CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

WasWordt lijst Afstemmingsverordening.

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente LelystadBij agendapunt: 29. Afstemmingsverordening Lelystad 20212.815 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was Artikel 1. Begrippen

Artikel 2 Artikel 3. Horen van belanghebbende 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 4. Afzien en afwijken van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan 3 jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Het college kan bij een besluit krachtens het vierde en vijfde lid van artikel 14 afwijken van de standaardverlaging indien de verlaging onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor minderjarige belanghebbenden 4. Als het college (gedeeltelijk) afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel 5. Ingangsdatum, tijdvak en verlaging 3.

Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog uitgevoerd indien belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 4,eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. 4. Een verlaging wordt berekend over de uitkering van belanghebbende.

Wordt Artikel 1. Begrippen Overbodige begrippen zijn verwijderd en andere zijn toegevoegd om de verordening leesbaarder te maken. Ontbrekende artikelen toegevoegd Artikel 3. Horen van belanghebbende 3. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. sprake is van een zeer ernstige misdraging als bedoeld in artikel 12; of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 4. Afzien en afwijken van verlaging 1. Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig deze verordening in geval van gedragingen bedoeld in artikelen 7 en 8, behoudens artikel 18, negende en tiende lid van de Participatiewet. 2. Het college ziet af van een verlaging als de gedraging meer dan 3 jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 3. Als het college (gedeeltelijk) afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Lid 1a en lid 2 staan in de wet (art 18 lid 9 en 10) Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak 3.

Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog uitgevoerd indien belanghebbende binnen zes maanden opnieuw een uitkering ontvangt. 4. Deze bepaling is verplaatst en verder uitgewerkt naar nieuw artikel 6 Artikel 6. Berekeningsgrondslag van verlaging 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.

Artikel 6. Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2°. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 4°.

het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; 5°.het niet naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet

Artikel 7. Gedragingen IOAW en IOAZ

Artikel 7 Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede en vierde lid, 55 en 56a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: 1°. het zich niet op tijd registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of het niet verlengen van de registratie; 2°. het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting voor een inburgeringsplichtige met recht op bijstand om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering; b. tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2°.

het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid of artikel 55 van de Participatiewet door een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de wet, voor zover dit geen gevolg is van een gedraging als bedoeld artikel 18, vierde lid, van de wet; 3°. het uit houding en gedrag laten zien of duidelijk maken niet te willen voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet. 4°. het niet of onvoldoende leveren van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; 5°. het niet verschijnen op een oproep in verband met de arbeidsinschakeling of tegenprestatie; 6° het niet of onvoldoende nakomen van de identificatieplicht als bedoeld in artikel 17, vierde lid, van de Participatiewet. c. derde categorie: 1°. het niet of onvoldoende naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel 8. Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomens voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2°.

het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening en voor zover dit wel heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37,eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4°.

het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 5°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 6°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet op tijd registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet op tijd verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3°. het uit houding en gedrag laten zien of duidelijk maken niet te willen voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; 4°.

het niet of onvoldoende leveren van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; 5°. het niet verschijnen op een oproep in verband met de arbeidsinschakeling of tegenprestatie. c. derde categorie: 1°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

7°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; Artikel 8. Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 6 en 7, wordt vastgesteld op: a. 10 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie; Artikel 10. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Indien de belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet heeft getoond wordt maandelijks een verlaging toegepast van 10% op de uitkering van belanghebbende. Deze verlaging wordt toegepast over het aantal maanden dat belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht op een uitkering heeft. 2. Indien belanghebbende, in afwijking van lid 1, voorafgaand aan het recht op een uitkering een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft getoond door het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid betreft de verlaging 100% van de uitkering gedurende een maand. Artikel 12.

Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. Artikel 13. Samenloop van gedragingen

Artikel 14. Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7, tweede of derde lid, 8, tweede of derde lid, 12, eerste lid, 13 of 14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, bedraagt de verlaging 100% gedurende 2 maanden. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit krachtens het eerste lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, bedraagt de verlaging 100% gedurende 3 maanden. 3. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit krachtens het tweede lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde

Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 6 en 7, wordt vastgesteld op: a. 10 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van de derde categorie; Artikel 11. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18 lid 2 Participatiewet waardoor hij afhankelijk wordt van een uitkering, wordt de bijstandsnorm afgestemd met een verlaging van 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.

Artikel 13. Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. Artikel 14. Samenloop van gedragingen 5 Als voor dezelfde gedraging de bijstandsnorm op grond van artikel 18 of 18b van de Participatiewet kan worden verlaagd en een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan worden opgelegd, dan kiest het college om de bijstandsnorm te verlagen en geen boete op te leggen. Artikel 15. Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder c, 8, onder c of 11 of 12 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7, onder a en b, 8, onder a en b, of 13 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de

verwijtbare gedraging, bedraagt de verlaging telkens 100% gedurende 3 maanden. 4. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de laatst opgelegde verlaging verdubbeld. 5. De duur van de verlaging ingevolge lid 6 van artikel 18 van de Participatiewet bedraagt 2 maanden

oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3. De duur van de verlaging ingevolge lid 6 van artikel 18 van de Participatiewet bedraagt 2 maanden.

Artikel 17. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening wanneer toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 18 Evaluatie Het college evalueert deze verordening ten minste een maal per vier jaar of zoveel eerder als nodig en legt zo nodig een gewijzigde verordening aan de raad voor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=5a15be8d-c43e-4407-b2a4-dc7fc1e732da