/of algemene voorziening(en) oplossingen aan te dragen voor de hulpvraag en deze (deels) zelf uit te voeren; j. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; k. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015; l. ingezetene: een ingezetene zoals bedoeld in artikel 1.2.1 van de Wmo 2015; m.
maatschappelijke opvang: voorzieningen zoals omschreven in de Wmo 2015, artikel 1.1.1 onder opvang; n. melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015; o. ondersteuningsplan: een door het college vastgesteld plan over de te behalen resultaten en de inzet van activiteiten; p. onderzoeksverslag: het verslag van alle relevante informatie uit het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de Wmo 2015; q. persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g Wmo 2015, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; r. pgb: persoonsgebonden budget; s. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; t. Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; 1
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
u. 2.
winteropvang: een algemeen toegankelijke opvangvoorziening welke wordt opengesteld door de opvanginstelling zodra de koude en/of winterregeling van kracht wordt. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk II: Melding en onderzoek Artikel 2. Melding 1. Een hulpvraag kan door of namens de cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. De cliënt geeft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Artikel 3. Onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen. 2. De factoren genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 3. Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 4. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 4 in te dienen. 5. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 6. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 7.
Het college geeft de cliënt een onderzoeksverslag van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een weergave van het gesprek. 8. De cliënt ondertekent het verslag en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college.
Hoofdstuk III: Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 4. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een cliënt schriftelijk ingediend bij het college. 2. Het college merkt op verzoek van client een ondertekend en bij het college ingediend onderzoeksverslag aan als aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 Wmo 2015. 3. Het college kan zo nodig een nieuw onderzoek starten als de cliënt de aanvraag later dan vier weken, nadat het onderzoeksverslag aan de cliënt is verzonden, ondertekend retourneert. Artikel 5. Algemene criteria Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening als hij voldoet aan de criteria van artikel 2.3.5, derde en vierde lid, Wmo 2015 en voor zover op grond van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, blijkt dat de daarin genoemde mogelijkheden vanuit eigen kracht onvoldoende een oplossing bieden tot zelfredzaamheid en participatie. Artikel 6. Voorwaarden en weigeringsgronden
2
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
1. 2.
3.
4.
5.
6.
3
Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college van de adequate voorzieningen de goedkoopste voorziening. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; c. als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d.
als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is, tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; e. als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; f. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: a. deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding; b. de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Leudal. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 2.000 kilometer op jaarbasis. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover het voorzieningen betreft in niet-noodzakelijke gebruiksruimten; b. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; c.
als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; d. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. e. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. f. in gemeenschappelijke ruimten in woongebouwen die na 1 januari 2010 zijn opgeleverd, en waarmee bij de bouw op eenvoudige wijze en zonder aantoonbare meerkosten rekening kan worden gehouden of had kunnen worden gehouden. g. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; h. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
i.
als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
Artikel 7. Afschrijvingstermijnen maatwerkvoorzieningen 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een bestaande voorziening, al dan niet eerder door het college toegekend, wordt deze slechts verstrekt als de bestaande voorziening technisch is afgeschreven, waarbij de volgende afschrijvingstermijnen gelden: a. voor woonvoorzieningen: - sanitair en kranen 25 jaar - natte cel 25 jaar - keuken 15 jaar - toilet 15 jaar - aanbouw 25 jaar b. voor overige hulpmiddelen: - rolstoelen en vervoersvoorzieningen 7 jaar - kinderhulpmiddelen, douche- en toilethulpmiddelen 5 jaar 2. De in lid 1, onder a en b, genoemde afschrijvingstermijnen zijn richtlijnen. Dit betekent dat in individuele situaties voor een specifieke voorziening een afwijkende afschrijvingstermijn kan worden bepaald. 3. Indien de in lid 1, onder a en b, genoemde afschrijvingstermijn is bereikt, maar uit een technische controle blijkt dat de voorziening nog adequaat is, bestaat geen aanspraak op een nieuwe maatwerkvoorziening. 4. In afwijking van het eerste lid kan een voorziening worden verstrekt als deze nog niet technisch is afgeschreven, als: a. de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. de cliënt op een naar het oordeel van het college toereikende wijze tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; c.
de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Artikel 8. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking. 2. De cliënt moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de maatwerkvoorziening of het pgb binnen 3 maanden gebruiken voor het resultaat waarvoor het is verstrekt. Artikel 9. Inhoud beschikking maatwerkvoorziening 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt; b. wat het beoogde resultaat daarvan is; c. indien van toepassing, wat de omvang van de ondersteuning is; d. de ingangsdatum; e. de duur van de verstrekking; f. indien van toepassing, de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 8 lid 2; g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is; h. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; 4
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
i. 3.
de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welke maatwerkvoorziening het pgb moet worden besteed; b. aan welk beoogd resultaat het pgb moet worden besteed; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; d. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; e. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; f. de termijn van 3 maanden waarbinnen de cliënt het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 8 lid 2; g. hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden; h. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is; i. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een pgb zijn verbonden.
Artikel 10. Regels voor een pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 Wmo 2015 opgenomen voorwaarden. De cliënt dient daarvoor een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a. hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; b. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; c. welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder; d. op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a.
het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de zorg levert aan de budgethouder dan wel het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die geen onafhankelijke organisatorische of financiële relatie heeft met de persoon of organisatie die de zorg levert, tenzij i. hiervoor door het college toestemming is verleend of ii. de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de cliënt b. er sprake is van onvoldoende nabijheid tot de cliënt in de vorm van (fysieke) aanwezigheid en tijd; c. schuldenproblematiek; d. ernstige verslavingsproblematiek; e. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; f. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; g. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; h. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; i. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; j. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 3. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 5
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
4. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 5. Bij verstrekking van een pgb voor het realiseren van een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening geldt dat: a. met de werkzaamheden uiterlijk binnen 6 maanden na het toekenningsbesluit moet worden begonnen, en; b. onmiddellijk na de voltooiing van de aanpassingswerkzaamheden, doch uiterlijk binnen 12 maanden na het besluit tot toekenning, door cliënt schriftelijk aan het college wordt verklaard dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid, en is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is toegekend. 6. Als niet is voldaan aan de voorwaarden als genoemd in lid 4, kan de beslissing tot verlening van een pgb, (gedeeltelijk) worden ingetrokken. 7. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten, en stelt de cliënt daarvan schriftelijk op de hoogte. 8. Het college kan het pgb in gedeelten (laten) uitbetalen. 9. Voor wat betreft de regels en voorwaarden voor het aanwenden van het pgb beschermd wonen, wordt aangesloten bij de afspraken van de regio Noord- en Midden-Limburg, die door het college nader worden vastgelegd in het Besluit beschermd wonen en opvang Leudal. 10.
Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb voor een zaak, kan het college een programma van eisen vaststellen. Het programma van eisen bevat de inhoudelijke (kwaliteits)eisen aan de voorziening. De door de cliënt te betrekken voorziening dient te voldoen aan het programma van eisen. Artikel 11. Categorieën hulpverleners Indien het pgb wordt aangewend om diensten in te kopen, hanteert het college de volgende categorieën aan hulpverleners en ondersteuners: a. Professionele organisatie: - een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdelen a, c, d of e, van de Handelsregisterwet 2007; en; - waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit artikel, en; - waarvan de medewerker die de ondersteuning biedt beschikt over de relevante diploma’s voor uitvoering van de desbetreffende taken. b.
Gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er) of freelancer: - een onderneming als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Handelsregisterwet 2007 waarvan de activiteiten blijkens de inschrijving in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet, geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verlenen van maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit artikel; en - die toebehoort aan een zelfstandige zonder personeel, en; - die beschikt over de relevante diploma’s voor uitvoering van de desbetreffende taken. c. Informele hulp: - een persoon niet zijnde een persoon als bedoeld in categorie professionele organisatie of gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er) of freelancer; of - een persoon zijnde een (ex-)partner, of bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad; of - een persoon zijnde een (ex-)partner, of bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de wettelijke vertegenwoordiger. Artikel 12. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een maatwerkvoorziening, niet zijnde een dienst, wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en WA-verzekering of; 6
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
b.
2.
3.
4. 5.
6.
7.
8.
9.
Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende maatwerkvoorziening geen overeenkomst heeft gesloten. De hoogte van het pgb voor begeleiding in groepsverband (dagbesteding), begeleiding individueel, kortdurend verblijf en hulp bij het huishouden is overeenkomstig aan het laagste tarief van het betreffende kalenderjaar dat het college voor de producten in natura heeft vastgesteld, rekening houdende met dat: a. voor een professionele organisatie, als bedoeld in artikel 11 sub a maximaal 100% van het bedoelde tarief geldt; b. voor een gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp’er) of freelancer als bedoeld in artikel 11 sub b maximaal 80% van het bedoelde tarief geldt; c. voor informele hulp als bedoeld in artikel 11 sub c de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende cao geldt, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien werkgeverslasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd. Voor vervoer van en naar begeleiding in groepsverband (dagbesteding), waarvan de noodzaak apart is geïndiceerd, geldt dat het tarief overeenkomstig is aan het vervoerstarief dat het college in natura heeft vastgesteld wanneer een cliënt daadwerkelijk wordt vervoerd. De tarieven als bedoeld in lid 1, lid 2 en lid 3 worden gepubliceerd op www.overheid.nl.
De hoogte van het pgb voor beschermd wonen bedraagt bij: a. professionele en gediplomeerde hulp: maximaal de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura; b. gediplomeerde ZZP’ers: maximaal 90% van de goedkoopst adequate voorziening in natura; c. niet-professionele hulp uit het eigen sociaal netwerk: 75% van het tarief voor professionele hulp, tot een maximumbedrag van € 20 per uur. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt beschermd wonen structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag wordt toegekend indien er: a. als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op beschermd wonen en/of; b. er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op beschermd wonen. Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in lid 6, wordt in de basis uitgegaan van fictief aantal te leveren uren: voor beschermd wonen acht uur ondersteuning per week.
De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de netto zoneprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer vermenigvuldigd met het aantal benodigde zones, waarbij het uitgangspunt geldt dat 2.000 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Indien het op basis van lid 1, lid 2 en lid 3 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
Artikel 13. Hoogte pgb woonvoorzieningen 1. De hoogte van het pgb voor een woonvoorziening wordt afgestemd op: a. de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de woonvoorziening. Indien de woningaanpassing in zelfwerkzaamheid wordt getroffen vervallen de loonkosten; b. het architectenhonorarium, indien dit noodzakelijk is, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald voor de leden van NLingenieurs en BNA in DNR 2011; 7
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
c.
2.
de kosten voor het toezicht op de uitvoering indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; d. de leges voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op het treffen van de woningaanpassing; e. de door college schriftelijk goedgekeurde kostenverhoging, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien had kunnen zijn. Voor de verstrekking van een pgb voor een woonvoorziening gelden de volgende voorwaarden: a. Met de werkzaamheden waarop de maatwerkvoorziening betrekking heeft, mag geen aanvang worden gemaakt voordat het college positief heeft beslist op de aanvraag; b. Het college heeft desgevraagd, op één of meer door het college te bepalen tijdstippen, toegang tot de woning of het gedeelte van de woning waar de aanpassing wordt aangebracht; c. De cliënt verstrekt desgevraagd inzage in de bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing; d. Aan het college wordt desgevraagd de gelegenheid geboden tot het controleren van de gerealiseerde woonvoorziening.
Artikel 14. Financiële tegemoetkomingen 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichtingskosten, als verhuizing een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie. De hoogte van de tegemoetkoming wordt gebaseerd op de verhuiskosten, noodzakelijke stofferingskosten conform de richtlijnen van het Nibud, en overige onvermijdbare kosten bij verhuizing. 2. Het college stelt de volgende voorwaarden aan de toekenning van verhuis- en inrichtingskosten, zoals bedoeld in lid 1 sub a: a. cliënt heeft zijn/haar feitelijke verblijfsplaats in de gemeente, en; b. cliënt heeft langdurig, aantoonbare beperkingen in het normale gebruik van de woning, en; c. de beperkingen waren nog niet aanwezig en/of niet voorzienbaar bij het accepteren van de huidige woning, en; d. cliënt woont nu zelfstandig en verhuist naar een zelfstandige woning waar het gehele jaar gewoond mag worden, en; e. de cliënt verhuist naar een geschikte woning binnen Nederland, en; f. de woning moet voldoen aan de eisen die in de beschikking staan, en; g. de huidige woning is nog niet verkocht, of de huur is nog niet opgezegd. 3. De tegemoetkoming wordt gebaseerd volgens de richtlijnen van het Nibud. De maximale tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten bedraagt € 6.000,-.
Hoofdstuk IV: Bijdrage in de kosten Artikel 15. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen 1. Een cliënt is het abonnementstarief verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of in bezit heeft, of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is het abonnementstarief verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en; b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
8
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
Artikel 16. Hoogte bijdrage in de kosten 1. Voor voorzieningen die niet genoemd worden in lid 2 tot en met 6 bedraagt de hoogte van het abonnementstarief voor een of meerdere voorzieningen tezamen het bedrag genoemd in artikel 2.14 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen. 2. Een cliënt is geen abonnementstarief verschuldigd voor het gebruik van algemene voorzieningen. 3. Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van een collectieve voorziening voor vervoer, ter hoogte van € 0,94 per zone (prijspeil 2025), met een jaarlijkse indexering conform de Landelijke Tarieven Index (LTI). 4. De hoogte van de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen wordt bepaald met inachtneming van paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 5. De hoogte van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang wordt bepaald met inachtneming van artikel 3.20 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 6. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt vastgesteld en geïnd conform het Besluit beschermd wonen en opvang Leudal. 7. Voor de eigen bijdrage winteropvang en acute opvang geldt: a. Voor gebruikers van de winteropvang tijdens de duur van de winter- en of kouderegeling geldt dat er geen eigen bijdrage verschuldigd is; b.
Gedurende de onderzoeksperiode is de cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor acute opvang. Deze periode is gemaximeerd tot 2 weken; c. Vanwege de complexiteit van de zorgvraag van sommige inwoners kan het college besluiten tot verlengd en verdiepend onderzoek naar de zorgvraag en het organiseren van een passende oplossing. Het gaat hierbij om personen (met of zonder kinderen) uit de regio Noord- en Midden Limburg die verblijven in de acute opvang; d. Indien de termijn van 2 weken verlengd wordt, kan het college besluiten dat de cliënt ook voor deze periode geen eigen bijdrage verschuldigd is; e. Het is de opvanginstelling toegestaan personen (met of zonder kinderen) die verblijven in de acute opvang een vergoeding te vragen voor verstrekte maaltijden. De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) berekent als gemiddelde voedingskosten. 8. De kostprijs van: a. een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt. b. een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. Hoofdstuk V: Bestrijding misbruik Artikel 17. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen voorzieningen en misbruik of oneigenlijk gebruik 1.
Het college informeert de cliënt in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015. 2. Naast het bepaalde in artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 doet een cliënt aan het college op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing over een maatwerkvoorziening. 3. Naast het bepaalde in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een beslissing over een maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
9
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
4.
5. 6.
7. 8.
a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb; e. de cliënt de maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb niet of voor een ander doel gebruikt, of f. de cliënt die een maatwerkvoorziening heeft op grond van de Wmo 2015 langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Als het college een beslissing op grond van het vorige lid, aanhef en onder sub a, heeft ingetrokken en door de cliënt met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de waarde in geld vorderen van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of het ten onrechte ontvangen pgb.
Het college kan een terug te vorderen bedrag als bedoeld in lid 4 van dit artikel verrekenen met betalingen op grond van de Wmo 2015, die nog uitgekeerd moeten worden. Het college kan een beslissing tot verlening van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb intrekken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is gebruikt voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verstrekt. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening op grond van de Wmo 2015 is ingetrokken, dan kan het college deze voorziening terugvorderen. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in de vorm van zorg in natura en in de vorm van pgb’s met het oog op de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid daarvan.
Hoofdstuk VI: Kwaliteit en veiligheid Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a. voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg, die de cliënt ontvangt; c. inzet van de juiste deskundigheid; d. ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector; e. er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Indien een pgb zoals bedoeld in artikel 11 sub a of sub b wordt aangewend, moet de aanbieder aan de volgende voorwaarden voldoen: a. De organisatie of ondernemer voldoet aan de eisen van de kwaliteit, zoals gesteld in lid 1 van dit artikel; b. De organisatie of ondernemer voldoet aan de eisen van goed zelfstandig ondernemerschap, en: i. Heeft vervangingsplannen in geval van ziekte; ii. Voert de noodzakelijke administraties; iii. Werkt conform arbeidstijdenbesluit en indien deze niet van toepassing is maximaal 40 uur per week. 10
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
c.
er wordt gebruik gemaakt van een zorgplan met begeleidingsdoelen en termijnen als onderdeel van verantwoorde zorg en dit plan is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt waarbij rekening is gehouden met zijn persoonskenmerken; d. cliëntbetrokkenheid en continuïteit van zorg maakt onderdeel uit van de bedrijfsvoering. e. er is systematische kwaliteitsbewaking; f. de beroepskrachten, vrijwilligers en ervaringswerkers beschikken over een verklaring omtrent het gedrag volgens artikel 28 van de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de organisatie of ondernemer ging werken; g. de organisatie of ondernemer beschikt over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling; h. de organisatie of ondernemer meldt alle calamiteiten en geweldsincidenten bij de door het college aangewezen toezichthoudend ambtenaar; i. er zijn geen feiten of omstandigheden bekend waarbij de organisatie of de ondernemer onprofessioneel gehandeld hebben, ondeskundige zorg hebben verleend en/of gehandeld hebben in strijd met relevante regelgeving waardoor niet voldaan wordt aan artikel 2.3.6 lid 2 van de wet. 3. Indien een pgb informele hulp zoals bedoeld in artikel 11 sub c wordt aangewend, dient de ondersteuning passend en toereikend te zijn gelet op de problematiek en ontwikkelingsdoelen van de cliënt.
Hierbij gelden de volgende voorwaarden: a. De budgethouder is verantwoordelijk voor (het bewaken van) de kwaliteit van de ondersteuning die betrokken wordt; b. Het college beoordeelt of de in te kopen hulp veilig, doeltreffend en cliëntgericht is; c. er is een zorgplan met vermelding van begeleidingsdoelen en termijnen; d. De personen die de hulp gaan verlenen, hebben zich voldoende op de hoogte geteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn; e. er zijn geen aanwijzingen dat de persoon die de ondersteuning moet bieden overbelast is of dreigt te geraken; f. De hulpverlener moet op basis van opleiding en/of ervaring in staat zijn de in de individuele situatie vereiste dienstverlening te realiseren; g. deze persoon beschikt over een verklaring omtrent het gedrag volgens artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden voor het tijdstip waarop betrokkene start met de uitvoering van de betreffende ondersteuning; h. er is een afspraak over het melden van calamiteiten en geweld. 4. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 5.
Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c Wmo 2015, en 11
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
b.
3.
4.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van loon binnen een overeenkomst; f. overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii. instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening, en iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk VII: Waardering mantelzorgers Artikel 21. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners van de gemeente. 2. De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers bestaat uit waardering in natura. Hoofdstuk VIII: Klachten en medezeggenschap Artikel 22. Klachtregeling 1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 23. Medezeggenschap
12
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
1.
2.
Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 24. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
Hoofdstuk IX: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 25. Geen bepalingen In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 26. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan. Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2020 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen dan wel de periode waarvoor deze voorziening is verstrekt is geëindigd. 3. Indien bij een nieuw besluit als bedoeld in lid 2 de omvang van de ondersteuning vermindert, heeft client recht op een periode van maximaal 6 maanden waarin de ondersteuning vanaf het oorspronkelijke niveau stapsgewijs wordt afgebouwd. 4. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening. 5.
Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2020, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2020 die daarvoor zijn geldigheid behoudt. 6. Van lid 5 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023.
13
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Leudal op 18 november 2025. De griffier,
De voorzitter,
bc. F.G. Simons
D.H. Schmalschläger
14
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
TOELICHTING OP DE VERORDENING Algemeen Opdracht aan de gemeente De Wmo 2015 schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015). Belang zorgvuldige procedure Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om: • de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen; • de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te inventariseren; • te achterhalen welk oplossingen de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen. • te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de cliënt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
Als de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op zorgvuldige wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Mandaat college De Wmo 2015 en deze verordening bepalen dat veel zaken door het college gedaan worden. In de praktijk worden deze zaken niet door het college zelf gedaan, maar (in mandaat) door deskundige ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Zij doen dit namens het college. Het college kan taken die in de wet en verordening aan haar worden opgedragen, mandateren op grond van de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikelsgewijs Hoofdstuk I: Begrippen In hoofdstuk I wordt uitgelegd wat er verstaan wordt onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening. Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onder a. abonnementstarief: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder b. acute opvang: Deze bepaling spreekt voor zich. 15
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
Lid 1 onder c. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de CRvB. Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een 'inkomen op minimumniveau'. Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we er vanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau heeft. Het is hierbij niet van belang of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft. Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Lid 1 onder d. andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Lid 1 onder e. beleidsregels: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder f. beperking: Met participatie wordt bedoeld deelname aan het maatschappelijk verkeer. Met zelfredzaamheid wordt bedoeld het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Lid 1 onder g.
beschermd wonen: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder h. diensten: Hieronder wordt verstaan: begeleiding, dagbesteding, hulp bij het huishouden en kortdurend verblijf. Lid 1 onder i. eigen kracht: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder j. hoofdverblijf: Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf, is hier verduidelijkt wat hier onder wordt verstaan. Lid 1 onder k. hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 is noodzakelijk. Lid 1 onder l. ingezetene: Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 Wmo 2015) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 Wmo 2015). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd.
Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 2209-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend. Bij een melding voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen gelden de criteria van de beleidsregels landelijke toegankelijkheid. 16
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
Lid 1 onder m. maatschappelijke opvang: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder n. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Lid 1 onder o. ondersteuningsplan: Een plan waarin de hulpvraag, het beoogde resultaat en de daarvoor in te zetten activiteiten zijn vastgelegd. Lid 1 onder p. ondersteuningsverslag: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder q. persoonlijk plan: In het plan kan de cliënt – al dan niet samen met zijn persoonlijke netwerk – de hulpvraag nader beschrijven en ook aangeven welke mogelijkheden of oplossingen hij zelf voor ogen heeft. Die informatie kan het college meenemen bij zijn onderzoek. Het opstellen van een persoonlijk plan kan de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten versterken. Lid 1 onder r. pgb: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder s. uitvoeringsbesluit: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder t. wet: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onder u.
winteropvang: Deze bepaling spreekt voor zich. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt omdat de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Hoofdstuk II: Melding en onderzoek Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de hulpvraag waar de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding en aanvraag- fase zijn opgenomen in het volgende hoofdstuk. Artikel 2. Melding De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de hulpvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan.
De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.
17
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
In lid 2 is voor de volledigheid nog vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, al blijkt dit ook uit artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015. Uit de Memorie van Toelichting blijkt bovendien dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. Vanwege de registratie en zorgvuldigheid kiest de gemeente hier wel voor. Lid 3 spreekt voor zich en volgt ook uit de wet. Artikel 3. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In artikel 3 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In artikel 3 lid 6 van deze verordening is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek.
Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt. In lid 7 is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van wat er besproken is. In de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken.
Hoofdstuk III: Aanvraag maatwerkvoorziening Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Daarmee kan hij zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil inkopen. In dit hoofdstuk is ook opgenomen welke regels er zijn voor een pgb en hoe de hoogte van het pgb wordt bepaald. Artikel 4. Aanvraag Deze bepaling spreekt voort zich. Artikel 5. Algemene criteria In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Artikel 6. Voorwaarden en weigeringsgronden Lid 1 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel adequaat als de goedkoopste voorziening zijn.
Met het begrip adequaat wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de 18
Verordening maatschappelijke ondersteuning Leudal 2023 – gewijzigde versie per 01-01-2026
goedkoopst adequate voorziening. De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen. Lid 2 Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Lid 3 onder a Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 Wmo 2015). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien. De Wmo 2007 kende in tegenstelling tot de Wmo 2015 wél een bepaling waarin was vastgelegd dat geen beroep op de Wmo open stond voor zover een voorziening op grond van een andere wet mogelijk is.
Uit jurisprudentie die daarover is ontstaan volgt dat het college alleen rekening kan houden met een voorziening op grond van een andere wet (een voorliggende voorziening) als de cliënt daar echt aanspraak op heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening als de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of als vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Lid 3 onder b en c Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie (zie in dat verband CRvB 21-01-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:173), waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden.
Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 3 onder d Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden. Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Lid 3 onder e De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Voor het treffen van voorzieningen die 19