BL Inspreektekst Analyse en Samenvatting nota Dierenwelzijn - G. Schipper
Tekst van het document
Samenvatting Analyse Nota Dierenwelzijn Lelystad (2025) 1. Ontbrekende aspecten
De nota mist een integrale visie op onderwerpen buiten gemeentelijke bevoegdheid, zoals evenementen met dieren of huisdierenhandel. (In Almere is bijvoorbeeld een verbod op circussen met dieren ingevoerd) Wenselijke intensiveringen (o.a. voorlichting, chippen, noodopvang) worden vanwege budgetgebrek niet opgepakt. De rol van de gemeente als ‘Hoofdstad van de Nieuwe Natuur’ komt onvoldoende uit de verf in de nota.
2. Onduidelijkheden
De concrete werking, samenstelling en meerwaarde van de hernieuwde Adviescommissie Dierenwelzijn zijn niet uitgewerkt. Het blijft onduidelijk hoe en door wie de intensievere controles op opvangorganisaties praktisch worden uitgevoerd en gehandhaafd. De verantwoordelijkheidsverdeling bij zaken als verwilderde of gewonde wilde dieren blijft voor burgers en organisaties deels onhelder.
3. Beoordeling vanuit PvdD-perspectief
De nota zet de wettelijke basis op orde, maar mist een nadrukkelijk diervriendelijke en bovenwettelijke ambitie. Er is te weinig inzet op preventie en educatie, waardoor dierenleed niet proactief wordt tegengegaan. Samenwerking met lokale organisaties is positief, maar moet structureler en met meer concrete ondersteuning worden verankerd.
4. Kritische vragen
Waarom is geen (deels) budget vrijgemaakt voor relatief laagdrempelige intensiveringen als voorlichting of chipcampagnes? (kijk bijvoorbeeld ook naar de extra investering van €1500 voor Kaatje Keutel) Hoe wordt voorkomen dat het schrappen van populatiebeheerdoelen leidt tot minder alertheid bij toekomstige overlast van wilde dieren? Is er een garantie dat de intensivering van controles bij opvanginstanties daadwerkelijk tot verbetering leidt als de NVWA handhaving bepaalt? Sluiten we niet te veel aan bij het wettelijk minimum en laten we kansen liggen om lokaal meer te doen voor dierenwelzijn?
5. Conclusies en suggesties
De Nota Dierenwelzijn is een degelijke voortzetting van bestaand beleid, maar mist ambitie en concrete plannen voor extra dierenwelzijnsmaatregelen. Het college zou de eerder geïnventariseerde verbeterpunten gefaseerd kunnen invoeren zodra budget of samenwerking met andere partijen mogelijk is.
De herinrichting van de Adviescommissie en regionale samenwerking kunnen zinvol zijn, mits er heldere doelen en actieve betrokkenheid van dierenorganisaties komen. Vanuit PvdD-perspectief is meer focus nodig op preventie, educatie en een expliciete ethische visie die dierenwelzijn boven het wettelijk minimum tilt.
Aanvullend In de nota is aangegeven: "Vanwege de financiële krapte heeft de raad eerder al besloten geen aanvullend budget beschikbaar te stellen". Het budget in 2024 was ongeveer €255.000 waarvan ongeveer €233.000 is besteed. Dit betekent dat er bijna €22.000 van dit budget niet is uitgegeven. Dit zou besteed kunnen worden aan eventueel laagdrempelige maatregelen.
Analyse Nota Dierenwelzijn Lelystad (2025) Inleiding: De Nota Dierenwelzijn 2025 van de gemeente Lelystad is een actualisatie van het verouderde beleid uit 2016. Als lokale werkgroep van de Partij voor de Dieren (PvdD) bekijken we deze nota kritisch. We beoordelen in hoeverre het nieuwe beleid ambitieus en progressief genoeg is op het gebied van dierenwelzijn, welke onderwerpen ontbreken of onderbelicht zijn, en of verantwoordelijkheden en maatregelen voldoende duidelijk zijn. Ook formuleren we kritische vragen en aandachtspunten voor de raadsdiscussie, en sluiten we af met conclusies en suggesties.
1. Ontbrekende aspecten in het dierenwelzijnsbeleid Belangrijke onderwerpen die niet worden behandeld: Enkele dierenwelzijnsthema’s blijven buiten beschouwing omdat ze volgens de nota buiten de bevoegdheid van de gemeente vallen of al elders geregeld zijn. In Bijlage 4 wordt een aantal onderwerpen expliciet uitgesloten van dit beleidskader. Zo is er geen gemeentelijk beleid voor evenementen met dieren, omdat dit landelijk is gereguleerd (bijvoorbeeld het circusverbod). Ook dierenweides (kinderboerderijen) vallen buiten de scope, aangezien deze zijn geprivatiseerd en onder een eigen keurmerk vallen. Het welzijn van huisdieren (zoals het aanpakken van impulsaankopen of huisdierenhandel) wordt niet specifiek behandeld, omdat dit onder nationale wetgeving valt. Verder geeft de nota aan dat faunabeheer, jacht, hengelsport en landbouwdieren/proefdieren primair via rijksregels of andere beleidsvelden geregeld zijn. Hoewel het begrijpelijk is dat de gemeente haar wettelijke rol afbakent, willen wij benadrukken dat ook zonder directe bevoegdheid de gemeente een sturende rol kan pakken. Bijvoorbeeld door voorlichting of lobby op deze onderwerpen te ondersteunen, of door lokaal strenger beleid te overwegen binnen de beperkte mogelijkheden (denk aan regels bij evenementen met dieren of extra aandacht voor het welzijn van hobbydieren).
Het volledig ontbreken van deze thema’s in de nota laat kansen liggen om Lelystad écht als “Hoofdstad van de Nieuwe Natuur” te profileren in de relatie tussen ecosysteem, dier en mens – een punt dat volgens de toelichting bewust is doorgeschoven naar de Agenda Natuur 2030. Weggelaten ambities (wenselijke intensiveringen): Uit de voorafgaande inventarisatie kwamen diverse wenselijke verbeteringen naar voren, maar wegens financiële krapte heeft de raad besloten hiervoor geen budget vrij te maken. Dit betekent dat belangrijke extra ambities niet in de nota zijn opgenomen. Voor ons springen vooral de volgende gemiste kansen in het oog:
Preventieve voorlichting: Het plan om meer informatie en educatie over dierenwelzijn te geven (bijvoorbeeld via de gemeentelijke website en lessen op basisscholen) is niet uitgevoerd. Dergelijke voorlichting kan dierenleed voorkómen door bewustwording (bijvoorbeeld voorkomen van impulsaankopen van huisdieren), maar de gemeente laat dit nu over aan derden. Chippen en registreren van katten stimuleren: Hoewel het chippen van katten naar verwachting landelijk verplicht wordt in 2026, had Lelystad vooruitlopend hierop een eigen stimulans kunnen bieden. Een tegemoetkoming in chipkosten of een lokale campagne had het aantal gedumpte of zoekgeraakte katten kunnen verminderen. Nu blijft het bij een constatering dat dit wenselijk is, zonder uitvoering.
Voorkomen van afstand van huisdieren wegens geldgebrek: Er is erkend dat financiële nood bij baasjes kan leiden tot het moeten afstaan van een huisdier. Een noodfonds of steun (zoals andere gemeentes dat doen) van ~€175.000/jaar werd als ideaal genoemd, maar Lelystad trekt hier geen middelen voor uit. Daarmee mist de nota een sociaal dierwelzijnsaspect: het behoud van het dier bij de eigenaar in moeilijke tijden. Noodopvang van huisdieren bij huiselijk geweld: Het idee om in Lelystad een opvangmogelijkheid voor huisdieren te creëren zodat slachto ers van huiselijk geweld hun dieren niet achter hoeven te laten, vergt naar schatting €1,5 miljoen. Dit bedrag is hoog en in de huidige nota niet gedekt. Wel wordt vermeld dat de gemeente in gesprek gaat met stichting Mendoo om oplossingen te zoeken , maar zonder structureel plan of middelen blijft dit vooralsnog toekomstmuziek. Extra steun voor lokale opvanginitiatieven: Zelfs relatief kleine intensiveringen zijn niet doorgegaan. Bijvoorbeeld een verhoging van de subsidie aan konijnenopvang “Kaatje Keutel” van €15.000 naar €16.500 – cruciaal om de opvang van gedumpte konijnen te waarborgen – is niet toegekend. Ook een simpele maatregel als vissers voorlichten over loodvrije hengelmaterialen (ter voorkoming van milieu- en wildschade) is niet in beleid omgezet.
Conclusie ontbrekende aspecten: De nota zet vooral in op het voortzetten van bestaand beleid en een paar kosteloze verbeterpunten. Maar diverse vooruitstrevende ideeën op het gebied van preventie, educatie en extra zorg voor dieren zijn achterwege gelaten door ontbrekend budget. Vanuit ons oogpunt ontbreekt daarmee een stuk ambitie: juist bovenwettelijke, proactieve maatregelen zouden Lelystad kunnen onderscheiden als diervriendelijke gemeente.
2. Onduidelijkheden en behoefte aan verduidelijking Beleidsmaatregelen die niet concreet genoeg zijn: Hoewel de nota nieuwe speerpunten introduceert, blijven sommige maatregelen wat vaag of open eindig geformuleerd. Een voorbeeld is het plan om de Adviescommissie Dierenwelzijn nieuw leven in te blazen. De nota erkent dat de huidige commissie (met vertegenwoordigers van o.a. politie, Staatsbosbeheer en Faunabeheereenheid) niet goed functioneerde. Er wordt gesteld dat men in samenspraak met betrokken organisaties de adviescommissie opnieuw gaat vormgeven. Echter, de concrete invulling en meerwaarde van dit orgaan zijn nog onduidelijk. Het implementatieplan vermeldt vooral het proces – evalueren waarom het mis ging en herijken van doelen en taken – maar geeft nog geen duidelijk beeld van welke resultaten de nieuwe commissie moet opleveren. Als werkgroep zouden we willen vragen: wie nemen straks deel (komen ook dierenwelzijnsorganisaties en -experts aan tafel?), hoe vaak komt men bijeen en wat gebeurt er met de adviezen? Zonder deze details is het lastig in te schatten of de commissie daadwerkelijk een betekenisvolle bijdrage gaat leveren, of dat het risico bestaat dat het orgaan opnieuw een papieren tijger blijft.
Een toezegging vanuit het college om de “toegevoegde waarde van het adviesorgaan” duidelijk te maken, geeft aan dat hierover bij raadsleden ook vragen leefden – een signaal dat verdere concretisering nodig is. Ook de intensievere controle op dierenopvangorganisaties kan nadere verduidelijking gebruiken. De nota schetst dat de gemeente alle opvang- en vervoersorganisaties in kaart gaat brengen en hun vergunningen grondig gaat controleren. Organisaties zonder juiste papieren krijgen een waarschuwing en tijd om dit te herstellen. Dit is een goed voornemen, maar blijft de vraag hoe men dit operationeel borgt. Wie binnen de gemeente gaat deze extra controles uitvoeren en heeft men daar de capaciteit voor? En belangrijker: hoe ver reikt de gemeentelijke bevoegdheid hier? De nota zelf stelt dat daadwerkelijke handhaving niet bij de gemeente ligt,
maar bij de NVWA (Voedsel- en Warenautoriteit). De gemeente kan signaleren en doorgeven, maar is afhankelijk van NVWA-actie voor sanctionering. De samenvatting suggereert wel “grondige controles en handhaving”, maar uitwerking leert dat de gemeente vooral een signalerende rol heeft. Deze afhankelijkheid roept de vraag op of intensivering daadwerkelijk tot merkbaar e ect leidt – wat als NVWA-prioritering ontbreekt? Hier zou meer duidelijkheid welkom zijn, bijvoorbeeld in de vorm van afspraken met de NVWA over samenwerking of een meetmoment om te evalueren of alle organisaties inmiddels voldoen. Onduidelijk belegde verantwoordelijkheid: De nota geeft in hoofdstuk 2 (Beleidskader) een opsomming van wettelijke taken en wie waarvoor verantwoordelijk is, maar toch zijn een paar punten di uus. Zo wordt verplicht chippen van katten wel genoemd als landelijke ontwikkeling (planning 2026) , maar de gemeente zegt daarbij expliciet dat dit geen taak van de gemeente is om op te handhaven. Dit klopt juridisch, maar het laat open of de gemeente wél een rol ziet in bijvoorbeeld voorlichting of faciliteren van naleving zodra die plicht er is. Wij zouden kunnen vragen of Lelystad bereid is alvast voorbereidend te communiceren richting kattenverzorgers, om straks een soepele overgang te hebben.
Verder is opvang van wilde dieren een grijs gebied: de nota vermeldt dat er werkafspraken zijn met de dierenambulance voor gewonde wilde dieren, maar geen gemeentelijke vergoeding omdat dit geen kerntaak is. Tegelijk blijft de gemeente terughoudend: alleen ingrijpen bij wild als het dier lijdt door menselijk toedoen (bijv. auto-ongeluk). De verantwoordelijkheid voor de zorg van in het wild levende dieren is dus in de praktijk neergelegd bij vrijwilligers (dierenambulance, vogelopvang e.d.), met minimale ondersteuning. Hier is het niet scherp afgebakend wie wat doet bijv. als burgers een hulpbehoevend wild dier melden: de kans is groot dat men toch bij de gemeentelijke meldpunten uitkomt, die het weer doorgeleiden. Duidelijker communicatie over deze rolverdeling – bijvoorbeeld via de website of publiekslijn – zou helpen zodat inwoners weten waar ze terechtkunnen en wat de gemeente wel/niet doet. Ook op het vlak van plaagdierbestrijding en faunabeheer is veel uitbesteed (provincie, waterschap, gespecialiseerde bedrijven). Hoewel dit in de nota wordt beschreven, kan in de praktijk verwarring ontstaan: men verwacht bij overlast van dieren toch vaak gemeentelijke actie.
Een suggestie is om in het uitvoeringsprogramma helder te communiceren welke partners (NVWA, provincie, faunabeheereenheid, etc.) verantwoordelijk zijn voor specifieke dier-gerelateerde issues, zodat de gemeente haar regierol (als doorgeefluik en coördinator) goed invult zonder valse verwachtingen te wekken.
3. Beoordeling van de nota vanuit PvdD-perspectief Definitie van dierenwelzijn en aansluiting bij progressief beleid: In de nota wordt dierenwelzijn in de kern benaderd als iets wat gewaarborgd moet worden door naleving van wettelijke taken en enkele bovenwettelijke taken om zo “een hoog niveau van dierenwelzijn te bereiken”. Deze visie legt de nadruk op het uitvoeren van de basis (wettelijke zorgplichten) met enige extra’s. Vanuit PvdD-oogpunt waarderen we dat de gemeente überhaupt bovenwettelijke ambities noemt – dat impliceert erkenning dat de Wet niet altijd voldoende is voor optimaal welzijn. Zo wordt expliciet genoemd dat men naast de wettelijk verplichte taken ook extra inzet pleegt waar mogelijk. Toch voelt deze definitie wat minimalistisch en instrumenteel. Een echt progressief dierenwelzijnsbeleid zou sterker uitdragen dat dieren eigen behoeften en intrinsieke waarde hebben, los van hun nut voor mensen. Begrippen als “dieren zijn wezens met gevoel” of “dierwaardige leefomstandigheden” komen in de nota niet expliciet naar voren. De focus ligt meer op het afvinken van taken (opvang, evacuatie, etc.) dan op een breed ethisch kader. Voor de PvdD is dierenwelzijn niet alleen voorkomen van zichtbaar
leed, maar ook het bevorderen van natuurlijk gedrag, gezondheid en een respectvolle omgang in alle domeinen. Die bredere visie had in de inleiding of visiehoofdstuk sterker verankerd kunnen worden. Positief is wel dat de nota impliciet aangeeft te streven naar verbetering van leefomstandigheden voor alle dieren in Lelystad, hetgeen ruimte laat om bij de uitvoering verdere invulling te geven aan bijvoorbeeld diervriendelijke inrichting van de stad (groenstroken, faunapassages, etc.). Samengevat: de intentie is goed, maar de verwoording mist enigszins de progressieve toon die de PvdD graag ziet – iets om in de raad wellicht alsnog scherp neer te zetten als uitgangspunt. Bovenwettelijke maatregelen ter voorkoming van dierenleed: De PvdD streeft ernaar dat gemeenten verder gaan dan het wettelijk minimum om dierenleed actief te voorkomen. In de Lelystadse nota zijn enkele bovenwettelijke initiatieven terug te vinden, maar het geheel blijft beperkt. Een positief voorbeeld is het beheer van verwilderde zwerfkatten: dit is geen verplichte gemeentetaak, toch vindt Lelystad het belangrijk om de zwerfkattenpopulatie te verkleinen in het kader van zorgplicht en overlastpreventie. Men past hiervoor de diervriendelijke TNR methode toe (Trap, Neuter, Return) – katten worden gevangen, gesteriliseerd en teruggezet.
Deze aanpak sluit goed aan bij PvdD-waarden, omdat het dierenleed (verwaarlozing, wildgroei van populaties) tegengaat zonder te doden. Ook stelt de gemeente als principe dat euthanasie van opgevangen dieren alleen als allerlaatste middel wordt toegepast, en uitsluitend op dierenartsadvies. Dit betekent dat er niet onnodig dieren worden afgemaakt om plaats of geld te besparen – een belangrijk ethisch standpunt dat de PvdD deelt. Het bestaande beleid bevatte al deze waarborg (beslissen tot inslapen is aan de dierenarts, niet aan de gemeente of opvangbeheerder), en dat blijft gehandhaafd. Toch rijst de vraag: worden er genoeg extra stappen genomen om dierenleed preventief te voorkomen? Buiten de zwerfkattenaanpak blijven andere potentiële bovenwettelijke maatregelen nu dus liggen (zie de gemiste intensiveringen onder punt 1). De gemeentelijke ambitie stopt waar het budget stopt, waardoor zaken als educatie en ondersteuning niet van de grond komen. Dit is jammer, want bijvoorbeeld proactieve voorlichting (over verantwoord huisdierenbezit, geen dieren achterlaten, etc.) kan veel leed en kosten op lange termijn besparen. Ook het tijdig chippen van katten zou toekomstig leed (verdwaalde of in het asiel belandde dieren) verminderen – en zelfs de handhaving van de landelijke chipplicht straks makkelijker maken.
Progressief beleid zou deze investeringen als noodzakelijke preventie zien in plaats van extra’s. Op dit punt sluit de nota dus niet volledig aan bij een vooruitstrevende insteek: men blijft bij het minimum plus één of twee vrijwillige taken. Je zou kunnen benadrukken dat “de basis op orde” hebben goed is, maar dat echte dierenbescherming vraagt om vooruitdenken en voorkomen. Het feit dat andere gemeenten aanzienlijke bedragen reserveren voor bijvoorbeeld het voorkomen van huisdierafstand (Amsterdam €400.000; Almere €84.000 per jaar) zet Lelystads terughoudendheid in perspectief. Kortom, de huidige nota bevat wel een paar bovenwettelijke elementen, maar had – idealiter – meer mogen doen op het vlak van voorkómen van dierenleed, desnoods in kleinere stappen of via externe samenwerking. Samenwerking met dierenwelzijnsorganisaties: De PvdD is groot voorstander van een hechte samenwerking tussen gemeente en dierenwelzijnsorganisaties. Zij vormen vaak de frontlinie in de zorg voor dieren en beschikken over expertise en vrijwilligersnetwerken. In Lelystad werkt de gemeente al met diverse partners samen, wat blijkt uit de opsomming in de bijlage (o.a. Stichting Dierennoodhulp Flevoland voor opvang en ambulance, konijnenopvang Kaatje Keutel, Zuiderzee Zwerfdieren, vogelopvangcentra etc.). Ook geeft de gemeente aan lokale samenwerking te willen
bevorderen als onderdeel van het beleid. Men weegt bijvoorbeeld bij aanbestedingen voor wettelijke taken mee in hoeverre kandidaten samenwerken met lokale partijen, wat een mooie prikkel is richting coalities van dierenorganisaties. Bovendien wordt regionale samenwerking gezocht, bijvoorbeeld met de gemeente Almere om opvangcapaciteit en kennis te delen. Dit alles laat zien dat samenwerking redelijk verankerd is in het beleid. De herinrichting van de Adviescommissie Dierenwelzijn is eveneens bedoeld om partijen beter op één lijn te brengen en de samenwerking te versterken. Wel is het zaak dat in die commissie nu ook de dierenwelzijnsorganisaties zelf een stem krijgen (in de oude opzet leek de commissie vooral uit overheidsinstanties te bestaan). Gelukkig kwam de wens tot herijking vanuit die organisaties zelf, en is afgesproken “in gezamenlijkheid met relevante dierenwelzijnsorganisaties” te bepalen of en hoe de commissie opnieuw wordt vormgegeven. Dit duidt erop dat de gemeente bereid is hen te betrekken. Vanuit PvdD-perspectief is dat essentieel: laat de kennis en ervaring van lokale stichtingen, opvangcentra en dierenartsen volwaardig meewegen in beleid en uitvoering. Waar we alert op moeten zijn, is of deze samenwerking structureel geborgd is.
Worden convenanten of jaarlijkse overlegmomenten vastgelegd? Is er voldoende gemeentelijke ondersteuning (ambtelijk) om de samenwerking vruchtbaar te houden? De nota noemt samenwerking vooral in algemene termen; de uitwerking moet aantonen dat het geen vrijblijvende bedoeling is. Over het geheel genomen sluit de nota echter redelijk aan bij PvdD’s wens tot samenwerking – het netwerk is er, nu nog optimaal benutten en versterken.
4. Kritische vragen en opmerkingen voor de raadsvergadering Gezien de bovenstaande analyse stellen we enkele kritische vragen en opmerkingen op, die we zou kunnen inbrengen om het gesprek aan te gaan en waar nodig aanscherpingen te vragen:
Budget voor extra dierenwelzijnsmaatregelen: Waarom is er geen budget vrijgemaakt voor de duidelijke knelpunten die in de inventarisatie zijn gevonden? De raad heeft weliswaar formeel besloten geen middelen te reserveren vanwege de financiële situatie, maar er zijn ook laagdrempelige verbeteringen (zoals €1.500 extra voor de konijnenopvang of een paar duizend euro voor voorlichtingsmateriaal) die relatief klein zijn qua kosten en potentieel hoog qua impact. Kan het college toelichten hoe zwaar die afweging is geweest? Is overwogen om tenminste de meest urgente of betaalbare intensiveringen (zoals preventieve voorlichting of chipacties) op te pakken binnen bestaande budgetten of via subsidies/samenwerking? Welk signaal zendt de gemeente uit door alle verbeterpunten te schrappen – dreigen we daarmee niet te volstaan met een “minimumbeleid” in plaats van echt werk te maken van dierenwelzijn? Wij zouden willen aandringen op een heroverweging: wellicht bij de komende Voorjaarsnota of Begroting hier alsnog middelen voor vrij te spelen, al is het maar gefaseerd (bijv. elk jaar één speerpunt financieren). Schrappen van doelstellingen rond overlast en populatiebeheer wilde dieren: De nota stelt voor om de beleidsdoelen m.b.t. overlastbeperking en populatiebeheer van wilde dieren (ganzen, zwanen) te laten vervallen, omdat de inventarisatie aangaf dat er momenteel weinig problemen zijn.
Onze vraag is: is het wenselijk om deze doelen volledig te schrappen, of zouden we ze beter “slapend” aanhouden? Uiteraard is de PvdD blij als er op dit moment geen noodzaak is tot ingrijpen in wilde populaties – preventief afschot of andere nare methoden zijn onnodig wanneer er geen overlast is. Toch kan het schrappen van de doelstellingen als boodschap overkomen dat de gemeente dit thema niet langer actief volgt. Het college geeft aan flexibel te blijven en bij nieuwe ontwikkelingen het beleid weer aan te passen. Maar hoe is die flexibiliteit geborgd? Is er
monitoring ingericht om trends in populaties te signaleren, of verloopt dat alleen via klachten uit de bevolking? Wel appreciëren we dat de gemeente wil blijven samenwerken met partners als Landschapsbeheer Flevoland en de zwaneneieren-beschermers – dat is een vorm van informeel blijven opletten. Toch zouden we graag horen dat, ook zonder expliciete doelstelling, de basisaanpak bij eventuele overlast duidelijk is: kiest Lelystad dan voor diervriendelijke oplossingen (verjagen, afrasteren, opvang) voordat er ooit naar middelen als populatiecontrole wordt gegrepen? Een nuance kan zijn om in de nota op te nemen dat de gemeente bij toekomstige wild-overlast eerst niet-dodelijke maatregelen zal inzetten (conform haar traditie van terughoudend ingrijpen). Zo behouden we een principiële lijn in het beleid, ook als de specifieke doelstellingen nu vervallen. E ectiviteit van intensievere controle opvanginstanties: Het voornemen om strenger toe te zien op vergunningen en afspraken bij dierenambulances en -opvangcentra roept de vraag op hoe we zeker weten dat dit daadwerkelijk e ect sorteert. De constatering was dat enkele organisaties niet de juiste vergunning hadden voor bepaalde diersoorten. Het plan is nu inventariseren, informeren en laten herstellen.
PvdD steunt het principe dat alle opvangorganisaties legaal en verantwoord moeten opereren – ter wille van het dierenwelzijn moet de kwaliteit gegarandeerd zijn. Echter, de gemeente kan zelf niet handhaven bij nalatigheid, dat ligt bij de NVWA. Onze vragen: Is de NVWA al betrokken of heeft ze toegezegd hierop te acteren indien de gemeente misstanden doorgeeft? Gaat de gemeente periodiek (bijv. jaarlijks) deze controles herhalen zodat ook in de toekomst nieuwe organisaties of veranderde situaties worden opgepakt? En hoe voorkomen we onbedoelde nevene ecten – bijv. dat een kleinschalige opvang zonder juiste papieren moet sluiten en dieren op straat komen te staan? Idealiter wordt ondersteuning geboden om aan vergunningseisen te voldoen, niet enkel handhaving. Een concrete suggestie is om binnen de Adviescommissie of samen met buurgemeenten een kwaliteitsnetwerk op te zetten, waar opvanginstanties hulp en informatie krijgen om te voldoen aan regels. Ten slotte vragen we om een terugkoppeling richting raad: na bijvoorbeeld een jaar intensiveren, hoeveel organisaties zijn gecontroleerd en zijn alle vergunningen toen op orde gekomen? Zo kunnen we meten of dit speerpunt het beoogde e ect heeft (namelijk beter gereguleerde en dus diervriendelijkere opvang).
Algemene scope en ambitie van de nota: Als overkoepelende kritische noot wil de PvdD-werkgroep bespreken of deze nota niet té zeer gefocust is op “de basis op orde” houden, en onvoldoende op het verder brengen van dierenwelzijn. We erkennen de financiële beperkingen, maar vragen het college en collega-raadsleden: moeten we ons erbij neerleggen dat we geen extra’s doen, of kunnen we creatief kijken naar alternatieve middelen, vrijwilligersinitiatieven of regionale samenwerking om tóch vooruitgang te boeken? Lelystad profileert zich als natuurstad; dierenwelzijn is daar onlosmakelijk mee verbonden. Hoe geven we invulling aan die rol van “Hoofdstad van de Nieuwe Natuur” op diergebied, nu dat in deze nota niet expliciet gebeurt? Misschien kunnen elementen uit de Agenda Natuur 2030 vertaald worden naar dierenwelzijnsacties zonder grote budgettaire impact. Deze bredere discussie is belangrijk om de ambitielat voor de komende jaren te bepalen.
Conclusies en suggesties voor verdere discussie Conclusie: De Nota Dierenwelzijn 2025 voor Lelystad zet een degelijke basis neer door het bestaande beleid voort te zetten en op enkele punten te verbeteren. Wettelijke taken zoals opvang van zwerfdieren, rampenopvang voor huisdieren en een diervriendelijke
zwerfkattenaanpak zijn geborgd en er is aandacht voor samenwerking en naleving van regels. Vanuit het PvdD-perspectief schiet de nota echter tekort in ambitie en proactiviteit. Belangrijke onderwerpen worden buiten beschouwing gelaten met een verwijzing naar andere overheden of beleidsterreinen, terwijl de gemeente hier best een voortrekkersrol zou kunnen pakken (voorlichting, bewustwording, betere lokale afspraken). De definitie van dierenwelzijn blijft hangen op het uitvoeren van taken in plaats van een visie waarin dierenrechten en -welzijn centraal staan. Bovendien is het teleurstellend dat alle wenselijke intensiveringen on hold zijn gezet vanwege financiën – dit maakt dat we als gemeente weinig extra’s doen bovenop het minimum, terwijl de behoefte en mogelijkheden duidelijk in kaart waren gebracht. Positief is de intentie tot betere afstemming met dierenorganisaties (adviescommissie) en regionale samenwerking (met Almere), maar de daadwerkelijke uitvoering daarvan moet nauwlettend gevolgd worden. Suggesties voor de raad en het college: Op basis van deze analyse doet de PvdDwerkgroep de volgende aanbevelingen voor de verdere behandeling van de nota en de uitwerking van het beleid:
Hergebruik de inventarisatie van intensiveringen: Laat de in 2024 geïnventariseerde verbeterpunten niet in een la verdwijnen. Spreek af om bij de eerstvolgende begrotingsmeevaller of via gerichte subsidies toch één of meerdere van deze punten uit te voeren. Desnoods gefaseerd: bijvoorbeeld in 2025 starten met een informatiecampagne (lage kosten), in 2026 kijken naar chip-actie rondom de nieuwe chip-plicht, enzovoort. Zo groeit het beleid organisch in ambitie zonder nu onhaalbare bedragen vrij te hoeven maken. Veranker dierenwelzijn integraal in andere beleidsvelden: Omdat veel onderwerpen buiten dit beleidskader vallen met het argument “al geregeld in ander beleid”, is het zaak om te controleren dát die verbindingen ook gelegd worden. Zorg dat de Agenda Natuur 2030 expliciete doelen bevat voor wilde dieren en stadsnatuur waar dierenwelzijn in meespeelt. Stimuleer in welzijns- of armoedebeleid ook de zorg voor huisdieren (bijvoorbeeld via de voedselbank of bijzondere bijstand voor dierenartskosten). Op die manier wordt dierenwelzijn breder gedragen en valt het niet tussen wal en schip. Betrek dierenorganisaties structureel bij de uitvoering: Richt de Adviescommissie Dierenwelzijn zó in dat alle relevante lokale dierenwelzijnsorganisaties en experts een plek hebben en dat hun adviezen leiden tot acties.
Leg bijvoorbeeld jaarlijks verantwoording af in de raad over wat de commissie heeft geadviseerd en wat ermee is gedaan. Overweeg ook informele halfjaarlijkse bijeenkomsten tussen wethouder/ambtenaren en deze organisaties om korte lijnen te houden (zeker als de commissie minder frequent of formeel opereert). Dit vergroot het draagvlak en de slagkracht van het beleid. Blijf alert op wilddierenbeleid: Hoewel de specifieke doelstellingen zijn vervallen, stellen we voor om een periodieke rapportage (bijv. eens per jaar) te ontvangen over de stand van zaken rondom mogelijke wilddierenoverlast of -incidenten in Lelystad. Zo kan de raad tijdig signaleren of er toch actie nodig is. Formuleer in de nota of uitvoeringsplannen een uitgangspunt dat eventuele maatregelen bij overlast diervriendelijk en wetenschappelijk onderbouwd moeten zijn. Dit om te garanderen dat een terugkeer van populatiebeheer niet automatisch betekent terugkeer van oude, mogelijk dieronvriendelijke methodes.
Monitoring en evaluatie van nieuwe speerpunten: Vraag het college om na een jaar of twee de e ecten van de nieuwe speerpunten (vergunningencontrole, adviescommissie herinrichting) te evalueren en aan de raad terug te koppelen. Is de naleving door opvangorganisaties verbeterd? Functioneert de nieuwe adviesstructuur beter en wat zijn concrete opbrengsten? Deze feedbackloop is belangrijk om te bezien of bijsturing nodig is of dat wellicht alsnog extra investering gerechtvaardigd is als iets niet uit de verf komt.
Afsluitend kunnen we stellen dat de Nota Dierenwelzijn 2025 een stap in de goede richting is, maar dat de PvdD graag ziet dat Lelystad meer ambitie toont om bovenwettelijk dierenleed te voorkomen en dierenwelzijn te bevorderen. In de raadsdiscussie is het zinvol om gezamenlijk te verkennen hoe we ondanks financiële krapte toch onze rol als diervriendelijke gemeente kunnen versterken. Door creatief samen te werken, scherp te monitoren en waar mogelijk middelen te zoeken, kunnen we ervoor zorgen dat dierenwelzijn niet slechts “op orde” is, maar jaar op jaar verbetert – iets waar zowel dier, milieu als mens bij gebaat zijn.