BIJLAGE I en II bij VB en RV IHP beleidskader en meerjarenperspectief d
Tekst van het document
BIJLAGE I Voorgestelde beleidsuitgangspunten Deel B: Beleidskader Onderwijshuisvesting 2026 N = nieuw voorgesteld beleidsuitgangspunt W = gewijzigd voorgesteld beleidsuitgangspunt
Hoofdstuk 2 Leerling centraal 2.1 Onderscheidend vermogen van onderwijsconcepten Het toekomstbestendig en divers onderwijsaanbod wordt voor Lelystad als geheel bezien, maar er moet ruimte zijn voor maatwerk per wijk (N). Voor het voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het aanbod in de regio hierin meegewogen (N). Schoolbesturen dragen hierin een gezamenlijke verantwoordelijkheid (N). Grootschalige investeringen ten behoeve van nieuwbouw of renovatie zijn ondersteunend aan de inhoudelijke visie op het onderwijs van de school en dragen bij aan de kwaliteit van het onderwijs van de school. Aan iedere grootschalige investeringsbeslissing ligt een gedragen, inhoudelijk plan voor de gewenste ontwikkeling van het onderwijs van de betreffende school ten grondslag waarin wordt gemotiveerd hoe de huisvesting daaraan een bijdrage kan leveren. 2.2 / 2.3 Inclusiviteit – inclusief onderwijs en gelijke kansen Het streven naar inclusieve onderwijshuisvesting in 2035, conform het streven vanuit het ministerie van OCW, wordt gedeeld (N). Ieder kind heeft recht op dezelfde kansen. Hiertoe moet ruimte zijn in de school (N).
Voorstel om extra beschikbaar te stellen middelen voor (vervangende) nieuwbouw van schoolgebouwen ten behoeve van inclusief onderwijs (beslispunt 2.b.): In afwachting van landelijke richtlijnen voor inclusief onderwijs en gelijke kansen is het uitgangspunt dat nieuw te realiseren schoolgebouwen een aanvullende vaste voet van 50 m² krijgen om dit nader vorm te geven. Schoolbesturen onderbouwen de noodzaak en consequenties voor de scholen in de hiervoor benodigde ruimtelijk/functionele maatregelen gerelateerd aan een tussen de scholen en schoolbesturen afgestemd stad en wijk breed plan voor de invulling van inclusief onderwijs (N).
2.4 Doorgaande leerlijnen Er wordt door alle betrokken partijen zo veel mogelijk ingezet op de aansluiting van de vroeg- en voorschoolse opvang en educatie op het basisonderwijs, de aansluiting van primair op voortgezet onderwijs en de aansluiting van het voortgezet onderwijs op vervolgonderwijs en/of naar werk (G).
Hoofdstuk 3 Toekomstbestendig 3.1 Flexibiliteit en multifunctionaliteit Bij grootschalige investeringen in de onderwijshuisvesting, zoals (vervangende) nieuwbouw of renovatie worden andere relevante partners, zoals kinderopvang, betrokken in de planvorming; 1
wordt gestreefd naar de clustering van voorzieningen; Wordt gestreefd naar standaardisatie van processen en maximale flexibiliteit van het schoolgebouw teneinde capaciteit en (financiële) middelen efficiënt en effectief in te zetten en de toekomstbestendigheid van de gebouwen te vergroten (W). 3.2 Spreiding en bereikbaarheid Ieder kind heeft de mogelijkheid om binnen de eigen wijk of op een maximale afstand van 2 km hemelsbreed van de eigen woning naar een reguliere basisschool te kunnen. Bij (vervangende) nieuwbouw, wordt onderzocht of en welke maatregelen nodig zijn om de fysieke bereikbaarheid en ontsluiting van de school te optimaliseren. 3.3 Omvang van de school -exploitatie De beschikbare onderwijscapaciteit wordt optimaal benut voor onderwijs en aan het onderwijs gelieerde voorzieningen. Een minimale omvang en bezetting is circa 200 leerlingen voor (vervangende) nieuwbouw in de bestaande stedelijke structuur en 400 leerlingen in een voorziening in een uitbreidingswijk. Een voorziening kan bestaan uit meerdere scholen. Uit de prognose blijkt dat dit aantal minimaal 15 jaar aanwezig is. Bij nieuwbouw voor een nieuwe school moet deze voldoen aan de door het ministerie gestelde eisen voor leerlingaantallen (W). Een school voor primair onderwijs heeft maximaal 1 disclocatie. De gemeente betaalt – onder voorwaarden - de uitbreiding indien extra capaciteit nodig is.
Een school voor primair onderwijs kan, in geval van ruimtetekort, voor extra ruimte worden doorverwezen naar leegstand in een (school)gebouw. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: Er is sprake van maximaal 1 dislocatie; Deze dislocatie ligt binnen een straal van 2 kilometer hemelsbreed; Er is sprake van een maximaal gebruik van de dislocatie voor een periode van 5 jaar; Met het aantal groepen dat in de dislocatie wordt gehuisvest, kan organisatorisch en onderwijskundig geen goede verdeling worden gemaakt tussen de groepen in de hoofdlocatie en de dislocatie (dit, ter bepaling in onderling overleg russen de gemeente en het schoolbestuur); Het is mogelijk om het hoofdgebouw van de school uit te breiden. Er gelden de volgende uitzonderingen voor de duur en de afstand van de tijdelijke huisvesting: Indien er vooruitzicht is op vervangende nieuwbouw van de hoofdgebouw van de school, geldt een verwijsperiode van maximaal 8 jaren (conform de duur van één tranche van het IHP meerjarenperspectief); Indien de leegstand waarnaar een school wordt doorverwezen zich binnen een afstand van 200 meter van het hoofdgebouw bevindt, geldt geen maximale verwijsperiode; Indien het niet mogelijk is het hoofdgebouw van de school uit te breiden, geldt eveneens geen maximale verwijsperiode.
In dat geval is de minimale omvang van de toe te wijzen ruimte in een dislocatie voldoende voor de huisvesting van vier groepen plus noodzakelijke nevenruimten. Indien de situatie zich voordoet dat een school zoveel leerlingen heeft of dreigt te krijgen dat deze niet meer op de twee huidige locaties gehuisvest kunnen worden, wordt eerst bekeken of: de betrokken schoolbesturen alsnog afspraken kunnen maken over de verdeling van leerlingen. Een (tijdelijke) aannamestop kan hier onderdeel van uitmaken. er binnen redelijke termijn perspectief is op passende huisvesting in relatie tot het IHP meerjarenperspectief. Tijdelijk doorverwijzen naar meer dan één dislocatie kan dan, vanuit financiële doelmatigheid toch de voorkeur hebben. Dit ter afweging en beoordeling door het college. Wanneer vervangende nieuwbouw van kleinere scholen aan de orde is, worden eerst de mogelijkheden van een scholencarrousel (het wisselen tussen scholen en gebouwen), medegebruik en/of het fysiek in één gebouw onderbrengen van scholen onderzocht. Wanneer blijkt dat er geen mogelijkheden zijn voor een scholencarrousel, medegebruik en/of het fysiek in één gebouw onderbrengen van scholen, wordt - o.a. afhankelijk van de leerlingenprognose - op basis van een
2
businesscase onderzocht of en welke investeringen in een solitaire school met < 200 leerlingen, rendabel en haalbaar zijn. Ten aanzien van leegstand in onderwijsvoorzieningen is het volgende (in onderstaande volgorde) van toepassing: 1. Het afstoten/verplaatsen van noodlokalen (afgeschreven noodlokalen; technisch of financieel) zodat er hoofdzakelijk sprake is van permanente huisvesting; 2. Beschikbare ruimte wordt ingevuld door scholen met een ruimtebehoefte binnen het voedingsgebied of binnen 2 kilometer hemelsbreed; 3. Beschikbare ruimte wordt ingezet voor o.a. onderwijskundige vernieuwingen binnen de school, vorming van een naschools aanbod, inclusief onderwijs e.d. Hierbij geldt dat deze inzet van de leegstand gemotiveerd moet plaatsvinden; 4. Beschikbare ruimte wordt ingevuld door kinderopvang of andere complementaire kindfuncties dan wel maatschappelijke functies; 5. Beschikbare ruimte wordt afgestoten door buitengebruikstelling of daadwerkelijk fysiek afstoten, wanneer het een volledig gebouw betreft. Hiervoor wordt alleen gekozen wanneer de ruimte permanent niet meer nodig is voor het onderwijs of andere gerelateerde functies.
Wanneer de inzet van leegstand voor andere functies dan genormeerd onderwijsgebruik conform de VHO leidt tot een aanvullende ruimtebehoefte van de school of van een nabijgelegen school (binnen het voedingsgebied en/of 2 kilometer), wordt onder de volgende voorwaarden geen gebruik gemaakt van het vorderingsrecht door de gemeente: De leegstand wordt gebruikt voor voorzieningen die samenhangen met c.q. ondersteunend zijn aan het onderwijskundig concept van de school en indien het geen voorzieningen betreft die volgtijdelijk gebruik kunnen maken van ruimten in de school of waarvoor alternatieve ruimte binnen het gebouw kan worden gevonden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen maatschappelijke en commerciële functies. Voor commerciële functies gelden de volgende aanvullende voorwaarden: De gemeente maakt geen gebruik van haar vorderingsrecht wanneer het schoolbestuur aan de gemeente een vergoeding betaalt ter dekking van de stichtingskosten, voor het gebruik van de ruimte door een commerciële partij; Bij het bepalen van de hoogte van deze vergoeding wordt aangesloten bij de normbedragen voor investeringen uit de verordening. De vergoeding bedraagt maximaal de jaarlasten behorend bij de normkosten voor (tijdelijke) uitbreiding gekoppeld aan het Bruto Vloer Oppervlak dat niet voor (mede)gebruik beschikbaar is.
De vergoeding wordt betaald vanaf het moment dat de gemeente extra kosten dient te maken voor uitbreiding als gevolg van het afzien van haar vorderingsrecht; Het schoolbestuur dient voor de boven normatieve ruimtebehoefte een gemotiveerde aanvraag in bij het college.
Hoofdstuk 4 Wijk en leefomgeving 4.1
Leefbaarheid wijk (N/W) De school is een uitnodigende ontmoetingsplek in de wijk en/of een centraal verbindingspunt voor de ontwikkeling van kinderen van 0-12 jaar. Dit kan tot uiting komen in: Architectonische verschijningsvorm Stedenbouwkundig inpassing, passend bij de schaal en opbouw van de wijk Aanvullende voorzieningen; Aansluiting op en inpassing in (bestaande) infrastructuur.
4.2
Leefbaarheid wijk Bij het aanbod voor voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs wordt gestreefd naar een dekkend aanbod voor de stad en de regio (N). Alle scholen krijgen zoveel mogelijk ook een maatschappelijke functie buiten schooltijd, bijvoorbeeld voor kinderopvang (W). 3
4.3
Brede Schoolpleinen Schoolpleinen worden zoveel mogelijk ingericht als brede schoolpleinen zodat schoolpleinen toegankelijk zijn voor alle kinderen in de wijk. Eens in de twee jaar wordt er budget beschikbaar gesteld om de kwaliteit van bestaande brede schoolpleinen een impuls te geven gericht op vergroening van de pleinen en/of vergroten van de bewegingsmogelijkheden. Voor het onderhoud van de brede schoolpleinen wordt een bijdrage van het schoolbestuur gevraagd. Een schoolbestuur kan onderbouwd afwijken van het niet inzetten van schoolpleinen voor en door de wijk als dit het welbelvinden en de ontwikkeling van de leerlingen negatief beïnvloed.
Hoofdstuk 5 Kwaliteit gebouw 5.1
Kwalitatieve ambities Nieuwe of te renoveren schoolgebouwen worden gerealiseerd conform het kwaliteitsniveau ‘groen en onderscheidend’. De hierbij behorende budgetten zijn afhankelijk van de grootte van de opgave en de onderwijssoort. Voor de bepaling van de vierkante meter vergoeding voor het realiseren van (vervangende) nieuwbouw of grootschalige renovatie worden de marktontwikkelingen gevolgd en de vergoeding periodiek bijgesteld. Bij (vervangende) nieuwbouw van schoolgebouwen wordt ENG gerealiseerd. In het geval van renovatie wordt ook naar ENG gestreefd, afhankelijk van wat technisch en budgettair haalbaar is. Dit wordt per gebouw bekeken (W). Bij (vervangende) nieuwbouw van schoolgebouwen en waar mogelijk bij renovatie wordt tenminste gemiddeld frisse scholen Klasse B gehanteerd. Onderwijshuisvestingsinvesteringen dragen bij aan het behalen van de doelstellingen uit de gemeentelijke Kadernota Duurzaamheid Onderwijshuisvestingsinvesteringen dragen bij aan het behalen van de doelstelling van het nationaal Klimaatakkoord om in 2050 een CO2-neutrale omgeving te hebben gerealiseerd. Dit betekent dat alle schoolgebouwen op termijn aardgasvrij moeten zijn. Bij nieuwbouwprojecten waarbij ook de gymzaal vernieuwd moet worden en/of een gymzaal geplaatst moet worden, gymzalen met een 1.3 formaat te bouwen.
Er wordt rekening gehouden met klimaatadaptief bouwen, zover dat binnen de kaders van de beschikbaar gestelde budgetten gerealiseerd kan worden.
Voorstel om extra beschikbaar te stellen middelen ten behoeve van klimaatadaptieve maatregelen bij nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen (beslispunt 2.c.): Met het oog op beperken van wateroverlast en schade is een aanvullende investering van ongeveer € 260,- per m² nodig voor een kleinschalig (maximaal 1.500 m² bvo), binnenstedelijk project, waarbij de buffering in het gebouw moet worden opgenomen (exclusief aanvullende kosten voor het verzwaren van de constructie). Bij grootschalige projecten waarbij maatregelen grotendeels in het terrein kunnen worden opgenomen bedraagt de aanvullende investering € 199,- per m².
5.2
Renovatie volwaardig alternatief voor nieuwbouw Conform het concept wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting renovatie te zien als volwaardig alternatief voor nieuwbouw. Bij de afweging renovatie versus vervangende nieuwbouw wordt per situatie een afweging gemaakt en een businesscase doorgerekend. Bij renovatie als volwaardig alternatief voor nieuwbouw, uit te gaan van het kwaliteitsniveau ‘groen en onderscheidend’. 4
5.3.
(Co)financiering
De hoogte van de stichtingskosten die worden toegekend aan het realiseren van de plannen van het IHP Meerjarenperspectief, zijn gebaseerd op een bedrag conform de landelijke standaard inclusief een opslag vanuit de gemeente Lelystad om de scholen groen en onderscheidend te kunnen realiseren. Dit bedrag is € 4.487 per m² in 2026 en wordt jaarlijks geïndexeerd. Voor het beheer en onderhoud van de gemeentelijke MFA’s en solitaire schoolgebouwen is een kostprijsdekkende doorbelasting aan de schoolbesturen het uitgangspunt (N). Bij grootschalige investeringen in de onderwijshuisvesting, wordt het principe van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en financiering als uitgangspunt gehanteerd. Zolang het investeringsverbod nog van toepassing is wordt deze verantwoordelijkheid als volgt opgevat: De gemeente investeert in een programma van (ver)nieuwbouw en / of renovatie als volwaardig alternatief voor nieuwbouw; De schoolbesturen realiseren de benodigde aanpassingen, verduurzaming en functionele verbeteringen voor die gebouwen die (nog) niet voor vernieuwing in aanmerking; Waar nodig wordt gezocht naar een maatwerkoplossing in de financiering voor schoolbesturen die niet de mogelijkheid hebben om besparingen op energie- en onderhoudskosten van nieuwe gebouwen in te zetten voor levensduurverlengende maatregelen van oudere gebouwen.
5
BIJLAGE II Voorgestelde investeringsagenda Deel C: IHP Meerjarenperspectief 2027-2042
2e tranche: periode 2027-2034 School
Wijk
Scenario 1
Pro Steiger
Boswijk
Renovatie
RKBS Zeearend
Zuiderzee
Vervangende nieuwbouw
wijk
Scenario 2
Fasering 2e tranche – 2027
Vervangende nieuwbouw
2e tranche – 2028
inclusief aanvullende capaciteit groei wijk
OBS Sluis
Lelystad
Vervangende nieuwbouw
Renovatie
2e tranche – 2029
Haven OBS Driemaster
Boswijk
Vervangende nieuwbouw
Clustering n.t.b.
2e tranche – 2030
CBS Horizon
Boswijk
Renovatie/ Vervangende
Clustering n.t.b
2e tranche – 2030 (of 3e
nieuwbouw
tranche i.g.v. solitair gebouw)
OBS Grundel
De Bolder
Vervangende nieuwbouw,
Clustering t.b.v. efficiënte
afhankelijk van Lepelaar
en effectieve exploitatie
2e tranche – 2031
en Het Mozaïek OBS Lepelaar
De Bolder
Vervangende nieuwbouw,
Clustering t.b.v. efficiënte
afhankelijk van Grundel
en effectieve exploitatie
2e tranche – 2031
en Het Mozaïek CBS
De Bolder
Het Mozaïek
Vervangende nieuwbouw,
Clustering t.b.v. efficiënte
afhankelijk van Grundel
en effectieve exploitatie
2e tranche – 2031
en Lepelaar OBS Poolster
Waterwijk
Vervangende nieuwbouw
Clustering n.t.b.
2e tranche – 2033
NB. Conform welk van de aangegeven scenario’s bovenstaande schoolgebouwen het beste kunnen worden vernieuwd, wordt nader onderzocht op basis van een per project uit te werken plan. Aan dit plan liggen onder meer locatiestudies, nader overleg met de schoolbesturen en scholen en leerlingenprognoses ten grondslag. Ieder uitgewerkt plan wordt vervolgens er besluitvorming voorgelegd aan de gemeenteraad inclusief een voorstel voor het vrijgeven van het benodigde krediet.
Voorlopige vooruitblik vernieuwingsopgave 3e tranche: periode 2035-2042 NB voor de volgende schoolgebouwen is nog geen prioritering met de schoolbesturen overeenkomen. Het betreft een voorlopige verwachting van de vernieuwingsopgave voor de derde tranche van het IHP Meerjarenperspectief (in willekeurige volgorde weergegeven). School
Wijk
Scenario 1
Scenario 2
Fasering
CBS
Waterwijk
Vervangende nieuwbouw
Clustering
3e tranche
GBS Helmstok
Waterwijk
Vervangende nieuwbouw
Clustering
3e tranche
OBS Finnjol
Kustwijk
Renovatie
Clustering
3e tranche
RKBS
Kustwijk
Renovatie + uitbreiding
Clustering
3e tranche
OBS Brink
Boswijk
n.t.b.
3e tranche
RKBS Boslelie
Boswijk
n.t.b.
3e tranche
Driestromenland
Toermalijn
6
Schoolgebouw
Waterwijk
Zuiderhage –
Nieuwbouw
solitaire
Nieuwbouw
school
scholencluster
Vervangende huisvesting
Toekomstperspectief
Afhankelijk van groei
Fase 2 Vrijeschool
Waterwijk
Lelystad SBO De Kei
Afhankelijk van groei
herzien Boswijk
n.t.b.
3e tranche / afhankelijk van ontwikkeling sbo
Taalschool
Atolwijk
n.t.b.
3e tranche / afhankelijk van behoefte en financieringsmogelijkheden
7