BL 1.5 Natuurtoets ICL
Tekst van het document
Natuurtoets International Campus Lelystad
projectnummer 0490916. 100 concept revisie 00 16 april 2024
www. anteagroup. nl
CC anteagroup
Natuurtoets
International
Campus Lelystad
projectnummer 0490916.100 concept revisie 00 16
april
2024
Auteur(s) (geanonimiseerd) Opdrachtgever VDVI B.V. Claude 1082
Debussylaan
223
MC Amsterdam
Gecontroleerd
(geanonimiseerd)
Antea Group is Netwerk
aangesloten bij het
Groene
Bureaus
NGB
datum 16
april 2024
beschrijving
je Ì
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1. 1 1. 2 1. 3
Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
4 7 7
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling
8
2. 1 2. 2 2. 3 2. 3. 1 2. 3. 2 2. 3. 3 2. 3. 4 2. 3. 5 2. 3. 6 2. 3. 7 2. 3. 8 2. 3. 9 2. 3. 10 2. 3. 11 2. 3. 12 2. 4 2. 5 2. 6 2. 7 2. 8
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Insecten Kreeftachtigen en weekdieren Zaadplanten varens en bladmossen Zorgplicht Invasieve soorten Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Ow Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
3.
Conclusie & advies
3. 1 3. 1. 1 3. 1. 2 3. 2 3. 2. 1 3. 2. 2 3. 2. 3 3. 3 3. 4
Soortbescherming Zorgplicht Invasieve soorten Gebiedsbescherming Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Ow Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
,
8 9 9 9 10 12 13 16 17 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 17 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 18 18 19 19 20 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 22 22
23 23 24 24 25 25 25 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 25 25
Literatuurlijst
27
Bijlage 1 Wettelijk kader
29
Bijlage 2 Methodiek natuurtoets
38
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
1.
Inleiding
1. 1
Aanleiding & planvoornemen Van der Valk Investments B. V. is voornemens een campus te realiseren ten behoeve van circa 2. 500 arbeidsmigranten gelegen aan de Zeuslaan in Lelystad en naast het Van der Valk Hotel. Een deel van het plangebied ligt binnen NNN-gebied. Hierover is al contact geweest met de provincie Flevoland. Zij heeft de volgende kaders meegegeven: • Minimale bebouwing binnen NNN; • Het effect van de bebouwing in het NNN (omvang etc. ) dient te worden getoetst; • De bebouwde metrage dient in natuur 133% gecompenseerd te worden elders. ,
Bij het planvoornemen wordt het grootste deel van de bosschage en de vegetatie binnen het plangebied verwijderd. Daarna wordt er een migrantencampus gebouwd. De werkzaamheden worden naar verwachting eind 2024/begin 2025 uitgevoerd en duren naar verwachting circa een jaar. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten beschermde gebieden of houtopstanden (Omgevingswet (Ow) Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overig (provinciaal) beleid). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Dit wordt verkend in deze natuurtoets. Daarnaast worden kansen voor het verbeteren van natuurwaarden genoemd. ,
,
,
In de figuren 1. 1 en 1. 2 is de ligging van het plangebied weergegeven. In figuur 1. 3 is een impressie van het ontwerp weergegeven.
blad 4 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Figuur 1. 1. Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: Street Smart , kaart 2024.
blad 5 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Figuur 1. 2. Gedetailleerde ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Street Smart , kaart 2024.
Figuur 1. 3. Impressie ruimtelijke ontwikkeling (voornemen). Bron: ICL Lelystad , 2023.
blad 6 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
1. 2
Doel Het doel van de natuurtoets is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of op de - in het kader van de Omgevingswet beschermde natuurwaarden - als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1. 3
Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten beschermde gebieden en houtopstanden aan de Omgevingswet en overige beleidskaders. Tevens wordt hier kort aandacht besteed aan kansen voor de natuur; Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. ,
In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven. In bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van bekende waarnemingen van rode lijst soorten in het plangebied.
blad 7 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2. 1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2. 2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2. 3 t/m paragraaf 2. 7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan beschermde soorten onder de Omgevingswet (Ow) Natura 2000-gebieden NNN overig provinciaal beleid van de provincie Flevoland en beschermde houtopstanden onder de Ow. In paragraaf 2. 7 worden kansen voor het verhogen van de natuurwaarden in het plangebied uiteengezet. ,
,
,
Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2. 3 t/m paragraaf 2. 6 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Omgevingswet (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats. ,
2. 1
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Op 14 maart 2024 is vanaf circa 10:00 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij zonnig weer met een temperatuur van circa 20 °C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet geïnspecteerd. Hierbij zijn alle bomen met een verrekijker geïnspecteerd op de aanwezigheid van holtes/scheuren/nesten. Het plangebied bestaat voornamelijk uit bos met soorten als es zomereik beuk populier berk zoete kers esdoorn meidoorn vlier en liguster. Naast het plangebied lopen 2 wateren; de Lage vaart en de Larservaart. De oevers hiervan zijn voorzien van een harde rechte beschoeiing Er staan aan de rand van het plangebied een hoog hotelgebouw en hoogspanningsmasten. Daarnaast loopt er een onverhard pad tussen de Lage Vaart en de bosschage. Verder liggen er tussen de hoogspanningsmasten en de bosschage broeihopen en verdorde vegetatie. Tijdens het terreinbezoek is een ringslang aangetroffen ter hoogte van de broeihopen. ,
,
,
,
,
,
,
,
.
Het gebied ligt deels in NNN gebied. Dit betreft de oevers van de Lage Vaart en Larservaart. Meer toelichting is te vinden in paragraaf 2. 5 NNN. In figuur 2. 1 is een impressie gegeven van het plangebied.
Overzichtsfoto van het plangebied vanuit westelijke richting
Overzichtsfoto van het niet beboste deel van het plangebied vanuit zuidwestelijke richting
blad 8 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Broeihopen tussen hoogspanningsmast en bosschage
Steile oeverrand in bocht Lage Vaart en Larservaart
Ringslang ter hoogte van broeihopen.
Pad tussen Lage Vaart en bosschage
Figuur 2. 1. Impressie van het plangebied.
2. 2
Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: De hoge vegetatie in het plangebied wordt verwijderd; Bomen worden gekapt; Opgaande vegetatie wordt verwijderd; Er worden fietspaden/wegen aangelegd; Er wordt (tijdelijke) verlichting geplaatst; Er is sprake van geluidsverstoring/optische verstoring gedurende de werkzaamheden.
2. 3
Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Indien soortgroepen op basis van het oriënterend terreinbezoek op voorhand kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop zijn deze soortgroepen vermeld in paragraaf 2. 3. 1. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen. ,
,
2. 3. 1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de bureaustudie en het verkennend terreinbezoek kan de aanwezigheid van meerdere soortgroepen worden uitgesloten. Gezien de afwezigheid van (geschikt) open (voortplantings)water in het blad 9 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
plangebied én het bekende verspreidingsgebied kan de aanwezigheid van beschermde kreeftachtigen en weekdieren en beschermde vissen in het plangebied worden uitgesloten. Aanwezigheid van de overige soortgroepen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
2. 3. 2
Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 5a) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2. 1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 25, km)(NDFF , 2019-2024). Soort Categorie Boerenzwaluw 3 Boomvalk 5a Buizerd 4 Gierzwaluw 2 Havik 5a Huismus 2 Kerkuil 1 Ooievaar 5a Raaf 5a Ransuil 4 Sperwer 5a Zeearend 5a
Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving altijd een omgevingsvergunningsaanvraag flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals boomvalk buizerd havik raaf sperwer zeearend en ransuil) gebouwbroedende soorten (zoals boerenzwaluw huismus gierzwaluw en kerkuil) en overige soorten (zoals ooievaar). ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
Tijdens het terreinbezoek zijn in de omgeving van het plangebied veel ooievaars waargenomen zowel overvliegend als nestelend. Verder zijn er drie vechtende buizerds waargenomen in het plangebied. Overige soorten met een jaarrond beschermd nest zijn niet waargenomen tijdens het terreinbezoek. ,
Tijdens het terreinbezoek is in het plangebied één middelgroot nest in een boom aangetroffen die kan toebehoren aan boombroedende soorten (buizerd sperwer ransuil) met een jaarrond beschermd nest. De aanwezigheid van nestplaatsen van boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest kan daarom in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten en nader onderzoek naar dit nest is noodzakelijk. Het plangebied maakt ook onderdeel uit van de functionele leefomgeving van boombroedende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die in de wijde(re) omgeving broeden. Voor deze en overige vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest dienen als ze worden aangetroffen daarom ook mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen te worden getroffen. ,
,
,
,
In het plangebied zelf is geen bebouwing aanwezig in de directe omgeving staat wel een hoog hotelgebouw. Dergelijke bebouwing is geschikt voor gebouwbroedende soorten zoals de slechtvalk. Het plangebied is geen geschikt biotoop voor boerenzwaluw (open schuren onder bruggen andere beschutte plaatsen) huismus (losse dakpannen kieren gaten scheuren) gierzwaluw (kieren scheuren en gaten in bebouwde omgeving) en kerkuil (boeren schuren kerktorens) door het ontbreken van zowel mogelijke verblijfplaatsen als functionele leefomgeving. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
blad 10 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Geschikt broedbiotoop inclusief meerdere nesten voor de ooievaar is in (de directe omgeving van) het plangebied aanwezig waardoor jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soort niet kan worden uitgesloten. Verder zijn overvliegende individuen waargenomen tijdens het terreinbezoek. ,
Concluderend kan de aanwezigheid van nestplaatsen en essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van boombroedende soorten (buizerd sperwer ransuil) slechtvalken en ooievaars in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. Nestplaatsen en essentieel leefgebied van overige soorten met een jaarrond beschermd nest in (de directe omgeving van) het plangebied kunnen worden uitgesloten. ,
,
,
Indien er nestplaatsen van boombroedende soorten slechtvalken of ooievaars aanwezig zijn kunnen deze verloren gaan als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. Er is dan sprake van een schadelijke handeling onder de Ow. Ook aantasting van essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van deze soorten is een overtreding van de Ow. Om overtreding van de Ow te voorkomen dient allereerst de aan- of afwezigheid van bovengenoemde soorten te worden vastgesteld middels nader onderzoek. Dit nader onderzoek bestaat voor de boombroedende soorten (buizerd sperwer) en slechtvalk uit 4 bezoeken in de periode van 25 januari tot 10 juli waarbij elk bezoek minimaal 10 dagen ertussen dient te hebben. Voor ransuil bestaat dit nader onderzoek uit 3 avond-/nachtbezoeken in periode half februari – eind juni. Voor ooievaar bestaat dit nader onderzoek uit 1 bezoek in de periode 15 april – 25 juli waarbij bezette nesten worden geteld. ,
,
,
,
,
,
Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van de boombroedende soorten (buizerd sperwer ransuil) slechtvalken en ooievaars aan te kunnen tonen is nader onderzoek noodzakelijk. Dit nader onderzoek bestaat voor de boombroedende soorten (buizerd sperwer) en slechtvalk uit 4 bezoeken in de periode van 25 januari tot 10 juli waarbij elk bezoek minimaal 10 dagen ertussen dient te hebben. Voor ransuil bestaat dit nader onderzoek uit 3 avond-/nachtbezoeken in periode half februari – eind juni. Voor ooievaar bestaat dit nader onderzoek uit 1 bezoek in de periode 15 april – 25 juli waarbij bezette nesten worden geteld. ,
,
,
,
,
,
,
Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5b) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2. 2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 25, km) (NDFF , 2019-2024). Soort Categorie Blauwe reiger 5b Groene specht 5b Grote bonte specht 5b Huiszwaluw 5b IJsvogel 5b Oeverzwaluw 5b Spreeuw 5b
Tijdens het terreinbezoek zijn geen categorie 5-soorten waargenomen (boerenzwaluw grote bonte specht spreeuw). Nesten van de categorie 5 vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheid hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De categorie 5-soorten vallen daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. ,
,
Algemene broedvogels Tijdens de terreinbezoeken zijn enkele algemene broedvogels waargenomen (kokmeeuw tjiftjaf koolmees pimpelmees roodborst zanglijster winterkoning). De bosschages en overige vegetatie in en rondom het plangebied bieden nestgelegenheid aan deze algemene soorten. ,
,
,
,
,
,
Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Ow (artikel 11. 37 Bal). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet ,
blad 11 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kapwerkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli)1 en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Omgevingswet aan de orde. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied kunnen locatiespecifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. ,
2. 3. 3
Zoogdieren – vleermuizen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen
van vleermuizen
in de directe omgeving van het plangebied
weergegeven.
Tabel 2. 3 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF ,
2019-2024). Soort Gewone dwergvleermuis Meervleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis
Beschermingsregime Artikel 11. 46 Bal X X X X X
Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. ,
,
,
Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren onder dakbetimmering achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. ,
,
,
In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (o. a. gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis laatvlieger gewone grootoorvleermuis) kan worden uitgesloten. In het plangebied zijn wel veel bomen aanwezig echter bevatten deze relatief jonge (dus dunne) bomen geen holtes waarin verblijfplaatsen van boombewonende soorten (o. a rosse vleermuis gewone dwergvleermuis gewone grootoorvleermuis) kunnen zitten. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten kan worden uitgesloten. ,
,
,
,
,
,
,
,
In de wijdere omgeving kunnen mogelijk wel verblijfplaatsen van vleermuizen zitten. Deze worden echter niet aangetast bij de voorgenomen werkzaamheden. Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren.
1
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
blad 12 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
In het plangebied zijn lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als (essentiële) vliegroute. Dit betreft de randen van de bosschage en de wateren ten noorden en oosten (Lage vaart en Larservaart + bosranden op oevers zie figuur 2. 2) van het plangebied. De aanwezigheid van (essentiële) vliegroutes kan niet worden uitgesloten. Derhalve is nader onderzoek noodzakelijk om te controleren of deze elementen als essentiële vliegroutes worden gebruikt. ,
Figuur 2. 2: Potentieel essentiële vliegroutes (water + bosranden langs water , met rood weergeven). Bron: Streetsmart , 2024.
Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. In het plangebied is sprake van veel opgaande begroeiing waaronder de bosschage. Bij verwijdering van deze begroeiing blijft er mogelijk onvoldoende beschut en geschikt foerageergebied over in de directe omgeving van het plangebied. Er is daardoor sprake van essentieel foerageergebied in het plangebied voor foeragerende individuen die hun verblijfplaats elders hebben. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan niet worden uitgesloten. Derhalve is nader onderzoek noodzakelijk om te controleren of het gebied als essentieel foerageergebied worden gebruikt. ,
,
Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van essentiële vliegroutes en/of essentieel foerageergebied voor vleermuizen aan te kunnen tonen dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Dit nader onderzoek betreft 2 avond/nachtbezoeken in de periode van half mei tot half augustus. ,
2. 3. 4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen plangebied weergegeven.
van overige soorten
zoogdieren in de directe omgeving van het
blad 13 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Tabel 2. 4 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF ,
2019-2024). Soort
Beschermingsregime Art. 11. 54 Bal en Art. 11. 54 Bal en Bijlage IX Bijlage IX Vrijgestelde zoogdieren
Art. 11. 46 Bal Bever Boommarter Bosmuis Bunzing Damhert Dwergmuis Edelhert Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Otter Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn
X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X
Bever Holen en burchten zijn de belangrijkste verblijfplaatsen waar bevers de dag doorbrengen en hun jongen ter wereld brengen. In hoeverre een bever gebruik maakt van een hol of een burcht hangt af van de vorm en samenstelling van de oever. Daarnaast speelt de intensiteit van het gebruik van het verblijf een rol. Steile hogere oevers met een begroeiing van bomen of struiken zijn favoriet voor het graven van holen en de constructie van burchten. Daarbij zorgen de wortels van de bomen en struiken voor een stabiel dak boven de kamer en is dekking en voedsel aanwezig. De bever komt in de directe omgeving van het plangebied voor het is niet zeker of de soort ook in het plangebied voorkomt. Het biotoop in het plangebied is wel geschikt voor bever doordat er steile oevers aanwezig zijn en voldoende voedselaanbod. Derhalve dient er nader onderzoek te worden uitgevoerd naar bevers. ,
,
In het plangebied is geschikt biotoop aanwezig voor de bever. Bevers mogen niet verstoord worden zoals in de Omgevingswet staat beschreven. Nader onderzoek is noodzakelijk.
,
Vervolgstappen Sporenonderzoek naar bevers kan goed worden uitgevoerd buiten het groeiseizoen van de vegetatie omdat dan de plantengroei het zicht niet ontneemt en er in die periode meer aan bomen en struiken wordt geknaagd. De beste periode is daarbij aan het eind van de winter: maart - april. Wanneer bevers zich ook ophouden in wateren langs cultuurgewassen dan is controle in de zomer van juni (granen) tot oktober (maïs en bieten) aan te raden. ,
,
Boommarter Boommarters komen over het algemeen in grotere bosschages voor met bomen waar de soort makkelijk in kan klimmen. Ze komen ook sporadisch in bebouwd gebied voor maar dan gaat de voorkeur wel uit naar een bosgebied. In het plangebied is geschikt leefgebied aanwezig voor boommarters. Er zijn veel bomen aanwezig in het plangebied. Aanwezigheid van de soort kan niet worden uitgesloten. Echter zijn er geen geschikte holen in bomen aangetroffen voor boommarters. Daarom kunnen effecten van de voorgenomen werkzaamheden op verblijfplaatsen van boommarters worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. ,
,
blad 14 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen parken en houtwallen in de buurt van bos. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid te vinden is. Het plangebied bestaat voornamelijk uit bosschage dit is potentieel geschikt habitat voor eekhoorns. Verder is er voldoende aanbod aan eten en schuilplaatsen beschikbaar in (de directe omgeving van) het plangebied. Hierdoor kan aanwezigheid van eekhoorns in het plangebied niet worden uitgesloten. Bij het terreinbezoek zijn echter geen eekhoornnesten aangetroffen in de bomen. Er zijn dus geen verblijfplaatsen in het plangebied op het moment van het terreinbezoek. Hierdoor kunnen effecten van de voorgenomen werkzaamheden op verblijfplaatsen van de eekhoorn worden uitgesloten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. ,
,
,
Otter De otter leeft in oeverzones van wateren met voldoende dekking en rust van allerlei soorten watertypen waaronder meren plassen rivieren kanalen beken en moerassen (Zoogdiervereniging z. d. ). In en rondom het projectgebied is geschikt habitat aanwezig voor de otter want er is geschikt water aanwezig waar de otter kan leven direct naast het plangebied. Verder zijn er veel waarnemingen gedaan in de 2 wateren ten noorden en oosten van het plangebied. De aanwezigheid van de otter kan daarom niet worden uitgesloten. ,
,
,
,
,
,
,
,
In het plangebied is geschikt biotoop aanwezig voor de otter. Otters mogen niet verstoord worden zoals in de Omgevingswet staat beschreven. Nader onderzoek is noodzakelijk.
,
Vervolgstappen Aanwezigheid van de otter kan worden aangetoond door tijdens vier bezoeken het plangebied te controleren op sporen en spraints van otter. Deze controles kunnen het gehele jaar plaatsvinden maar vinden bij voorkeur plaats in de periode oktober tot en met maart. (Daarnaast kunnen er camera’s geplaatst worden om de aanwezigheid van otter aan te tonen dan wel uit te sluiten. Deze camera’s dienen 6 weken in het veld te staan en om de twee weken worden de batterijen en geheugenkaart vervangen. ) ,
Steenmarter De steenmarter is een vrij typische cultuurvolger. Binnen het territorium heeft de soort soms wel tientallen rustplaatsen. Rustplaatsen kunnen zich op veel plaatsen bevinden zowel in bebouwd gebied alsook in het buitengebied. Verblijfplaatsen of nesten bevinden zich bijvoorbeeld in holtes of in opening tussen platen en stenen maar ook in kruipruimtes en schuren (Zoogdiervereniging z. d. ). Geschikt habitat (gebouwen met kruipruimtes holtes etc. ) voor de steenmarter ontbreekt in en rondom het projectgebied. De aanwezigheid van de steenmarter kan daarom worden uitgesloten. ,
,
,
Bunzing Een bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld konijn mol vos en das. Maar ook onder steenhopen houtmijten in holle bomen of onder boomwortels. Hij bekleedt zijn hol met gras en mos. In de winter maakt de bunzing zijn schuilplaats op warmere plaatsen zoals onder stro- en hooibalen bij boerderijen. De bunzing graaft soms zelf een hol. In het plangebied zijn voldoende schuilmogelijkheden en is voldoende voedselaanbod voor kleine marterachtigen potentieel zijn er ook verblijfplaatsen voor deze soorten. De aanwezigheid van de kleine marterachtigen kan daarom worden niet uitgesloten. Een habitatgeschiktheidsbeoordeling is daarom noodzakelijk. ,
,
,
,
,
,
Wezel Wezels leven bij voorkeur in open droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen duinen wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. De soort zoekt graag dekking op bijvoorbeeld bij bosschages houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden èn de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt. In het plangebied zijn voldoende schuilmogelijkheden en is voldoende voedselaanbod voor kleine marterachtigen potentieel zijn er ook verblijfplaatsen voor deze soorten. De aanwezigheid van de kleine marterachtigen kan daarom worden niet uitgesloten. Een habitatgeschiktheidsbeoordeling is daarom noodzakelijk. ,
,
,
,
,
,
,
,
blad 15 van 41
,
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Damhert & Edelhert De waarnemingen van damhert en edelhert zijn in de Oostvaardersplassen gedaan. In het plangebied worden deze soorten niet verwacht doordat wilde populaties hier niet voorkomen. ,
Wild zwijn Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn. Volgens de huidige verspreidingsgegevens komt wild zwijn niet meer voor in Flevoland. Derhalve kan aanwezigheid van wild zwijn in het plangebied worden uitgesloten. Overige beschermde zoogdieren Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde zoogdieren niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bosmuis egel gewone bosspitsmuis rosse woelmuis en vos. Dit betreft de bosschage in het plangebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Flevoland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2. 3. 9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden. ,
2. 3. 5
,
,
Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen
van amfibieën
in de directe omgeving van het plangebied
weergegeven.
Tabel 2. 5 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF , 2019-
2024). Soort
Beschermingsregime Art. 11. 54 Bal en Art. 11. 54 Bal en Bijlage IX Bijlage IX Vrijgestelde amfibieën X X X X X X X
Art. 11. 46 Bal Alpenwatersalamander Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Groene kikker (onb. ) Kleine watersalamander Meerkikker Rugstreeppad
X
Alpenwatersalamander Er komen in Flevoland geen wilde populaties van de alpenwatersalamander voor (RAVON 2024). Aanwezigheid van de soort in het plangebied kan worden uitgesloten. ,
Rugstreeppad Waterverblijfplaatsen van rugstreeppad zijn over het algemeen ondiepe tijdelijke wateren. Terrestrische verblijfplaatsen van de rugstreeppad bevinden zich op hoogwatervrije terreinen. Als verblijfplaatsen kunnen bestaande ruimtes benut worden zoals muizenholletjes. Vaak graven rugstreeppadden zichzelf in vergraafbare bodem in of schuilen onder elementen zoals tegels pellets en tractorbanden. In het plangebied is er geschikt landbiotoop aanwezig voor de rugstreeppad dit betreft vergraafbare grond aan de oevers van het aanwezige water. Het is niet zeker of de rugstreeppad in het gebied voorkomt. Derhalve dienen er mogelijk maatregelen voor rugstreeppad te worden getroffen. Dit wordt nader bepaald tijdens de andere nadere onderzoeken. ,
,
,
,
Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde amfibieën niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. blad 16 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Vrijgestelde amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als bastaardkikker bruine kikker gewone pad kleine watersalamander en meerkikker. Dit betreft de oevers en de wateren in en nabij het plangebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Flevoland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2. 3. 9 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden. ,
2. 3. 6
,
,
Reptielen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen
van reptielen
in de directe omgeving van het plangebied
weergegeven.
Tabel 2. 6 Overzicht van waargenomen reptielen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF , 2019-
2024). Soort
Beschermingsregime Art. 11. 46 Bal Art. 11. 54 Bal en Bijlage IX X
Ringslang
Ringslang In het plangebied is zeer geschikt biotoop aanwezig voor ringslang in de vorm van broeihopen windarme zonrijke plaatsen om te kunnen zonnen en naast het plangebied ligt water. De broeihopen zijn waarschijnlijk verblijfplaatsen van ringslang aangezien er tijdens het terreinbezoek naast een broeihoop een ringslang is aangetroffen. Het plangebied maakt daarnaast ook uit van de functionele leefomgeving van de ringslang. Aanwezigheid van functioneel leefgebied van ringslang in het plangebied kan niet worden uitgesloten en nader onderzoek is noodzakelijk. ,
,
,
,
,
Vervolgstappen Er dient nader onderzoek naar ringslangen uitgevoerd te worden. Dit betreft 5 bezoeken in de periode april tot september hierbij worden er reptielenplaten neergelegd en gekeken hoeveel ringslangen er in het plangebied aanwezig zijn en in welke mate er potentiële verblijfplaatsen verloren gaan bij het planvoornemen. ,
,
Overige beschermde reptielen Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde reptielen niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.
2. 3. 7
Insecten In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen
van insecten
in de directe omgeving van het plangebied
weergegeven.
Tabel 2. 8 Overzicht van waargenomen insecten in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF , 2019-
2024). Soort Art. 11. 46 Bal
Grote vos Grote weerschijnvlinder Gevlekte witsnuitlibel Sierlijke witsnuitlibel
Beschermingsregime Art. 11. 54 Bal en Bijlage IX
Art. 11. 54 Bal en Bijlage IX Vrijgestelde insecten
X X X X
blad 17 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Grote vos De grote vos is een vlindersoort die voorkomt rondom vochtige open bossen bosranden boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme zonnige open maar beschutte plaatsen. Als waardplant worden voornamelijk iepen maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten gebruikt. ,
,
,
,
,
,
Op basis van de terreinkenmerken binnen het plangebied kan het voorkomen plangebied niet worden uitgesloten. Derhalve is nader onderzoek noodzakelijk. ,
de grote
van
binnen het
vos
Grote weerschijnvlinder De grote weerschijnvlinder is een vlindersoort die voorkomt rondom vochtige (oudere) bossen bosranden en broekbossen. Deze soort staat bekend als een weinig mobiele soort die veelal in de boomtoppen verblijft en zelden op de grond komt. Als waardplant wordt voornamelijk grauwe wilg en boswilg gebruikt. ,
,
Op basis van de terreinkenmerken binnen het plangebied kan het voorkomen van de grote weerschijnvlinder binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Derhalve is nader onderzoek noodzakelijk. ,
Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel is een libellesoort die voorkomt rondom laagveenmoerassen vegetatierijke vennen en duinplassen. Deze soort staat bekend als een zwervende soort die op allerlei andere biotopen kan opduiken. Larven overwinteren twee keer en komen voor tussen waterplaten en verlandingszones. ,
,
Op basis van de terreinkenmerken binnen het plangebied kan het voorkomen van de gevlekte witsnuitlibel binnen het plangebieden worden uitgesloten. ,
Sierlijke witsnuitlibel De sierlijke witsnuitlibel is een libellesoort die voorkomt schone vegetatierijke vennen plassen en dode rivierarmen. Deze soort staat bekend als een zwervende soort die op allerlei andere biotopen kan opduiken. Larven overwinteren twee keer en komen voor tussen waterplaten en verlandingszones. ,
,
,
Op basis van de terreinkenmerken binnen het plangebied kan het voorkomen binnen het plangebieden worden uitgesloten.
van de
,
gevlekte witsnuitlibel
Overige beschermde soorten Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde insecten niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.
2. 3. 8
Zaadplanten , varens en bladmossen Op basis van het terreinbezoek en bekende verspreidingsgegevens worden beschermde zaadplanten bladmossen niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.
2. 3. 9
,
varens en
Zorgplicht In het plangebied kunnen bosmuis gewone bosspitsmuis rosse woelmuis vos bastaardkikker bruine kikker gewone pad kleine watersalamander en meerkikker aanwezig zijn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht voor de Omgevingswet (Ow) in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is de zorgplicht van toepassing. ,
,
,
,
,
,
,
Zo moet een initiatiefnemer een beeld hebben van de natuurwaarden op en nabij het plan- of projectgebied. In het kader van de specifieke zorgplicht dient een initiatiefnemer in het geval van verslechterende effecten actief te anticiperen op het voorkomen of verzachten van deze effecten. Onder de Ow dient onder andere extra aandacht besteed te worden aan soorten van de Rode Lijsten. Provincies kunnen onder de Ow beleidskaders opstellen over hoe en met welke soorten (van de Rode Lijsten) rekening dient te worden gehouden in het kader van de Zorgplicht. Vooralsnog zijn deze aanvullende beleidskaders nog niet opgesteld. In de voorliggende rapportage is daarom gekozen voor het opnemen van waarnemingen van de blad 18 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Rode Lijst soorten in de NDFF in het plangebied. De Rode Lijst soorten waarvan waarnemingen in de NDFF bekend zijn zijn opgenomen in Bijlage 3. ,
De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2. 9. ,
Daarnaast is bij het oriënterend veldonderzoek een houtwal opgaande beplanting en oppervlaktewater in het plangebied en de directe omgeving waargenomen. Indien mogelijk is het aan te bevelen deze structuur te behouden en te optimaliseren. Hierdoor wordt de biodiversiteit in het gebied versterkt. (Rode Lijst) Soorten kunnen hier van profiteren. Zie ook paragraaf 2. 7 Biodiversiteit. Daarnaast kunnen de maatregelen genoemd in tabel 2. 9 bijdragen aan het voorkomen van negatieve effecten op (Rode Lijst) soorten. ,
Tabel 2. 9. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Maatregel Soort(groep) Grondgebonden zoogdieren (alle Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort soorten) maaien , één richting op werken. Amfibieën Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid richting de oevers.
2. 3. 10
Invasieve soorten Tijdens het terreinbezoek is de reuzeberenklauw in het plangebied aangetroffen (overal waar geen bomen staan). De reuzeberenklauw is een invasieve exoot. Dit houdt in dat soort niet van nature voorkomt in Nederland en schadelijk is voor de inheemse natuur. Om verdere verspreiding van de reuzeberenklauw te voorkomen zijn passende maatregelen nodig wanneer er in het plangebied gewerkt wordt. Deze maatregelen moeten in een later stadium worden uitgewerkt in een Ecologisch Werkprotocol.
2. 4
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oostvaardersplassen en ligt op circa 50 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied (zie figuur 2. 3). Dit gebied is aangewezen op basis van de Vogelrichtlijn. Binnen een straal van 15 km liggen nog vier andere Natura 2000-gebieden. Het betreft Markermeer & IJmeer Lepelaarsplassen Veluwerandmeren en Ketelmeer & Vossemeer (zie figuur 2. 3). ,
,
,
blad 19 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Figuur 2. 3. Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (rode cirkel). Bron: AERIUS-calculator , versie 2023. 1.
Bij voorliggend planvoornemen is er zowel sprake van een realisatiefase als gebruiksfase. Er kan daardoor sprake zijn van zowel tijdelijke als permanente effecten. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van alle storingsfactoren zoals bijvoorbeeld verdroging of geluid- en lichtverstoring met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens de realisatiefase en de gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. ,
,
De enige manier om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator. ,
Indien uit de AERIUS-berekening volgt dat er als gevolg van het voornemen een verhoogde stikstofdepositie plaats vindt op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden dient dit ecologisch te worden beschouwd door middel van een ecologische Voortoets Stikstof. ,
Vervolgstappen Er dient een AERIUS-berekening voor de aanlegfase en de gebruikersfase te worden opgesteld. Indien sprake is van een toename in stikstofdepositie dient een ecologische Voortoets Stikstof te worden opgesteld. ,
2. 5
NNN Het plangebied bevindt zich binnen de begrenzing van het NNN. Zie ook figuur 2. 4. Als gevolg van het planvoornemen kan er sprake zijn van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNNgebied. blad 20 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Het plangebied valt nu samen met een groot deel bosbegroeiing een deel hiervan is nu deel van NNN (beheertype N14. 03 Haagbeuken-en essenbos). Voor het ruimtebeslag kan een indicatieve compensatie-opgave worden opgesteld. Hierbij is afgesproken met de provincie dat het verloren NNN oppervlak 133 gecompenseerd moet worden op een andere plaats (fysieke compensatie). Deze compensatie plicht leidt tot een herbegrenzing van het NNN onder verwijzing naar onderstaande wijzigingsopties uit de Omgevingsverordening Flevoland. Daarbij is de procedure onder ‘2b’ van toepassing. Deze dient dan ook nader te worden uitgewerkt. ,
,
,
In de omgevingsverordening Flevoland 2024 staat het volgende beschreven: 1. Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk kunnen alleen worden toegelaten indien de gevolgen tijdig worden gecompenseerd zodanig dat de kwaliteit oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. 2. De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland of de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden gewijzigd: a. ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen die tevens tot doel heeft de kwaliteit en kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland op gebiedsniveau per saldo te verbeteren b. ten behoeve van andere activiteiten dan mogelijk gemaakt op grond van Artikel 15.5 eerste lid sub b indien: i. een ingreep onvermijdelijk blijkt ii. er sprake is van een groot openbaar belang er geen reële alternatieven zijn en iii. iv. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
c.
d.
ten behoeve van de herijking van het Natuurnetwerk Nederland , naar aanleiding van wijziging in hogere beleidskaders en wet en regelgeving.
3.
De begrenzing van het Natuurnetwerk of de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden gewijzigd:
•
a. ten behoeve van een
verbetering van de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Nederland voor zover: o 1. de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland worden behouden en o 2. de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland tenminste gelijk blijft. b. ten behoeve van een enkelvoudige ontwikkeling voor zover: o 1. de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland beperkt is o 2. de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en een vergroting van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland c. ten behoeve van de aanwijzing compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold d. ten behoeve van de begrenzing van het kiekendieffoerageergebied. ,
,
,
•
,
,
,
• •
4.
,
De wezenlijke kenmerken en waarden kunnen tevens worden gewijzigd naar aanleiding van natuurlijke ontwikkelingen in het gebied.
blad 21 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Figuur 2. 4. Ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het NNN. Bron: NNN Flevoland , provincie Flevoland.
2. 6
Beschermde houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap In (de directe omgeving van) het plangebied zijn bomen aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden houtopstanden gekapt. De houtopstand ligt buiten de grens bebouwde kom en is groter dan 01 hectare. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal – Omgevingswet) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). ,
,
Verder is voor dit plangebied de herplantplicht van toepassing hierbij dient al het oppervlak gekapte bos 1:1 te worden gecompenseerd op een andere locatie. ,
2. 7
Kansen voor natuurwaarden in het plangebied Het meenemen van biodiversiteit door het behouden van aanwezige natuurwaarden en deze te vergoten verbeteren of verbinden kan van grote meerwaarde zijn binnen een project. Het kan zorgen voor een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving en levert integrale kansen ten aanzien van duurzaamheids- en klimaatadaptatie doelen zoals waterretentie hittestress beperking luchtzuivering etc. Daarnaast kan het bijdragen aan acceptatie van het plan door de omgeving/omwonenden. Binnen het plan zijn diverse mogelijkheden geconstateerd voor het toevoegen van natuurwaarden en daarmee biodiversiteit. Hierbij kan gedacht worden het versterken van de aanwezige groenstructuur door aanplant van inheemse bomen en struiken of de ontwikkeling van kruidenrijke- en bloemrijke vegetaties de aanleg van natuurvriendelijke oevers het plaatsen van verblijfplaatsen/nestplaatsen voor soorten. Indien gewenst kunnen deze mogelijkheden verder uitwerken in een biodiversiteitsadvies. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
blad 22 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
3.
Conclusie & advies In dit hoofdstuk is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven dat voortkomt uit de uitgevoerde natuurtoets.
3. 1
Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels vogels met een jaarrond beschermd nest vleermuizen overige zoogdieren amfibieën reptielen en vlinders. In tabel 3. 1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies is beschreven in paragraaf 2. 3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. ,
,
,
,
Tabel 3. 1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Essentieel leefgebied in Nader Soort(groep) onderzoek (directe omgeving van) plangebied? nodig?
Vogels met een jaarrond beschermd nest (buizerd , sperwer , ransuil , slechtvalk , ooievaar)
Vogels (algemene
broedvogels) Zoogdieren (diverse soorten vleermuizen) essentiële vliegroutes –
Zoogdieren (diverse soorten vleermuizen) – essentieel foerageergebied Zoogdieren (bever , otter , kleine
marterachtigen) Reptielen (ringslang)
Insecten (vlinders , grote vos en grote
weerschijnvlinder) Amfibieën
Ja , nestgelegenheid in de te kappen bomen
Maatregelen?
,
,
Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit Ow aan de orde? Nog onduidelijk
Ja , zie tabel 3. 2
Nader te bepalen
N. v. t.
Ja , zie tabel 3. 3
Nee
Ja , zie tabel 3. 2
Nader te bepalen
Nog onduidelijk
Ja , zie tabel 3. 2
Nader te bepalen
Nog onduidelijk
Ja , zie tabel 3. 2
Nader te bepalen
Nog onduidelijk
Ja , zie tabel 3. 2
Nader te bepalen
Nog onduidelijk
Ja , zie tabel 3. 2
Nader te bepalen
Nog onduidelijk
N. v. t.
Ja zie tabel 3. 3
Nee
(buizerd sperwer ransuil) op het hoge ,
,
,
gebouw naast het plangebied (slechtvalk) en ooievaarskolonie op de hoogspanningsmasten. Ja , nestgelegenheid in opgaande begroeiing Ja , de bosranden en wateren in en aangrenzend aan het plangebied kunnen dienen als essentiële vliegroutes Ja , het plangebied kan dienen als essentieel foerageergebied. Ja , het plangebied bevat essentieel leefgebied voor bevers , otters en kleine marterachtigen. Ja , het open gedeelte in het westen van het plangebied (bij de hoogspanningsmasten is geschikt leefgebied voor ringslang. Ja , potentieel leefgebied voor grote vos en grote weerschijnvlinder Potentieel
(rugstreeppad) Vrijgestelde soorten
Zie tabel 3. 4
blad 23 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
In tabel 3. 1 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar vogels met een jaarrond beschermd nest vleermuizen overige zoogdieren reptielen en vlinders. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3. 2 uiteengezet. ,
,
,
Tabel 3. 2. Beschrijving nader onderzoek. Soort Onderzoeksmethode Vogels met jaarrond 4 veldbezoeken in de periode van 25 januari - 10 juli , waarbij wordt gekeken of er bezette beschermd nest jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied voor buizerd , sperwer of slechtvalk. (buizerd , sperwer ,
slechtvalk) Vogels met jaarrond beschermd nest
3 avondbezoeken in de periode van 15 februari – eind juli , waarbij wordt gekeken of er bezette jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied voor ransuil.
(ransuil) Vogels met jaarrond beschermd nest
1 gericht veldbezoek in de periode 15 april – 25 juli , waarbij het aantal bezette ooievaarsnesten in de kolonie wordt geteld.
(ooievaars) Zoogdieren (diverse soorten vleermuizen) – essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied. Zoogdieren (kleine
marterachtigen) Zoogdieren (bever) Zoogdieren (otter)
Reptielen (ringslang) Insecten (vlinders)
2 avondbezoeken in de periode van 15 mei - 15 augustus + analyse geluid Anabat.
Voor marterachtigen dient een habitatgeschiktheidsbeoordeling te worden gedaan. Sporenonderzoek: 4 bezoeken waarbij gericht gezocht wordt naar knaagsporen Aanwezigheid van de otter kan worden aangetoond door tijdens vier bezoeken het plangebied te controleren op sporen en spraints van otter. Deze controles kunnen het gehele jaar plaatsvinden , maar vinden bij voorkeur plaats in de periode oktober tot en met maart. (Daarnaast kunnen er camera’s geplaatst worden om de aanwezigheid van otter aan te tonen dan wel uit te sluiten. Deze camera’s dienen 6 weken in het veld te staan en om de twee weken worden de batterijen en geheugenkaart vervangen. ) 5 bezoeken , waarbij reptielenplaten worden neergelegd en gecontroleerd op aanwezigheid ringslang. 4 bezoeken in vliegtijd , waarvan 1 in periode maart-april en 3 in periode juni-juli.
In tabel 3. 3 is aangegeven dat een overtreding van de Ow voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 3. 3 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Tabel 3. 3. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Ow te voorkomen. Maatregelen Soort(groep) Algemene broedvogels Werken buiten het broedseizoen Rugstreeppad Mogelijk maatregelen treffen , wordt nader besproken indien nodig.
3. 1. 1
Zorgplicht Uit paragraaf 2. 3. 9 blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3. 4. Tabel 3. 4. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Maatregel Soort(groep) Grondgebonden zoogdieren (alle Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort soorten) maaien , één richting op werken. Amfibieën Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid richting de oevers.
Onder de Ow dient nadere aandacht te worden besteed aan soorten van de Rode Lijsten. Onder de Ow kunnen provincies beleidskaders opstellen over hoe en met welke soorten (van de Rode Lijsten) rekening dient te worden gehouden in het kader van de Zorgplicht. Vooralsnog zijn deze aanvullende beleidskaders nog niet opgesteld. In de voorliggende rapportage is daarom gekozen voor het opnemen van waarnemingen van de blad 24 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Rode Lijst soorten in de NDFF in het plangebied. Door middel van de maatregelen beschreven in tabel 3. 4 kunnen op negatieve effecten worden gemitigeerd op (een deel van) de opgenomen Rode Lijst soorten. Daarnaast kan de biodiversiteit worden versterkt in het gebied door het behouden/versterken van houtwal/ opgaande beplanting/ oppervlaktewater. Zie ook paragraaf 3. 4 voor kansen voor biodiversiteit. Ook hier kunnen (Rode Lijst) soorten van profiteren.
3. 1. 2
Invasieve soorten Tijdens het terreinbezoek is de reuzeberenklauw in het plangebied aangetroffen (overal waar geen bomen staan). De reuzeberenklauw is een invasieve exoot. Dit houdt in dat soort niet van nature voorkomt in Nederland en schadelijk is voor de inheemse natuur. Om verdere verspreiding van de reuzeberenklauw te voorkomen zijn passende maatregelen nodig wanneer er in het plangebied gewerkt wordt. Deze maatregelen moeten in een later stadium worden uitgewerkt in een Ecologisch Werkprotocol.
3. 2
Gebiedsbescherming
3. 2. 1
Natura 2000 In tabel 3. 5 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2. 4 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3. 5. Conclusies Natura 2000-gebieden. Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden?
Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit of akkoord van de provincie noodzakelijk?
3. 2. 2
Natura 2000 Ja , Oostvaardersplasen (op circa 50, kilometer afstand). Verder liggen er binnen een straal van 25km nog Markermeer & IJmeer , Lepelaarsplassen , Veluwerandmeren en Ketelmeer & Vossemeer. Ja , er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Ja , er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Nog onbekend
NNN In tabel 3. 6 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2. 5 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3. 6. Conclusies NNN-gebieden. Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNN-gebied? Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?
3. 3
NNN 0 meter , er ligt NNN in het plangebied Nee Nog onbekend , dit dient nader te worden bepaald. Ja , er dient een ‘Nee , tenzij-toets’ te worden opgesteld Ja , met provincie Flevoland
Beschermde houtopstanden bebouwingscontour houtkap In (de directe omgeving van) het plangebied zijn bomen aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden houtopstanden gekapt. De houtopstand ligt buiten de grens bebouwde kom en is groter dan 01 hectare. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij ,
,
blad 25 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal – Omgevingswet) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). Verder is voor dit plangebied de herplantplicht van toepassing hierbij dient al het oppervlak gekapte bos 1:1 te worden gecompenseerd op een andere locatie. ,
3. 4
Kansen voor natuurwaarden in het plangebied Het meenemen van biodiversiteit door het behouden van aanwezige natuurwaarden en deze te vergoten verbeteren of verbinden kan van grote meerwaarde zijn binnen een project. Het kan zorgen voor een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving en levert integrale kansen ten aanzien van duurzaamheids- en klimaatadaptatie doelen zoals waterretentie hittestress beperking luchtzuivering etc. Daarnaast kan het bijdragen aan acceptatie van het plan door de omgeving/omwonende. Binnen het plan hebben we diverse mogelijkheden gezien voor het toevoegen van natuurwaarden en daarmee biodiversiteit. Hierbij kan gedacht worden het versterken van de aanwezige groenstructuur door aanplant van inheemse bomen en struiken of de ontwikkeling van kruidenrijke- en bloemrijke vegetaties de aanleg van natuurvriendelijke oevers het plaatsen van verblijfplaatsen/nestplaatsen voor soorten. Indien gewenst kunnen deze mogelijkheden verder uitwerken in een biodiversiteitsadvies. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
blad 26 van 41
Natuurtoets International Campus Lelystad projectnummer 0490916. 100 16 april 2024 revisie 00 VDVI B. V.
Literatuurlijst Bergers , P. & La Haye , M. 2000. Kleine zoogdieren betrouwbaarder en efficiënter inventariseren. De Levende Natuur 101(2):52-58. BIJ12 , 2024. Kennisdocument Kleine marterachtigen. Versie 1.0 januari 2024. ,