Rapd05-Toel 29-04 jalien.
Tekst van het document
Bestemmingsplan herinrichting locaties Edelhertweg Toelichting bestemmingsplan herinrichting locaties Edelhertweg Wageningen Universiteit & Research 29 april 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Bestemmingsplan herinrichting locaties Edelhertweg Wageningen Universiteit & Research
Toelichting bestemmingsplan herinrichting locaties Edelhertweg Definitief 05 29 april 2021 116975/21-006.847
116975 drs. T. Klumper drs. M.J. Schilt
J.B. Oegema MSc M.J. Ruiter MSc, drs. T. Klumper drs. T. Klumper
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Hoogoorddreef 15 Postbus 12205 1100 AE Amsterdam +31 (0)20 312 55 55 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
8
1.3
Vigerend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
9
2
BESCHRIJVING PLANGEBIED
10
2.1
Huidige situatie
10
2.2
Planbeschrijving
10
3
BELEIDSKADER
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.1.1 3.1.2 3.1.3
13 14 14
3.2
3.3
Nationale Omgevingsvisie Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Besluit ruimtelijke ordening
Provinciaal beleid
15
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5
15 15 16 17 18
Omgevingsvisie FlevoStraks Structuurvisie Zon Omgevingsverordening Flevoland Omgevingsprogramma provincie Flevoland Regioplan Wind Zuidelijk en Oostelijk Flevoland
Gemeentelijk beleid
18
3.3.1 3.3.2 3.3.3
18 19 19
Ontwerp omgevingsvisie Lelystad Structuurplan Lelystad 2015 Welstandsnota 2015
4
OMGEVINGSASPECTEN
21
4.1
Beoordeling m.e.r.-plicht
21
4.2
Ecologie
22
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3
Water
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Conclusie
22 25 27 27
4.3.1 4.3.2 4.3.3
Beleid waterschap Zuiderzeeland Watertoets Conclusie
27 28 29
4.4
Duurzaamheid
29
4.5
Externe veiligheid
30
4.6
Bedrijven en milieuzonering
31
4.7
Bodem
32
4.8
Niet-gesprongen explosieven
32
4.9
Archeologie
32
4.10
Cultuurhistorie en landschap
34
4.11
Verkeer en parkeren
35
4.12
Luchtkwaliteit
36
4.13
Geluid
36
4.14
Kabels en leidingen
37
5
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
39
5.1
Inleiding
39
5.2
Planregels
39
6
UITVOERBAARHEID
41
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
41
6.2
Economische uitvoerbaarheid
41
7
PROCEDURE
42
7.1
Vooroverleg
42
7.2
Ontwerpfase
42
7.3
Vaststellingsfase
42
Laatste pagina
42
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
6
II
Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie
10
III
Natuurtoets
36
IV
Stikstofdepositieonderzoek
27
V
Watertoets
13
VI
Wateradvies waterschap Zuiderzeeland
3
VII
Historische bodemonderzoek
29
VIII
Archeologisch vooronderzoek
36
IX
Landschappelijk schetsontwerp
4
X
Nota van beantwoording zienswijzen
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Wageningen Plant Research Lelystad (business unit Open Teelten) is een van de 10 locaties van Wageningen Plant Research. Wageningen Plant Research is een onderdeel van Wageningen University & Research. Bij Wageningen Plant Research in Lelystad wordt onderzoek gedaan naar akkerbouw, groene ruimte en vollegrondsgroenten. Tevens heeft het landelijke praktijkcentrum voor duurzame energie en groene grondstoffen (ACRES) er diverse onderzoeksopstellingen staan, onder meer voor bewaarcellen en loodsen. Wageningen Plant Research voorziet de komende 5 tot 10 jaar een groei in haar activiteit in Lelystad. Wageningen Plant Research wil daarom haar bouwvlak aan Edelhertweg 1 en 3 te Lelystad vergroten om toekomstige groei mogelijk te maken. Het bouwvlak aan Edelhertweg 14, 16 en 18 te Lelystad wordt hiervoor wegbestemd. De locatie aan Edelhertweg 14, 16 en 18 behoudt de bestemming ‘Agrarisch Science’. Dit betekent dat binnen de gehele locatie van WUR er netto geen sprake is van uitbreiding van het bouwvlak. Hiertoe is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Noodzaak bouwvlakvergroting Op dit moment biedt het huidige bouwvlak aan de Edelhertweg 1 en 3 weinig tot geen uitbreidingsmogelijkheden.
Dit terwijl Wageningen Plant Research de komende jaren groei in haar activiteiten voorziet, met name op het gebied van het realiseren, vernieuwen en concentreren van representatieve onderzoeksopstellingen. Deze onderzoeksopstellingen hebben een cruciale rol in het vertalen en demonstreren van fundamentele kennis naar innovatieve- en praktijkrijpe oplossingen. Wageningen Plant Research wil in de toekomst snel kunnen inspelen bij nieuwe innovaties op het gebied van onder andere bewaaronderzoek voor akkerbouwgewassen, gewasbeschermingsmiddelen en hightech innovatiefaciliteiten op het gebied van aquatische biomassa, bioraffinage, smart energy en groen gas ketens. Aangezien op de percelen van Edelhertweg 14, 16 en 18 op dit moment geen onderzoeksactiviteiten plaatsvinden en Wageningen Plant Research haar onderzoeksactiviteiten geclusterd wil houden op 1 locatie, is het idee ontstaan om het bouwvlak aan Edelhertweg 14, 16 en 18 op te offeren (en de bebouwing te slopen) om daarmee het bouwblok aan Edelhertweg 1 en 3 te vergroten. Op dit moment liggen er al concrete plannen die gerealiseerd kunnen worden als het bouwvlak aan de Edelhertweg 1 en 3 vergroot is. Het gaat om de volgende plannen: - bewaaronderzoek: de huidige bewaarlocatie in Nagele behoeft vernieuwing.
In het kader van een efficiëntere bedrijfsvoering wil Wageningen Plant Research dit graag in Lelystad realiseren; - testruimte gewasbeschermingsmiddelen; - ACRRES: faciliteiten op het gebied van smart grids, hergebruik van reststromen en inzet van biotechnologie. Het verleden heeft laten zien dat ruimte binnen het bouwvlak de slagvaardigheid vergroot waardoor de Wageningen Plant Research een aantrekkelijke partij is voor nieuwe innovaties. Wageningen Plant Research wil daarom haar huidige bouwvlak vergroten. Op deze wijze kan Wageningen Plant Research in de toekomst snel inspelen bij nieuwe innovaties.
7 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt ten oosten van Lelystad. Afbeelding 1.1 geeft de globale ligging van het plangebied weer. Het plangebied bestaat uit 2 locaties, links Edelhertweg 14, 16 en 18 en rechts Edelhertweg 1 en 3. Afbeelding 1.2 weergeeft de exacte afbakening van het plangebied met rode contouren.
Afbeelding 1.1 Globale ligging plangebied (links Edelhertweg 14, 16 en 18 en rechts Edelhertweg 1 en 3)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied ligt het bestemmingsplan ‘Eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009’, onherroepelijk sinds 28 januari 2015. Het huidige plangebied heeft momenteel de bestemming ‘Agrarisch - Science’ (artikel 4 bestemmingsplanregels Buitengebied 2009). Afbeelding 1.2 toont een uitsnede van de plankaart van het vigerende bestemmingsplan. Voor het huidige plangebied zijn bouwvlakken opgenomen in het bestemmingsplan. De gebouwen mogen alleen binnen dit bouwvlak worden gebouwd. De gewenste uitbreiding vindt plaats buiten dit bouwvlak en ter plaatse van de bestemming ’Agrarisch’ (artikel 3) en is daarom strijdig met het bestemmingsplan.
Afbeelding 1.2 Uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan Buitengebied 2009 (links Edelhertweg 14, 16 en 18 en rechts Edelhertweg 1 en 3)
8 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt de huidige situatie en de planbeschrijving beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader van het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Lelystad. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de omgevingsaspecten die relevant zijn voor onderhavig bestemmingsplan. De juridische planbeschrijving is opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 volgt een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de bestemmingsplanprocedure beschreven.
9 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
2 BESCHRIJVING PLANGEBIED 2.1
Huidige situatie
Het plangebied van de Wageningen Plant Research Lelystad (business unit Open Teelten) bestaat uit 2 locaties die zijn ontsloten aan de Edelhertweg. Het plangebied ligt ten oosten van de stad Lelystad in een open agrarisch gebied met weinig bebouwing. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door akkerbouw kavels in een regelmatig patroon. De verschillende kavels aan de Edelhertweg zijn haaks op de weg gesitueerd. Wageningen Plant Research Lelystad (business unit Open Teelten) is een van de hoofdlocaties van Wageningen Plant Research, onderdeel van Wageningen University & Research. Bij Wageningen Plant Research in Lelystad aan Edelhertweg 1 en 3 wordt onderzoek gedaan naar akkerbouw, groene ruimte en vollegrondsgroenten. Tevens heeft het landelijke praktijkcentrum voor duurzame energie en groene grondstoffen (ACRRES) er diverse onderzoeksopstellingen staan. Het bouwvlak aan Edelhertweg 1 en 3 heeft een oppervlakte van 6,327 hectare. Op dit moment staan er een schuur, een reinwaterkelder en 2 woningen op de locatie van Wageningen Plant Research aan Edelhertweg 14, 16 en 18. Op dit moment vinden geen onderzoeksactiviteiten aan de locatie op Edelhertweg 14, 16 en 18 plaats. Het bouwvlak aan Edelhertweg 14, 16 en 18 heeft een oppervlakte van 6,507 hectare.
Zowel Wageningen Plant Research (WPR) als ACRRES werken intensief samen met het bedrijfsleven en overheden en zijn inmiddels ‘the place to be’ om nieuwe innovaties daadwerkelijk in de praktijk uitgetest en gerealiseerd te zien worden.
2.2
Planbeschrijving
Op dit moment is de Wageningen Plant Research in het bezit van 2 kavels met daarop een bouwvlak. Deze bouwvlakken zijn gelegen aan Edelhertweg 1 en 3 en Edelhertweg 14, 16 en 18 te Lelystad. Wageningen Plant Research wil haar bouwvlak aan Edelhertweg 14, 16 en 18 graag ‘inleveren’ en het bouwvlak aan Edelhertweg 1 en 4 vergroten ter grootte van het aantal hectare van het huidige bouwvlak aan Edelhertweg 14, 16 en 18 (6,507 hectare). De reden hiertoe is dat Wageningen Plant Research haar bedrijvigheid geclusterd wil houden op 1 locatie. Het bouwvlak aan Edelhertweg 14, 16 en 18 komt te vervallen. De bestaande schuur en 2 woningen aan Edelhertweg 14, 16 en 18 worden gesloopt. De reinwaterkelder wordt niet gesloopt. Op de reinwaterkelder wordt een vleermuistoren gebouwd, welke zal dienen als alternatieve verblijfplaats van gewone dwergvleermuizen die op dit moment aanwezig zijn op Edelhertweg 15 (aan de overzijde van het de locaties Edelhertweg 14, 16 en 18). Afbeelding 2.1 geeft het huidige bouwvlak van Edelhertweg 1 en 3 weer. Het huidige bouwvlak is circa 220 meter breed en 282 meter lang en heeft een oppervlakte van 6,327 hectare. Afbeelding 2.1 geeft bovendien de gewenste uitbreiding van het bouwvlak weer. Het huidige bouwvlak wordt in westelijke richting met 68 meter verbreed en in zuidelijke richting met 158,5 meter verlengd.
10 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Afbeelding 2.2 geeft het huidige bouwvlak van Edelhertweg 14, 16 en 18 weer. De bestaande bebouwing aan de Edelhertweg 14, 16 en 18 zal binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan zijn gesloopt (met uitzondering van de reinwaterkelder). De vrijgekomen gronden worden vervolgens weer ingezet als cultuurgrond voor het verbouwen van gewassen. In het bestemmingsplan is daarom het bouwvlak van de verbeelding verwijderd. De sloop van bestaande bebouwing op Edelhertweg 14, 16 en 18 is in de planregels als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Dit omdat het niet wenselijk wordt geacht dat binnen de bestemming Agrarisch - Science nieuwe gebouwen worden gebouwd voordat de bestaande bebouwing is gesloopt.
Afbeelding 2.1 Huidige bouwvlak Edelhertweg 1 en 3 en de gewenste uitbreiding van het bouwvlak
11 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Afbeelding 2.2 Huidige bouwvlak Edelhertweg 14, 16 en 18
12 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het Rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid behandeld dat betrekking heeft op onderhavig plan.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor het beleid voor de fysieke leefomgeving in Nederland voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI beschrijft 21 nationale belangen. De volgende belangen zijn van toepassing op voorgenomen ontwikkeling: 1 waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 2 ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie.
Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat De NOVI beschrijft dat een concurrerende, duurzame en circulaire economie in heel Nederland de basis is van de welvaart van Nederland, nu en in de toekomst. Nederland behoort tot de wereldwijde top van de meest concurrerende en dynamische kenniseconomieën. Nederland wil voorop lopen in de ontwikkeling, toepassing en export van slimme en duurzame producten, diensten en technologieën. De opgave die bij dit nationaal belang hoort betreft het zorgen voor en excellent vestigingsklimaat met optimale (internationale) bereikbaarheid, een aantrekkelijke, groene, veilige en gezonde leefomgeving en een op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor bedrijvigheid, waarbij overschotten en tekorten voorkomen worden. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie Het is van groot belang voor Nederland dat de land- en tuinbouw als grootste gebruiker van het landelijk gebied de omslag kan maken naar een kringlooplandbouw, waarbij landbouw en biodiversiteit elkaar versterken. Op deze manier kan de Nederlandse land- en tuinbouw op duurzame wijze kwalitatief hoogwaardige producten leveren (zoals agroproducten, biomassa en voedsel). De opgave die bij dit nationaal belang hoort, betreft het mogelijk maken en realiseren van de transitie naar kringlooplandbouw.
13 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt uitvoering gegeven aan bovengenoemde nationale belangen. Voorgenomen ontwikkeling bevordert de mogelijkheden voor kennisontwikkeling, innovaties en nieuwe producten op het gebied van duurzaamheid gericht op de agrarische sector.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro voorziet in de ruimtelijke borging van het nationaal ruimtelijk beleid zoals dit is beschreven in de SVIR. Met de komst van de NOVI komt de SVIR te vervallen en gaat de SVIR bijna geheel op in de NOVI. Het Barro blijft ook onder de NOVI van kracht. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de NOVI is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen wordt ingezet. Concreet betekent dit dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Dit plan raakt geen Rijksbelangen zoals deze zijn genoemd in het Barro en staat het Barro niet in de weg.
3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.
Voorliggend bestemmingsplan maakt geen extra bebouwing in het buitengebied van de gemeente Lelystad mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan wijzigt enkel de locatie waar gebouwd mag worden. Het bouwvlak aan de Edelhertweg 14, 16 en 18 wordt opgeheven en het bouwvlak aan de Edelhertweg 1 en 3 wordt vergroot met exact hetzelfde aantal hectares als het voormalige bouwvlak aan Edelhertweg 14, 16 en 18. In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 21 april 2017 tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening wordt beschreven dat ontwikkelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, niet gezien worden als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. De laddertoets is derhalve niet van toepassing.
14 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie FlevoStraks
De Omgevingsvisie FlevoStraks is vastgesteld op 8 november 2017. De Omgevingsvisie FlevoStraks geeft de visie van de provincie Flevoland over de periode tot 2030 en verder. De omgevingsvisie geeft bovendien inzicht in de kansen, opgaven en ambities voor Flevoland. In de omgevingsvisie worden 3 kernopgaven voor de provincie Flevoland benoemd: 1 het Verhaal van Flevoland (fysieke leefomgeving); 2 Krachtige Samenleving (sociaaleconomische omgeving); 3 ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). Deze 3 opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. In de omgevingsvisie staan naast de 3 kernopgaven ook 4 strategische opgaven benoemd: 1 Duurzame Energie; 2 Regionale Kracht; 3 Circulaire Economie; 4 Landbouw: Meerdere Smaken. Ten aanzien van de kernopgave het Verhaal van Flevoland wordt met voorgenomen ontwikkeling rekening gehouden met de landschappelijke waarden van het plangebied. In paragraaf 4.10 van deze toelichting wordt hier nader op ingegaan en wordt de bijdrage van voorgenomen ontwikkeling op de ruimtelijke kwaliteit toegelicht. Voorgenomen ontwikkeling draagt bovendien bij aan de 4 bovengenoemde strategische opgaven. Allereerst biedt de bouwvlakvergroting ruimte voor duurzame energie. Ook draagt de bouwvlakvergroting bij aan de agrosector en hiermee aan de regionale kracht van de provincie.
De bouwvlakvergroting biedt tevens mogelijkheden voor het doen van onderzoek op het gebied van circulaire economie, bijvoorbeeld onderzoek naar biomassa. Tot slot draagt de uitbreiding van de Wageningen Plant Research Lelystad bij aan de ontwikkeling van innovatie in de agrosector en hiermee aan de strategische opgave ‘Landbouw: Meerdere Smaken’. Onderhavig plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie FlevoStraks, daar het bijdraagt aan de opgaven die zijn benoemd in de Omgevingsvisie FlevoStraks.
3.2.2
Structuurvisie Zon
De Structuurvisie Zon (vastgesteld op 18 juli 2018) is het beleidskader van de provincie Flevoland ten behoeve van het opwekken van grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied. De provincie kent een grote energieopgave. Om als regio in 2030 energieneutraal te zijn is het van belang om duurzame energie op te wekken. Zonne-energie dient voor een groot deel deze duurzame energieopgave invulling te geven. Een deel van deze zonne-energie dient opgewekt te worden in het stedelijk gebied. Een ander deel dient opgewekt te worden in het landelijk gebied. Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de realisatie van deze opgave omdat op Wageningen Plant Research Lelystad onderzoek wordt gedaan naar verschillende opstellingen van zonnepanelen. De kennis die vergaard wordt door deze onderzoeken kan uiteindelijk bijdragen aan de opgave van de provincie om in 2030 energieneutraal te zijn.
15 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
3.2.3
Omgevingsverordening Flevoland
De Omgevingsverordening Flevoland is vastgesteld op 27 februari 20191. De omgevingsverordening geeft regels voor de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsverordening Flevoland worden regels gegeven voor het plangebied die betrekking hebben op de volgende thema’s: - schaliegas: in de Omgevingsverordening regels zijn regels gesteld met het oog op het borgen dat bij het opsporen en winnen van schaliegas en -olie de provinciale belangen niet worden geschaad. Voorgenomen plan maakt opsporing en winnen van schaliegas en -olie niet mogelijk; - wind: in de Omgevingsverordening zijn regels gesteld met het oog op het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder molens kan worden opgewekt. In de Omgevingsverordening is het plangebied aangewezen als ‘projectgebied’ voor windmolens. Dit betekent dat het plangebied door gedeputeerde staten is aangewezen als gebied waarbinnen voldoende perspectief voor een initiatiefnemer is om een project van opschalen en saneren in zijn geheel te realiseren. Ook is het plangebied aangewezen als ‘plaatsingszone’. Dit betekent dat het plangebied door Gedeputeerde Staten is aangewezen als zone binnen een projectgebied voor het plaatsen van nieuwe windmolens. Het plangebied aan Edelhertweg 1 en 3 betreft een testlocatie voor windturbines.
Momenteel zijn er 4 tijdelijke kleine windturbines aanwezig op de locatie aan Edelhertweg 1 en 3. Deze 4 kleine windturbines zijn onderdeel van een onderzoek naar toekomstige energiesystemen en maken geen deel uit van de testlocatie. De ruimtelijke inpassing van deze kleine windturbines is reeds geregeld via een planologische procedure. Voorliggend plan voorziet niet in de planologische inpassing van windturbines. Indien Wageningen Plant Research in de toekomst voornemens is om meer (kleine) windturbines in het plangebied te realiseren, zal dit ook via een (aparte) planologische procedure geregeld worden; - bescherming landschap: de Omgevingsverordening schrijft voor dat het verboden is om zonder ontheffing 1 of meerdere borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op een onroerende zaak. Het plaatsen van borden maakt geen deel uit van voorgenomen plan; - watersystemen: de Omgevingsverordening schrijft regels voor die betrekking hebben op het watersysteem. In paragraaf 4.4 van deze toelichting wordt gemotiveerd dat het onderwerp water geen belemmering vormt voor voorgenomen plan; - Natuurnetwerk Nederland (werkingsgebied): in de Omgevingsverordening zijn regels gesteld over Natuurnetwerk Nederland (NNN).
In paragraaf 4.2.3 van deze toelichting wordt gemotiveerd dat het onderwerp NNN geen belemmering vormt voor voorgenomen plan; - luchtvaart: in de Omgevingsverordening worden regels gesteld met betrekking tot het aanvragen of vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling gelegen in de provincie Flevoland. Het aanvragen, vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling is niet van toepassing op voorgenomen plan; - bodemsanering: de Omgevingsverordening geeft regels over bodemsanering in aanvulling op de Wet bodembescherming. In paragraaf 4.7 van deze toelichting wordt gemotiveerd dat de bodem geen belemmering vormt voor voorgenomen plan. In het bestemmingsplan is bovendien middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat er voorafgaand aan de sloop van de gebouwen op Edelhertweg 14, 16 en 18 bodemonderzoek uitgevoerd wordt. Indien er ter plaatse van Edelhertweg 14, 16 en 18 sprake is van bodemverontreiniging dient deze gesaneerd te worden. Alles overziend staat voorgenomen plan de Omgevingsverordening Flevoland niet in de weg.
1
Sindsdien zijn er beleidsdocumenten vastgesteld, waarmee wijzigingen in het beleid zijn doorgevoerd. Dit betreffen wijzigingen tot en met 10 juli 2019.
16 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
3.2.4
Omgevingsprogramma provincie Flevoland
Op 15 maart 2019 is het Omgevingsprogramma Provincie Flevoland in werking getreden1. In het Omgevingsprogramma is het bestaande beleid van de provincie op het gebied van de fysieke leefomgeving omgezet naar 1 programma, dat digitaal beschikbaar is. Provinciale beleidskeuzes zijn compact beschreven en onderlinge samenhang tussen verschillende beleidsterreinen is gewaarborgd. Het Omgevingsprogramma is zelfbindend voor de provincie. In het Omgevingsprogramma provincie Flevoland worden regels gegeven voor het plangebied die betrekking hebben op de volgende thema’s: - wind: het Omgevingsprogramma schrijft voor dat nieuwe windmolens alleen zijn toegestaan voor een bepaalde periode. Uitzondering hierop zijn windmolens die deel uitmaken van de testlocatie voor windmolens te Lelystad, die bestaat uit maximaal 12 prototype windmolens, als integraal onderdeel van een kennis- of ontwikkelcentrum duurzame energie in Flevoland. Het plangebied aan Edelhertweg 1 en 3 betreft een testlocatie voor windturbines. Momenteel zijn er 4 kleine tijdelijke windturbines aanwezig op de locatie aan Edelhertweg 1 en 3. Deze 4 kleine windturbines zijn onderdeel van een onderzoek naar toekomstige energiesystemen en maken geen deel uit van de testlocatie. De ruimtelijke inpassing van deze kleine windturbines is reeds geregeld via een planologische procedure.
Voorliggend plan voorziet niet in de planologische inpassing van windturbines. Indien Wageningen Plant Research in de toekomst voornemens is om meer (kleine) windturbines in het plangebied te realiseren, zal dit ook via een (aparte) planologische procedure geregeld worden; - ruimte: het deel van het plangebied dat gelegen is aan Edelhertweg 14, 16 en 18 ligt op de grens van het stedelijk gebied zoals aangeduid in het Omgevingsprogramma. De bebouwing ter plaatse van Edelhertweg 14, 16 en 18 wordt in de toekomst gesloopt en de grond wordt weer cultuurgrond. Gezien de beperkte omvang van deze verandering wordt deze verandering niet als wezenlijke belemmering beschouwd; - landschap: in het Omgevingsprogramma wordt het plangebied aangeduid als gebied met cultuurhistorische en landschappelijke basiskwaliteiten. Het gaat dan onder meer om openheid, verkavelingsstructuur en erfbeplanting. In paragraaf 4.9 van deze toelichting wordt gemotiveerd dat het voorgenomen plan een positieve bijdrage levert aan het landschap; - aardkunde: in het Omgevingsprogramma wordt het plangebied aangewezen als aardkundig waardevol gebied. Binnen het aardkundig gebied zijn specifieke locaties aangegeven waar aardkundige waarden hoog zijn.
In paragraaf 4.9 van deze toelichting wordt gemotiveerd dat voorgenomen plan geen aardkundige waarden schaadt; - archeologie: in het Omgevingsprogramma wordt het plangebied aangewezen als archeologisch aandachtsgebied. Ten behoeve van voorgenomen plan is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.8 wordt gemotiveerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig plan; - functies watersysteem: in het Omgevingsprogramma is het water in het plangebied (deels) aangewezen als water voor agrarisch gebied, water voor stedelijk gebied. In paragraaf 4.3 wordt gemotiveerd dat het onderdeel water geen belemmering vormt voor voorgenomen plan; - natuur: in het Omgevingsprogramma wordt het plangebied aangewezen als ‘Natuur buiten Natuurnetwerk’. In paragraaf 4.2 wordt gemotiveerd dat natuur geen belemmering vormt voor voorgenomen plan; - geluid: het deel van het plangebied aan Edelhertweg 1 en 3 is in het Omgevingsprogramma Flevoland aangewezen als zoekgebied luchtvaartterrein. Voorgenomen plan voorziet niet in luchtvaartactiviteiten; - bodemenergie: in het Omgevingsprogramma wordt benoemd dat de provincie buiten beschermingsgebieden voor grondwater optimaal gebruik en ruimte biedt voor het winnen van duurzame bodemenergie. Voorgenomen plan sluit deze mogelijkheid niet uit.
Het onderwerp bodemenergie vormt geen belemmering voor voorgenomen plan; - hoofdassen Flevoland: in het Omgevingsprogramma is een deel van het plangebied aangewezen als knooppunt en onderzoek locatie toekomstige hoofdas OV. Voorgenomen plan hindert deze mogelijke toekomstige ontwikkeling niet;
1
Sindsdien zijn er beleidsdocumenten vastgesteld, waarmee wijzigingen in het beleid zijn doorgevoerd. Dit betreffen wijzigingen tot en met 10 juli 2019.
17 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
-
kernnet openbaar vervoer: in het Omgevingsprogramma is een deel van het plangebied aangewezen als mogelijke locatie voor een kernnet bus. Er worden mogelijkheden onderzocht om verschillende verbindingen te verbeteren tussen plaatsen in de provincie Flevoland. Voorgenomen plan maakt deze mogelijke toekomstige ontwikkelingen niet onmogelijk.
Al met al staat voorgenomen plan het Omgevingsprogramma provincie Flevoland niet in de weg.
3.2.5
Regioplan Wind Zuidelijk en Oostelijk Flevoland
Op 13 juli 2013 is het Regioplan Wind Zuidelijk en Oostelijk Flevoland vastgesteld. Het Regioplan vormt het ontwikkelkader voor de realisatie van het beleid van opschalen en saneren van windturbines in de provincie Flevoland en geeft de planologische kaders op hoofdlijnen voor de ontwikkeling van nieuwe windparken in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland. Het Regioplan heeft de status van een structuurvisie en is daarmee bindend voor de provincie en de gemeenten Zeewolde, Dronten en Lelystad. In het Regioplan staat benoemd dat de provincie meer energie wil opwekken met minder windmolens. Nieuwe, hogere windmolens leveren veel meer energie op dan oude. Provincie Flevoland wil rond 2030 alle oude windmolens in het plangebied vervangen door nieuwe. Het uiteindelijke resultaat van deze opgave is een mooier landschap, een duurzamere energiehuishouding, een sterkere economie en een onverminderd groot draagvlak in de samenleving. Voorgenomen plan maakt geen nieuwe windmolens planologisch-juridisch mogelijk. Het plangebied aan Edelhertweg 1 en 3 betreft een testlocatie voor windturbines. Er staan reeds 4 tijdelijke kleine windturbines in het plangebied. Deze 4 kleine windturbines zijn onderdeel van een onderzoek naar toekomstige energiesystemen en maken geen deel uit van de testlocatie. De ruimtelijke inpassing van deze kleine windturbines is reeds geregeld via een planologische procedure.
Indien Wageningen Plant Research in de toekomst voornemens is om meer (kleine) windturbines in het plangebied te realiseren, zal dit ook via een (aparte) planologische procedure geregeld worden. Het Regioplan Wind Zuidelijk en Oostelijk Flevoland vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Ontwerp omgevingsvisie Lelystad
Op 6 oktober 2020 is de ontwerp omgevingsvisie Lelystad vastgesteld. Deze omgevingsvisie beschrijft de toekomstvisie voor de leefomgeving van Lelystad. In de omgevingsvisie wordt de volgende ambitie benoemd: ‘Lelystad, Hoofdstad van de Nieuwe Natuur, is in 2040 een zelfstandige, sociaal veerkrachtige, duurzame, aantrekkelijke en economisch sterke stad met 100.000 inwoners. Hiervoor gaat Lelystad haar potentie volop benutten en kiest voor haar unieke kwaliteiten én de onderscheidende regionale positie’. Om deze ambitie te behalen schetst gemeente Lelystad in de omgevingsvisie de belangrijkste strategische opgaven, welke zijn onderverdeeld in 4 thema’s: werken en leren, wonen en voorzieningen, groen en genieten en mobiliteit en bereikbaarheid.
De strategische opgaven die horen bij het thema ‘werken en leren’ luiden als volgt: 1 Lelystad richt zich voor de groei van de bedrijvigheid op de sectoren logistiek, toerisme en secundaire agrofood en wil daarin een speler worden op landelijk niveau; 2 de A6 zone wordt de economische as met de belangrijkste werkgebieden Lelystad Airport Businesspark, Lelystad Airport en Flevokust Haven; 3 de vrijetijdseconomie wordt verder uitgebouwd door onder andere ontwikkeling Kustzone; 4 Stadshart en Bataviakwartier genereren werkgelegenheid in de detailhandel, horeca en leisure/(water)recreatie; 5 Lelystad gaat de innovatieve duurzame landbouw faciliteren om zo mogelijkheden te bieden voor werkgelegenheid in de secundaire agrofood sector;
18 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
6
de Campuszone wordt doorontwikkeld voor onder andere onderwijs- en sportvoorzieningen.
In de omgevingsvisie staat benoemd dat Lelystad zichzelf als proeftuin op de kaart wil zetten. Om dit te bereiken worden bedrijven en kennisinstellingen gestimuleerd om in de praktijk nieuwe energievormen, groene energie, agribusiness, logistiek, duurzame luchtvaart en een circulaire economie te testen. De omgevingsvisie beschrijft dat de samenwerking met de WUR wordt versterkt. Voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de ontwerp omgevingsvisie Lelystad omdat het bijdraagt aan innovatieve duurzame landbouw en het neerzetten van Lelystad als proeftuin op de kaart.
3.3.2
Structuurplan Lelystad 2015
Het Structuurplan schetst het raamwerk en geeft de ambities waarbinnen de gemeente Lelystad zich de komende jaren kan ontwikkelen tot een complete stad. In 2014 is het Structuurplan Lelystad 2015 gering geactualiseerd. Deze actualisatie had betrekking op de analyse en visie op de aandachtspunten wonen, werken, recreëren en voorzieningen. Het buitengebied wordt in het plan beschouwd als verschillende zones/ stroken. Een van deze zones/stroken betreft het BioScience Park + Institutenlandschap (halfopen landschap). Het Institutenlandschap wordt beschreven als raamwerk van groene eilanden, waarbinnen extensieve agrarisch gelieerde instituten een plek kunnen vinden, in een open ruimte die zich in samenhang kunnen ontwikkelen. Uit het gebied komen regelmatig duurzaamheidsinitiatieven zoals locaties voor het benutten van biomassa voor de opwekking van energie of windmolens voor. Een van de speerpunten die in het Structuurplan wordt benoemd is het BioScience Park uit te werken als onderdeel van het Institutenlandschap. In het Structuurplan wordt genoemd dat het BioScience Park kan bijdragen aan het versterken van de hoogwaardige, kennisintensieve werkgelegenheid, gekoppeld aan technologische hoogwaardige bedrijvigheid.
Voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het Structuurplan Lelystad 2015 omdat het mogelijkheden creëert voor het uitbreiden van de technologische hoogwaardige bedrijvigheid. Tevens zal voorgenomen ontwikkeling op termijn de hoogwaardige kennisintensieve werkgelegenheid versterken.
3.3.3
Welstandsnota 2015
Met de Welstandsnota wil de gemeente Lelystad potentiële indieners van bouwplannen uitdagen en inspireren om plannen te ontwikkelen die ten goede komen aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. De nota geeft uitgangspunten en criteria voor welstandsoordelen. De Welstandsnota biedt tevens ruimte voor duurzame initiatieven. Eén van de belangrijkste uitgangspunten voor het welstandsbeleid van de gemeente Lelystad betreft de gebiedsgerichte aanpak. Op basis van de structuur van de stad zijn voor verschillende wijken gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld. Voor het buitengebied geldt een vrijwillige welstand, waar voorgenomen ontwikkeling onder valt. Voor deze gebieden zijn aanbevelingen opgenomen in de Welstandsnota, in deze het streven naar behoud van de typerende kenmerken van het bestaande buitengebied. In de Welstandsnota wordt genoemd dat het buitengebied van Flevoland wordt gekenmerkt door de landbouw. De landbouw in de polder is een grote ruimtegebruiker en heeft voor een belangrijk deel bijgedragen aan het huidige landschap. Kenmerkend voor het buitengebied is het verkavelingspatroon, de strakke functionele belijning, de ruimtemaatvoering en de duidelijke scheiding van functies volgens het cascoprincipe.
In de Welstandsnota wordt het cascoprincipe als volgt omschreven: een raamwerk van kernkwaliteiten van het onderliggende landschap zoals de open - halfopen en gesloten landschappen van wegen, vaarten, houtwallen en - singels en bosstructuren. Voorgenomen ontwikkeling is gelegen in een halfopen landschap.
19 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het behoud en versterken van typerende kenmerken van het bestaande buitengebied. In paragraaf 4.10 wordt nader ingegaan op het aspect landschappelijke inpassing. Voorgenomen ontwikkeling is hiermee in lijn met de Welstandsnota.
20 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
4 OMGEVINGSASPECTEN Bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de mogelijke milieuactiviteiten die het plan mogelijk maakt. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende (omgevings)aspecten: m.e.r.-plicht, ecologie, water, duurzaamheid, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, bodem, niet gesprongen explosieven, archeologie, cultuurhistorie en landschap, verkeer, luchtkwaliteit en geluid.
4.1
Beoordeling m.e.r.-plicht
Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur (AMvB) en schrijft voor of bij de voorbereiding van een plan of besluit een m.e.r.(beoordelings)-procedure moet worden doorlopen. In onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. zijn activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor het doorlopen van een m.e.r. of het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Toetsingskader Voorgenomen plan valt onder categorie D9 van de D-lijst uit de milieueffectrapportage. In categorie D9 van de D-lijst wordt gesproken over een ‘landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan’. In de kolom ‘gevallen’ staan de volgende drempelwaarden beschreven voor een activiteit waarvoor wel of niet een m.e.r.-beoordelingsprocedure dient te worden doorlopen: 1 een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw; of 2 vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. Voorgenomen plan valt onder bovengenoemde drempelwaarden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ten behoeve van de voorbereiding van dit bestemmingsplan is daarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (bijlage I).
In hoofdstuk 2 van deze toelichting is beschreven dat er momenteel 4 tijdelijke kleine windturbines aanwezig zijn op de locatie aan Edelhertweg 1 en 3. De ruimtelijke inpassing van deze windturbines is reeds geregeld via een planologische procedure. Ten behoeve van deze planologische procedure is een vormvrije m.e.r. aanmeldnotitie opgesteld. Deze 4 tijdelijke windturbines en bijbehorende vormvrije m.e.r. aanmeldnotitie maken geen deel uit van onderhavig plan. In het kader van zorgvuldigheid is deze vormvrije m.e.r. aanmeldnotitie wel bijgevoegd aan deze toelichting (bijlage II). Resultaten Met betrekking tot de inhoud is aandacht besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij de Europese richtlijn 'Betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten', waarbij ook rekening wordt gehouden met de nieuwe bepalingen voor de m.e.r.-beoordelingsprocedure (wijzigingen in artikelen 7.16 tot en met 7.19 Wm). In de vormvrije m.e.r.-beoordeling is aandacht besteed aan de effecten van voorgenomen plan op bodem, cultuurhistorie en landschap, archeologie, akoestiek, flora en fauna, akoestiek, verkeer, luchtkwaliteit, externe veiligheid, niet gesprongen explosieven en bedrijven en milieuzonering. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er mogelijk effecten optreden die betrekking hebben op ecologie.
21 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
De initiatiefnemer is voornemens om bij de uitvoering mitigerende maatregelen in acht te nemen waardoor de mogelijke directe of indirecte ecologische effecten op de soortgroepen vogels en vleermuizen niet zullen optreden. Conclusie De toetsing van de potentiële effecten van voorgenomen plan maakt duidelijk dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Er is geen noodzaak tot het opstellen van een MER of een formele m.e.r.-beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is bijgevoegd in bijlage I.
4.2
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op behoud en de versterking van de biodiversiteit. Ten behoeve van voorgenomen plan is een natuurtoets (bijlage III) en een stikstofdepositieonderzoek (bijlage IV) uitgevoerd voor de locatie Edelhertweg 1 en 3. In de natuurtoets zijn de mogelijke effecten van voorgenomen plan op de mogelijke aanwezige beschermde natuurwaarden onderzocht en getoetst. In deze paragraaf wordt gebiedsbescherming en soortenbescherming behandeld. Vervolgens wordt aangegeven wat de consequenties van de bevindingen uit de natuurtoets zijn. In het bestemmingsplan is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat er voorafgaand aan de sloop van de gebouwen op Edelhertweg 14, 16 en 18 ecologisch onderzoek plaatsvindt.
4.2.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Op iets meer dan 4 kilometer bevindt zich het Natura 2000-gebied IJsselmeer (zie afbeelding 4.1). Dit gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied. Aan het land van de provincie Flevoland grenst enkel Vogelrichtlijngebied. Aan het water grenst het Habitatrichtlijngebied. Omdat het plangebied meer dan 3 kilometer verwijderd is van het IJsselmeer, is ruimtebeslag niet aan de orde. Overige directe effecten van voorgenomen plan op het Natura 2000-gebied IJsselmeer zijn ook uitgesloten: geluid, licht en trillingen dragen minder ver dan de genoemde 3 kilometer. In het kader van voorgenomen ontwikkeling zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd.
Uit de stikstofdepositieberekeningen blijkt dat, als gevolg van zowel de aanlegfase als gebruiksfase van voorgenomen ontwikkeling, geen sprake is van deposities op nabij gelegen Natura 2000-gebieden van 0,005 mol/ha/jaar of meer en dit derhalve niet zal leiden tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Indirecte effecten zijn ook uitgesloten. Het plangebied en de directe omgeving bevatten geen geschikte (essentiële) leefgebieden voor soorten met een instandhoudingsdoelstelling. Significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden worden op voorhand uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb, onderdeel Natura 2000, zijn niet noodzakelijk.
22 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Afbeelding 4.1 Ligging Natura 2000-gebied IJsselmeer ten opzichte van het plangebied
Natuurnetwerk Nederland en Natuurbeheerplan Flevoland 2019 Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden, die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Het Natuurbeheerplan Flevoland 2019 is op 12 juni 2018 vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Flevoland en vervangt integraal het in 2017 vastgestelde Natuurbeheerplan Flevoland 2018. Het plan vormt een belangrijk instrument voor de realisering van het NNN en is het officiële beleidskader waarin de provinciale ambities voor behoud en herstel van het NNN zijn uitgewerkt. Natuurnetwerk Nederland In de wijdere omgeving rondom het plangebied bevinden zich natuurgebieden aangewezen als onderdeel van het NNN. Ten noorden (op 1,7 kilometer) en ten westen (op 2,6 kilometer) van het plangebied zijn natuurgebieden aangewezen als ‘overig NNN’. Ten zuiden op ligt op 2,8 kilometer het natuurgebied de Lage Vaart, welke de classificatie ‘waardevol’ heeft binnen het NNN. Deze gebieden zijn weergegeven in afbeelding 4.2.
23 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Afbeelding 4.2 Ligging NNN-gebieden in de nabijheid van het plangebied
De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied worden gevormd door de natuurbeheertypen N12.02 (Kruiden- en faunarijk grasland), en N16.04 (Vochtig bos met productie). Binnen het Overijsselse en Gelderse Hout is tevens een (beperkt) deel aan N04.02 (Zoete plas) aanwezig. Het habitattype N04.02 Zoete plas bevindt zich enkel in de Overijsselse en Gelderse Hout. Het betreft 2 tochten, waarvan een als scheepvaartroute dient en weinig natuurlijke oevers heeft. De andere tocht is wel natuurlijk ingericht en omvat natuurvriendelijke oevers, brede waterpartijen en eilandjes. Hier zijn onder andere de bever en de ijsvogel waargenomen. Het habitattype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn, maar niet tot de schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland en overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. De vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; onder meer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het habitattype N16.04 Vochtig bos met productie omvat in de omgeving van het plangebied multifunctioneel productiebos met populieren, wilgen en essen (Visvijverbos en Overijsselse Hout). In het Lage Vaartbos bestaat uit aangeplant jong polderbos, bestaande uit essen en populieren.
Naast de genoemde beheertypen is een aantal soorten beschreven als zijnde wezenlijke kenmerken en waarden van de verscheidene NNN-gebieden. Het gaat daarbij om de in tabel 4.1 opgenomen soorten.
24 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Tabel 4.1 Beschermde soorten in omliggende NNN-gebieden Zoogdieren
Vogels
Vleermuizen
bever
boomklever
meervleermuis
boommarter
buizerd
watervleermuis
steenmarter
havik
ruige dwergvleermuis
wezel
huiszwaluw
gewone dwergvleermuis
hermelijn
kneu
bunzing
spotvogel
das
wespendief zanglijster
Reptielen
Insecten
Vaatplanten
ringslang
vroege glazenmaker glassnijder
daslook rietorchis naaldvaren tongvaren brede orchis
Het plangebied ligt buiten de grenzen van het NNN. Uit artikel 10.4 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 blijkt dat bij ruimtelijke plannen ook bekeken moet worden of er sprake is van externe werking van het NNN. Dit houdt in dat beoordeeld dient te worden of de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben. Omdat het plangebied buiten het NNN ligt zijn directe effecten als ruimtebeslag en versnippering uitgesloten. Van directe effecten is zodoende geen sprake. Gezien de afstand van het plangebied tot de verschillende NNN-gebieden (minimaal 1,7 kilometer) zijn negatieve effecten van geluid, licht en trilling tevens uitgesloten binnen de NNN-gebieden. Atmosferische depositie van stikstof kan wel reiken tot in de NNN-gebieden. De aanwezige natuurbeheertypen en de doelsoorten zijn niet gevoelig voor verzuring en vermesting als gevolg van atmosferische stikstofdepositie. Er is dus geen sprake van externe werking op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op de omliggende NNN-gebieden zijn uit te sluiten. Verdere maatregelen in het kader van NNN zijn niet nodig.
4.2.2
Soortenbescherming
Om de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. Op basis van kennis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden en of er sprake is van een overtreding van de Wnb. In tabel 4.2 is per soortgroep beschreven of er beschermde soorten aanwezig zijn in het plangebied of in de directe omgeving, of er kans is op overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming, of er gevolgen voor het plan gelden en of er een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd moet worden.
25 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Tabel 4.2 Bevindingen en conclusies beschermde soorten Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?
Kans op overtreding verboden Wnb?
Gevolgen?
Ontheffing aanvragen Wnb?
vaatplanten
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
zoogdieren
ja, voorkomen van bijlage A soorten zoals egel, veldmuis, konijn, haas en vos is niet uit te sluiten
nee, vrijstelling binnen provincie Flevoland
geen, wel zorgplicht
nee
ja, voorkomen van steenmarter is niet uit te sluiten
nee, in het kader van de werkzaamheden blijven de bestaande gebouwen gespaard. De functionaliteit van het gebied voor deze soort komt daarbij niet in het gedrang
geen, wel zorgplicht
nee
vleermuizen
nee ja
nee, want verblijfplaats van de vleermuizen (de reinwaterkelder) blijft in stand en wordt aangepast vanwege de aanwezige vleermuizen
geen, wel zorgplicht
nee
vogels
ja, meerdere algemeen voorkomende broedvogels
ja, indien broedgevallen opzettelijk worden verstoord of nesten worden vernietigd
3 mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken; - vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels
nee
ja, het puindepotlangs de westzijde van het plangebied biedt potentiële nestgelegenheid voor grondbroeders
advies om deze voor aanvang broedseizoen ongeschikt te maken of af te dekken, zodat mogelijkheid tot nestelen niet ontstaat. Zodra er genesteld wordt mag de locatie niet meer verstoord worden
nee
26 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?
Kans op overtreding verboden Wnb?
Gevolgen?
Ontheffing aanvragen Wnb?
amfibieën en reptielen
ja, de aanwezigheid van algemeen voorkomende bijlage A-soorten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kan niet worden uitgesloten
nee, vrijstelling binnen de provincie Flevoland
geen, wel zorgplicht
nee
dagvlinders, libellen en overig ongewerveld
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
vissen
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
4.2.3
Conclusie
Voorgenomen ontwikkeling heeft geen direct of indirect negatief effect gebiedsbescherming. Tevens heeft voorgenomen ontwikkeling geen direct of indirect negatief effect op soortenbescherming mits bij de uitvoering de volgende mitigerende maatregelen in acht worden genomen: - voor de soortgroep vogels gelden de volgende 3 mogelijke maatregelen: 1 werken buiten het broedseizoen; 2 vlak voor het broedseizoen inzetten en vervolgens continu doorwerken, zodat vogels niet gaan broeden; 3 het plangebied in het broedseizoen vóór de broedtijd van de verwachte vogels ongeschikt maken voor vogels; - het puindepot langs de westzijde van het plangebied van Edelhertweg 1 en 3 dient voor aanvang van broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden of afgedekt te worden. Op deze wijze kan geen mogelijkheid tot nestelen ontstaat. Zodra er genesteld wordt mag de locatie niet meer gestoord worden. De (reguliere) zorgplicht op grond van artikel 1.11 lid 1 en 2 van de Wet natuurbescherming geldt wel. Dit betekent dat er tijdens de werkzaamheden gedaan moet worden wat redelijkerwijs mogelijk is om schadelijke effecten op soorten zoveel mogelijk te voorkomen. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Water
Voor het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet een watertoets worden uitgevoerd. De watertoets is een procedure waarbij de waterbeheerders in een vroeg stadium worden betrokken bij de plannen, zodat de verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. Deze paragraaf beschrijft achtereenvolgens het beleid van waterschap Zuiderzeeland, de uitkomst van de watertoets en de conclusie ten aanzien van het aspect ‘water’.
4.3.1
Beleid waterschap Zuiderzeeland
Het beleid van het waterschap Zuiderzeeland staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het waterbeheerplan beschrijft hoe het waterschap nu en in de toekomst blijft zorgen voor waterveiligheid en voor voldoende en schoon water. In het plan staan de doelen die het waterschap zich daartoe stelt en de maatregelen die het waterschap de komende 6 jaar gaat nemen om die doelen te realiseren. Het plan maakt duidelijk wat inwoners, overheden en belangenorganisaties van het waterschap mogen verwachten en vormt
27 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
daarmee het contract met de samenleving. De Algemene Vergadering van waterschap Zuiderzeeland heeft op 27 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Daarnaast is de Keur van het waterschap Zuiderzeeland een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden Waterkader het waterschap Zuiderzeeland In het Waterkader van het waterschap Zuiderzeeland is uitgewerkt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een watertoets moet worden doorlopen en aan welke vereisten daarbij moet worden voldaan. Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd. In paragraaf 4.3.2 worden de resultaten hiervan weergegeven.
4.3.2
Watertoets
Ten behoeve van voorgenomen plan is een watertoets uitgevoerd (bijlage V). Het watertoetsproces is een instrument om het beleid uit te voeren dat staat voor ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water. Het proces is er om waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen en om de samenhang tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening te verstevigen. In de watertoets is getoetst aan het Europees beleid, nationaal beleid en beleid van waterschap Zuiderzeeland op relevante waterthema’s. De watertoets is afgestemd met het waterschap Zuiderzeeland. Waterschap Zuiderzeeland heeft een positief wateradvies afgegeven (zie bijlage VI). Omdat de concrete plannen van de bouwblokvergroting op dit moment nog niet bekend zijn, is het nog niet mogelijk een concrete uitwerking te geven van de gevolgen voor de waterhuishouding. De randvoorwaarden en uitgangspunten die in deze paragraaf en in het wateradvies van waterschap Zuiderzeeland zijn opgenomen zijn van toepassing op de toekomstige ontwikkelingen aan de Edelhertweg 1 en 3 te Lelystad. Wateroverlast Het waterschap Zuiderzeeland streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De voorgenomen ontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast.
Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Verhard oppervlak Volgens de eisen van het waterschap Zuiderzeeland is er bij een toename van het verhard oppervlakte tot 2.500 m2 in het landelijk gebied geen watercompensatie nodig. Van elke extra toename van verhard oppervlak boven de 2.500 m2 moet 5 % van de totale extra verharding aan oppervlaktewater gecompenseerd worden. De compensatie vindt plaats in het plangebied. Indien dit niet mogelijk is of niet wenselijk is in relatie tot de gewenste bebouwing, wordt in overleg met het waterschap Zuiderzeeland naar een andere compensatielocatie binnen hetzelfde peilgebied, of eventueel benedenstrooms, gezocht. De vereiste compensatie moet gerealiseerd zijn voordat gestart wordt met de aanleg van de verharding. Uitzondering op toepassing van de bergingsnorm zijn plannen met alternatieve berging. Bij inpassing in het plan van alternatieve berging maakt de initiatiefnemer een maatwerkberekening. De hydraulische randvoorwaarden en uitgangspunten zijn bij het waterschap op te vragen. Goede structuurdiversiteit en goede oppervlaktewaterkwaliteit Het grond- en oppervlaktewater biedt goede leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Wanneer de toekomstige activiteiten zorgen voor extra lozingen (op oppervlaktewater of op de riolering) dient hier een vergunning voor te worden aangevraagd. Afhankelijk van het type afvalwater en de lozingsroute is sprake van melding- en/of vergunningplichten. Dit kan zowel in het kader van de Waterwet,
28 | 42
Witteveen+Bos | 116975/21-006.847 | Definitief 05
Keur en lozingsbesluiten zijn als in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Schoon hemelwater mag zonder watervergunning direct geloosd worden op oppervlaktewater. Grondwater De ontwateringsdiepte is groter dan 1,5 meter er is dus geen drainage nodig. Wel dient rekening gehouden te worden met opbarstingen bij ontgravingen. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat voor het onttrekken van grondwater altijd toestemming van het waterschap of de provincie nodig is. Afvalwaterstromen Wanneer de Edelhertweg 1 en 3 wordt uitgebreid, wordt dit aangesloten op de bestaande riolering. Het water wordt verzameld in een pompput op het terrein van Edelhertweg 1 en 3. Het water van alle locaties van de WUR wordt vervolgens verzameld in een pompput bij Edelhertweg 15. Vanaf daar wordt het afvalwater via een persleiding geloosd in het aansluitende volgende stelsel aan de westzijde van de A6.
4.3.3
Conclusie
Voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het watersysteem en voldoet aan het huidige beleid. Het aspect water is geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Duurzaamheid
De gemeente Lelystad heeft haar duurzaamheidsbeleid en -plannen geformuleerd in de Kadernota duurzaamheid en het Uitvoeringsplan Duurzaamheid 2017-2020. Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Lelystad focust op 6 speerpunten: 1 energie; meer energiebesparing en meer duurzame energie; 2 afval en circulaire economie; meer scheiden, minder restafval en van afval naar grondstof; 3 voedsel; meer consumptie van gezonde lokale producten en minder voedsel weggooien; 4 fysieke leefomgeving; duurzame gebiedsontwikkeling, milieuvriendelijk beheer in een groene, biodiverse stad; 5 mobiliteit: minder en schonere mobiliteit; 6 onderwijs en ondernemen; versterken van de (duurzame) basis in het onderwijs, samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven bij duurzame innovatie en meer maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wageningen Plant Research wil haar bouwmogelijkheden clusteren op 1 locatie, Edelhertweg 1 en 3, in plaats van verspreiding over 2 locaties. Hiermee verwacht zij in de toekomst snel in te kunnen spelen bij nieuwe innovaties, onder andere op het gebied van duurzaamheid.