CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

DC Jysk_Toelichting_Bijlage 5 Natuurtoets.pdf

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente LelystadBij agendapunt: 11. Checklist vroegtijdige betrokkenheid raad ontwerpbestemmingsplan DC JYSK7.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport Projectnummer: 51005843 Referentienummer: Rapportage Verkennend Natuuronderzoek JYSK concept Datum: 20-07-2021

Verkennend natuuronderzoek distributiecentrum JYSK aan de Karperweg te Lelystad Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Concept

Opdrachtgever: JYSK Meander 601 6825 ME ARNHEM

Verantwoording Titel

Verkennend natuuronderzoek distributiecentrum JYSK aan de Karperweg te Lelystad

Subtitel Een oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Projectnummer

51005843

Referentienummer

Rapportage Verkennend Natuuronderzoek JYSK concept

Revisie

C1.0

Datum

20-07-2021

Auteur

Luca Prins

E-mailadres

Luca.prins@sweco.nl

Gecontroleerd door

Maikell Verkade

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

Paraaf goedgekeurd

2

Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 4 1

Inleiding .................................................................................................................. 6

1.1

Aanleiding ................................................................................................................ 6

1.2

Kader van het onderzoek ........................................................................................ 6

1.3

Ligging plangebied .................................................................................................. 6

1.4

Voorgenomen activiteiten ........................................................................................ 7

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ................................................ 8

2.1

Toetsingskader ........................................................................................................ 8

2.2

Inventarisatie ........................................................................................................... 8

2.3

Analyse van de mogelijke effecten .......................................................................... 9

2.4

Conclusie analyse van mogelijke effecten ............................................................ 10

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 11

3.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 11

3.2

Methode ................................................................................................................. 13

3.3

Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 14

3.4

Vogels .................................................................................................................... 14

3.5

Planten ................................................................................................................... 15

3.6

Vleermuizen ........................................................................................................... 15

3.7

Overige zoogdieren ............................................................................................... 18

3.8

Amfibieën en reptielen ........................................................................................... 20

3.9

Vissen .................................................................................................................... 20

3.10

Ongewervelden...................................................................................................... 20

3.11

Zorgplicht ............................................................................................................... 20

4

Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 22

4.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 22

4.2

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................... 22

4.3

Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 23

5

Conclusies............................................................................................................ 25

5.1

Wet natuurbescherming ........................................................................................ 25

5.2

Natuurbeleidskaders .............................................................................................. 26

Referenties ........................................................................................................................... 27

3

Samenvatting In onderstaande tabel is een samenvatting weergegeven van conclusies, voortkomend uit het verkennend natuuronderzoek. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Natura 2000-gebieden

Geen

Geen

Geen

Wet natuurbescherming: soortbescherming

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Vogels

Mogelijke vernietiging en/of verstoring nesten broedvogels

Broedvogelcontrole wanneer werkzaamheden plaats zullen vinden binnen broedseizoen

Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen (15 maart – 15 augustus). Indien in het broedseizoen: broedvogelcontrole. Zorgplicht.

Planten

Geen

Geen

Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.

Vleermuizen

Mogelijke verstoring vliegroute

Aanvullend onderzoek indien geen maatregelen worden genomen om groenstroken te ontzien

Maatregelen nemen om verstoring door verlichting zoveel mogelijk te voorkomen tijdens aanleg- en gebruiksfase.

Grondgebonden zoogdieren

Mogelijk verstoring/vernietiging leefgebied marterachtigen

Aanvullend onderzoek functie plangebied marterachtigen

Mogelijk is een ontheffing nodig

Amfibieën en reptielen

Mogelijk doding of verstoring ringslang

Geen

Stapvoets werken binnen groenstroken

Vissen

Geen

Geen

Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden.

Ongewervelden

Geen

Geen

Zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden

Natuurbeleidskaders

Effecten

Nader veld- en/of effectenonderzoek

Nadere procedure/ mitigerende maatregelen

Natuurnetwerk Nederland

Geen

n.v.t

n.v.t

Gemeentelijk beleid

n.v.t

n.v.t.

Rekening houden met flora en fauna bij ontwerp; inbouw nestkasten/vleermuiskasten.

4

5

1

Inleiding

1.1 Aanleiding JYSK is voornemens om een distributiecentrum te realiseren in Lelystad. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden in het geding kunnen zijn, dient te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij de voorgenomen plannen, is dit verkennende onderzoek uitgevoerd. 1.2 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming:

 Natura 2000-gebieden  Soorten  Houtopstanden

• Provinciaal beleid  Natuurnetwerk Nederland (NNN)  Gebieden buiten het NNN zoals ganzenfoerageergebied en habitat voor weidevogels • Gemeentelijk beleid Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. Het verkennend onderzoek is de eerste stap in de procedure. Afhankelijk van het resultaat moeten de navolgende stappen al dan niet worden doorlopen. In dit verkennend onderzoek heeft toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. 1.3 Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Karperweg in Lelystad, provincie Flevoland. De locatie bevindt zich op 6 kilometer ten noorden van het centrum van Lelystad (Figuur 1) en betreft 25 hectare aan akkerland. Aan de noordwestelijke zijde wordt het gebied begrensd door een smalle watergang en achterliggende groenstrook. Aan de zuidoostelijke zijde wordt het gebied begrensd door een onverharde weg.

6

Figuur 1. Ligging plangebied (rood omcirkeld).

1.4 Voorgenomen activiteiten De uit te voeren werkzaamheden bestaan uit: • • • •

Bouwrijp maken, Bouw van het distributiecentrum Aanleg van de groen-, water en verkeerstructuur Groenstroken welke aanwezig zijn binnen het plangebied zullen worden verwijderd.

De overige groenstroken welke het plangebied omgrenzen zullen behouden blijven. Tevens zal de aanwezige watergang behouden blijven.

7

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudings-doelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend, indien een ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project een dwingende reden van groot openbaar belang kent, er geen alternatieven zijn met minder grote effecten op Natura 2000-gebieden en compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er significante effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn. 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000-kaart, zoals deze beschikbaar is via het Nationaal Georegister. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op een afstand van circa 200 meter ten westen van het plangebied is gelegen. Dit betreft het Natura 2000-gebied ’IJsselmeer’ (Figuur 2).

Daarnaast liggen de Natura 2000-gebieden ‘Markermeer & IJmeer’ (circa 3,1 kilometer tot plangebied), ‘Ketelmeer & Vossemeer’ (circa 9,0 kilometer tot plangebied), ‘Oostvaardersplassen’ (circa 10,9 kilometer tot plangebied), ‘Zwarte Meer’ (circa 22,2 kilometer tot plangebied) en ‘Veluwerandmeren’ (circa 22,5 kilometer tot plangebied) tevens in de nabijheid c.q. omgeving van het plangebied. Deze gebieden kennen stikstofgevoelige habitattypen zoals Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150) en Overgangs- en trilvenen (H7140A). Het ‘IJsselmeer’ is tevens aangewezen voor de volgende soorten; rivierdonderpad (H1163), meervleermuis (H1318), noordse woelmuis (H1340) en groenknolorchis (H1903) (MLNV, 2021).

8

Figuur 2. Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied.

2.3 Analyse van de mogelijke effecten Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied ‘IJsselmeer’ ligt op een afstand van 210 meter van het plangebied. Licht, trillingen en geluid kunnen tot enkele honderden meters ver reiken. Tussen het plangebied en het Natura 2000 gebied ligt een groenstrook en is een weg, de IJsselmeerdijk, gelegen. De aanwezige weg veroorzaakt al de nodige verstoring op het Natura 2000-gebied. Effecten van werkzaamheden of de aanwezigheid van een distributiecentrum zullen daarom niet merkbaar zijn op het Natura 2000-gebied. Effecten door externe werking zoals verstoring door geluid, licht, optische verstoring e.d. zijn dan ook – gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden – op voorhand uit te sluiten.

9

Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal mogelijk materieel ingezet worden dat gepaard kan gaan met stikstofemissie. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in het Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattype. Voor de gebruiksfase is een berekening met de AERIUS Calculator 2020 uitgevoerd (Notitie stikstofdepositie, Sweco, 2021). Met het plan wordt een distributiecentrum gerealiseerd. Dit resulteert in verkeersbewegingen van licht verkeer en vrachtverkeer zowel op het terrein als richting/ vanaf het distributiecentrum. Deze twee bewegingen zijn meegenomen in de Stikstofberekening. Het distributiecentrum wordt niet aangesloten op het gasnet, maar wordt op een duurzame manier verwarmd. Hierdoor ontstaan bij de verwarming van deze woningen geen emissies van stikstof. 2.4 Conclusie analyse van mogelijke effecten Uit de analyse blijkt dat er geen effecten van stikstofdepositie kunnen optreden op Natura 20000-gebieden als gevolg van het voorgenomen plan. Er is in de gebruiksfase van de planontwikkeling Distributiecentrum JYSK in gemeente Lelystad geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden, op basis van de gehanteerde uitgangspunten.

Effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouwwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Voor de voorgenomen planontwikkeling is geen Wnb-vergunning benodigd voor het onderdeel stikstofdepositie.

10

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:  onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;  onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of  onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk

11

mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde beschermd gedurende het broedseizoen. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld1. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie Flevoland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Dit zijn soorten zoals de pimpelmees, boerenzwaluw en blauwe reiger (categorie 5 broedvogels). Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van deze wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, drinkwaterleidingen en infiltratiekanalen ten behoeve van drinkwaterproductie, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer. In bijlage 8 van de omgevingsverordening van de provincie Flevoland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven (Omgevingsverordening Flevoland (2019). De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1. Tabel 1.

Vrijgestelde soorten in Flevoland (Provincie Flevoland 2019)

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis

Vos Woelrat Amfibieën Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

1 Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten

ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046) te downloaden van de website van het Ministerie van EL&I.

12

Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) • lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. • lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:  onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,  onderdeel b.

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of  onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. • lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. 3.2 Methode Bronnenonderzoek De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied. De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheid beoordeling. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: • Nationale Database Flora en Fauna (NDFF): periode 2016-2021; • NDFF Verspreidingsatlas (https://www.verspreidingsatlas.nl);

• rapportages. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaats gevonden op 21 juli 2021 en is uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Sweco. Naar aanleiding van de resultaten is op 9 augustus 2021 een aanvullend veldbezoek uitgevoerd.

13

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groepen)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit. Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek en eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is. Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de Wnb beschermde planten- en diersoorten. Nietbeschermde Rode lijstsoorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen zoals diverse soorten paddenstoelen en vaatplanten worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.3 Voorkomende ecotopen Het plangebied van circa 25 hectare is gelegen ten noorden van het centrum van Lelystad en betreft 3 kavels welke momenteel een agrarische functie (akkerland) hebben. Binnen het plangebied zijn twee groenstroken aanwezig welke verbonden zijn met de groenstrook ten noorden van het plangebied. Deze groenstroken zijn circa 15 meter breed en zijn begroeid met voornamelijk es, esdoorn en vlier. De overige begroeiing bestaat uit bramenstruiken, riet, grote berenklauw en brandnetel. Een impressie van het plangebied is te vinden in figuur 4.

Figuur 3. Impressie plangebied.

3.4 Vogels Uit gegevens van de NDFF blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vogelsoorten voorkomen met jaarrond beschermde nest- en rustplaatsen; boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, roek, slechtvalk, ooievaar, sperwer, wespendief en zwarte wouw. Er zijn in totaal 5 categorieën in jaarrond beschermde vogelsoorten. Categorie 1 bestaat uit vogelsoorten die ook buiten het broedseizoen het nest als vaste rust- en verblijfplaats

14

gebruiken. Vogels uit categorie 2 zijn koloniebroeders die elk jaar op dezelfde locatie broeden. Categorie 3 betreft tevens koloniebroeders welke afhankelijk zijn van bebouwing. Categorie 4 zijn vogels die jaarlijks gebruik maken van hetzelfde nest, waarbij vaak gebruik wordt gemaakt van de nesten van andere vogelsoorten. Categorie 5 zijn vogels die een beschermd nest hebben bij ecologisch zwaarwegende redenen. Deze vogels keren vaak terug naar hetzelfde nest maar zijn ook voldoende flexibel om zich ergens anders te vestigen. Tijdens het veldbezoek van 9 augustus 2021 zijn de groenstroken onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn ten tijde van het veldbezoek geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Het is niet uit te sluiten dat de bovengenoemde soorten de omgeving van het plangebied gebruiken om te foerageren, maar gezien het vele geschikte foerageergebied in de wijde omgeving vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied. Verstoring door de voorgenomen werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten is daarom uit te sluiten. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde vaste rust- en verblijfplaats van vogels is niet nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd.

Daarnaast zijn nesten van inheemse vogelsoorten gedurende de broedperiode (ca. half maart – half augustus) beschermd. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode voor het broedseizoen gegeven omdat bepaalde vogelsoorten (zoals bijvoorbeeld de houtduif) vroeg of laat kunnen broeden. Broedende vogels zijn vogelde Wet natuurbescherming echter te allen tijde beschermd. Het plangebied is wegens de aanwezigheid van bomen en struiken in de groenstroken binnen het plangebied geschikt voor algemene broedvogels zoals de merel, houtduif, winterkoning, koolmees en pimpelmees. Verstoring van vogels treedt op wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden binnen de verstoringsafstand van broedende vogels. Door buiten het broedseizoen te werken, wordt verstoring van broedende vogels voorkomen. Omdat het mogelijk is dat ook buiten het broedseizoen er nog broedende vogels binnen het plangebied aanwezig zijn, dient voorafgaand aan de werkzaamheden eerst onderzocht te worden of er in de nabijheid nesten of broedende vogels aanwezig zijn die verstoord kunnen worden. Indien dit het geval is, mogen werkzaamheden niet worden uitgevoerd tot het moment dat de vogels uitgevlogen zijn en niet meer afhankelijk zijn van het nest. 3.5 Planten In de omgeving van het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten bekend (NDFF 2016-2021).

Evenmin bestaan er binnen het plangebied geschikte groeiplaatsen voor deze soorten. Beschermde soorten komen voornamelijk voor in stabiele (voedselarme) habitattypen zoals duinen, heiden en venen. In het betreffende plangebied is geen sprake van een dergelijk habitat. De soorten die tijdens het veldbezoek zijn waargenomen zoals brandnetel, harig wilgenroosje, grote berenklauw, rode klaver duiden op een voedingsrijke bodem. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde planten is niet noodzakelijk. Ook is een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. 3.6 Vleermuizen Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat de volgende vleermuissoorten in en/of in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle vleermuissoorten strikt beschermd conform bijlage IV van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5

15

Wnb). Daarnaast zijn bij vleermuizen ook de rust- en voortplantingsplaatsen en voor de functionaliteit daarvan essentiële onderdelen, zoals foerageergebied en vliegroutes, beschermd. 3.6.1 Verblijfplaatsen Vleermuizen zijn wat hun keuze voor verblijfplaatsen betreft, globaal in te delen in twee typen vleermuizen: gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen (Dietz et al. 2011). Boombewonende soorten Soorten zoals de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis maken gebruik van holtes en spleten in bomen als verblijfplaats en worden soms ook achter loshangend schors waargenomen. In de bomen binnen het plangebied zijn geen kieren, scheuren, barsten of holtes aangetroffen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan daarom worden uitgesloten. Gebouwbewonende soorten Andere soorten zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger worden uitsluitend in gebouwen aangetroffen. Hier bevinden de verblijfplaatsen zich voornamelijk op zolders, onder dakpannen, in spouwmuren en achter houten betimmering. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig. De aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen is daarom uit te sluiten. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

3.6.2 Foerageergebieden Vleermuizen jagen in zeer uiteenlopende biotopen; hoog boven in de lucht, boven open water, langs heggen en lanen, maar ook in dichte vegetatie. Voorbeelden van foerageergebieden zijn bossen, parken, tuinen, plassen, sloten en halfopen of open grasland. Vleermuizen jagen bij voorkeur op beschutte plekken waar insecten makkelijk te vangen zijn. De plaats waar vleermuizen jagen is soortspecifiek. Zo jaagt de gewone dwergvleermuis voornamelijk tussen boomkruinen, kleine open plekken en rondom lantaarnpalen en jaagt de laatvlieger liever in open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Het plangebied is potentieel geschikt als foerageergebied voor met name de dwergvleermuissoorten en de laatvlieger. Het plangebied biedt open plekken waarbij de bomen beschutting bieden. Echter betreft het plangebied een relatief klein gebied en zijn er in de directe omgeving betere (grotere) foerageergebieden aanwezig in de vorm van beschut grasland in de omliggende weilanden. Aanvullend onderzoek naar foerageergebieden is daarom niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Mogelijk worden vleermuizen door de werkzaamheden verstoord. Daarnaast kan ook verstoring door verlichting optreden tijden de gebruiksfase, hetgeen een overtreding van artikel 3.5, lid 2 is.

Het is nodig om tijdens de aanlegfase en gebruiksfase het gebruik van verlichting zoveel mogelijk te beperken of om maatregelen te nemen om verstoring door verlichting zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan gedaan worden door tijdens de kwetsbare periode (april t/m oktober, tussen zonsondergang en zonsopgang) geen verlichting toe te passen bij de werkzaamheden. Indien dit niet mogelijk is, moet de intensiteit en richting van de verlichting zodanig worden aangepast om verstrooiing richting de groenstroken rondom het plangebied tegen te gaan. Er kan worden gewerkt met een amberkleurige vleermuisvriendelijke verlichting met een zogenaamde human/bat response ratio groter of gelijk aan 45. Daarnaast kan er gewerkt worden met armaturen die het licht goed richten met een scherpe bundel om onnodige verstrooiing tegen te gaan, met name ledlampen zijn

16

dan geschikt (BIJ12, 2017). Deze verlichting kan ook toegepast worden bij de bebouwing. Wanneer er voldoende afstand (> 10 m) aanwezig is tussen de bebouwing en de groenstroken en er geen verstrooiing richting de groenstroken plaatsvindt, kan verstoring op vleermuizen worden voorkomen 3.6.3 Vliegroutes De foerageergebieden van vleermuizen kunnen op kilometers afstand van de verblijfplaats liggen. Vleermuizen maken gebruik van vaste vliegroutes tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Als een vleermuis op zo’n vliegroute plekken tegenkomt waar veel insecten zijn, zal deze de route tevens gebruikt worden om te jagen. De meeste vliegroutes liggen langs lijnvormige landschapselementen zoals lanen, heggen, bomenrijen en watergangen. De twee groenstroken die het plangebied doorkruisen zijn potentieel geschikt als vliegroute vanwege de lijnvormige structuur. Echter zijn de groenstroken op delen niet zodoende dichtbegroeid dat deze voldoende beschutting voor vleermuizen bieden. De groenstrook aan de zuidwestgrens van het plangebied en de groenstrook aan de noordoostkant van het plangebied zullen echter behouden blijven (Figuur 4). Deze stroken zijn dichter in begroeiing en bieden daarom meer beschutting. Deze stroken zullen hoogstwaarschijnlijk fungeren als de hoofd vliegroutes.

De groenstroken binnen het plangebied, welke van mindere kwaliteit zijn, kunnen worden verwijderd als de overige groenstroken niet zullen worden aangetast. Het is daarom van belang dat er geen verstoring door verlichting optreedt in de te behouden groenstroken. Verstoring kan optreden wanneer er licht vanuit de bebouwing richting deze groenstroken schijnt, maar ook wanneer er niet voldoende ruimte aanwezig is tussen de bebouwing en de groenstrook. Dergelijke verstoring is een overtreding van artikel 3.5, lid 2. De intensiteit en richting van de verlichting zodanig worden aangepast om verstrooiing richting de groenstroken rondom het plangebied tegen te gaan. Er kan worden gewerkt met een amberkleurige vleermuisvriendelijke verlichting met een zogenaamde human/bat response ratio groter of gelijk aan 45. Daarnaast kan er gewerkt worden met armaturen die het licht goed richten met een scherpe bundel om onnodige verstrooiing tegen te gaan, met name ledlampen zijn dan geschikt (BIJ12, 2017) Indien de te behouden groenstroken niet in kwaliteit verminderen, zijn effecten op vliegroutes zijn uit te sluiten, er is daarom geen verder onderzoek nodig. Dit is het geval wanneer er geen verlichting richting de groenstrook schijnt en de bebouwing minstens op 10 meter afstand van de groenstroken zal worden geplaatst. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is dan niet nodig.

Mocht dit niet realiseerbaar zijn, is aanvullend onderzoek nodig naar de functie van de groenstroken (vliegroute) voor vleermuizen. Mogelijk zal een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig zijn.

17

Figuur 4. Plangebied (rode omkadering) met te verwijderen groenstroken (rode pijl) en te behouden groenstroken (groene pijl).

3.7 Overige zoogdieren Uit gegevens van de NDFF (2016-2021) blijkt dat de volgende beschermde zoogdieren in de omgeving van het plangebied zijn waargenomen; bever, boommarter, bunzing, otter en steenmarter. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door bossen met bomen als wilg en populier. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, maar ze gebruiken ook oevers zonder bos. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water, maar een waterdiepte van minimaal 50 cm is een vereiste (Zoogdiervereniging, 2021). In verband met afwezigheid van geschikt habitat (geen water aanwezig) is de aanwezigheid van de bever binnen het plangebied uit te sluiten. De Forrellentocht en de naastgelegen groenstroom vormen echter wel geschikt leefgebied voor de bever. Deze groenstrook is potentieel geschikt als leefgebied van de bever. Echter zullen de ontwikkelingen geen invloed hebben op de groenstrook, zodat externe werking op het leefgebied uitgesloten kan worden. Boommarter De boommarter komt in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen.

Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan (Zoogdiervereniging, 2021).

18

Tijdens het veldbezoek zijn in de groenstroken binnen het plangebied geen nest- en/of rustlocaties waargenomen. Omdat de boommarter is waargenomen in de brede groenstrook ten noordwesten van het plangebied, is het niet uit te sluiten dat de groenstroken binnen het plangebied onderdeel zijn van de functionele leefomgeving van de boommarter. De aanwezigheid van de boommarter is dan ook niet op voorhand uit te sluiten. Om de aandan wel afwezigheid van de boommarter binnen het plangebied vast te stellen is aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Indien de aanwezigheid van de boommarter wordt vastgesteld is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk om het plan uit te kunnen voeren. Bunzing De bunzing is een donkerbruine marterachtige met witte flanken. De bunzing komt voor in verschillende landschapstypen, maar heeft de voorkeur naar kleinschalig landschap in de buurt van water met voldoende schuilmogelijkheden. Dit kunnen droge sloten zijn in weidegebieden, maar ook houtwallen, heggen en bosranden. De bunzing kan zich verschuilen in oude holen van konijnen en vossen, maar ook in houtstappels, takkenhopen, steenhopen en holle bomen. In de winter verblijft de bunzing op warmere locaties zoals onder hooibalen bij boerderijen (Zoogdiervereniging, 2021).

In verband met de aanwezigheid van geschikt habitat (kleinschalig landschap en voldoende beschutting) is de aanwezigheid van de bunzing niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is daarom nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig. Otter De otter is een marterachtige met zwempoten en een bruine vacht. Overdag verblijft de otter in een dagrustplaats die zich bevindt op oevers in dichte oevervegetaties, struwelen en bosschages. De otter maakt gebruik van boomstronken en wortelstelsens, oude holten van muskusratten of konijnen en nissen onder bruggen. Het territorium van de otter loopt langs oevers. Ze leven voornamelijk in schoon en zoet water waar voldoende voedsel, dekking en rust is (Zoogdiervereniging, 2021). De otter is waargenomen in de Forellentocht. Echter vormt het plangebied door de afwezigheid van water en voldoende beschutting geen geschikt habitat voor de otter. De aanwezigheid van de otter is daarom uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is niet nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Steenmarter De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in volkomen bosloze gebieden, steengroeven en rotsige hellingen.

Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt (Zoogdiervereniging, 2021). In verband met de aanwezigheid van geschikt habitat (kleinschalig landschap en voldoende beschutting) is de aanwezigheid van de bunzing niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is daarom nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig.

19

3.8 Amfibieën en reptielen Volgens gegevens van de NDFF komen binnen en in de directe omgeving van het plangebied de volgende amfibie- en reptielsoorten voor: gewone pad, kleine watersalamander en ringslang. Daarnaast is het plangebied geschikt voor algemeen voorkomende soorten zoals de bruine kikker. De gewone pas en kleine watersalamander zijn binnen de provincie Flevoland vrijgesteld. Ringslang De groenstroken binnen het plangebied omvatten begroeiing met een vegetatie welke voornamelijk bestaat uit riet, gras en bramenstruiken. Dit gebied is geschikt als leefgebied voor de ringslang. Tijdens het veldbezoek is de ringslang niet binnen het plangebied aangetroffen. De groenstroken binnen het plangebied vormen geen geschikt habitat voor de ringslang. De groenstrook welke gelegen is naast de Forellentocht vormt door de aanwezigheid van water een geschikter biotoop. Er zal daarom geen functioneel leefgebied verloren gaan met de ontwikkelingen. Echter is de aanwezigheid van een ringslang tussen het hoge gras op het moment van de werkzaamheden niet uit te sluiten. Het is daarom nodig om het maaien en het verwijderen van de bomen binnen de groenstroken stapvoets te laten plaatsvinden. Op deze manier zullen mogelijk aanwezige ringslangen en/of andere vrijgestelde dieren het projectgebied tijdig kunnen verlaten.

Indien een ringslang zal worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden zullen deze moeten worden gestaakt tot het dier het gebied op eigen kracht het plangebied heeft verlaten. Zodoende zullen de werkzaamheden, welke van korte duur zullen zijn, geen nadelig effect hebben om mogelijk aanwezige ringslangen. 3.9 Vissen Uit gegevens van de NDFF blijkt dat er geen beschermde soorten in en/of in de omgeving van het plangebied voorkomen. Het aanwezige water binnen het plangebied bestaat uit een greppel van ongeveer 1 meter breed (geen doorgaand water). Deze watergang vormt door de afwezigheid van o.a. een kiezelrijke bodem met snelstromend, zuurstofrijk of plantenrijk, koel water, geen geschikt habitat voor beschermde vissoorten. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet nodig. 3.10 Ongewervelden Volgens gegevens van de NDFF komen de in en in de omgeving van het plangebied geen beschermde ongewervelden voor. Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitattypen die voorkomen in bijvoorbeeld duinen, heiden of venen of hebben specifieke waardplanten nodig. In het plangebied is geen sprake van een dergelijke leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor beschermde soorten.

Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.11 Zorgplicht De zorgplicht geldt voor alle (ook de onbeschermde) plant- en diersoorten. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Indien de aanwezige sloot zal worden uitgebreid, is het vanaf één kant rustig opstarten van de werkzaamheden zodat mogelijk aanwezige dieren de kans krijgen om zich te verplaatsen, een manier om aan de zorgplicht te voldoen.

20

21

4

Natuurbeleidskaders

4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd bestaat uit: • Provinciaal beleid

 Natuurnetwerk Nederland (NNN).  Gebieden buiten het NNN (zoals habitat voor weidevogels) • Gemeentelijk beleid. 4.2 Natuurnetwerk Nederland Toetsingskader De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNN voor de provincie Flevoland is vastgelegd in Artikel 7.1 van de Omgevingsverordening Provincie Flevoland (Provincie Flevoland, 2019). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het “nee, tenzij-principe”, figuur 7. In onderstaand schema is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In de provincie Flevoland is de externe werking van het NNN niet van toepassing.

Een “nee, tenzij-toets” behoeft alleen te worden doorlopen indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.

Figuur 5. Schema: Het ”nee, tenzij"-principe van het compensatiebeginsel.

Inventarisatie Voor de inventarisatie van NNN-gebieden is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase van de provincie Flevoland. Uit deze gebiedendatabase blijkt dat het plangebied op 496 meter afstand ligt van het dichtstbijzijnde NNN-gebied (Figuur 6).

22

Figuur 6. Ligging plangebied t.o.v. NNN-gebieden (aangegeven in groen).

Analyse en toetsing effecten Het plangebied is niet gelegen in een NNN-gebied. Externe werking is niet van Toepassing op NNN-gebieden in Flevoland. Daarom zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Effecten op NNN-gebieden zijn, gelet op de ligging buiten een NNN-gebied, voor het voorgenomen project uitgesloten. Het uitvoeren van een nee, tenzij-toets is niet noodzakelijk. 4.3 Gemeentelijk beleid In 2016 heeft de gemeenteraad de kadernota Duurzaamheid vastgesteld. Ecologie en biodiversiteit is hier een onderdeel van. Centraal staat hier het behoud, de bescherming en het beheer van onze natuurlijke hulpbronnen: de diversiteit aan plant- en diersoorten, kwaliteit en kwantiteit van water, luchtkwaliteit en bodemvruchtbaarheid. De gemeente kan hier invulling aan geven met klimaat- en energiebeleid, duurzaam waterbeheer en natuuren milieubeleid (onder andere het versterken van de lokale biodiversiteit). Een koppeling met de gemeentelijke ambitie voor het verbeteren van de biodiversiteit kan gemaakt worden door meer biodiversiteit te creëren binnen het plan, zoals inbouwkasten in nieuwbouw, gebruik van speciale dakpannen en bloeiende waardplanten in groenstroken. Hierover adviseren wij u graag verder.

23

Kansen voor Biodiversiteit Wereldwijd staat de biodiversiteit sterk onder druk. Om de afname van biodiversiteit niet alleen te stoppen maar tevens te verhogen, zal Sweco zich extra inspannen om de biodiversiteit te bevorderen. U mag van ons dan ook een proactieve houding op het gebied van biodiversiteit verwachten. Als wij kansen zien voor biodiversiteit, zullen wij u als opdrachtgever, daarop wijzen en adviseren hoe deze kansen benut kunnen worden. Een hoge biodiversiteit zorgt voor meer leven in de wijk, dit gaat vaak samen met de juiste toepassing van meer groen. Dit heeft voor mensen en dieren meerdere voordelen. Zo heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat mensen zich veiliger op straat voelen in een groene omgeving. Ook komen uitingen van agressie minder vaak voor in groenere buurten en is groen goed voor de gezondheid. Er is aangetoond dat mensen ‘mentaal herstellen’ in een groene omgeving. Groen biedt daarnaast een mogelijkheid even te ontspannen aan stress of de drukte van de stad. Groene gebouwen hebben een positieve invloed op de beleving van de stedelijke leefomgeving. Mensen bekommeren zich en/of voelen zich betrokken bij groen in hun directe omgeving. Het bieden van een thuis voor diersoorten kan dit gevoel versterken.

Daarnaast heeft het groen ook een educatieve functie, een groene omgeving kan helpen om het concentratievermogen te vergroten en creativiteit te stimuleren. In hedendaagse ontwerpen van nieuwe gebouwen zijn geen of nauwelijks verblijfsmogelijkheden aanwezig voor diersoorten die afhankelijk zijn van bebouwing, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Deze soorten hebben hun rust- en voortplantingsplaatsen in spouwmuren, spleten, kieren of onder dakpannen. Voor deze soorten is het inbouwen van faunavoorzieningen in de nieuwbouw heel goed mogelijk. Deze kunnen worden toegepast zonder concessies te doen aan het uiterlijk of de kwaliteit van het gebouw of het comfort van de gebruikers. De faunavoorzieningen zijn namelijk geheel ingekaderd, zodat de dieren nergens anders dan op de toegewezen plekken kunnen komen en er geen overlast zal zijn. Naast maatregelen voor dieren zijn er ook mogelijkheden voor beplanting, zoals een groene gevel of een groen dak. Een nadere uitwerking van een geschikt ontwerp kan, in samenspraak met een deskundig ecoloog van Sweco Nederland B.V., opgesteld worden.

24

5

Conclusies

5.1 Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Uit de analyse blijkt dat er geen effecten van stikstofdepositie zullen optreden op Natura 20000-gebieden als gevolg van het voorgenomen plan. Er is in de gebruiksfase van de planontwikkeling Distributiecentrum JYSK in gemeente Lelystad geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden. Effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase zijn op voorhand uit te sluiten. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningplicht voor stikstofemissies afkomstig van bouwwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunningplicht. Voor de voorgenomen planontwikkeling is geen Wnb-vergunning benodigd voor het onderdeel stikstofdepositie. Soortenbescherming Er zijn mogelijk verschillende beschermde soorten aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op vogels, vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van vogelsoorten met jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen. Wel is het plangebied geschikt voor broedende akker- en weidevogels.

Er wordt aangeraden om de werkzaamheden plaats te laten vinden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 augustus). Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaats zullen moeten vinden, dient de projectlocatie en directe omgeving (invloedsfeer van de werkzaamheden) door een ter zake kundig persoon gecheckt te worden op de aanwezigheid van broedvogels kort voorafgaand (uiterlijk een week) aan de werkzaamheden. Deze persoon bepaalt of en waar (op welke verstoringsafstand) werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Vleermuizen Vleermuizen worden mogelijk door de werkzaamheden verstoord, hetgeen een overtreding van artikel 3.5, lid 2 is. Het is nodig om tijdens de werkzaamheden en tijdens de gebruiksfase het gebruik van verlichting zoveel mogelijk te beperken of om maatregelen te nemen om verstoring door verlichting richting de groenstroken zoveel mogelijk te voorkomen. Er kan worden gewerkt met een amberkleurige vleermuisvriendelijke verlichting met een zogenaamde human/bat response ratio groter of gelijk aan 45. Daarnaast kan er gewerkt worden met armaturen die het licht goed richten met een scherpe bundel om onnodige verstrooiing tegen te gaan, met name ledlampen zijn dan geschikt (BIJ12, 2017). Daarnaast is het van belang dat er een ruimte van minimaal tien meter afstand aanwezig is tussen de bebouwing en de groenstroken.

Indien dit niet mogelijk is, zal aanvullend onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de functie van de groenstroken. Overige zoogdieren In verband met de aanwezigheid van geschikt habitat (kleinschalig landschap en voldoende beschutting) is de aanwezigheid van de boommarter, bunzing en steenmarter niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is daarom nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is mogelijk nodig.

25

Reptielen De groenstroken binnen en rondom het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de ringslang. Tijdens het veldbezoek is de ringslang niet binnen het plangebied aangetroffen. Echter is de aanwezigheid van een ringslang tussen het hoge gras op het moment van de werkzaamheden niet uit te sluiten. Het is daarom nodig om het maaien en het verwijderen van de bomen binnen de groenstroken stapvoets te laten plaatsvinden. Op deze manier zullen mogelijk aanwezige ringslangen en/of andere vrijgestelde dieren het projectgebied tijdig kunnen verlaten. Indien een ringslang zal worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden zullen deze moeten worden gestaakt tot het dier het gebied op eigen kracht het projectgebied heeft verlaten. Zodoende zullen de werkzaamheden, welke van korte duur zullen zijn, geen nadelig effect hebben om mogelijk aanwezige ringslangen. Ten slotte geldt de zorgplicht voor alle (ook de onbeschermde) plant- en diersoorten. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. 5.2 Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen werkzaamheden hebben geen effect op beschermde gebieden in het kader van het NNN. Er is geen nader veldonderzoek en/of effectonderzoek noodzakelijk.

Tevens zijn er geen maatregelen nodig om effecten te voorkomen. Gemeentelijk natuurbeleid In 2016 heeft de gemeenteraad de kadernota Duurzaamheid vastgesteld. Ecologie en biodiversiteit is hier een onderdeel van. Centraal staat hier het behoud, de bescherming en het beheer van onze natuurlijke hulpbronnen: de diversiteit aan plant- en diersoorten, kwaliteit en kwantiteit van water, luchtkwaliteit en bodemvruchtbaarheid. De gemeente kan hier invulling aan geven met klimaat- en energiebeleid, duurzaam waterbeheer en natuuren milieubeleid (onder andere het versterken van de lokale biodiversiteit). Een koppeling met de gemeentelijke ambitie voor het verbeteren van de biodiversiteit kan gemaakt worden door meer biodiversiteit te creëren binnen het plan, zoals inbouwkasten in nieuwbouw, gebruik van speciale dakpannen en bloeiende waardplanten in groenstroken. Hierover adviseren wij u graag verder.

26

Referenties Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill. 2011. Vleermuizen, Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Uitgevers BV Utrecht - Zoogdiervereniging Nijmegen. Gemeente Lelystad (2016) Concept Kadernota Duurzaamheid. Ambtelijk concept V 30 juni 2015. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Natura 2000. Ingezien van www.natura2000.nl/gebieden/flevoland op 22 juli 2021. Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2016-2021. Ingezien van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/. Provincie Flevoland (2019) Omgevingsverordening Provincie Flevoland 2019. Ingezien op 19 augustus 2021. Sweco (2021) Notitie stikstofdepositie. Distributiecentrum JYSK, Lelystad – onderzoek stikstofdepositie. 51005843-20210719-Stikstofdepositie. Zoogdiervereniging (2021) . Ingezien van www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten op 22 augustus 2021.

27

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=e3981766-b213-4cc3-be63-023deeb1b42d