CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL Uitwerking afweging criteria

Raadsvergadering 27 januari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.006 Keuze rolnemingsmodel Publiek integraal warmtebedrijf2.155 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 – uitwerking afweging criteria Inleiding Adviesbureau Fakton Energy heeft in de rapportage “Strategisch advies voor gemeentelijke rolneming in collectieve warmtenetten binnen de kaders van nieuwe wetgeving” een aantal rolnemingsmodellen uitgewerkt waarbij de verschillende kansen en risico's in beeld zijn gebracht. Daaruit kwam een drietal modellen naar voren: A. Gemeentelijk eigendom en private contractering met 100% aandeelhouderschap; B. Publiek Publieke Samenwerking met publieke kennis- en equitypartners, met 50%+1 aandeelhouderschap, uitvoering door een publieke partij, Firan; C. Indirecte gemeentelijke uitvoeringsorganisatie via HVC met een minderheidsbelang. Deze rolnemingsmodellen zijn beoordeeld op grond van zeven criteria: 1. Mate van zeggenschap door de gemeente; 2. Beheersen (financieel) risico door de gemeente; 3. Mate van ontzorgen gemeentelijke organisatie; 4. Optimaal benutten kennis, kunde en realisatiekracht samenwerkingspartner; 5. Realisatiesnelheid; 6. Mate van betrokkenheid bewoners; 7. Efficiëntie in bedrijfsvoering. Daaruit kwamen deze scores:

Tabel 1 – uitkomsten criteria Fakton rapport Bij de tabel wordt opgemerkt dat de score van nul groene blokjes bij “mate van betrokkenheid bewoners” bij HVC niet juist is. Bij de behandeling van het rapport in de raad heeft HVC aangegeven zeker open te staan voor betrokkenheid van bewoners, bijvoorbeeld via warmtegemeenschappen of energiecoöperaties. Zowel B als C scoort daarmee gelijkwaardig.

1

De criteria zijn verder onderzocht en de uitkomsten zijn, indien aan de orde, gewijzigd op basis van • Bestuurlijke gesprekken met Firan en HVC; • Ambtelijke gesprekken met Firan en HVC; • Referentiegesprekken met diverse gemeenten die al met Firan of HVC samenwerken; • Overige bronnen. De wijzigingen worden in deze bijlage toegelicht. Criterium 1: Mate van zeggenschap van de gemeente als aandeelhouder van het PIW De zeggenschap van de gemeente als aandeelhouder is behandeld in het Fakton-rapport. Uit de weging komt naar voren dat de gemeente als aandeelhouder in model B (Firan) meer zeggenschap heeft dan in model C (HVC). Bij de beoordeling van het criterium zeggenschap is echter vooral gekeken naar de omvang van de deelneming. Hier spelen evenwel meer factoren een rol. Worden die ook betrokken in de beoordeling, kan de betekenis van de deelneming voor de mate van zeggenschap beter worden geplaatst. De belangrijkste conclusies zijn: 1. De gemeente-aandeelhouder heeft zeggenschap ten aanzien van relevante publieke deelbelangen. Maar de meerwaarde ervan is betrekkelijk omdat de gemeente ook als bevoegd gezag én als contractspartij van het PIW, zeggenschap kan uitoefenen. Ook is de betekenis van de zeggenschap genuanceerd omdat de gemeente als aandeelhouder niet rechtstreeks invloed uitoefent op de operationele exploitatie en de zeggenschap verschilt per publiek deelbelang.

Dit geldt voor de gemeente als aandeelhouder in zowel model B als in model C. 2. Voor zover relevant, want betrekkelijk en genuanceerd, heeft de gemeente-aandeelhouder in model B (Firan) wel een grotere mate van zeggenschap dan in model C (HVC). Maar deze grotere invloed moet niet worden overschat. Zeker niet wanneer het gaat om betaalbaarheid omdat de wetgever daar beperkingen heeft gesteld. NB: Van belang is te beseffen dat er een verschil bestaat tussen de rol van de gemeente als opdrachtgever aan HVC voor het PIW en de rol als aandeelhouder in de NV-HVC. Beoordeling: Op grond van het voorgaande is het oordeel dat de zeggenschap als gemeente-aandeelhouder bij Firan weliswaar groter is dan bij HVC, maar dit verschil niet van wezenlijke betekenis is. Criterium 2: Beheersen (financieel) risico door de gemeente Totale investeringsomvang: Door CE-Delft is een onderzoek verricht naar de ontwikkelkosten van een warmtenet in de gemeente Lelystad. Uit onderzoek is gebleken dat de kosten tussen de €500 miljoen en €800 miljoen kunnen liggen. Dat brengt een risico met zich mee dat wordt gedragen door het PIW Lelystad. De mate waarin de gemeente met dat risico wordt geconfronteerd hangt af van het rolnemingsmodel. Datzelfde geldt voor de exploitatiefase. Firan: Firan vraagt van de gemeente een deelneming in het warmtebedrijf.

Een groter aandeel voor de gemeente betekent een groter financieel risico. De omvang van de deelneming door de gemeente zal onder meer afhangen van de door Firan beoogde deelneming van EBN, maar zal liggen tussen de 5 en 60%, waarbij Firan heeft aangegeven dat 40% het meest voor de hand liggende scenario is. In de afweging is daar van uitgegaan. Het risico is hiermee altijd groter dan het risico bij HVC, waar sprake is van een deelneming van 2,5% in de aandelen. Bovenop het risico van de voorbereiding en aanleg van het warmtenet komt het risico tijdens de exploitatiefase. Ook daar geldt, hoe groter de deelneming, hoe groter het risico. Als wordt gekozen voor Firan, dan blijft aanvullend het risico van het aandeelhouderspercentage van 2,5% gelden wat de gemeente al heeft in NV HVC (zie situatie HVC).

2

HVC: HVC heeft op dit moment een projectbudget voor de NV HVC voor landelijke warmteactiviteiten van ca. €1 miljard, wat betekent dat de gemeente sowieso voor 2,5% (€25 miljoen) risicodragend is. Dit is ongeacht of HVC het warmtenet in Lelystad gaat ontwikkelen. Daarnaast heeft HVC aangegeven dat het budgetplafond bij toename van aandeelhouders en projecten toe kan nemen. Hier blijft de gemeente dan 2,5% risicodragend voor het hogere budget. HVC vraagt in principe geen bijdrage van de gemeente bij het aanleggen of exploiteren van het warmtebedrijf, maar die mogelijkheid is er wel om zodoende bijvoorbeeld de bijdrage aansluitkosten te kunnen verlagen. Zonder deze extra investering is het risico niet groter dan de 2,5% deelneming in NV HVC. Beoordeling: Het financiële risico dat de gemeente loopt is significant lager bij HVC vergeleken met Firan. Dit heeft vooral te maken met het percentage aandeelhouderschap in de beide opties. Als wordt gekozen voor Firan, dan blijft aanvullend het risico van het aandeelhouderspercentage van 2,5% gelden wat de gemeente al heeft in NV HVC (zie situatie HVC). Criterium 3: Mate van ontzorgen gemeentelijke organisatie Firan: Het PIW voert alle voorkomende werkzaamheden uit. De mate van ontzorgen wordt bepaald door de ervaring die Firan/het PIW heeft bij de bedrijfsvoering. Deze ervaring is bij Firan nog niet aanwezig voor de levering van warmte.

HVC: HVC draagt volledig zorg voor het opzetten en de bedrijfsvoering/exploitatie van het PIW. HVC heeft veel ervaring met het opzetten en exploiteren van warmtebedrijven. De gemeente is daardoor maximaal ontzorgt. Beoordeling: HVC heeft bij dit criterium een lichte de voorkeur boven Firan. Ondanks dat beide partijen de gemeente maximaal kunnen ontzorgen, is er verschil in de ervaring die HVC daadwerkelijk heeft en Firan nog moet opdoen op het gebied van levering van warmte. Criterium 4: Optimaal benutten kennis, kunde en realisatiekracht samenwerkingspartner Firan: Firan maakt onderdeel uit van Alliander en heeft daarmee toegang tot kennis en kunde van de moederorganisatie. Echter, de ervaring in warmtelevering ontbreekt bij Firan. Voorheen werd de warmtelevering verzorgd door een leveranciersbedrijf (bijvoorbeeld ENGIE). HVC: HVC is als organisatie groter dan Firan (warmtebedrijf HVC: 300 vs. 100 Fte) Daarnaast heeft HVC veel ervaring in de gehele warmteketen van bron tot eindgebruiker. Zij kunnen per direct een warmtebedrijf met de gemeente starten. Beoordeling: HVC heeft aantoonbaar meer ervaring en slagkracht bij het opzetten en exploiteren van een warmtebedrijf. Criterium 5: Realisatiesnelheid Ten tijde van het opstellen van het Fakton-rapport was de beoordeling van Firan en HVC op het onderdeel realisatiesnelheid gelijk.

Echter, door de ontwikkelingen in het stadshart ontstaat een duidelijk verschil tussen Firan en HVC. In tegenstelling tot Firan is HVC in staat een collectief WKOsysteem aan te leggen in het Hart van de Stad.

Firan: Firan is een publiek bedrijf, maar heeft juridisch nog niet het recht om als warmtebedrijf te fungeren. Firan is afhankelijk van de inwerkingtreding van de Wcw, voor het mogen leveren van warmte aan eindgebruikers Het in werking treden van dit deel van de Wcw wordt verwacht op 1-7-2026. Firan heeft aangegeven al gestart te zijn met de noodzakelijke organisatorische aanpassingen om Wcw-proof te zijn. Voor ons stads 3

brede publiek integrale warmtenet heeft dat nauwelijks impact, maar wel voor de ontwikkelsnelheid van het warmtenet voor het Hart van de Stad en daarmee voor het totale project. Een warmtebedrijf heeft ook als taak een goedwerkend klantencontactcentrum te hebben en een snel inzetbare storingsdienst. Die ervaring moet Firan nog opdoen voor het leveren van warmte HVC:

HVC is in de aard ook een publiek bedrijf en kan daarmee, ook zonder dat de Wcw in werking is getreden overgaan tot het oprichten en exploiteren van het warmtenet. Daarmee wordt een hogere realisatiesnelheid bereikt. HVC exploiteert al een aantal warmtebedrijven en heeft daarmee ervaring met alle bedrijfsonderdelen waar een warmtebedrijf uit bestaat. Omdat alles in eigen beheer is, ontstaat een hogere realisatiesnelheid. Rekening houdend met een mogelijk scenario in het Centrumgebied; HVC kan invulling geven aan het tijdig ontwikkelen en realiseren van het vastgestelde energieconcept in het centrumgebied.

Beoordeling: Firan is volgens de vigerende wetgeving niet gerechtigd om als warmtebedrijf te fungeren. Daarvoor is het eerst het in werking treden van delen van de Wet collectieve warmte noodzakelijk. Daarnaast heeft HVC aangegeven dat als de gemeente ervoor kiest om het warmtebedrijf met HVC op te zetten, zij in het verlengde daarvan ook snel een collectieve warmtenet kunnen ontwikkelen, exploiteren en beheren in het Hart van de Stad. Dit alles maakt dat de beoordeling van het criterium realisatiesnelheid in het voordeel van HVC uitpakt. Criterium 6: Mate van betrokkenheid bewoners; Rol warmtegemeenschappen De gemeenteraad heeft besloten dat lokale partijen die willen investeren in of warmte kunnen leveren aan het Publiek Integraal Warmtebedrijf worden betrokken bij de ontwikkeling van het PIW. Deze voorwaarde is besproken met de twee nu bekende energiecoöperaties Opgewekt Lelystad en Coöperatie Energie (BKL). Beide coöperaties hebben aangegeven dat zij geen warmte kunnen/willen leveren en niet kunnen/willen investeren in het PIW. Dit betekent dat de wens van de raad om de lokale partijen te betrekken bij de ontwikkeling en exploitatie van het PIW niet kan worden uitgewerkt. Beide coöperaties hebben aangegeven betrokken te willen zijn bij de communicatie en participatietraject bij het tot stand komen van het warmtenet.

Firan: Voldoet aan de voorwaarde om lokale warmtegemeenschappen toe te laten als investeringspartij of warmte leverende partij; HVC: Voldoet eveneens aan de voorwaarden om lokale warmtegemeenschappen toe te laten als investeringspartij of warmte leverende partij. Beoordeling: Zowel HVC als Firan zien het belang van bewonersparticipatie en samenwerking met lokale warmtepartijen. Dit is geen onderscheidend criterium en daarom ook niet genoemd in het voorgesteld besluit Criterium 7: Efficiëntie in bedrijfsvoering. Firan: Heeft geen warmtebronnen in bezit in Lelystad. Dat houdt in dat warmte ingekocht moet worden, in dit geval bij HVC als exploitant van de geothermiebron. Dat leidt tot een extra inkoopschakel en daarmee extra kosten. HVC: Levert een volledig geïntegreerd systeem waarin de warmteketen van bron (zoals geothermie) tot levering aan de eindgebruiker wordt meegenomen. HVC biedt eveneens doorgroeimogelijkheden, met name door de ervaring en schaalvoordelen van het bedrijf als integraal warmtebedrijf.

4

Beoordeling: HVC kent een efficiëntere bedrijfsvoering omdat zij alle warmte-gerelateerde bedrijfsonderdelen in eigen beheer hebben én omdat ze al voldoen aan de voorwaarden die de Wcw stelt aan warmtebedrijven. Samenvatting De beoordelingen die bij de onderscheiden criteria zijn genoemd, leiden tot een aanscherping van de criteriatabel zoals gebruikt in het Fakton-rapport:

Criterium 1: Mate van zeggenschap door de gemeente Het oordeel is dat de zeggenschap als gemeente-aandeelhouder bij Firan weliswaar groter is dan bij HVC, maar dit verschil niet van wezenlijke betekenis is. Criterium 2: Beheersen (financieel) risico door de gemeente Het financiële risico dat de gemeente loopt is significant lager bij HVC vergeleken met Firan. Dit heeft vooral te maken met het percentage aandeelhouderschap in de beide opties. Als wordt gekozen voor Firan, dan blijft aanvullend het risico van het aandeelhouderspercentage van 2,5% gelden wat de gemeente al heeft in NV HVC (zie situatie HVC Criterium 3: Mate van ontzorgen gemeentelijke organisatie HVC heeft marginaal de voorkeur boven Firan. Ondanks dat beide partijen de gemeente maximaal kunnen ontzorgen, ontstaat verschil in de ervaring die HVC daadwerkelijk heeft en Firan nog moet opdoen op het gebied van levering van warmte.

5

Criterium 4: Optimaal benutten kennis, kunde en realisatiekracht samenwerkingspartner HVC heeft aantoonbaar meer ervaring en slagkracht bij het opzetten en exploiteren van een warmtebedrijf. Criterium 5: Realisatiesnelheid Firan is volgens de vigerende wetgeving niet gemachtigd als warmtebedrijf op te treden. Daarvoor is het eerst het in werking treden van delen van de Wet collectieve warmte noodzakelijk. Daarnaast heeft HVC aangegeven dat als de gemeente ervoor kiest om het warmtebedrijf met HVC op te zetten, zij in het verlengde daarvan ook snel een collectieve warmtenet kunnen ontwikkelen, exploiteren en beheren in het Hart van de Stad. Dit alles maakt dat de beoordeling van het criterium realisatiesnelheid in het voordeel van HVC uitpakt. Criterium 6: Mate van betrokkenheid bewoners Zowel HVC als Firan zien het belang van bewonersparticipatie en samenwerking met lokale warmtepartijen. Dit is geen onderscheidend criterium en daarom ook niet genoemd in het voorgesteld besluit Criterium 7: Efficiëntie in bedrijfsvoering HVC heeft een efficiëntere bedrijfsvoering omdat zij alle bedrijfsonderdelen in eigen beheer hebben én omdat ze al voldoen aan de voorwaarden die de Wcw stelt aan warmtebedrijven.

6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=52c0aede-ed5a-4ed6-97f1-cbb9e6139341