BL3 Regels
Tekst van het document
de bouwhoogte van lantaarnpalen mag niet meer dan 5 m bedragen; de bouwhoogte van bruggen mag niet meer dan 8 m bedragen; de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 16 m bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
14.3 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden voor meer dan 2 standplaatsen voor wagens voor ambulante handel.
(vastgesteld)
blz. 38
Artikel 15
Water
15.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Water" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water; b. de bescherming van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied Markermeer ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - natura 2000" door het treffen van passende maatregelen en het voorkómen van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied, zoals nader omschreven in het aanwijzingsbesluit dat is opgenomen in bijlage Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer van de toelichting; c. een drijvend boothuis, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - drijvend boothuis'; d. de waterhuishouding; e. aanlegplaatsen; f. recreatie; g. oevers; h. bermen en beplanting; i. wegen, straten en paden; met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde en andere werken, zoals dammen, dijken, steigers, bruggen, duikers, keerwanden en kaden.
15.2 Bouwregels 15.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
15.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d.
de bouwhoogte van lantaarnpalen mag niet meer dan 5 m bedragen; de bouwhoogte van bruggen mag niet meer dan 8 m bedragen; de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 16 m bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
15.3 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden als aanlegplaats voor woonboten en plezierjachten.
(vastgesteld)
blz. 39
Artikel 16
Woongebied - 1
16.1 Bestemmingsomschrijving De voor ''Woongebied - 1'' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten; c. maatschappelijke voorzieningen; d. basisschool(voorzieningen); e. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; f. groenvoorzieningen; g. water en waterhuishouding; h. voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; i. speelvoorzieningen; j. nutsvoorzieningen; k. in- en uitritten; l. straatmeubilair; m. ontsluitingswegen voor gemotoriseerd verkeer; n. kunstobjecten; o. voorzieningen ten behoeve van het windklimaat. 16.2 Bouwregels 16.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de maximale hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 12 bouwlagen vanaf maaiveld, met dien verstande dat de maximale hoogte per bouwlaag 3,5 meter en voor de begane grondlaag 5 meter is. b. het maximum aantal woningen bedraagt 700. 16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van palen en masten zal ten hoogste 5 m bedragen; c.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3 m bedragen. 16.3 Maximum aantal woningen Ter plaatse van de bestemming ''Woongebied - 1'', in samenhang bezien met de bestemmingen ''Woongebied - 2'', ''Woongebied - 3'' en ''Woongebied - 4'', mogen maximaal 2.700 woningen worden gebouwd.
(vastgesteld)
blz. 40
16.4 Specifieke gebruiksregels 16.4.1 Toegestaan gebruik Het gebruik is toegestaan binnen de volgende regels: a. het parkeren dient collectief te worden opgelost; b. maximaal 2.500 m2 b.v.o. basisschool(voorzieningen) is toegestaan; c. maximaal 300 m2 b.v.o. maatschappelijke voorzieningen is toegestaan. 16.5 Afwijken van de gebruiksregels: Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 16.1 in die zin dat de gronden en bouwwerken kunnen worden gebruikt ten behoeve van een bed and breakfast:, indien de volgende voorwaarden in acht genomen worden: 1. maximaal acht slaapplaatsen in ten hoogste vier van elkaar afgescheiden ruimten voor nachtverblijf; 2. de kamers deel uitmaken van het hoofdgebouw, aanbouw of aangebouwde bijgebouwen; 3. maximaal 30% van de bruto vloeroppervlakte van de gebouwen per bouwperceel ingericht worden voor de voorziening; 4. er op het eigen terrein voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers aanwezig is, of dat uit een parkeeronderzoek blijkt dat er in de directe omgeving voldoende parkeerruimte is. De parkeernorm, zowel op eigen terrein als in de directe omgeving, is 1 parkeerplaats per gastenkamer; 5.
het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast, waarbij reclame maximaal een oppervlakte van 0,5 m2 mag bedragen; 6. de bed and breakfast: dient door in ieder geval één bewoner van de woning te worden uitgeoefend. 16.6 Voorwaardelijke verplichting primaire waterkering Binnen de bestemming 'Woongebied - 1' mag alleen worden gebouwd indien een primaire waterkering is gerealiseerd conform de vereisten van Waterschap Zuiderzeeland.
(vastgesteld)
blz. 41
Artikel 17
Woongebied - 2
17.1 Bestemmingsomschrijving De voor ''Woongebied - 2'' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten; c. maatschappelijke voorzieningen; d. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. water en waterhuishouding; g. voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; h. speelvoorzieningen; i. nutsvoorzieningen; j. in- en uitritten; k. straatmeubilair; l. ontsluitingswegen voor gemotoriseerd verkeer; m. kunstobjecten; n. voorzieningen ten behoeve van het windklimaat. 17.2 Bouwregels 17.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de maximale hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 9 bouwlagen vanaf maaiveld, met dien verstande dat de maximale hoogte per bouwlaag 3,5 meter en voor de begane grondlaag 5 meter is. b. het maximum aantal woningen bedraagt 700. 17.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van palen en masten zal ten hoogste 5 m bedragen; c.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3 m bedragen. 17.3 Maximum aantal woningen Ter plaatse van de bestemming ''Woongebied - 2'', in samenhang bezien met de bestemmingen ''Woongebied - 1'', ''Woongebied - 3'' en ''Woongebied - 4'' , mogen maximaal 2.700 woningen worden gebouwd.
17.4 Specifieke gebruiksregels 17.4.1 Toegestaan gebruik a. het parkeren dient collectief te worden opgelost;
(vastgesteld)
blz. 42
b. maximaal 300 m2 b.v.o. maatschappelijke voorzieningen is toegestaan. 17.5 Afwijken van de gebruiksregels: Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 17.1 in die zin dat de gronden en bouwwerken kunnen worden gebruikt ten behoeve van een bed and breakfast:, indien de volgende voorwaarden in acht genomen worden: 1. maximaal acht slaapplaatsen in ten hoogste vier van elkaar afgescheiden ruimten voor nachtverblijf; 2. de kamers deel uitmaken van het hoofdgebouw, aanbouw of aangebouwde bijgebouwen; 3. maximaal 30% van de bruto vloeroppervlakte van de gebouwen per bouwperceel ingericht worden voor de voorziening; 4. er op het eigen terrein voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers aanwezig is, of dat uit een parkeeronderzoek blijkt dat er in de directe omgeving voldoende parkeerruimte is. De parkeernorm, zowel op eigen terrein als in de directe omgeving, is 1 parkeerplaats per gastenkamer; 5. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast, waarbij reclame maximaal een oppervlakte van 0,5 m2 mag bedragen; 6. de bed and breakfast: dient door in ieder geval één bewoner van de woning te worden uitgeoefend.
17.6 Voorwaardelijke verplichting primaire waterkering Binnen de bestemming 'Woongebied - 2' mag alleen worden gebouwd indien een primaire waterkering is gerealiseerd conform de vereisten van Waterschap Zuiderzeeland.
(vastgesteld)
blz. 43
Artikel 18
Woongebied - 3
18.1 Bestemmingsomschrijving De voor ''Woongebied - 3'' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
wonen; aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten; maatschappelijke voorzieningen, waaronder een kinderdagverblijf; supermarkt; horecabedrijven van maximaal categorie 1 en 2a als bedoeld in bijlage Staat van Horeca-activiteiten, met dien verstande dat hotels niet zijn toegestaan; f. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; g. groenvoorzieningen; h. water en waterhuishouding; i. voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; j. speelvoorzieningen; k. nutsvoorzieningen; l. in- en uitritten; m. straatmeubilair; n. ontsluitingswegen voor gemotoriseerd verkeer; o. kunstobjecten; p. voorzieningen ten behoeve van het windklimaat. 18.2 Bouwregels 18.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de maximale hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 8 bouwlagen vanaf maaiveld, met dien verstande dat de maximale hoogte per bouwlaag 3,5 meter en voor de begane grondlaag 5 meter is. b. het maximum aantal woningen bedraagt 800. 18.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m zal bedragen; b.
de bouwhoogte van palen en masten zal ten hoogste 5 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3 m bedragen; 18.3 Maximum aantal woningen Ter plaatse van de bestemming ''Woongebied - 3, in samenhang bezien met de bestemmingen ''Woongebied - 1'', ''Woongebied - 2'' en ''Woongebied - 4'', mogen maximaal 2.700 woningen worden gebouwd.
(vastgesteld)
blz. 44
18.4 Specifieke gebruiksregels 18.4.1 Toegestaan gebruik a. het parkeren dient collectief te worden opgelost; b. maximaal 4.000 m2 b.v.o. maatschappelijke voorzieningen, waaronder basisschool(voorzieningen) is toegestaan; c. maximaal 2.500 m2 b.v.o. supermarkt is toegestaan, met dien verstande dat de geldende parkeernorm wordt gehanteerd; d. 1 horecabedrijf van maximaal 200 m2 b.v.o. is toegestaan, met dien verstande dat de geldende parkeernorm wordt gehanteerd. 18.5 Afwijken van de gebruiksregels: Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 18.1 in die zin dat de gronden en bouwwerken kunnen worden gebruikt ten behoeve van een bed and breakfast:, indien de volgende voorwaarden in acht genomen worden: 1. maximaal acht slaapplaatsen in ten hoogste vier van elkaar afgescheiden ruimten voor nachtverblijf; 2. de kamers deel uitmaken van het hoofdgebouw, aanbouw of aangebouwde bijgebouwen; 3. maximaal 30% van de bruto vloeroppervlakte van de gebouwen per bouwperceel ingericht worden voor de voorziening; 4.
er op het eigen terrein voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers aanwezig is, of dat uit een parkeeronderzoek blijkt dat er in de directe omgeving voldoende parkeerruimte is. De parkeernorm, zowel op eigen terrein als in de directe omgeving, is 1 parkeerplaats per gastenkamer; 5. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast, waarbij reclame maximaal een oppervlakte van 0,5 m2 mag bedragen; 6. de bed and breakfast: dient door in ieder geval één bewoner van de woning te worden uitgeoefend. 18.6 Voorwaardelijke verplichting primaire waterkering Binnen de bestemming 'Woongebied - 3' mag alleen worden gebouwd indien een primaire waterkering is gerealiseerd conform de vereisten van Waterschap Zuiderzeeland.
(vastgesteld)
blz. 45
Artikel 19
Woongebied - 4
19.1 Bestemmingsomschrijving De voor ''Woongebied - 4'' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
wonen; aan-huis-verbonden beroeps-/bedrijfsactiviteiten; maatschappelijke voorzieningen; horecabedrijven van maximaal categorie 1 en 2a als bedoeld in bijlage Staat van Horeca-activiteiten, met dien verstande dat hotels niet zijn toegestaan; e. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; f. groenvoorzieningen; g. water en waterhuishouding; h. voorzieningen voor langzaam verkeer en verblijf; i. speelvoorzieningen; j. nutsvoorzieningen; k. in- en uitritten; l. straatmeubilair; m. ontsluitingswegen voor gemotoriseerd verkeer; n. kunstobjecten; o. voorzieningen ten behoeve van het windklimaat. 19.2 Bouwregels 19.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de maximale hoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 23 bouwlagen vanaf maaiveld, met dien verstande dat de maximale hoogte per bouwlaag 3,5 meter en voor de begane grondlaag 5 meter is; b. De bouwhoogte dient stapsgewijs op te lopen naar het midden, vanuit zuidwestelijke en zuidoostelijke richting, beginnend vanaf maximaal 8 bouwlagen. c. het maximum aantal woningen bedraagt 1.000. 19.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (hoofd)gebouw of het verlengde daarvan ten hoogste 1 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van palen en masten zal ten hoogste 5 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3 m bedragen. 19.3 Maximum aantal woningen Ter plaatse van de bestemming ''Woongebied - 4'', in samenhang bezien met de bestemmingen ''Woongebied - 1'', ''Woongebied - 2'' en ''Woongebied - 3'', mogen maximaal 2.700 woningen worden gebouwd.
(vastgesteld)
blz. 46
19.4 Speficieke gebruiksregels 19.4.1 Toegestaan gebruik a. het parkeren dient collectief te worden opgelost; b. maximaal 300 m2 b.v.o. maatschappelijke voorzieningen is toegestaan; c. 1 horecabedrijf van maximaal 300 m2 b.v.o. is toegestaan, met dien verstande dat de geldende parkeernorm wordt gehanteerd. 19.5 Afwijken van de gebruiksregels: Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 19.1 in die zin dat de gronden en bouwwerken kunnen worden gebruikt ten behoeve van een bed and breakfast:, indien de volgende voorwaarden in acht genomen worden: 1. maximaal acht slaapplaatsen in ten hoogste vier van elkaar afgescheiden ruimten voor nachtverblijf; 2. de kamers deel uitmaken van het hoofdgebouw, aanbouw of aangebouwde bijgebouwen; 3. maximaal 30% van de bruto vloeroppervlakte van de gebouwen per bouwperceel ingericht worden voor de voorziening; 4. er op het eigen terrein voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers aanwezig is, of dat uit een parkeeronderzoek blijkt dat er in de directe omgeving voldoende parkeerruimte is. De parkeernorm, zowel op eigen terrein als in de directe omgeving, is 1 parkeerplaats per gastenkamer; 5.
het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast, waarbij reclame maximaal een oppervlakte van 0,5 m2 mag bedragen; 6. de bed and breakfast: dient door in ieder geval één bewoner van de woning te worden uitgeoefend. 19.6 Voorwaardelijke verplichting primaire waterkering Binnen de bestemming 'Woongebied - 4' mag alleen worden gebouwd indien een primaire waterkering is gerealiseerd conform de vereisten van Waterschap Zuiderzeeland.
(vastgesteld)
blz. 47
Artikel 20
Leiding - Effluent
20.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Leiding - Effluent" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. een strook ten behoeve van een effluentleiding ten behoeve van de AWZI; met de daarbij behorende: b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. werken, geen bouwwerken zijnde. 20.2 Bouwregels 20.2.1 Algemeen In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. 20.2.2 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
20.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2 m mag bedragen.
20.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 20.2.1 in die zin dat de in de basisbestemming genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij Waterschap Zuiderzeeland. 20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.4.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. b. c. d. e.
het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond.
(vastgesteld)
blz. 48
20.4.2 Uitzondering Het bepaalde in lid 20.4.1 is niet van toepassing op activiteiten die: a. behoren tot het normale onderhoud en beheer voor de buisleiding; of b. behoren tot graafwerkzaamheden zoals bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. 20.4.3 Toetsingscriteria De in lid 20.4.1 genoemde vergunning wordt alleen verleend als: a. een activiteit geen negatieve invloed blijkt te hebben op het functioneren of het beheer en onderhoud van de buisleiding; en b. er schriftelijk advies is ingewonnen bij de de leidingbeheerder: 1. omtrent de toetsing of geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding; en 2. omtrent de vraag of voorgenomen activiteit uit een oogpunt van het functioneren en doelmatig beheer en onderhoud bezwaren oplevert.
(vastgesteld)
blz. 49
Artikel 21
Leiding - Riool
21.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Leiding - Riool" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. een strook ten behoeve van een rioolpersleiding; met de daarbij behorende: b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. werken, geen bouwwerken zijnde. 21.2 Bouwregels 21.2.1 Algemeen In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.
21.2.2 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
21.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2 m mag bedragen.
21.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 21.2.1 in die zin dat de in de basisbestemming genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen van de leidingbeheerder. 21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.4.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. b. c. d. e.
het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen; het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van voorwerpen
(vastgesteld)
blz. 50
in de grond. 21.4.2 Uitzondering Het bepaalde in lid 21.4.1 is niet van toepassing op activiteiten die: a. behoren tot het normale onderhoud en beheer voor de buisleiding; of b. behoren tot graafwerkzaamheden zoals bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. 21.4.3 Toetsingscriteria De in lid 21.4.1 genoemde vergunning wordt alleen verleend als: a. een activiteit geen negatieve invloed blijkt te hebben op het functioneren of het beheer en onderhoud van de buisleiding; en b. er schriftelijk advies is ingewonnen bij de de leidingbeheerder: 1. omtrent de toetsing of geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de leiding; en 2. omtrent de vraag of voorgenomen activiteit uit een oogpunt van het functioneren en doelmatig beheer en onderhoud bezwaren oplevert.
(vastgesteld)
blz. 51
Artikel 22
Waarde - Archeologie 1
22.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 22.2 bouwregels 22.2.1 vergunningplicht Op de in 22.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende bestemming met omgevingsvergunning worden gebouwd, mits op basis van archeologisch onderzoek is vastgesteld dat ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn of de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld dan wel de aanwezige behoudenswaardige archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
22.2.2 voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in lid 22.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties. 22.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.3.1 vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en), een omgevingsvergunning vereist: a. het ontgronden, afgraven en ophogen van gronden (van meer dan 2 m boven huidig maaiveld (zonder voorafgaand afgraven)) en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; 22.3.2 uitzondering Het bepaalde in lid 22.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a.
het normale onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. niet dieper gaan dan 6,5 m beneden het maaiveld.
(vastgesteld)
blz. 52
22.3.3 toetsingscriteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
22.3.4 onderzoeksplicht Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat door de aanvrager een rapport wordt overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. c. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij de provinciaal archeoloog. 22.3.5 voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in lid 22.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
(vastgesteld)
blz. 53
Artikel 23
Waarde - Archeologie 2
23.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
23.2 Bouwregels 23.2.1 onderzoeksplicht Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 100 m², dat in ongeroerde bodem dieper reikt dan 3 meter beneden NAP, wordt uitsluitend verleend indien door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 23.2.2 voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in lid 23.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
23.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 23.3.1 vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en), een omgevingsvergunning vereist: a. ophogen van gronden van meer dan 2 m boven huidig maaiveld (zonder voorafgaand afgraven) en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur. 23.3.2 uitzondering Het bepaalde in lid 23.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
(vastgesteld)
blz. 54
c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. niet dieper gaan dan 3 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 100 m² beslaan. 23.3.3 toetsingcriteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 23.3.4 voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in lid 23.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
(vastgesteld)
blz. 55
Artikel 24
Waarde - Archeologie 3
24.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
24.2 Bouwregels 24.2.1 onderzoeksplicht Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 100 m², dat in ongeroerde bodem dieper reikt dan 0,5 meter beneden NAP, wordt uitsluitend verleend indien door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 24.2.2 voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in lid 24.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meer van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
24.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 24.3.1 vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemming(en), een omgevingsvergunning vereist: a. ophogen van gronden van meer dan 2 m boven huidig maaiveld (zonder voorafgaand afgraven) en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur. 24.3.2 uitzondering Het bepaalde in lid 24.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
(vastgesteld)
blz. 56
c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d. niet dieper gaan dan 0,5 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 100 m² beslaan. 24.3.3 toetsingscriteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
24.3.4 onderzoeksplicht Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend, nadat door de aanvrager een rapport wordt overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. c. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij de provinciaal archeoloog. 24.3.5 voorschriften omgevingsvergunning Indien uit het in lid 24.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg, die voldoet aan bij de vergunning te stellen kwalificaties.
(vastgesteld)
blz. 57
Artikel 25
Waterstaat-Waterkering
25.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de inrichting, het beheer en onderhoud van de primaire waterkering en waterstaatkundige werken en de daarbij behorende voorzieningen, zoals bermen, schouwpaden en beschoeiing. waarbij voor wat betreft bouwen en gebruik de Keur/waterschapsverordening van het Waterschap Zuiderzeeland van toepassing is
25.1.1 Voorrangsregels a. In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, gaat het belang van de dubbelbestemming voor; b. Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat de dubbelbestemming gericht op de inrichting, het beheer en onderhoud van de primaire waterkering en waterstaatkundige werken en de daarbij behorende voorzieningen voorgaat boven dubbelbestemmingen gericht op de bescherming en veiligstelling van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden. In concreto wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de dubbelbestemming: 1. Waterstaat-Waterkering; 2. Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3. 25.2 Bouwregels 25.2.1 Algemeen In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.
25.2.2 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
25.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Op of in deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals keerwanden en beschoeiingen worden gebouwd.
25.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 25.2.1 in die zin dat de in de basisbestemming genoemde bouwwerken worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en bescherming van de waterstaatkundige belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende waterkering; b. nadat ter zake schriftelijk positief advies is ingewonnen bij het waterschap, dan wel een watervergunning is afgegeven voor het werk.
(vastgesteld)
blz. 58
25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 25.4.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. b. c. d.
het doen van boringen of het indrijven van voorwerpen in de grond; het vergraven van de grond; het wijzigen van het maaiveldniveau, waaronder ook de waterbodem wordt gerekend; het leggen van kabels en leidingen.
25.4.2 Uitzondering Het bepaalde in lid 25.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke het normale onderhoud betreffen.
25.4.3 Toetsingscriteria De in lid 25.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterkerende functie en de waterhuishouding; b. vooraf advies wordt ingewonnen van de beheerder van de waterkering.
(vastgesteld)
blz. 59
Hoofdstuk 3 Artikel 26
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
(vastgesteld)
blz. 60
Artikel 27
Algemene bouwregels
27.1 Ondergronds bouwen 1. ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd op alle gronden waar ingevolge de bestemming gebouwen zijn toegestaan; 2. het bouwen van bouwwerken ten behoeve van ondergrondse bodemopslag van energie en water is toegestaan. 27.2 Voorwaardelijke verplichting geluidbelasting Een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen wordt slechts verleend indien de woningen voldaan aan: 1. de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder; of 2. de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere grenswaarde van maximaal 53 dB ten gevolg van de Houtribweg. Daar waar sprake is van een hoge grenswaarde dient voldaan te worden aan de vereisten van het actuele gemeentelijke geluidbeleid. 27.3 Voorwaardelijke verplichting windhinderonderzoek Het bouwen ten behoeve van de in hoofdstuk 2 genoemde bestemmingen is uitsluitend toegestaan als: a. het lokale windklimaat wordt aan de Nederlandse Norm 8100 'Windhinder en windgevaar in de bebouwde omgeving' getoetst, en; b. de conclusies uit het onderzoek windhinder en windgevaar, onderschreven zijn door het bevoegd gezag. 27.4
Ondergeschikte bouwonderdelen
27.4.1 Hoogte Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van goot- en bouwhoogten worden ondergeschikte bouwonderdelen van bouwwerken, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen, ballustrades, opbouwen voor technische systemen en daarmee gelijk te stellen onderdelen waarvan de overschrijding van de goot- en/of bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter of 10%, buiten beschouwing gelaten. 27.4.2 Bouw- en bestemmingsgrenzen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouw-, bestemmings- en aanduidingsgrenzen en bij de bepaling van het bebouwde oppervlakte worden ondergeschikte bouwonderdelen van bouwwerken, zoals: plinten, pilasters, luifels, kozijnen, gevelversieringen, brandtrappen, ventilatiekanalen, uitspringende schoorsteenwanden, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en daarmee gelijk te stellen onderdelen waarvan de overschrijding van de bouwgrens of de bestemmingsgrens niet meer bedraagt dan 0,5 meter; balkons en daarmee gelijk te stellen onderdelen, waarvan de overschrijding van de bouwgrens of de bestemmingsgrens niet meer bedraagt dan 2,0 meter; luifels bij winkels en horeca waarvan de overschrijding van de bouwgrens of de bestemmingsgrens niet meer dan 1 meter bedraagt;
(vastgesteld)
blz. 61
27.5 Voldoende parkeergelegenheid Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat: c. een omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien wordt voorzien in de aanleg van voldoende parkeergelegenheid; d. het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de onder a. bedoelde omgevingsvergunning betrekking heeft, slechts toegestaan is wanneer de onder a bedoelde parkeergelegenheid in stand wordt gehouden; e. onder voldoende parkeergelegenheid als genoemd onder a. en b. wordt verstaan dat wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van parkeergelegenheid, zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Lelystad 2023' of diens rechtsopvolger met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden tijdens het indienen van de omgevingsvergunning. 27.6 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien en in stand worden gehouden aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
(vastgesteld)
blz. 62
Artikel 28
Algemene gebruiksregels
28.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met de bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen; b. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, zand, grond en bodemspecie, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; c. het gebruik van gronden voor de stalling en/of opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen; d. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; f. het gebruik van gronden als standplaats; g. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe bebouwing de in hoofdstuk 2 bestemmingsomschrijvingen zonder dat door middel van (nader) onderzoek is vast komen te staan dat er geen aanleiding bestaat om te verwachten dat op straatniveau windgevaar ervaren wordt; h. het gebruik van een woning die leidt tot woningsplitsing of tot kamerbewoning ten behoeve van de huisvesting van meer dan één huishouden. 28.2 Afwijken van de gebruiksregels voor kamerbewoning ten behoeve van bijzondere woonvormen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder 28.1 lid h. ten behoeve van bijzondere woonvormen, met dien verstande dat: a.
voldaan wordt aan de beleidsregel 'Kamerverhuur Bijzondere Woonvormen Lelystad', dan wel, in het geval deze wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde, respectievelijk vervangende beleidsregel; b. deze afwijking uitsluitend mag worden verleend voor kamerbewoning als bijzondere woonvorm; c. voorzien kan worden in de parkeerbehoefte; d. de privacy en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende percelen niet onevenredig worden aangetast. 28.3 Voldoende parkeergelegenheid Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat: een omgevingsvergunning slechts wordt verleend indien wordt voorzien in de aanleg van voldoende parkeergelegenheid; het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden waarop de onder a. bedoelde omgevingsvergunning betrekking heeft, slechts toegestaan is wanneer de onder a bedoelde parkeergelegenheid in stand wordt gehouden; onder voldoende parkeergelegenheid als genoemd onder a. en b. wordt verstaan dat wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van parkeergelegenheid, zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Lelystad 2023' of diens rechtsopvolger met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden tijdens het indienen van de omgevingsvergunning.
(vastgesteld)
blz. 63
28.4 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien en in stand worden gehouden aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
(vastgesteld)
blz. 64
Artikel 29
Algemene aanduidingsregels
29.1 Geluidszone - industrie 29.1.1 Algemeen Ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie" ligt de zone waarbuiten de geluidsbelasting de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.
29.1.2 Specifieke gebruiksregel Ter plaatse van deze aanduiding mogen gronden en bouwwerken niet worden gebruikt voor de realisatie van woningen, andere geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder.
29.2 Overige zone - evenemententerrein De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - evenemententerrein' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd als evenemententerrein. 29.2.1 Voorwaardelijke verplichting Het gebruik van de gronden ten behoeve van de aanduiding 'overige zone evenemententerrein' als bedoeld in lid 29.2 is uitsluitend toegestaan zolang de gronden met de aanduiding 'overige zone - evenemententerrein' worden gebruikt conform het in Bijlage Locatieprofiel Bataviahaven van de regels opgenomen Locatieprofiel Bataviahaven.
29.3 Vrijwaringszone-dijk 1 (binnenbeschermingszone) 29.3.1 Aanduidingsomschrijving De als 'vrijwaringszone - dijk 1' aangeduide gronden zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor: a. Een strook ten behoeve van de bescherming, de versterking, het beheer en onderhoud en de instandhouding van de primaire waterkering met de daarbij behorende voorzieningen, zoals bermen, schouwpaden en beschoeiing, waarbij voor wat betreft bouwen en gebruik de Keur/waterschapsverordening van het Waterschap Zuiderzeeland van toepassing is; met de daarbij behorende: b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. andere werken. 29.3.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. in afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen mogen op of in deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze gebiedsaanduiding;
(vastgesteld)
blz. 65
b. ten behoeve van deze gebiedsaanduiding mogen geen gebouwen worden gebouwd; c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze gebiedsaanduiding, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer te water, bedraagt ten hoogste 2 m. 29.3.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 29.3.2 in die zin dat de in de voorkomende bestemming(en) genoemde bouwwerken worden gebouwd, mits: a. hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de waterstaatkundige belangen zoals omschreven in lid 25.1 en; b. vooraf schriftelijk positief advies is ontvangen van de beheerder van de waterkering, danwel een watervergunning is verleend voor het werk. 29.4 Vrijwaringszone-dijk 2 (buitenbeschermingszone) 29.4.1 Aanduidingsomschrijving De als 'vrijwaringszone - dijk 2' aangeduide gronden zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering en bestemd voor de bescherming, de versterking, het beheer en onderhoud en de instandhouding van de primaire waterkering met de daarbij behorende voorzieningen, zoals bermen, schouwpaden en beschoeiing.
29.5 Vrijwaringszone - Luchtvaart 3 29.5.1 aanduidingsomschrijving De voor 'vrijwaringszone - Luchtvaart 3' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het vrijhouden van een noodgebied (outer horizontaal suface) voor de bereikbaarheid van het vliegveld.
29.5.2 bouwregels Op de met 'vrijwaringszone - luchtvaart 3' aangeduide gronden zal de bouwhoogte van bouwwerken binnen de ter plaatse voorkomende bestemmingen ten hoogste 146,3 meter bedragen ten opzichte van NAP, dan wel de bestaande bouw- of tiphoogte bedragen.' De maximaal toelaatbare bouwhoogte tussen de aangegeven contouren wordt door lineaire interpolatie bepaald.
29.5.3 afwijkingsbevoegdheid Van het bepaalde in artikel 29.5.2 kan door het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning worden afgeweken indien de minister vooraf een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 Luchtvaart heeft afgegeven.
(vastgesteld)
blz. 66
29.6 Vrijwaringszone - straalpad De als "vrijwaringszone - straalpad" aangeduide gronden zijn naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor een strook ten behoeve van het doelmatig en ongestoord functioneren van de telecommunicatietoren.
29.6.1 Bouwregels Voor het bouwen van bouwwerken geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, exclusief telecommunicatietoren, ten opzichte van N.A.P. niet meer dan 90 m mag bedragen.
(vastgesteld)
blz. 67
Artikel 30
Algemene afwijkingsregels
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. de bij recht in de bestemmingsregels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; 1. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 20%; d. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken en zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot ten hoogste 30 meter; e.
het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen, en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, wordt vergroot, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de bouwhoogte leidt tot een bouwhoogte welke ten hoogste 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.
(vastgesteld)
blz. 68
Artikel 31
Algemene wijzigingsregels
31.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen om aanpassingen van de bestemmingsgrenzen mogelijk te maken, indien dit noodzakelijk is voor de realisering van het bestemmingsplan, met dien verstande dat: a. de overschrijdingen echter niet meer dan 3 m mogen bedragen; b. het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% mag worden vergroot of verkleind.
(vastgesteld)
blz. 69
Artikel 32
Overige regels
Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden, en inwerking waren op het tijdstip van de aanvang van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
(vastgesteld)
blz. 70
(vastgesteld)
blz. 71
Hoofdstuk 4 Artikel 33
KOSTENVERHAAL Kostenverhaal
a. artikel 7ah van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet is van toepassing; b. voor het kostenverhaalsgebied: Waterfront Stedelijke Kust geldt geen tijdvak; c. voor het verdelen van de kosten worden de in artikel 7ah, lid 15 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet aangewezen categorieën bouwactiviteiten onderverdeeld in bouwplan uitgifte categorieën; d. bouwplannen dragen naar oppervlakte, gemeten in vierkante meter bruto vloeroppervlak, bij aan het totaal van de te verhalen kosten in het kostenverhaalsgebied: Waterfront Stedelijke Kust zoals opgenomen in de Beleidsregel Kostenverhaal; e. onder het totaal van de te verhalen kosten wordt verstaan: het maximum van de kosten, bedoeld in artikel 7ah, zestiende lid, onder a, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Het kostenplafond van de totale aan kostenverhaalsgebied: Waterfront Stedelijke Kust toe te rekenen kosten, worden geraamd op €129.253.257,-; f. de voorlopige bijdrage wordt bepaald door achtereenvolgens: 1. de gewichtsfactor per categorie bouwactiviteit, zoals genoemd onder artikel 33 lid g te vermenigvuldigen met de basiseenheid per categorie, zoals genoemd in de Beleidsregel Kostenverhaal, waarmee het aantal gewogen eenheden wordt berekend; 2. de totale voorlopige investeringen te delen door het totaal van alle gewogen eenheden, waarmee de bruto bijdrage wordt berekend; 3.
op basis van de verwachte waardesprong op het moment van aanvraag omgevingsvergunning, waarmee de netto bijdrage wordt berekend; 4. Op de netto bijdrage als bedoeld onder 3 een indexeringspercentage toe te passen, zijnde de maandconsumentenprijsindex alle huishoudens (CPI 000000 Alle bestedingen, reeks 2015 = 100), over de periode van het moment van prijspeil Beleidsregel Kostenverhaal (1-1-2023) tot de maand van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning. Indien deze reeks komt te vervallen, wordt de dan geldende vervangende index-reeks gehanteerd zoals geadviseerd door het CBS. g. het maximum van de verhaalbare kosten per activiteit bedraagt:
(vastgesteld)
blz. 72
h. bij de aanvraag van een kostenverhaalsbeschikking worden een aanduiding van de met de kostenverhaalplichtige activiteiten te realiseren aantallen bouwwerken, oppervlakten en gebruiksfuncties, en een aanduiding van de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteiten worden uitgevoerd verstrekt. i. bij de raming van de te verhalen kosten en opbrengsten, het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking of een (eind)afrekening, wordt een indexeringspercentage toegepast zijnde de maandconsumentenprijsindex alle huishoudens (CPI 000000 Alle bestedingen, reeks 2015 = 100), over de periode van het moment van prijspeil Beleidsregel Kostenverhaal (1-1-2023) tot de maand van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning. Indien deze reeks komt te vervallen, wordt de dan geldende vervangende index-reeks gehanteerd zoals geadviseerd door het CBS. j. burgemeester en wethouders stellen binnen drie maanden na uitvoering van de in het bestemmingsplan voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen een afrekening vast, met dien verstande dat bij de afrekening de betaalde bijdragen als bedoeld onder d herberekend worden op grond de systematiek zoals bepaald onder f. k.
in uitzondering op het bepaalde onder e, kan degene die ten tijde van betaling van een bijdrage als bedoeld onder c houder was van de desbetreffende omgevingsvergunning, of diens rechtsopvolger burgemeester en wethouders verzoeken om vijf, tien of vijftien jaar na vaststelling van het bestemmingsplan een afrekening vast te stellen, met dien verstande dat: 1. de regels in sub j van overeenkomstige toepassing zijn; 2. uiterlijk vier weken voorafgaand aan de hiervoor genoemde momenten schriftelijk een verzoek om eindafrekening bij burgemeester en wethouders moet worden ingediend;
(vastgesteld)
blz. 73
3. na een afrekening geen aanspraak meer gemaakt kan worden op een nieuwe afrekening.
(vastgesteld)
blz. 74
(vastgesteld)
blz. 75
Hoofdstuk 5 Artikel 34
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht
34.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 34.1 sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het artikel 34.1 sub a met maximaal 10%; c. Artikel 34.1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 34.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 34.2 sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. Indien het gebruik, bedoeld in artikel 34.2 sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. artikel 34.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
(vastgesteld)
blz. 76
Artikel 35
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Waterfront Stedelijke Kust Lelystad van de gemeente Lelystad.
(vastgesteld)