Wijzigingstabel januari 2024
Tekst van het document
Wijzigingentabel 1 januari 2024 (Omgevingswet) Artikel VFL Oorspronkelijke tekst VFL 2021 (+ oud artikel) Artikel 1.1 --> Algemene begripsbepalingen
Gewijzigde tekst VFL 2021 (versie Ow)
toevoegen begrip
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
aanpassing begrip
kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor nachtverblijf
Verwijderen begrippen
bouwbesluit
een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor nachtverblijf;
erfgoedcommissie gemeentelijk monument gemeentelijke monumentenlijst Artikel 1.2, 1.3
In deze artikelen wordt een lid toegevoegd, welke luidt: Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
artikel 1.4, 1.5
in deze artikelen wordt een lid toegevoegd, welke luidt: Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning
artikel 2.1
1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake indien niet tenminste een vrije doorgang wordt gelaten van 3,5 m op de rijbaan voor fietsen of gemotoriseerd verkeer. Hiervan is ook sprake indien niet een vrije doorgang van tenminste 2 meter wordt gelaten op voetpaden in winkelcentra. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 12.2, en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7. Hetgeen bepaalt in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake indien niet tenminste een vrije doorgang wordt gelaten van 3,5 m op de rijbaan voor fietsen of gemotoriseerd verkeer. Hiervan is ook sprake indien niet een vrije doorgang van tenminste 2 meter wordt gelaten op voetpaden in winkelcentra. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen en reclameborden. 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 12.2, en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Flevoland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
artikel 2.2
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het bepaalde in het eerste lid is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Flevoland, de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017, de Telecommunicatiewet, de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Lelystad 2017 of nadien gewijzigd. 5. Op een aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Flevoland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
artikel 2.3
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een gemaatvoerde situatietekening van de gewenste uitweg; en, b. een foto van de bestaande situatie. 3. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als dit niet: a. leidt tot een mogelijk verkeersgevaarlijke situatie; b. de functionaliteit van het openbaar gebied op onaanvaardbare wijze aantast ten koste van openbare parkeerplaatsen, lichtmasten, nutsvoorzieningen, containeropstelplaatsen e.d.; c. de ruimtelijke kwaliteit, waaronder het uiterlijk aanzien van de omgeving, op onaanvaardbare wijze aantast; of, d. ziet op het aanleggen van een tweede uitweg op een woonperceel met een frontbreedte van minder dan 25 meter. 4. Hetgeen bepaald in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 of de provinciale wegenverordening of nadien gewijzigd. 5. Het verbod van het eerste lid geldt niet, mits de uitweg wordt aangelegd conform de voor dat gebied geldende inrittenkaart. 6. Het college is bevoegd om inrittenkaarten vast te stellen. 7. Het college is bevoegd de bevoegdheid zoals opgenomen in het zesde lid door te mandateren.
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een gemaatvoerde situatietekening van de gewenste uitweg; en, b. een foto van de bestaande situatie. 3. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als dit niet: a. leidt tot een mogelijk verkeersgevaarlijke situatie; b. de functionaliteit van het openbaar gebied op onaanvaardbare wijze aantast ten koste van openbare parkeerplaatsen, lichtmasten, nutsvoorzieningen, containeropstelplaatsen e.d.; c. de ruimtelijke kwaliteit, waaronder het uiterlijk aanzien van de omgeving, op onaanvaardbare wijze aantast; of, d. ziet op het aanleggen van een tweede uitweg op een woonperceel met een frontbreedte van minder dan 25 meter. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Flevoland of de waterschapsverordening. 5. Het verbod van het eerste lid geldt niet, mits de uitweg wordt aangelegd conform de voor dat gebied geldende inrittenkaart. 6. Het college is bevoegd om inrittenkaarten vast te stellen. 7. Het college is bevoegd de bevoegdheid zoals opgenomen in het zevende lid door te mandateren.
artikel 3.1
1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. 3. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of nadien gewijzigd.
3. Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.
artikel 3.4
1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht of nadien gewijzigd.
2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
artikel 4.3
Het is verboden ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, hinderlijke of schadelijke dieren aanwezig te hebben, te houden of te voeren.
Het is verboden ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, hinderlijke of schadelijke dieren aanwezig te hebben, te houden of te voeren.
art 4.4
4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Flevoland.
4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Flevoland of de waterschapsverordening.
art. 5.1 ==> begripsbepalingen toevoeging begrip
aanpassing begrip
Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 5.2 tot en met 5.5 van deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 5.2 tot en met 5.5 van deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
artikel 5.4
lid 1, sub c.: de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder;
lid 1, sub c: de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
lid 4: Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.
lid 4: Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.
artikel 5.5
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
art. 6.4
1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
artikel 8.1
1. Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof, pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens een Provinciale Verordening of nadien gewijzigd.
1. Het is verboden in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof, pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
artikel 8.2
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
2. ….....in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het
voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
artikel 9.1
1. Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.
1. Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
artikel 11.4
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
art. 11.5
3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening Flevoland.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingsverordening Flevoland.
artikel 12.2
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
art. 12.4
Het verbod van artikel 12.2, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
Het verbod van artikel 12.2, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of deOmgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
artikel 13.1
2. Behoudens hetgeen opgenomen in de Wabo is een ieder die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, verplicht daarvan uiterlijk twee weken van tevoren een melding te doen aan het college. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerwet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Flevoland, de Keur Waterschap
2. Behoudens hetgeen bepaald bij of krachtens de Omgevingswet is een ieder die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, verplicht daarvan uiterlijk twee weken van tevoren een melding te doen aan het college. 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Flevoland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
Zuiderzeeland 2017 of hoofdstuk 20 van deze verordening of nadien gewijzigd.
Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
artikel 13.2
3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening of nadien gewijzigd.
3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Flevoland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.
art 13.3
2. Het verbod is niet van toepassing waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
2. Het verbod is niet van toepassing waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.
artikel 14.1
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren of nadien gewijzigd.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Hoofdstuk 16
wordt geheel gewijzigd, zie het wijzigingsvoorstel.