BL 4. Nota van Zienswijze_Geredigeerd
Tekst van het document
Nota van zienswijzen en wijzigingen
Bestemmingsplan 150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg
Afdeling: WB-Bestemmingsplannen Auteurs :
L. van Raaij
Datum:
19 december 2023
Versie:
0.6
Inhoudsopgave
1. 2. 3. 4. 5.
Blz.
Inleiding Formele aspecten zienswijzen Inhoudelijke behandeling zienswijzen Conclusie zienswijzen Ambtshalve wijzigingen
3 3 4 17 17
2
Bovenstaande zienswijzen zijn voor het verstrijken van de termijn van terinzagelegging van het ontwerpplan, te weten voor 2 maart 2023, bij de gemeente ingekomen. De zienswijzen zijn daarom tijdig ontvangen en zijn ontvankelijk. Namens indiener 18 is op 28 februari 2023 een pro forma zienswijze ingediend. Indiener 18 is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na afloop van de zienswijzentermijn, zodoende voor 16 maart 2023, de zienswijze schriftelijk aan te vullen. Op 14 maart 2023 heeft de gemeente de onderbouwing van de pro forma zienswijze ontvangen.
3. Inhoudelijke behandeling zienswijzen 3.1. Zienswijze (rechts)personen 1-9, 11-17, 19-20 Zienswijze 1 Voor het optimaal produceren van hoogwaardige agrarische voedsel/producten is beschikbaarheid van kwalitatief goed water essentieel. Door de aanpassing van het watersysteem in ons gebied kan dit gerealiseerd worden. Het hoogspanningsstation belemmert deze oplossing. Het ontwerpbestemmingsplan heeft betrekking op het realiseren van een hoogspanningsstation. Dit hoogspanningsstation moet worden gerealiseerd op gronden die nu bestemd zijn voor agrarische doeleinden. De ontwikkeling van het nieuw te bouwen hoogspanningsstation in combinatie met het aan te leggen tracé op de te ontwikkelen locatie heeft gevolgen voor de omgeving. De aangewezen locatie voor het nieuw te bouwen hoogspanningsstation met bijbehorende tracé bevindt zich in een voornamelijk agrarische omgeving waar hoogwaardige agrarische producten/voedsel wordt geproduceerd. Uit onderzoek blijkt dat de hoeveelheid barium in het grondwater in dit gebied erg hoog is. Dit barium, afkomstig van natuurlijke oorsprong, in combinatie met hoge zoutgehaltes in ons oppervlaktewater maakt dat de kwaliteit van ons oppervlaktewater de laatste jaren verslechtert en voor een aantal teelten op ons akkerbouwbedrijf ongeschikt is om te gebruiken voor irrigatie.
Om de kwaliteit van ons oppervlaktewater te verbeteren zijn wij als belanghebbende al enige tijd in gesprek met Waterschap Zuiderzeeland om met aanpassingen van het watersysteem in ons gebied de kwaliteit van het water te verbeteren door middel van het inlaten van kwalitatief goed water uit de Hoge Vaart en het doortrekken van de Zeeastertocht naar de Uilentocht evenals de Lisdoddetocht naar de Zwanentocht. Hierdoor wordt er doorstroming in ons gebied gecreëerd waardoor de hoge zoutconcentraties, veroorzaakt door onder andere barium, doorgespoeld worden met kwalitatief goed water uit de Hoge Vaart. Dit moet resulteren in oppervlaktewater van goede kwaliteit dat geschikt is voor irrigatie en als bijkomend voordeel heeft dat, de leefbaarheid in het water beter wordt bij doorstroming dan bij stilstaand water wat nu het geval is. Hierdoor kan de stand van de vispopulatie toenemen wat voor de gehele voedselkringloop positief is. Het nieuw te bouwen hoogspanningsstation belemmert deze oplossing omdat het tracé onder de Larserringweg en sloten gelegd wordt waardoor na realisatie van het hoogspanningsstation en het tracé het onmogelijk wordt om de aanpassing aan het watersysteem te realiseren. Hierdoor wordt het in de toekomst op ons agrarisch bedrijf onmogelijk om verschillende teelten te produceren. Uiteindelijk zal dat ten koste gaan van de landbouwkundige waarde van ons bedrijf.
4
Reactie gemeente In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing is er een watertoets uitgevoerd. Een dergelijke watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor bestemmingsplannen. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat de gemeente vooroverleg moet hebben met het waterschap en de provincie (art. 3.1.1 Bro). Volgens artikel 3.1.6 Bro moet het resultaat van het overleg in de toelichting op het plan worden verwoord. Het Bro geeft bovendien expliciet aan dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om zowel grond- als oppervlaktewater. De waterbeheerder beoordeelt het ontwerpbestemmingsplan en geeft advies over de waterhuishoudkundige aspecten. Het resultaat van de watertoets moet verwerkt worden in een waterparagraaf die onderdeel uitmaakt van de toelichting bij het bestemmingsplan.
In het licht van de bestemmingsplanprocedure welke wordt doorlopen ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan is een watertoets voorgelegd aan het waterschap Zuiderzeeland ten tijde van het voorontwerp en het daarbij behorende (formele) vooroverleg (Watertoets 150/20kV hoogspanningsstation Flevopolder, Reddyn 3 november 2022). Het waterschap heeft een aantal aspecten aangegeven waaraan de netbeheerders - als initiatiefnemers - zich dienen te houden bij de uitvoering van de werkzaamheden. De reactie van het waterschap is verwerkt in de waterparagraaf waarin zowel de waterkwaliteit als de waterkwantiteit naar voren komen. Nu dat is geaccordeerd door het waterschap voldoet het (ontwerp)bestemmingsplan aan de wettelijke vereisten op het gebied van waterhuishouding. De gemeente heeft daarnaast de zienswijze van diverse omwonenden betreffende het effect van de realisatie van het hoogspanningsstation en de ondergrondse kabel(s) op de eventueel toekomstige waterstaatkundige aanpassing in het gebied teruggekoppeld met het waterschap. Het waterschap Zuiderzeeland heeft aangegeven dat zij al geruime tijd met de omwonenden over de door hun aangedragen oplossing, het realiseren van een duiker onder de Larserringweg alsmede het verbreden van de Uilentocht (ten westen van de Larserringweg) en de Zeeastertocht (ten oosten van Larserringweg), in gesprek is.
Hierbij heeft het waterschap tevens gemeld dat het aanpassen van het watersysteem om de door omwonenden aangegeven gewenste doorstroming te bewerkstelligen niet enkel kan geschieden door het aanleggen van een duiker. Het aanpassen van het watersysteem kan alleen worden gerealiseerd als er diverse ingrijpende aanpassingen worden doorgevoerd waarbij ook gemalen en waterstaatwerken aangepast of aangelegd moeten worden. Een aanpassing heeft zodoende verstrekkende waterhuishoudkundige gevolgen die, bij besluitvorming hieromtrent, zorgvuldig en gemotiveerd door het daartoe bevoegde gezag, het waterschap Zuiderzeeland, moet worden afgewogen. Het onderliggende besluit, het vaststellen van een bestemmingsplan, is daar niet de geëigende procedure voor. Een eventuele fysieke belemmering zal een gesprek tussen omwonenden en het waterschap over een aanpassing van het watersysteem overbodig maken. Indien het watersysteem namelijk simpelweg niet meer gewijzigd kan worden vanwege het feit dat de realisatie van het hoogspanningsstation dit onmogelijk maakt, heeft een besluit van het waterschap hierover nog weinig zin. Initiatiefnemers hebben aangegeven dat zij zoveel mogelijk bij de verdere technische uitwerking van het ontwerp van het ondergrondse kabeltracé en de uitvoering van de werkzaamheden voor het hoogspanningsstation 5
rekening houden met een mogelijkheid om de Uilentocht middels een duiker in de toekomst te kunnen verbinden met de Zeeastertocht. Zo zal als voorbeeld de aan te leggen hoogspanningskabel door middel van een gestuurde boring dusdanig diep worden aangelegd waarbij de realisatie van een duiker niet onmogelijk wordt gemaakt. Er kan derhalve worden geconstateerd dat, vanwege het feit dat het nieuw te bouwen hoogspanningsstation geen rechtstreeks verband houdt met een eventuele toekomstige aanpassing van het watersysteem en deze mogelijk ook niet in de weg staat, de gemeente van mening is dat de zienswijze moet worden weerlegd. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Zienswijze 2 Op basis van de NOVI is het noodzakelijk om in ons gebied het watersysteem aan te passen door middel van doortrekking van genoemde tochten om doorstroming te realiseren en meer buffercapaciteit te creëren voor extreme weerssituaties. In het ontwerp bestemmingsplan wordt bij ‘3.1 Rijksbeleid’ onder andere het volgende vermeld: ‘3.1.1 Nationale Omgevingsvisie, 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust.
Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur.’ In bovenstaande tekst wordt aangegeven dat een aanpassing aan het watersysteem in het gebied noodzakelijk is in verband met toenemende extreme neerslag die zo snel mogelijk moet worden afgevoerd. De situatie is op dit moment ontoereikend waardoor de kans op waterschade in de gewassen steeds groter wordt. Door het doortrekken van de verschillende tochten wordt er een extra waterbuffer gecreëerd die bij extreme neerslag doeltreffend is evenals in het irrigatieseizoen als watervoorraad gebruikt kan worden. Daar komt bij dat door het aanpassen van het watersysteem in ons gebied de ecologische waarde toeneemt door middel van doorstromingen door toename van milieuvriendelijke oevers. Ook voeren deze nieuw aan te leggen tochten veel beter en meer water of in een korte periode vergeleken met de bestaande D-tocht. Deze D-tocht ligt langs het hoogspanningsstation en kan het extra water niet voldoende afvoeren. Het hoogspanningsstation zorgt ervoor dat er meer water ‘bovengronds’ via sloten moet worden afgevoerd ter vergelijking met landbouwgrond wordt er ook veel water ‘opgenomen door de grond’.
Doordat de landbouwgrond nu bebouwde grond wordt neemt de bovengrondse waterafvoer toe dat de D-tocht te weinig water afvoert en tot overlast kan zijn voor ons landbouwproductie: er is een groot risico op verrotting van onze gewassen door het wateroverlast. Reactie gemeente De door de indieners van de zienswijze aangehaalde tekstpassage is afkomstig uit de NOVI (de Nationale Omgevingsvisie). De NOVI schets een toekomstperspectief voor Nederland in het jaar 2050. Het Rijk wil op deze wijze sturing en richting geven aan het inrichten van de fysieke leefomgeving waarbij zij zich richt op vier prioriteiten. Eén daarvan is ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. In dat kader is in de toelichting behorende bij het (ontwerp)bestemmingsplan aangegeven dat Nederland zich moet aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte, 6
zodat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Uit deze passage, en hetgeen daar op volgt, blijkt echter geenszins dat het noodzakelijk is om in het gebied het watersysteem aan te passen door middel van doortrekking van genoemde tochten om doorstroming te realiseren en meer buffercapaciteit te creëren voor extreme weerssituaties. Of dit al dan niet noodzakelijk is, dient door het daartoe bevoegde gezag afgewogen te worden. Zoals onder de reactie op zienswijze 1 aangegeven is dat het waterschap. De relatie tussen het bestemmingsplan en de NOVI ligt meer op het vlak van de energietransitie. Hierbij gaat het om duurzame energievoorziening waarbij ruimte voor onder meer windturbines en zonnepanelen noodzakelijk is en ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal worden vastgelegd. De NOVI en het toekomstige Programma Energiehoofdstructuur sturen aan op een schonere en betere energie-infrastructuur die past binnen de leefomgeving. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, past binnen het ruimtelijk beleid van het Rijk dat in de NOVI wordt beschreven. Het Rijk maakt hiermee een robuust, betrouwbaar en veilig netwerk mogelijk om de transitie naar een circulaire economie en CO2-arme energievoorziening te realiseren.
Resumerend betekent dit dat, vanwege het feit dat de noodzaak tot het aanpassen van het watersysteem niet voortvloeit uit de NOVI, de gemeente van mening is dat de zienswijze moet worden weerlegd. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Zienswijze 3 Door het aanpassen van het watersysteem in ons gebied sluit de nieuwe situatie aan bij de Europese kaderrichtlijnwater. Zonder aanpassing van het watersysteem voor de bouw van het hoogspanningsstation wordt niet voldaan aan de kaderrichtlijnwater en dit heeft verstrekkende gevolgen. Naast het gegeven dat goede waterkwaliteiten de beschikbaarheid daarvan een doelstelling is van het Rijksbeleid is ook de kwaliteit van het water en de beschikbaarheid daarvan een doelstelling van het provinciale beleid omschreven in het Omgevingsprogramma van de provincie Flevoland. Dit wordt dan ook nadrukkelijk vermeld in het ontwerp bestemmingsplan.: ‘3.2.3 Omgevingsprogramma provincie Flevoland. Water voor agrarisch gebied-functie watersysteem’. Het agrarisch gebruik stelt specifieke eisen van de waterhuishouding. Voor een optimale productie van gewassen worden eisen gesteld van de grondwaterstand, het peilbeheer, de beschikbaarheid, de kans op wateroverlast en de kwaliteit van water voor beregening. De eisen verschillen per gewas.
In gebieden met de functie 'agrarisch water' worden de volgende doelen gesteld: • De functietoekenning is leidend voor de watervoorziening. • Een goede kwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewater is een belangrijke randvoorwaarde. • Opbrengstderving als gevolg van wateroverlast en vochttekort wordt geminimaliseerd • Plaatselijk is sprake van een beperkte en verslechterende drooglegging ten opzichte van de eisen van het agrarisch landgebruik. Hier is een overgang wenselijk naar een gebruik dot ook op langere termijn in overeenstemming is met de drooglegging.’ Tevens is er op Europees niveau de Kaderrichtlijn Water opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. Deze richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Om aan deze richtlijn in ons gebied te voldoen zal het watersysteem moeten worden aangepast. 7
Reactie gemeente In de toelichting behorende bij het (ontwerp)bestemmingsplan wordt aangegeven dat het belangrijkste doel van de provincie ziet op een goede woon-, werk- en leefomgeving in heel Flevoland op basis van een evenwichtige ontwikkeling. Water voor agrarisch gebied is daar onderdeel van, want de relatie tussen waterhuishouding en agrarisch gebruik is sterk aanwezig. Zo hebben namelijk de grondwaterstand, het peilbeheer, de beschikbaarheid, de kans op wateroverlast en de kwaliteit van water voor beregening allen effect op het agrarisch gebruik. Waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn dus ook, al dan niet indirect, belangrijke pijlers van het provinciaal beleid. Uit de door indieners aangehaalde tekstpassage blijkt echter niet dat zonder aanpassing van het watersysteem voorafgaande aan de realisatie van het hoogspanningsstation niet voldaan wordt aan het provinciaal beleid. Sterker, uit de toelichting blijkt dat het (ontwerp)bestemmingsplan in lijn ligt met het provinciaal beleid, omdat de ontwikkeling de grootschalige energieopwekking faciliteert die de provincie Flevoland ambieert. De afweging over het aanpassen van het watersysteem is dusdanig ingrijpend dat deze los gezien moet worden van deze ruimtelijke opgave. De afweging dient integraal door, zoals reeds aangegeven, het waterschap plaats te vinden met inbreng van onder andere de provincie.
Ten aanzien van de Kaderrichtlijn Water kan worden opgemerkt dat de gemeente niet in ziet waarom de realisatie van een hoogspanningsstation strijdig zal zijn met deze richtlijn. De indieners van de zienswijzen hebben, los van het feit dat dit planologisch besluit hier geen betrekking op heeft, niet nader gemotiveerd waarom het huidige waterhuishoudkundig systeem in strijd is met de Kaderrichtlijn Water en waarom deze derhalve dient te worden aangepast. Vanwege het feit dat het (ontwerp)bestemmingsplan zodoende niet in strijd is met provinciaal dan wel Europees beleid, is de gemeente van mening dat de zienswijze moet worden weerlegd. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Zienswijze 4 Bij het realiseren van het hoogspanningsstation is er een m.e.r.-procedure noodzakelijk omdat er belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving zullen zijn wanneer het watersysteem in ons gebied voorafgaande aan de bouw van het hoogspanningsstation niet aangepast wordt. Zoals beschreven in het Omgevingsprogramma van de provincie Flevoland wordt duidelijk wat hun doelstelling is. In combinatie met het nieuw te bouwen hoogspanningsstation en het tracé is een aanpassing aan het watersysteem in ons gebied in de toekomst uitgesloten waardoor de doelstellingen van het Rijk, gemeente Lelystad maar ook die van de provincie Flevoland niet gehaald kunnen worden.
Omdat als gevolg van het voorliggende ontwerp bestemmingsplan belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een m.e.r.-procedure doorlopen worden. In het ontwerpbestemmingsplan wordt bij, 4.2 m.e.r.—beoordeling, gemakshalve er vanuit gegaan dat dit niet nodig is wat wij ten zeerste bestrijden. Reactie gemeente Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer moet bij initiatieven voor (de aanleg of het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die 8
voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet bepaald worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen, de m.e.r -procedure of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsprocedure. Onderhavig plan omvat de realisatie van een hoogspanningsstation (150/20kV) en een hoogspanningsverbinding. De activiteit tot het realiseren van een hoogspanningsstation is niet specifiek benoemd in het Besluit milieueffectrapportage. Voor het 150/20kV hoogspanningsstation wordt een enkelbestemming Bedrijf - nutsbedrijf opgenomen. Hierdoor valt de activiteit onder categorie D 11.3 van onderdeel D van de bijlage in het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. In dit geval beslaat het oppervlak van het 150/20kV hoogspanningsstation 11 hectare, hiermee ligt het oppervlak onder de drempelwaarde van 75 hectare. Doordat de activiteit onder deze drempelwaarde ligt, is er voor het voornemen een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarnaast is de voorgenomen ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig vanwege de realisatie van een ondergrondse hoogspanningsverbinding (150kV).
Dit valt onder categorie D 24.2 van de bijlage in het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een ondergrondse hoogspanningsleiding. Doordat er ook een deel van de ondergrondse verbinding bovengronds wordt aangelegd en er een wijziging aan de bestaande hoogspanningsverbinding plaatsvindt, is ook de categorie D 24.1 van onderdeel D aan de orde: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een bovengrondse hoogspanningsleiding. Ook hier liggen de activiteiten onder de van toepassing zijnde drempelwaarde (lengte van 5 km) en is sprake van een vormvrije m.e.r-beoordelingsplicht. Deze beoordelingsplicht is uitgewerkt in een aanmeldnotitie die als bijlage is bijgevoegd bij de toelichting (Aanmeldnotitie 150/20kV Hoogspanningsstation Lelystad Larserringweg, Reddyn,). Los van het feit dat de gemeente de indieners van de zienswijze niet kan volgen ten aanzien van de stellingname dat het watersysteem door de realisatie van het hoogspanningsstation niet meer kan worden aangelegd, is er voor het planologische besluit conform het Besluit milieueffectrapportage concreet een m.e.r.-beoordeling opgesteld. De gemeente is van mening dat voldaan is aan de wettelijke vereisten hieromtrent en dat de zienswijze in dat licht moet worden weerlegd. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
3.2. Zienswijze (rechts)persoon 10 Zienswijze 1 'Verindustrialisering' omgeving Natuurpark We zijn een voorstander van het gebruik van duurzame energiebronnen. Wij begrijpen daarom dat er een oplossing moet komen voor de grote toename aan duurzame initiatieven c.q. opwek die aangesloten moeten worden op de elektriciteitsinfrastructuur. Wij zien echter wel risico's op 'verindustrialisering' van de omgeving van het Natuurpark. Het hoogspanningsstation komt te liggen op het perceel sectie I nummer 550 en 622. Binnen dit perceel zijn in de vigerende bestemmingsplannen verschillende bestemmingen gelegen, waaronder enkelbestemming Agrarisch. Het nieuwe ontwerpbestemmingsplan laat zien dat er geen garantie is dat een huidige bestemming blijft voortbestaan; nu wordt de bestemming van één perceel veranderd in enkelbestemming Bedrijf- Nutsbedrijf voor het realiseren van een station. Op 13 januari jl. spraken wij met de gemeente, de provincie en Qirion en toen bleek dat het onbekend is welke duurzame initiatieven er nog meer in Lelystad komen. Als die initiatieven zich aandienen, komen die dan ook in de omgeving van het Natuurpark te 9
liggen en worden bestemmingen van andere percelen in de omgeving dan ook hiervoor aangepast. Reactie gemeente Door diverse grote opgaven is de dynamiek in de fysieke leefomgeving continu onderhevig aan nieuwe ontwikkelingen. Dit is in de afgelopen jaren door onderwerpen als energietransitie, klimaatadaptatie en woningbouwversnelling al maar toe genomen. Zeker het laatste aspect heeft effect voor heel Nederland en in dat kader ook voor de gemeente Lelystad. Nieuwe initiatieven zullen zodoende altijd een plaats krijgen binnen de gemeente indien deze noodzakelijk zijn of een meerwaarde vormen voor de gemeente. Welke initiatieven er in de toekomst binnen dit plangebied zullen worden gerealiseerd is afhankelijk van de vraag en de behoefte binnen de omgeving. Indien een dergelijke vraag of behoefte dient te worden uitgevoerd en het past niet binnen het planologische kader dan zal er voor een dergelijk initiatief separaat worden afgewogen of een planologische procedure zal worden doorlopen. Zienswijze 2 De geluidsimmissie op het Natuurpark moet in het definitieve bestemmingsplan worden meegenomen. In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan staat dat de berekende geluidsniveaus ruimschoots voldoen aan de criteria op basis van de Wet geluidhinder en de VNG -richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'.
Maar voor de berekende geluidsniveaus is alleen rekening gehouden met de dichtstbijzijnde gevoelige objecten (woningen). Wij willen de geluidsimmissie op het Natuurpark weten en dat dit wordt meegenomen in het definitieve bestemmingsplan. Voor ons is het namelijk belangrijk dat onze bezoekers geen overlast ondervinden van het hoogspanningsstation. Wij en de bezoekers ervaren al overlast van de vliegtuigen van Lelystad Airport die over het Natuurpark vliegen. De transformatoren zullen binnen cellen worden opgesteld waarvan de zuidwestzijde en de bovenzijde open is. De compensatiespoelen worden zonder wanden opgesteld. Mocht uit berekeningen blijken dat de geluidsimmissie op het Natuurpark niet voldoet aan de Wet geluidhinder, vragen wij u extra geluidreducerende maatregelen te treffen, zoals de transformatoren ook aan de zuidwestzijde en bovenzijde 'inpakken', de compensatiespoelen inpakken, geluidreducerende bekleding op de wanden van de transformatoren en de compensatiespoelen. In figuur 13 in de toelichting van het bestemmingsplan staat in de beschrijving 'Berekende etmaalwaardecontouren incl. toeslag K1, voorde eindfase'. In het akoestisch rapport staat echter in de beschrijving van dezelfde afbeelding (afbeelding f4.2) 'Berekende etmaalwaardecontouren exclusief toeslag K1, voor de eindfase (fase 2b)'.
We willen weten of de waarden in het figuur inclusief of exclusief toeslag K1 zijn. Mochten de waarden exclusief toeslag K1 zijn, willen we een nieuw figuur waarin is aangegeven wat de waarden inclusief toeslag K1 zijn Reactie gemeente Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Onder geluidgevoelige functies worden geluidsgevoelige gebouwen verstaan
10
zoals woningen, onderwijsgebouwen, kinderdagverblijven of geluidsgevoelige terreinen zoals woonwagenstandplaatsen of ligplaatsen voor woonschepen. Er is geconstateerd dat na realisatie van het hoogspanningsstation het totale, gelijktijdig in te schakelen, elektrische vermogen van de transformatoren hoger wordt dan 200 MVA. Daardoor zal het station milieuvergunningplichtig worden. Het terrein van het hoogspanningsstation wordt daarom voorzien van een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. In het akoestisch onderzoek is een voorstel voor de vast te stellen geluidzone gedaan die bescherming biedt voor de geluidsgevoelige functies. Dit advies is opgevolgd en middels voorliggend bestemmingsplan is de geluidszone planologisch vastgelegd. Het Natuurpark is geen geluidgevoelig terrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Er is zodoende op basis van die wet geen toetsingskader of rekentool om de geluidsimmissie op het Natuurpark te berekenen. Daar komt bij dat - als dit al het geval zou zijn – er tevens geen afweging kan plaatsvinden of de geluidsimmissie al dan niet toelaatbaar is, omdat eventuele grenswaarden niet bekend zijn. Het door de (rechts)persoon 10 naar voren gebrachte ‘geluidsaspect’ in relatie tot het Natuurpark is eerder in het licht van de Wet natuurbescherming te bezien in plaats van de Wet geluidhinder.
De Wet natuurbescherming heeft betrekking op de bescherming van flora en fauna. In het licht van een goede ruimtelijke ordening heeft er ecologische toets plaatsgevonden. In dit onderzoek (QuickScan Natuurwetgeving, Arcadis, 5 december 2022) komt naar voren dat, hoewel het natuurpark Lelystad onderdeel is van NNN-gebied (Natuurnetwerk Nederland), de werkzaamheden niet leiden tot een aantasting van de aanwezige waarden en kenmerken van het NNN gebied. Bij de werkzaamheden in de buurt van het Natuurpark is mogelijk wel sprake van een tijdelijke toename in verstoring door (licht en) geluid. Met inachtneming van de mitigerende maatregelen en de tijdelijke aard van de werkzaamheden vindt er echter geen significante aantasting plaats. Door het tijdelijke karakter van de werkzaamheden treedt er geen externe werking op van verstoring op het Natuurpark. Vanwege het feit dat het (ontwerp)bestemmingsplan zodoende niet in strijd is met geluidswetgeving op basis van de Wet geluidhinder dan wel de Wet natuurbescherming, is de gemeente van mening dat de zienswijze moet worden weerlegd. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Zienswijze 3 De kabelzone, waar de beplantingsranden en bloemrijkgrasland zijn gesitueerd, moet aan de kant van de Larserringweg komen te liggen. Ook de zijden van het station moeten zo veel als mogelijk worden beplant.
In het landschappelijk inpassingsplan staat dat tussen het Natuurpark en het station een ca. 50 meter brede kabelzone ligt. Deze zone blijft volgens het plan daarom vrij van bomen en heesters en wordt ingericht met bloemrijkgrasland. We vragen u om de kabelzone aan de kant van de Larserringweg te leggen. Dan kunnen aan de noordkant, tussen het Natuurpark en het station, bomen geplant worden. Dit belemmert het zicht vanuit het Natuurpark, sluit beter aan op het Natuurpark en geeft zo nodig meer geluidsreductie dan bloemen. In het landschappelijk inpassingsplan staat dat aan de oostzijde van het perceel een beplantingsrand tussen het station en de Larserringweg komt met een transparanter karakter. En dat de reden hiervoor is dat het station aan deze zijde zijn entree en gezicht 11
heeft. We snappen deze reden niet en willen juist zo min mogelijk van het station zien. Ook als daar kabels komen (zoals voorgesteld hierboven), vragen wij u om te onderzoeken welke mogelijkheden in beplanting er zijn. Onze voorkeur heeft namelijk om deze zijde zo dicht mogelijk te beplanten. Daarnaast willen wij dat u voor het bloemrijkgrasland kiest voor inheemse en autochtone bloemen. Reactie gemeente In de toelichting bij het bestemmingsplan komt naar voren dat bij de locatiekeuze voor het nieuwe station gezocht is naar een geschikte ontwikkellocatie binnen het karakteristieke landschappelijk raamwerk van Flevopolder-oost. Het behoud van het open Mondriaanlandschap en versterken van de opgaande groenstructuren heeft daarin centraal gestaan. De locatie aan de zuidrand van het natuurpark Lelystad biedt hier mogelijkheden voor, omdat het hoogspanningsstation op deze locatie buiten het centrale open polderlandschap ligt en aansluit, als opgaande massa, op de opgaande groenstructuur. Het natuurpark vormt een centrale massa in deze structuur en daar sluit het station in schaal en maat goed op aan.
Naast de voornoemde gewenste situering van het station in het licht van het Mondriaanlandschap, moet in ogenschouw worden genomen dat de functionele en doelmatigheidseisen primair de vormgeving (denk aan hoogte, afstanden, (elektro) techniek, veiligheid en materiaal) van de nutsvoorzieningen bepalen. De functionaliteit van het hoogspanningsstation brengt met zich mee dat een industriële vormgeving onvermijdelijk is. Desalniettemin dient er wel zo veel als mogelijk gestreefd te worden naar een goede ruimtelijke kwaliteit en moet er - door de forse impact van het station - een goede balans worden gevonden tussen de technische vereisten in relatie tot het landschap. Dat vergt een goed landschappelijk ontwerp met daarbij behorende gebiedseigen en inheems beplanting. In dat kader is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (bijlage 1 bij de Toelichting (ontwerp)bestemmingsplan). In het landschappelijk inpassingsplan is aangegeven dat tussen het natuurpark en het station een circa. 30 meter brede kabelzone vrijgehouden wordt van bomen en heesters en wordt ingericht met bloemrijkgrasland. De belangrijkste reden dat er geen bomen en heesters binnen deze zone mogen worden geplaatst, is van technische aard. Binnen deze zone zal namelijk het kabelbed worden aangelegd. Vanuit technisch en veiligheidsoogpunt is het niet wenselijk om hier (diep)wortelende beplanting te situeren.
Ten aanzien van de oostzijde van de locatie is in het landschappelijke inpassingsplan aangegeven dat deze zone bewust transparanter is ingericht omdat het station aan deze zijde zijn entree en gezicht heeft. De functie van de daar aan te brengen heesterbeplanting is om te zorgen dat aan deze zijde een mooie overgang tussen de dichte bosrand van het Natuurpark Lelystad en het open polderlandschap wordt gewaarborgd. Het vrijhouden van het kabelbed aan de oostzijde - en zodoende daar een circa. 30 meter brede kabelzone reserveren - is niet wenselijk en mogelijk, omdat ook op deze plek noodzakelijkerwijs een kabeltracé wordt gerealiseerd om het nieuwe 150/20kV station aan te sluiten op de bestaande 20- en 150kV-infrastructuur in de directe omgeving. Er kan derhalve worden geconstateerd dat, vanwege het feit dat het landschappelijke inpassingsplan een balans vindt tussen techniek en de fysieke omgeving, de gemeente van 12
mening is dat de zienswijze moet worden weerlegd. Er wordt tegemoetgekomen aan de wens om – in het kader van de biodiversiteit - inheemse bloemzaden te zaaien
3.3. Zienswijze (rechts)persoon 18 Zienswijze 1 Open landschap als kenmerk Het opstijgpunt is geprojecteerd op de door (rechts)persoon 18 gepachte grond. Midden in een open landschap torenen na de aanleg van dit opstijgpunt twee protalen van 15 meter hoog de grond uit, met daaromheen hekwerk. Dit open landschap is in de onderliggende bestemmingsplannen als te beschermen landschapselement verankerd. Weliswaar wordt in de toelichting op het ontwerpbestemmingsplan ingegaan op de keuze voor de aanleg van het hoogspanningsstation zelf, maar ten aanzien van het opstijgpunt ontbreekt deze toelichting en motivering. Alleen al om deze reden is onduidelijk wat de ruimtelijke afwegingen zijn om deze doorkruising van dit unieke - beschermde – open ‘Mondriaan’ landschap te rechtvaardigen. Het gebied waar het opstijgpunt is geprojecteerd wordt immers in de door de Provincie in 2022 vastgestelde Structuurvisie onder kernkwaliteit 10 gebracht: Openheid, Mondriaanlandschap met licht, lucht en ruimte (zie paragraaf 2.4 van de Structuurvisie Landschap van de Toekomst). Reactie gemeente: In de provincie Flevoland is sprake van een grote toename van duurzame initiatieven c.q. opwek die aangesloten moet worden op de elektriciteitsinfrastructuur. Daarnaast is sprake van een sterke toename van de vraag naar elektriciteit en wordt verwacht dat deze groei de komende jaren aanhoudt.
Zoals aangegeven in de toelichting van het bestemmingsplan levert dit diverse knelpunten op. Om de infrastructuur gereed te maken voor de toekomst dienen deze knelpunten opgelost te worden. Dit kan niet enkel door uitbreiding van de bestaande stations, maar ook is een nieuw 150/20 kV hoogspanningsstation noodzakelijk. Inherent hieraan is dat dit hoogspanningsstation aangesloten dient te worden op de bestaande bovengrondse 150kV-verbinding van Lelystad naar Harderwijk. Er is in dat kader gezocht naar een locatie die zowel technisch als landschappelijk het best passend is in de fysieke leefomgeving. Door het aanleggen van een ondergrondse kabel wordt geborgd dat het ‘Mondriaan’-landschap zo veel als mogelijk intact blijkt en dat er zomin mogelijk aanpassingen aan het landschappelijke karakter hoeven plaats te vinden. Bij het onderhavige initiatief is het echter noodzakelijk om ergens op het tracé een koppeling te leggen tussen de bovengrondse en de ondergrondse hoogspanningsverbinding. Zodoende kan op geen enkele manier voorkomen worden dat er enige doorkruising is van het ‘Mondriaan’-landschap. Zienswijze 2 Alternatieven? Vanwege deze ontbrekende toelichting en motivering is evenmin duidelijk of er alternatieven onderzocht zijn voor de aanleg van het hoogspanningsstation in totaliteit of voor het opstijgpunt in het bijzonder.
Er wordt door het geprojecteerde opstijgpunt een flinke hap uit het perceel genomen, hetgeen in de eerste plaats nadelige gevolgen heeft voor telen van gewassen op de beschikbare akkerbouwgrond. De grond is niet meer volledig in te zetten. (Rechts)persoon 18 zal ook extra handelingen moeten uitvoeren bij het bewerken van de grond, zoals inklappen van de materieel, andere zaairoutes en spuitrichtingen. Die 13
alternatieven zijn niet terug te vinden in de toelichting, zodat niet is onderzocht of het opstijgpunt buiten het gepachte perceel – dat in gebruik is bij (rechts)persoon 18 – mogelijk is en de schade daardoor voor (rechts)persoon 18 als pachter kan worden beperkt. Reactie gemeente: Zoals aangegeven in paragraaf 1.3 van de Toelichting bij het Ontwerpbestemmingsplan heeft voorafgaand aan de keuze voor de huidige voorkeurslocatie een haalbaarheidsstudie plaatsgevonden waarin de mogelijkheden zijn onderzocht om de netuitbreiding te realiseren. In deze studie is rekening gehouden met de omgeving, planologie, nettechniek en stakeholderanalyse. De huidige locatie is gekozen omdat het elektriciteitsstation hier zowel op korte afstand van de toekomstige gebruikers gelegen is als nabij de 150kVverbinding waarop aangesloten moet worden. Ook landschappelijk is het elektriciteitsstation hier het beste in te passen. De gekozen locatie van de opstijgpunten is ingegeven vanuit technische aspecten (w.o. ligging ondergronds kabeltracé tussen stationsterrein en HS lijn) en landschappelijke redenen. De eindportalen komen midden tussen mast 56 en 57 te staan waardoor de knip in de hoogspanningslijnen landschappelijk gezien subtiel is en het landschap zo min mogelijk aangetast wordt.
Een ligging op het zuidelijk gelegen agrarisch perceel leidt tot meer impact op het landschap en de agrarische bedrijfsvoering. Op verzoek van indiener wordt bij de situering van het opstijgpunt op zijn perceel zoveel mogelijk rekening gehouden met zijn bedrijfsvoering. Het opstijgpunt wordt in de hoek van het perceel gerealiseerd waarbij er voldoende ruimte (6 meter) wordt vrijgehouden tot de watergangen zodat landbouwvoertuigen om het opstijgpunt heen kunnen rijden. Voor het gebruik van de gronden ter plaatse van de ondergrondse kabel en het opstijgpunt wordt door de netbeheerders een zakelijk recht overeenkomst afgesloten met de eigenaren (Rijksvastgoedbedrijf) en een gebruiksovereenkomst met de pachters. In deze overeenkomsten worden afspraken over het gebruik van de grond, de vergoeding en welke rechten op toekomstige vergoedingen de rechthebbende zal ontvangen vastgelegd. In deze overeenkomsten wordt ook vastgelegd dat eventueel ontstane hinder en veroorzaakte schade volledig worden vergoed. Voor een nadere toelichting verwijzen we hier naar de TenneT ‘Schade- en vergoedingengids ondergrondse 110kV en 150kVhoogspanningsverbindingen’. Zienswijze 3 Gezondheid en veiligheid Daarnaast volgt niet uit de uitgevoerde beoordelingen of aandacht is besteed aan de gevolgen van de aanleg van het hoogspanningsstation en opstijgpunt voor de gezondheid en de biologische akkerbouw.
Ook wordt in de ruimtelijke afwegingen niet, althans niet voldoende ingegaan op de veiligheid ter zake de aanwezigheid van het opstijgpunt. (Rechts)persoon 18 vraagt zich af of de straling die vrijkomt bij het opstijgpunt tot beperkingen van het omliggende perceel zal leiden, bijvoorbeeld door statische lucht. Bij akkerbouw op dit perceel van (rechts)persoon 18 is verder sprake van precisie-landbouw: de systemen op de voertuigen (bijvoorbeeld voor het inzaaien van gewassen) zijn ingericht op de ontvangst van GPS-signalen, waarvan onduidelijk en niet onderzocht is of deze GPSsignalen worden gestoord door de straling die van de opstijgpunten af komt. Reactie gemeente Ten aanzien van het aspect Gezondheid kan het volgende worden gemeld: Het elektriciteitsnet in Nederland bestaat op het hoogste spanningsniveau grotendeels uit bovengrondse hoogspanningslijnen. Bij spanningen van 150.000 Volt en lager worden ook 14
veel ondergrondse kabels gebruikt. Het laagste spanningsniveau is nagenoeg geheel ondergronds. Dit zijn de midden- en laagspanningskabels in woon- en industriegebieden. Bij een bovengrondse hoogspanningslijn hangt de sterkte van het elektrische veld af van de elektrische spanning (de hoeveelheid Volt) en de afstand tot de geleiders (draden). In april 2023 heeft de Rijksoverheid herijkt beleid ten aanzien van magneetvelden rond elektriciteitsinfrastructuur vastgesteld. Voor bovengrondse verbindingen (waaronder opstijgpunten) geldt dat zoveel als mogelijk dient te worden voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij gevoelige bestemmingen langdurig worden blootgesteld aan magnetische velden groter dan 0,4microTesla/jaar. Met dit plan wordt voldaan aan het beleid ten aanzien van bovengrondse verbindingen. Voor ondergrondse verbindingen en het station geldt dat burgers niet mogen worden blootgesteld aan magnetische velden groter dan 100 microTesla. Daaraan wordt voldaan. Daarnaast dienen bronmaatregelen genomen te worden om te zorgen dat de magneetvelden zo gering mogelijk zijn. In het ontwerp hebben initiatiefnemers rekening gehouden met deze bronmaatregelen. Daarnaast heeft TenneT uitgebreid laten onderzoeken wat de effecten van elektrische en magnetische velden zijn op de werking op elektronische apparatuur zoals GPS.
Hieruit is gebleken dat elektrische en magnetische velden geen effect hebben op het functioneren van GPS-apparatuur. Voorwaarde is dat deze apparatuur wel aan de internationale regelgeving voldoet en op een juiste en deugdelijke manier wordt gebruikt. Het is mogelijk dat door de schaduwwerking van een mast het zicht op de satellieten waarmee het GPS-systeem is verbonden, wordt geblokkeerd. Om goed te functioneren moet GPS-apparatuur (ontvanger) in het algemeen met minimaal 4 satellieten (zenders) zijn verbonden. Daarnaast geldt: met hoe meer satellieten de apparatuur verbonden is des te nauwkeuriger kan de apparatuur werken. Een groot object, zoals een boom of een hoogspanningsmast, kan het zicht op de satellieten blokkeren. Als er dan geen verbinding met een andere satelliet kan worden gevonden, heeft de GPS-apparatuur onvoldoende satellietverbindingen om te functioneren. Zodra de gebruiker met de apparatuur uit de schaduw treedt, wordt de verbinding weer hersteld. Mocht dit probleem zich voordoen, en veroorzaakt zijn door de masten van TenneT, dan zal de afdeling Grondzaken van TenneT samen met de betrokkene een passende oplossing zoeken. Ten aanzien van het aspect Veiligheid kan het volgende worden gemeld: Het ontwerp, de bouw en het gebruik van hoogspanningsverbindingen voldoen aan zeer strenge (wettelijke) veiligheidseisen.
Bij het ontwerp en de bouw van een verbinding houdt TenneT zich niet alleen aan de nationale en Europese wet- en regelgeving maar aan extra normen die TenneT zelf heeft gesteld. Wel zal de grondeigenaar of grondgebruiker binnen de zakelijk rechtstrook (en de dubbelbestemming) rekening moeten houden met een aantal gebruiksbeperkingen. Deze beperkingen - welke worden vastgelegd in de af te sluiten zakelijk recht - en gebruiksovereenkomsten - zijn noodzakelijk om de veiligheid en de leveringszekerheid te waarborgen. Voor een nadere toelichting over veiligheidsaspecten (in een agrarische omgeving bij een bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsverbinding) verwijzen wij naar de brochures op de website van TenneT (Uw veiligheid (tennet.eu)). Zienswijze 4 Landschappelijke inpassing
15
(Rechts)persoon 18 wijst verder op het inpassingsplan, dat als bijlage 1 bij het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd: onderdeel van dat inpassingsplan is de landschappelijke beschrijving van maatregelen die ervoor moeten zorgen dat het station zelf aan het beeldkwaliteitsplan voldoet. Over de landschappelijke beschrijving van het opstijgpunt wordt niet gerept: aan het feit dat dit opstijgpunt ten koste gaat van de voorgeschreven openheid wordt voorbij gegaan. Problematischer vindt (rechts)persoon 18 dat de landschappelijke inpassing van het station weliswaar is opgenomen in de verbeelding als functieaanduiding ‘groen’, maar dat de aanleg van die compenserende maatregelen (slechts) als voorwaardelijke verplichting is opgenomen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, waarin eveneens de planologische basis voor een hoogspanningsstation werd beoordeeld, valt af te leiden dat een voorwaardelijke verplichting niet een voldoende basis geeft voor het daadwerkelijk verzekeren van deze maatregelen (ECLI:NL:RVS:2022:3127). Reactie gemeente: In de zienswijze wordt aangegeven dat er niet wordt gerept over de landschappelijke beschrijving van het opstijgpunt en dat er voorbij wordt gegaan aan het feit dat dit opstijgpunt ten koste gaat van de voorgeschreven openheid.
De gemeente merkt hierbij op dat dit betrekking heeft op hetgeen reeds is beschreven in de reactie op zienswijze 1. In dat kader wordt daar naar verwezen. De stelling dat uit jurisprudentie voortvloeit dat een voorwaardelijke verplichting geen voldoende basis geeft voor het daadwerkelijk verzekeren van de landschappelijke inpassing, kan de gemeente niet volgen. Er wordt verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter waarbij de vraag tot het stilleggen van het werk is voorgelegd, omdat het in die situatie onduidelijk was of het herstelplan voldeed aan de berekende kwaliteitsverbetering. Uit de uitspraak blijkt geenszins dat de opgenomen voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan een onvoldoende basis biedt voor het waarborgen van de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan. Hierbij wordt opgemerkt dat in een bestemmingsplan - waarbij het gaat om toelatingsplanologie - geen directe verplichting kan worden opgelegd om ontwikkelingen die mogelijk gemaakt worden ook daadwerkelijk uit te voeren. Daarom heeft de opgenomen verplichting noodzakelijkerwijs een voorwaardelijk karakter. Om waarborg te bieden aan derde belanghebbenden dat het landschappelijk inpassingsplan juist wordt uitgevoerd, is de formulering van de betreffende voorwaardelijke verplichting zorgvuldig geformuleerd in de bestemmingsregels.
In dit kader wordt ook verwezen de uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2017:1589) waarin geoordeeld wordt dat het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van een bestemmingsplan voldoende waarborg biedt voor de daadwerkelijke uitvoering en instandhouding van de kwaliteitsverbeterende maatregelen. Zienswijze 5: Waterkwaliteit In de plantoelichting wordt ingegaan op de waterkwaliteit en de effecten van de aanleg van het hoogspanningsstation op het aanwezige water(huishoudkundig)systeem. Hoewel vast staat dat een deel van het plangebied wel degelijk onder de reikwijdte van de Kaderrichtlijn Water valt, namelijk het noordoostelijk deel, wordt aan dat feit naar mening van (rechts)persoon 18 eenvoudig en ten onrechte voorbij geschreven. Waterkwaliteit is voor 16
de bedrijfsvoering van (rechts)persoon 18 als akkerbouwer onmisbaar: de bereikbaarheid van water alsmede de kwaliteit van het water. Voor de verbetering van de huidige waterkwaliteit worden al enig tijd gesprekken gevoerd met het Waterschap, mede met het oog op de wijziging van het watersysteem (het verbinden en doortrekken van de verschillende tochten). Aangezien het tracé van de kabels ondergrondse wordt getrokken, is de voorgenomen wijziging in het watersysteem niet meer mogelijk, en kan verbetering in de waterkwaliteit niet worden gerealiseerd. In paragraaf 4.5.9. worden enkele maatregelen opgenoemd en wordt gerefereerd aan overleg met het Waterschap, maar in het ontwerpbestemmingsplan is van een noodzakelijke planologische verankering van deze maatregelen niet terug te vinden. Ook onderdelen van de conclusie uit paragraaf 4.5.13 worden niet verankerd in het ontwerpbestemmingsplan, zoals de uitbreiding van de bergingscapaciteit door het verbreden van sloten in het plangebied. Reactie gemeente: Hiervoor is uitgebreid ingegaan op de relatie tussen het water(huishoudkundig) systeem en de realisatie van het hoogspanningsstation. Verwezen wordt zodoende naar de reactie van de gemeente op zienswijze 1 t/m 3 onder (Rechts)personen 1-9, 11-17, 19-20.
Ten aanzien van de zienswijze kan dan ook worden gesteld dat, vanwege het feit dat het nieuw te bouwen hoogspanningsstation een eventuele toekomstige aanpassing van het watersysteem niet in de weg staat, de gemeente van mening is dat de zienswijze moet worden weerlegd. De zienswijze is zodoende ongegrond.
3. Conclusie zienswijzen De hiervoor behandelde zienswijzen geven geen aanleiding tot het wijzigen van het bestemmingsplan voor vaststelling.
4. Ambtshalve wijzigingen De volgende ambtshalve wijzigingen zijn doorgevoerd: ➢ De opstijgpunten/hekwerk zijn enkele meters verplaatst in zuidelijke richting, richting de erfgrens. De overzichtstekening is hierop aangepast. ➢ Vanuit veiligheidsoverwegingen worden er scherfwanden rondom de compensatiespoelen op het stationsterrein geplaatst. Dit leidt tot een positief effect op de geluidsproductie. Het geluidsonderzoek is hierop geactualiseerd. ➢ Bij de nadere engineering van het stationsontwerp is gebleken dat: o er een kleine optimalisatie in de begrenzing van het bouwvlak nodig is. Dit heeft geen negatieve consequenties. Binnen de groenaanduiding is voldoende ruimte om de landschappelijke inpassing te realiseren conform het Landschapsinpassingsplan o de natuurvriendelijke oever smaller moet zijn dan de 8 meter zoals eerder genoemd in het Landschapsinpassingsplan. Dit heeft geen negatieve consequenties voor de bijdrage aan de ecologische structuur van de polder. 17
De natuurvriendelijke oever wordt Landschapsplan is hierop aangepast.
nu
maximaal
4
meter.
Het
➢ In het Landschapsinpassingsplan staat abusievelijk dat de breedte van de kabelzone tussen het natuurpark en het station 50 meter is. Dit moet 30 meter zijn. Dit is aangepast in het Landschapsinpassingsplan. ➢ De Aeriusberekening bij het ontwerpbestemmingsplan dateert van december 2022. Er is een geactualiseerde Aeriusberekening gemaakt (21 november 2023) op basis van de update van de Aeriustool (2022). De conclusies van de berekening is ongewijzigd. ➢ In verband met de verdere engineering van de kabelzone hebben medio 2023 veldonderzoeken plaatsgevonden (sondering en g-waardeonderzoek). De onderzoeksresultaten leiden tot een minder breed kabeltracé (variërend tussen de 40 en 20 meter). Dit is gewijzigd in de plantoelichting en de m.e.r.-beoordeling. ➢ Na de terinzage van het ontwerpbestemmingsplan, heeft het Rijk in april 2023 het bestaande voorzorgsbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen herijkt. Dit is verwerkt in de plantoelichting en de m.e.r.-beoordeling.
18