CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

BL 1 FlevoGolf Resort Lelystad_Motivering Definitief

Raadsvergadering 17 februari 2026, gemeente LelystadBij agendapunt: 26.074 Bindend advies BOPA Flevo Golf Resort: realisatie 44 woningen15.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3.3

Conclusie

De watertoets is doorlopen en het plan is afgestemd met het waterschap. Er wordt voldaan aan de eisen die het waterschap stelt. Er wordt genoeg watercompensatie gerealiseerd. Het aspect water staat een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie niet in de weg.

4.4

Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren

In deze paragraaf wordt getoetst of het planvoornemen de verkeer- en parkeersituatie niet nadelig beïnvloed.

28

FlevoGolf Resort Lelystad

4.4.1

Plangebied

4.4.1.1 Parkeren Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte en het aantal verkeersbewegingen van en naar deze locaties is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381 – Toekomstbestendig parkeren, december 2018. Op grond van deze publicatie kan de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van het plan berekend worden aan de hand van de stedelijkheidsgraad, de stedelijke zones (centrum, schil rond centrum, rest bebouwde kom en buitengebied) en het type woningen worden berekend. Door het CROW worden voor de stedelijkheidsgraad de volgende klassen aangehouden.

Voor de gemeente Lelystad is de klasse "matig stedelijk" van toepassing. Het aantal adressen per km2 bedraagt in deze klasse tussen de 1.000 en 1.500 adressen. Het CBS geeft aan dat in Lelystad een adressendichtheid is van 1.409 adressen per km2. (2024). De locatie ligt in de "Overige gebieden binnen de gemeente Lelystad". Op grond van de publicatie en de Nota Parkeernormen 2023 mag worden geconcludeerd dat het plangebied in "rest bebouwde kom" ligt en dat het te realiseren woningtype als "duur" moet worden beschouwd. Op basis van de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone is met behulp van genoemde publicaties de parkeerbehoefte per woning vastgesteld in tabel 1. De parkeerbehoefte bedraagt 2,1 parkeerplaatsen per woning. De parkeernorm geeft het aantal parkeerplaatsen weer dat per woning moet worden gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen kunnen zowel op eigen terrein als in het openbaar gebied worden gerealiseerd. Indien er parkeerplaatsen op eigen terrein van woningen worden gerealiseerd, mogen deze plaatsen als parkeercapaciteit worden meegerekend volgens de rekenwaarden, zoals opgenomen in onderstaande tabel. Hoewel het inrichtingsplan globaal is blijkt wel dat de opzet van het plan ruim is en dat aan de norm van 2 parkeerplaatsen per woning goed voldaan kan worden.

Bij de verdere uitwerking van de plannen tot concrete bouwplannen is als basis rekening gehouden met 2,1 parkeerplaatsen per woning. Rekening houden met de reductiefactoren betekent voor vrijstaande woningen met garage dat er rekening gehouden mag worden met 1,8 parkeerplaatsen per woning in plaats van 2,1. Dat betekent dat voor het verschil van 0,3 rekening gehouden moet worden met parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Voor 44 woningen moeten er in totaal 92,4 parkeerplaatsen gerealiseerd worden op basis van de CROW norm. Voor de 44 woningen kan uit worden gegaan dat 1,8 parkeerplaatsen op eigen terrein komen. Dit

29

FlevoGolf Resort Lelystad

betreft 79,2 parkeerplaatsen. Dit betekent dat 13,2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd moeten worden.. In de stedenbouwkundige verkaveling is hiermee rekening gehouden. 4.4.1.2 Verkeer In het kader van het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing voor de realisatie van woningbouw ter plaatse van de golfbaan Flevo Golf Resort binnen het gebied van het bestemmingsplan Stads-randgebied bestaat de behoefte inzicht te verkrijgen in de parkeerbehoefte en de wijzigingen in de verkeersstromen ten gevolge van deze ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet in de bouw van 44 vrijstaande woningen. Verkeersgeneratie Op basis van de stedelijkheidsgraad en de stedelijke zone is per type woning met behulp van genoemde publicaties de verkeersgeneratie per woning vast gesteld in tabel 1. De verkeersgeneratie per woning bedraagt 7,8 tot 8,6 ritten per etmaal.

Verkeersontsluiting De ontsluiting van het plangebied voor autoverkeer vindt plaats via de bestaande wegenstructuur Parlaan en Eaglelaan. De Parlaan ontsluit momenteel ruim 500 woningen. Uitgaande van de eerder genoemde verkeersgeneratie van 8,2 ritten per woning bedraagt de verkeersintensiteit op de Parlaan op dit moment ongeveer 4.150 mvt/etmaal. De toename met ongeveer 360 ritten zorgt voor een totale verkeersintensiteit op de Parlaan van ongeveer 4.510 ritten per etmaal op de Parlaan ter hoogte van de rotonde met de Houtribweg. Het verkeersmodel van de gemeente Lelystad geeft aan dat in 2030 rekening moet worden gehouden met een verkeersintensiteit van ongeveer 8.820 mvt/etmaal op deze weg. Met behulp van de rotondeverkenner is de belasting van de rotonde Houtribweg/Parlaan berekend. Daarbij is de verkeersintensiteit omgerekend naar pae's (personenauto eenheden). Uit deze berekening blijkt dat de verzadigingsgraad maximaal 37% bedraagt. Een verzadigingsgraad van meer dan 80% kan tot afwikkelingsproblemen leiden. Dat is hier niet aan de orde.

30

FlevoGolf Resort Lelystad

De Houtribweg beschikt over een capaciteit van ca. 7.600 (7.598) per dag. De 44 nieuwe woningen genereren 8,2 verkeersbewegingen per woning. Dat is een totale verkeersgeneratie van 360 verkeersbewegingen per etmaal. Afgezet tegen de capacteit van de Houtribweg is dit een toename van 4,74%. Daaruit wordt geconcludeerd dat de verkeerssituatie op de Houtribweg geen moeilijkheden moet ervaren door de komst van 44 woningen. Op de doorstroming van de rotonde bij Bataviastad heeft de ontwikkeling maar een minimaal effect. Van de totale verkeersgeneratie zal een substantieel deel de route in noordelijke richting kiezen en dus niet bij de rotonde Bataviastad uitkomen. Dit minimale effect wordt als aanvaardbaar beoordeeld.

4.4.2

Conclusie

Er is in het plan voldoende ruimte om aan de parkeernorm te voldoen. Totaal zijn 92,4 parkeerplaatsen noodzakelijk. 13,2 hiervan worden op openbaar terrein gerealiseerd. Het overige deel wordt op eigen terrein gerealiseerd. De verkeersgeneratie zorgt niet voor knelpunten in de ontsluiting van de nieuwe woningen. De bestaande ontsluiting kan de nieuwe verkeersbewegingen per etmaal aan. Het aspect verkeer en parkeren staat een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie niet in de weg.

4.5

Ecologie

In de Omgevingswet zijn vrijwel alle bepalingen tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten opgenomen zoals voorheen samengebracht in de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt diverse Europese regelgeving verwerkt in de Nederlandse wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Door het rijk zijn gebieden aangewezen die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten.

31

FlevoGolf Resort Lelystad

Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Er is geen definitie voor wat gezien kan worden als significant. Een omgevingsplan of omgevingsvergunning dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de wetgeving wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. Zo zijn er onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de omgevingswet en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod.

De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van omgevingsvergunningaanvraag moet worden onderzocht of dit aspect van de omgevingswet de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

32

FlevoGolf Resort Lelystad

4.5.1

Plangebied

4.5.1.1 Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet in of grenst niet aan een in het kader van de Omgevingswet beschermd gebied. Het projectgebied ligt op een afstand van bijna 200 meter ten oosten van een in het kader van de Omgevingswet beschermd gebied, te weten Natura 2000-gebied IJsselmeer. Ook ligt het projectgebied op korte afstand van het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Tussen deze Natura 2000-gebieden en het projectgebied ligt de IJsselmeerdijk en de N307. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op circa 180 meter ten oosten van het projectgebied. Gezien de relatief kleine afstand tot de Natura 2000-gebieden, kunnen de voorgenomen plannen in potentie zorgen voor verstoring door geluid, licht, trilling en optische verstoring. Een significante toename van verstoring door licht, geluid, trilling en optische verstoring kan echter uitgesloten worden vanwege de inrichting van het tussenliggende gebied met de IJsselmeerdijk en de huidige verstoring die al uitgaat van de N307, Batavia Stad, de haven en het recreatiestrand. Daarnaast kan het plan in potentie leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hiertoe is een stikstofberekening uitgevoerd (zie Bijlage 5).

Uit de berekening komt naar voren dat het project niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten binnen Natura 2000-gebieden. Een negatief effect van vermesting of verzuring door stikstofdepositie kan worden uitgesloten. Het plan leidt niet tot oppervlakteverlies of versnippering van het NNN. Bovendien kunnen de meeste potentiële effecten op het NNN door de afstand en de inrichting van het tussenliggende gebied met een woonwijk en een golfbaan op voorhand uitgesloten worden. Hooguit leidt het plan tot een geringe toename van het aantal recreanten in het Zuigerplasbos. Dit bosgebied is echter een uitloopgebied van Lelystad, waardoor verstoringsgevoelige soorten in de huidige situatie al zijn ingesteld op recreatie en waardoor al sprake is van een goede padeninfrastructuur, zodat geen schade door betreding van kwetsbare vegetaties wordt verwacht . Een negatief effect op het NNN kan met betrekking tot het voorgenomen project worden uitgesloten. Het project is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Een nadere analyse in het kader van de gebiedenbescherming van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten.

Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening.

4.5.1.2 Soortenbescherming Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 6. Het doel van de inventarisatie is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Uit het onderzoek komt naar voren dat nader onderzoek wordt aanbevolen naar een aantal soorten. Het gaat om onderzoek naar: Huismussen Steenmarters en kleine marters Teunisbloempijlstaartvlinder. Dit nadere onderzoek is uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat er voor de huismus een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden, aangezien er nestlocaties verloren gaan

33

FlevoGolf Resort Lelystad

bij de bouw van het project. Hierbij moeten compenserende en mitigerende maatregelen worden getroffen. Op het terrein zijn geen marters aangetroffen. Vanuit de gemeente is aangegeven dat ook mogelijk boommarters aanwezig kunnen zijn. In het uitgevoerde nadere onderzoek zijn wildcamera's geplaatst. Op basis van de opmerking van de gemeente zijn deze opnieuw bekeken. Er zijn geen boommarters aangetroffen. De aanwezigheid van deze soort kan daarmee uitgesloten worden. Voor de overige soorten zijn geen expliciete maatregelen nodig. Wel blijft de algemene zorgplicht van toepassing, en geldt dat er rekening gehouden dient te worden met het broedseizoen.

4.5.2

Conclusie

In het kader van ecologie is het noodzakelijk om maatregelen te treffen voor de huismus. Hiervoor dient een vergunning te worden aangevraagd. In een later stadium worden de eventuele effecten op boommarters nader uitgewerkt. Voor de overige soorten zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen te verwachten. Het aspect ecologie staat een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie niet in de weg.

4.6

Luchtkwaliteit

In het kader van de Omgevingswet wordt er het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door afdeling 8.5 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit onderdeel bevat grenswaarden voor voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Verschillende regio's in Nederland zijn aangewezen als zijnde gebieden met al hogere waarden (Bkl. Art 5.51). De gemeente kan lokale omgevingswaarden voor de buitenlucht in de het omgevingsplan opnemen. Daarnaast kan een gemeente ervoor kiezen om een aanvullende omgevingswaarde op te nemen. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging, ofwel niet in betekenende mate. Dit is het geval wanneer een activiteit leidt tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide of PM10 van 1,2 µg/m³ of minder (Bkl art. 8.17 lid 1b). Van een aantal activiteiten is aannemelijk dat deze niet in betekenende mate bijdragen. In deze situaties hoeft niet aan de rijksomgevingswaarden te worden getoetst.

Het kan daarbij onder andere gaan om kantoren, woningen, een combinatie van woningen en kantoren, het telen van gewassen (Bkl Art. 5.54).

4.6.1

Plangebied

De bouw van 44 woningen zorgt voor een totale toename van verkeersbewegingen van 360 ritten per etmaal. Bij deze hoeveelheid worden de maximale normen van de luchtkwaliteit niet overschreden.

34

FlevoGolf Resort Lelystad

Stikstofdioxide (NO2) In Nederland geldt voor stikstofdioxide een EU-grenswaarde van 40 µg/m³ als jaargemiddelde. Zoals hieronder aangetoond, blijft het plangebied binnen deze grenswaarde met een gemeten waarde van 10,1 µg/m³.

Uitsnede Atlas Leefomgeving (kaart Stikstofdioxide (NO2) 2022 (WHO-advieswaarde)

De World Health Organization (WHO) hanteert als advies een grenswaarde van minder dan 10 µg/m³. Het plangebied overschrijdt deze waarde met een minimale concentratie van 10,1 µg/m³. Dit verschil is echter verwaarloosbaar. Zoals hierboven beschreven, draagt de bouw van woningen niet in betekenende mate bij

35

FlevoGolf Resort Lelystad

aan de luchtkwaliteit. Hierdoor zal de luchtkwaliteit niet verslechteren. Stikstofdioxide staat de toedeling van functies aan locaties niet in de weg. Fijnstof (PM10) Voor PM10 is een jaargemiddelde EU-grenswaarde van 40 µg/m³ vastgesteld. De WHO hanteert een advieswaarde van minder dan 15 µg/m³. Zoals hieronder aangetoond, valt het plangebied binnen zowel de EU-grenswaarde als de WHO-advieswaarde, met een gemeten waarde van 14,6 µg/m³. Fijnstof staat de toedeling van functies aan locaties niet in de weg.

Uitsnede Atlas Leefomgeving (kaart Fijnstof (PM10) 2022 (WHO-advieswaarde)

4.6.2

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit staat een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie niet in de weg.

4.7

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheren van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemmissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels.

Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige bestemmingen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat

36

FlevoGolf Resort Lelystad

doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Rondom een industrieterrein, weg of spoorweg wordt een begrenzing aangebracht. Buiten die grens wordt per definitie voldaan aan geluidsnormen, en wordt het effect van de bron op een geluidgevoelig gebouw niet meer getoetst. Binnen die grens is een toets nodig op aanvaardbaarheid. Deze zone heet onder de Omgevingswet een geluidaandachtsgebied. Het geluidaandachtsgebied is een gebied (locatie) langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan bepaalde standaardwaarden Lden. De ligging van het geluidaandachtsgebied is bepaald door de geluidsbelasting vanwege de desbetreffende bron. De instructieregels voor het omgevingsplan hebben betrekking op het geluidaandachtsgebied van: a. b. c.

wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaar-gemiddelde.

Wettelijk kader Op grond van artikel 3.5, lid 1 van de Aanvullingswet geluid geldt dat tot het moment dat de geluidsproductieplafonds zijn vastgesteld voor provinciale wegen, de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht is. Voor de N307 zijn nog geen geluidsproductieplafonds vastgesteld. Daarmee is het akoestisch onderzoek uitgevoerd met Standaard-Rekenmethode II van de Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 (RMG 2012) en getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder en het beleid van de gemeente Lelystad (Geluidbeleid Lelystad 2010-2015, 12 mei 2011).

4.7.1

Plangebied

Voor het aspect geluid van wegverkeer is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 8. In het rapport wordt geconcludeerd dat voor de nieuw te realiseren woningen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai van 48 dB. Deze voorkeurswaarde kan, wanneer maatregelen qua uitvoering of financiën niet in verhouding staan tot de opbrengst, overschreden worden door middel van het vaststellen van een hogere grenswaarde van maximaal 53 dB. Deze afweging wordt onderstaand nader toegelicht. Voor een gedeelte van de woningen kan met behulp van maatregelen voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Waar dat redelijkerwijs niet mogelijk is, dient een hogere grenswaarde te worden vastgesteld. Onderzoeksresultaten en afweging maatregelen Bij 15 woningen is het vaststellen van een hogere waarde (van 53 dB) nodig. Met uitzondering van één woning wordt voor alle woningen op tuinniveau voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Voldaan wordt aan de voorwaarden van het hogerewaardebeleid van Lelystad. Bij de vergunningverlening moeten deze hogere waarden zijn verleend.

Voor de volgende woningen is een niet-geluidsgevoelige ('dove') gevel nodig: Noordwestelijke woning strook K, 2e verdieping noordwestgevel Noordwestelijke woning strook L, 2e verdieping noordwestgevel Noordwestelijke woning strook O, 1e en 2e verdieping noordwestgevel, 2e verdieping zuidwestgevel Bij de woning in strook O wordt bovendien geadviseerd om een dicht tuinscherm te plaatsen op de westelijke kavelgrens om de buitenruimte af te schermen. Op onderstaande afbeelding zijn de rekenresultaten weergegeven. Met rode stippen zijn de woningen aangegeven waar een dove gevel gerealiseerd moet worden. Met oranje stippen is aangegeven voor welke woningen een hogere waarde nodig is. De groene stippen vereisen geen nadere maatregelen.

37

FlevoGolf Resort Lelystad

Spoorlawaai en industrielawaai Het plangebied ligt buiten de geluidzone van het dichtstbijzijnde spoor (500 meter), zodat daar geen akoestisch onderzoek voor nodig is. Er is in de nabije omgeving geen gezoneerd industrieterrein.

38

FlevoGolf Resort Lelystad

4.7.2

Conclusie

In het kader van geluid moet voor 15 woningen een hogere waarde worden vastgesteld. Bij 3 woningen moet een dove gevel worden gerealiseerd.

4.8

Geur

Er zijn instructieregels van het Rijk over geur met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze zijn terug te vinden in het Bkl. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de Bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten: geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf; geur door het houden van fokteven van nertsen; geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. Voor andere activiteiten moet een ruimtelijk besluit ervoor zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld. Op gemeentelijk niveau kunnen er regels in het tijdelijk omgevingsplan staan. Dat is voor deze locatie niet het geval.

4.8.1

Plangebied

In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen agrarische bedrijven of andere functies met een geurzone, die invloed kunnen hebben op het plangebied. De meest dichtbij gelegen functies die in aanmerking komen voor een geurzone liggen op meer dan 1 km afstand. Daarmee is het aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuw te bouwen woningen.

4.8.2

Conclusie

Het aspect geur staat een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie niet in de weg.

4.9

Milieubeheer

4.9.1

Toetsingskader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan of de BOPA moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan of de BOPA in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).

39

FlevoGolf Resort Lelystad

4.9.2

Onderzoek

Hinder als gevolg van het voornemen Het voornemen betreft een nieuwe woonfunctie, dit is geen hinderveroorzakende functie. Onderzoek naar effecten op de omgeving als gevolg van dit initiatief is niet noodzakelijk. Wel komen er extra verkeersbewegingen als gevolg van dit initiatief. In paragraaf 4.4 wordt gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op het onderdeel verkeer. Hinder ter plaatse De ontwikkeling maakt een nieuwe geluidsgevoelige functie mogelijk. De dichtsbijzijnde overige functies zijn: 'recreatie' en 'Bedrijf'. Deze activiteiten zijn hinder veroorzakende functies. Deze functies liggen echter op grote afstand van het plangebied. De bedrijfsfunctie ligt op meer dan 1 km afstand. De richtafstanden van het bedrijf (30 meter) reiken daarmee niet tot in het plangebied. De recreatieve functie (jachthaven met strand) ligt op 150 meter afstand van het plangebied. Ook hiervan reiken de richtafstanden (30 meter) niet tot in het plangebied. Nader onderzoek naar de bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving kan achterwege blijven. Een verdere toetsing aan de VNG handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' is niet van toepassing aangezien de bedrijven op grote afstand liggen. 4.9.3

Conclusie

Het aspect milieubeheer staat deze ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de

40

FlevoGolf Resort Lelystad

regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

4.10.1

Plangebied

Op 26 augustus 2024 is een Quickscan externe veiligheid opgesteld, vindbaar in bijlage Bijlage 9. De Quickscan concludeert dat de golfbaan Flevo in Lelystad buiten de aandachtsgebieden van spoor en vaarweg liggen. Nadere beschouwing van deze risicobronnen kan daarom achterwege blijven. De N307 maakt geen deel uit van het Basisnet, waardoor aandachtsgebieden niet van toepassing zijn. Het is nog niet mogelijk het plan te toetsen aan het (definitieve) omgevingsplan van de gemeente Lelystad. Deze is nog niet bekend.

4.10.2

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid staat een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie niet in de weg.

41

FlevoGolf Resort Lelystad

4.11 Trillingen Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

4.11.1

Plangebied

De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van 44 woningen. Wat betreft de gevoeligheid van de nieuwe woningen voor trillingen kan vooraf worden uitgsloten dat er geen grote bronnen aanwezig zijn die trillinghinder kunnen veroorzaken. De dichtstbijzijnde mogelijke bron voor trillingen is de N307, wat een belangrijke ontsluitingsweg is waar ook zwaarverkeer over rijdt. De N307 ligt genoeg op afstand van de woningen, en ook spoorwegen liggen niet in de nabije omgeving van het plangebied. Overlast van trillingen wordt zodoende niet verwacht.

4.11.2

Conclusie

Het aspect trillingen staat een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie niet in de weg.

4.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.

Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeente brede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings-)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

42

FlevoGolf Resort Lelystad

4.12.1

Plangebied

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.12.1.1 Archeologie Op 28 augustus 2008 heeft de gemeenteraad van Lelystad het archeologische beleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld om vorm te geven aan het rijks- en provinciaal beleid voor archeologie en cultuurhistorie. Het beleid bestaat uit beleidsafspraken en een beleidsadvieskaart. De beleidsadvieskaart is overgenomen in het bestemmingsplan 'Stadsrandgebied'. In het bestemmingsplan 'Stadsrandgebied' is een dubbelbestemming ‘Waarde archeologie’ opgenomen. Deze dubbelbestemming is niet van toepassing op het onderhavige projectgebied. Nader onderzoek in het kader van archeologie is niet nodig.

4.12.1.2 Cultuurhistorie De cultuurhistorische waardenkaart geeft een overzicht op hoofdlijnen van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in provincie Flevoland. De cultuurhistorische waardenkaart is opgebouwd uit verschillende kaarten zoals die zijn opgenomen in het Omgevingsplan Flevoland 2006-2015. Dit zijn landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten, een archeologische beleidskaart en aardkundig waardevolle gebieden. Het plangebied ligt langs de Houtribweg, dat wordt aangeduid als een cultuurhistorisch waardevolle dijk. Het in ere houden van deze dijkstructuur langs de oevers van het IJsselmeer is daarom een belangrijke randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast liggen een aantal cultuurhistorisch waardevolle bosranden in de omgeving van het plangebied. Deze bosranden liggen op voldoende afstand van de planlocatie, waardoor de ontwikkeling van de 44 woningen op die gebieden geen invloed zullen hebben.

Uitsnede kaart Cultuurhistorische waardenkaart

43

FlevoGolf Resort Lelystad

4.12.2

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en archeologie staat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet in de weg. Er zijn geen te verwachten archeologische waarden aanwezig op het perceel. Met de cultuurhistorische waarden wordt rekening gehouden in het ontwerp.

4.13 Bodem De omgevingswet stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. Onder een bodemgevoelige locatie wordt een locatie gezien waar een bodemgevoelig gebouw is toegestaan op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsactiviteit. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of gedeelte van een gebouw waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. In het omgevingsplan van Lelystad is vastgelegd dat een activiteit dat betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet mag worden overschreden. Er is sprake van een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarden zoals opgenomen in Bijlage IIa in het Bal. Voor asbest geldt dat de zinsnede in voorgaande zin 'in meer dan 25 m3 bodemvolume' niet van toepassing is voor zover het gaat om de aanwezigheid van asbest.

4.13.1

Plangebied

In het kader van de beoogde ontwikkeling is op 29 augustus 2024 een milieuhygiënisch voorzonderzoek bodem uitgevoerd op de planlocatie, te vinden in Bijlage 10 . Conform het Omgevingsplan van de gemeente Lelystad dient voor het realiseren van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie beoordeeld te worden of de toelaatbare kwaliteit van de bodem (interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIa bij het Bal) niet wordt overschreden. Op basis van het onderzoek kan niet worden uitgesloten dat op de onderzoekslocatie plaatselijk bodembedreigende en milieubelastende activiteiten hebben plaatsgevonden die in potentie tot een sterke verontreiniging geleid kunnen hebben (>interventiewaarde) de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt daarmee dan mogelijk overschreden. Derhalve bestaan er in potentie milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen wijziging in gebruik, de (graaf)activiteiten en het toelaten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt vervolgonderzoek aanbevolen.

4.13.2

Conclusie

Er bestaat geen aanleiding te verwachten dat de kwaliteit van de bodem de interventiewaarde overschrijdt en/of dat er sprake zal zijn van toevalsvondsten. De bereidheid bestaat om indien noodzakelijk een extra onderzoek uit te voeren.

44

FlevoGolf Resort Lelystad

4.14 M.e.r.-beoordeling Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.). De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt afgeleid of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is. De eerste kolom van bijlage V geeft een omschrijving van het project van de initiatiefnemer. Uit de tweede en derde kolom volgt de m.e.r-plicht of m.e.r-beoordelingsplicht van een besluit. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor dan de m.e.r-verplichtingen gelden. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Daarnaast kunnen de m.e.r-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten.

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering op in het besluit. Indien hier sprake van is, wordt ook het ontwerp van het besluit opgenomen. In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r-richtlijn; als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: de kenmerken en maatregelen als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

4.14.1

Plangebied

In bijlage D van het Omgevingsbesluit is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Deze motivering biedt het juridisch-planologisch kader voor de realisatie van 44 woningen op een oppervlakte van ca. 4,1 ha. Een uitgebreide m.e.r. procedure is niet noodzakelijk. Wel is een vormvrije m.e.r. beoordeling noodzakelijk. Deze beoordeling is opgenomen in Bijlage 11.

4.14.2

Conclusie

Zoals beschreven in de voorafgaande alinea's kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Het is daarom niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Hoofdstuk 5 5.1

Haalbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om bij de aanvraag aan te geven: of de aanvrager aan participatie heeft gedaan;

45

FlevoGolf Resort Lelystad

zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. Er is één uitzondering. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplichte aanvraagvereiste is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is (artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet). Er is in deze fase aan participatie gedaan. Het plan is voorgelegd aan een zo breed mogelijk publiek (in dat kader zijn alle bewoners van Flevo Golf Resort en het Golfpark en ook de leden van de golfvereniging Flevoland uitgenodigd voor deelname aan de participatie). Op 27 november 2024 heeft een participatieavond op het Flevo Golf Resort plaatsgevonden. Tijdens deze avond en nadien per e-mail kon eenieder zijn/haar vragen en suggesties aan de initiatiefnemer voorleggen. Een verslag van de participatie is opgenomen in Bijlage 12. Conclusie De door de binnengelopen participanten aangedragen aandachtspunten die voor het plan van Unigolf relevant zouden kunnen zijn, zijn serieus door Unigolf beoordeeld, maar leiden niet tot een wijzigingen in het plan. Voor wat betreft eventueel overlast van bouwverkeer en werkzaamheden, zal er zo veel als redelijkerwijs mogelijk rekening worden gehouden met de omwonende.

Unigolf zal gedurende het bouwproces de bewoners op de hoogte houden van de (bouw)voortgang. De aandachtspunten die Unigolf ontvangen heeft, maar eigenlijk voor de gemeente Lelystad zijn bedoeld worden aan de gemeente Lelystad kenbaar gemaakt.

5.2

Financiële haalbaarheid

Deze activiteit heeft betrekking op een particulier initiatief. De gemeente heeft hiermee geen directe financiële bemoeienis. De kosten met betrekking tot de aanvraag worden gedragen door de initiatiefnemer en daaraan verwante procedurekosten worden verhaald via een anterieure overeenkomst met de gemeente. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

Hoofdstuk 6

Conclusie

In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn de verrichte onderzoeken beschreven. Op basis van deze resultaten kan geconcludeerd worden dat ten aanzien van deze ruimtelijke ontwikkeling voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locatie. Hierbij is voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0 b tot en met 8.0 e van het Bkl.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=fa1ec46f-eb52-44e8-9632-a3953328a6f0