Schriftelijke vragen aanbesteding jeugdwerk
Tekst van het document
Schriftelijke vragen ex artikel 36 Reglement van Orde Onderwerp: Aanbesteding Jongerenwerk Datum: 04-02-2021 Van: Fractie GroenLinks Lelystad, Judith Boertjens
Op 14 april 2020 heeft de raad het college opgedragen een aanbestedingstraject voor het jongerenwerk te starten. Dit als reactie op het gegeven dat het college eerder dat jaar voorbij was gegaan aan de uitdrukkelijke wens van de raad om het jongerenwerk aan te besteden en vanwege ernstige zorgen binnen de raad over de kwaliteit van eerdere uitvoerders van het jongerenwerk (in eerdere jaren). Tijdens de raadsvergadering van 2 juli 2020 heeft de raad een besluit genomen over de voorgelegde startnota over de aanbesteding. De raad heeft het college de hoofdlijnen van de opdracht meegegeven evenals minimale eisen. Het college heeft de genomen besluiten verwerkt in de aanbestedingsstukken. De aanbesteding is op 24 augustus 2020 gepubliceerd en op 5 oktober 2020 gesloten. In een informatienota van 3 november 2020 wordt medegedeeld dat er maar één geldige inschrijving is ontvangen en dat die ter beoordeling wordt behandeld conform de afgesproken procedure. Op 11 november 2020 heeft de definitieve gunning plaatsgevonden. De aanbesteding en gunning van het jongerenwerk is daarmee een gelopen race. We stellen deze vragen m.n. gericht op toekomstige trajecten. 1.
Heeft het college overwogen om – toen er maar één geldige inschrijving was – de aanbestedingsperiode te verlengen, of de aanbestedingsopdracht terug te geven aan de raad? Zo ja: wat heeft het college doen besluiten toch anders te handelen? Zo nee: waarom niet? 2. Feitelijk kunnen we spreken over een mislukte aanbesteding, als er maar één partij overblijft. Waarom heeft het college de raad niet vroegtijdig/tussentijds in het traject – namelijk op 5 oktober – geïnformeerd over en betrokken bij dit mislukte aanbestedingstraject? De raad was immers aanjager van de aanbesteding. Nu is de raad pas geïnformeerd op het moment dat er niets meer veranderd kon worden. 3. Realiseert het college zich dat de raad, als aanjager van deze aanbesteding, nu voor een voldongen feit werd gesteld? Hoe waardeert het college het eigen handelen in dezen? 4. Heeft het college al een evaluatie van dit aanbestedingstraject in gang gezet, om na te gaan waarom slechts één partij uiteindelijk overbleef en er geen sprake meer was van een daadwerkelijke keuze voor de beste kandidaat – wat toch de hele gedachte achter een aanbesteding is? 5. Zo nee, kan het college toezeggen dat er alsnog een evaluatie zal plaatsvinden, zowel over de kwaliteit en het proces van de aanbesteding alsook over de informatievoorziening richting de raad? 6. Welke lessen vallen uit dit traject te leren voor toekomstige aanbestedingen?