Bijlage 20 EARTH Integrated Archaeology Rapport
Tekst van het document
(Canadian Geotechnical Journal, 27) 151-158 Robertson, P.K., 2009. Interpretation of cone penetration tests – a unified approach. (Canadian Geotechnical Journal 46) 1337 – 1355 Robertson, P.K., 2010. Soil behaviour type from the CPT: an update. 2nd International Symposium on Cone Penetration Testing, CPT’10, Huntington Beach, CA, USA. www.cpt10.com SIKB, 2022. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2. SIKB, Gouda. Schrijvers, R., van den Berg, J.M., 2007. Karterend booronderzoek Lelystad Zuid, gemeente Lelystad; Een inventariserend Veldonderzoek door middel van aqualockboringen. Vestiga Rapport V374.
EARTH Integrated Archaeology
44
GEBRUIKTE TERMEN & AFKORTINGEN •
Bevoegd gezag (BG): Bevoegd gezag verwijst naar de instantie of autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op archeologisch onderzoek en de naleving van archeologische wet- en regelgeving. In Nederland is het bevoegd gezag doorgaans de gemeente, maar afhankelijk van de locatie en de aard van het project kan dit ook een provinciale of landelijke instantie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt bijvoorbeeld archeologische rapporten, verleent vergunningen voor archeologisch onderzoek, en ziet erop toe dat archeologische waarden beschermd worden in het kader van ruimtelijke ordening.
•
Bestemmingsplan: Een bestemmingsplan is een juridisch document dat door een gemeente wordt opgesteld om de wijze waarop grond en gebouwen binnen een bepaald gebied gebruikt mogen worden, te reguleren. Het bestemmingsplan bepaalt hoe grond kan worden ingedeeld voor verschillende doeleinden zoals wonen, werken, recreatie of landbouw. Het plan bevat regels en voorschriften voor de ontwikkeling en het gebruik van de grond, en houdt ook rekening met archeologische waarden en vereisten voor bescherming van archeologisch erfgoed binnen het plangebied. Bij het opstellen of aanpassen van een bestemmingsplan moet vaak rekening worden gehouden met de aanwezige archeologische informatie en de mogelijke impact op archeologische sites.
•
Bureau-onderzoek (BO): Een voorbereidende onderzoeksfase waarbij bestaande informatie en gegevens worden verzameld en geanalyseerd zonder dat er direct veldwerk plaatsvindt. Het doel van een bureau-onderzoek is om een eerste beeld te krijgen van de archeologische waarde en het potentieel van een bepaald gebied, zodat geïnformeerde beslissingen kunnen worden genomen over de noodzaak en de aard van verdere onderzoeken.
•
Deselectie: Deselectie verwijst naar het proces waarbij bepaalde archeologische vondsten, objecten of materialen worden uitgesloten van bewaring of verder onderzoek. Dit kan gebeuren wanneer bepaalde items niet voldoen aan de criteria voor behoud, zoals wetenschappelijk belang of conserveringsstatus. Deselectie is een belangrijk onderdeel van het beheer van archeologische collecties en helpt bij het optimaliseren van de middelen door alleen die items te behouden die van aanzienlijke waarde zijn voor onderzoek, onderwijs of erfgoedbeheer. Deselectie wordt vaak uitgevoerd op basis van een selectiebesluit en kan leiden tot het afvoeren, verkopen of anderszins verwijderen van de items uit de collectie.
•
Gemeentelijke advies- en beleidskaart: Een gemeentelijke advies- en beleidskaart is een kaart die door een gemeente wordt gebruikt om archeologische waarden en belangen in
EARTH Integrated Archaeology
45
een bepaald gebied in kaart te brengen. Deze kaart dient als een beleidsinstrument voor het adviseren over en het bepalen van maatregelen met betrekking tot archeologisch erfgoed bij ruimtelijke en beleidsmatige beslissingen. Het biedt informatie over de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, potentiële archeologische waarden en andere relevante gegevens die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ordening en het beheer van archeologische sites. •
Inventariserend onderzoek: Inventariserend onderzoek is gericht op het vaststellen of er archeologische resten aanwezig zijn in een bepaald gebied. Het onderzoek probeert een eerste beeld te geven van de aard, omvang, datering en conservering van deze resten, vaak om te bepalen of verder onderzoek nodig is. Dit kan gebeuren door middel van proefsleuven, boringen, of andere technieken. Het doel is om basisinformatie te verzamelen die gebruikt kan worden voor beleidsbeslissingen, zoals een selectiebesluit.
•
Inventariserend onderzoek door middel van boringen (IVO-O): Een Inventariserend onderzoek door middel van boringen houdt in dat er booronderzoek wordt uitgevoerd om ondergrondse archeologische lagen of vondsten te lokaliseren en te evalueren. Dit onderzoek kan bestaan uit het maken van verschillende typen boringen (zoals gutsboringen) om bodemlagen en mogelijke archeologische sporen te identificeren zonder dat er grootschalige opgravingen nodig zijn. Boringen worden gebruikt om het archeologische verwachtingsmodel te verfijnen en om de locatie en diepte van archeologische resten te bepalen. Net als bij het IVO-P wordt ook hier een rapport opgeleverd met de resultaten van het onderzoek en een advies over mogelijke vervolgstappen.
•
Inventariserend onderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P): Een Inventariserend onderzoek door middel van proefsleuven is een archeologisch veldonderzoek waarbij smalle sleuven of proefputten worden gegraven om te bepalen of er archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Dit type onderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de aard, omvang, datering, en conservering van archeologische sporen in een specifiek gebied. Het doel is om voldoende informatie te verzamelen om een beleidsbeslissing (zoals een selectiebesluit) te kunnen nemen. Dit onderzoek is gebaseerd op waarnemingen in het veld en resulteert in een rapport dat de bevindingen en adviezen bevat.
•
Karterend onderzoek: Karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van de exacte locatie, verspreiding, en omvang van archeologische vindplaatsen binnen een bepaald gebied. Dit type onderzoek is vaak een vervolg op het inventariserend onderzoek en gaat dieper in op de ruimtelijke indeling van de archeologische resten. Het karterend onderzoek helpt bij het bepalen van de grenzen van een archeologische vindplaats en het
EARTH Integrated Archaeology
46
begrijpen van de context binnen het landschap. Het onderzoek biedt gedetailleerde gegevens die nodig zijn voor plannen rondom behoud, bescherming of verdere opgravingen. •
Maaiveld: Hoogte van oppervlakte uitgedrukt in meters ten opzichte van NAP.
•
- mv: Hoogte (in meter) min maaiveld in NAP.
•
NAP: Normaal Amsterdams Peil.
•
Onderzoeksgebied: Plangebied + directe omgeving, vaak een buffer van 250-500 m rondom het plangebied.
•
Opgraving: Een systematische en gecontroleerde uitgraving van een archeologische vindplaats met als doel het blootleggen, documenteren en analyseren van archeologische resten. Het kan variëren van kleine testgraafwerkzaamheden tot uitgebreide onderzoekscampagnes en wordt uitgevoerd volgens specifieke wetenschappelijke methoden en technieken om de archeologische informatie op een zorgvuldige en gedetailleerde manier te verzamelen.
•
Opgraving – variant archeologische begeleiding: Opgraving - Variant Archeologische Begeleiding verwijst naar een type opgraving waarbij archeologische begeleiding wordt toegepast tijdens andere bouw- of graafwerkzaamheden. In plaats van een volledige opgraving, wordt de archeoloog ingeschakeld om het proces te monitoren en te begeleiden terwijl andere werkzaamheden plaatsvinden. Dit kan inhouden dat de archeoloog aanwezig is tijdens het graafwerk om te zorgen voor een adequate documentatie en behandeling van onverwachte archeologische vondsten die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen.
•
Plan van Aanpak: Een gedetailleerd document waarin wordt uitgewerkt hoe een archeologisch onderzoek of project daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Het Plan van Aanpak is gebaseerd op het eerder opgestelde Programma van Eisen (PvE) en biedt een concreet stappenplan voor de uitvoering van het project.
•
Plangebied: Zone waar daadwerkelijke grondverstorende werkzaamheden zijn gepland.
•
Programma van Eisen (PvE): Een document dat de uitgangspunten, doelstellingen, en eisen beschrijft voor een specifiek archeologisch onderzoek of project. Het PvE vormt de basis voor het onderzoek en specificeert onder andere de te onderzoeken locaties, de methoden die zullen worden toegepast, de verwachtingen ten aanzien van de resultaten, en de randvoorwaarden waaronder het onderzoek moet plaatsvinden.
EARTH Integrated Archaeology
47
•
Selectiebesluit: Een selectiebesluit is een besluit dat wordt genomen om te bepalen welke archeologische vondsten of materialen uit een opgraving bewaard moeten worden en welke kunnen worden afgevoerd of vernietigd. Dit besluit is gebaseerd op criteria zoals wetenschappelijk belang, zeldzaamheid, en de staat van conservering. Het selectiebesluit zorgt ervoor dat waardevolle en relevante archeologische informatie wordt bewaard voor toekomstig onderzoek en erfgoedbeheer, terwijl minder belangrijke of reeds goed gedocumenteerde items kunnen worden vrijgegeven voor andere bestemmingen.
•
Waarderend onderzoek: Waarderend onderzoek richt zich op het vaststellen van de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van de aangetroffen archeologische resten. Hierbij wordt beoordeeld hoe belangrijk de resten zijn, zowel op lokaal als op regionaal of nationaal niveau. Waarderend onderzoek beoordeelt ook de conserveringstoestand en het onderzoekspotentieel van de vondsten. Dit type onderzoek is essentieel voor het nemen van beslissingen over het al dan niet beschermen, behouden of opgraven van archeologische vindplaatsen.
EARTH Integrated Archaeology
48
ARCHEOLOGISCHE PERIODETABEL Periode
Fase
Subfase
Paleolithicum
Tijdvak 300.000 BP - 8800 v.Chr.
Paleolithicum Vroeg
300.000 BP - 35.000 BP
Paleolithicum Midden
35.000 BP - 18.000 BP
Paleolithicum Laat
18.000 BP - 8800 v.Chr. Paleolithicum Laat A
35.000 BP - 18.000 BP
Paleolithicum Laat B
18.000 BP - 8800 v.Chr.
Mesolithicum
8800 v.Chr. - 4900 v.Chr. Vroeg-Mesolithicum
8800 v.Chr. - 7100 v.Chr.
Midden-Mesolithicum
7100 v.Chr. - 6450 v.Chr.
Laat-Mesolithicum
6450 v.Chr. - 4900 v.Chr.
Neolithicum
5300 v.Chr. - 2000 v.Chr. Vroeg-Neolithicum
5300 v.Chr. - 4200 v.Chr. Vroeg-Neolithicum A
5300 v.Chr. - 4900 v.Chr.
Vroeg-Neolithicum B
4900 v.Chr. - 4200 v.Chr.
Midden-Neolithicum
4200 v.Chr. - 2850 v.Chr. Midden-Neolithicum A
4200 v.Chr. - 3400 v.Chr.
Midden-Neolithicum B
3400 v.Chr. - 2850 v.Chr.
Laat-Neolithicum
2850 v.Chr. - 2000 v.Chr. Laat-Neolithicum A
2850 v.Chr. - 2450 v.Chr.
Laat-Neolithicum B
2450 v.Chr. - 2000 v.Chr.
Bronstijd
2000 v.Chr. - 800 v.Chr. Vroege-Bronstijd
2000 v.Chr. - 1800 v.Chr.
Midden-Bronstijd
1800 v.Chr. - 1100 v.Chr. Midden-Bronstijd A
1800 v.Chr. - 1500 v.Chr.
Midden-Bronstijd B
1500 v.Chr. - 1100 v.Chr.
Late-Bronstijd
1100 v.Chr. - 800 v.Chr.
IJzertijd
800 v.Chr. - 12 v.Chr. Vroege-IJzertijd
800 v.Chr. - 500 v.Chr.
Midden-IJzertijd
500 v.Chr. - 250 v.Chr.
Late-IJzertijd
250 v.Chr. - 12 v.Chr.
Romeinse Tijd
12 v.Chr. - 450 n.Chr. Vroeg-Romeinse Tijd
12 v.Chr. - 70 n.Chr. Vroeg-Romeinse Tijd A
12 v.Chr. - 25 n.Chr.
Vroeg-Romeinse Tijd B
25 n.Chr. - 70 n.Chr.
Midden-Romeinse Tijd
70 n.Chr. - 270 n.Chr. Midden-Romeinse Tijd A
70 n.Chr. - 150 n.Chr.
Midden-Romeinse Tijd B
150 n.Chr. - 270 n.Chr.
Laat-Romeinse Tijd
270 n.Chr. - 450 n.Chr. Laat-Romeinse Tijd A
270 n.Chr. - 350 n.Chr.
Laat-Romeinse Tijd B
350 n.Chr. - 450 n.Chr.
Middeleeuwen
450 n.Chr. - 1500 n.Chr. Vroege-Middeleeuwen
450 n.Chr. - 1050 n.Chr. Vroege-Middeleeuwen A
450 n.Chr. - 525 n.Chr.
Vroege-Middeleeuwen B
525 n.Chr. - 725 n.Chr.
Vroege-Middeleeuwen C
725 n.Chr. - 900 n.Chr.
Vroege-Middeleeuwen D
900 n.Chr. - 1050 n.Chr.
Late-Middeleeuwen
Nieuwe Tijd
1050 n.Chr. - 1500 n.Chr. Late-Middeleeuwen A
1050 n.Chr. - 1250 n.Chr.
Late-Middeleeuwen B
1250 n.Chr. - 1500 n.Chr. 1500 n.Chr. - heden
Vroeg-Nieuwe Tijd
1500 n.Chr. - 1650 n.Chr.
Midden-Nieuwe Tijd
1650 n.Chr. - 1850 n.Chr.
Late-Nieuwe Tijd
1850 n.Chr. - heden
EARTH Integrated Archaeology
49
BIJLAGE 1: BOORSTATEN VERKENNEND BOORONDERZOEK Algemene beschrijvingsmethode Soort boring Kaartblad Projectnummer Projectnaam Organisatie Zaak ID Archis Coördinatensysteem Locatiebepaling Referentievlak Bepaling maaiveldhoogte Uitvoerder Opdrachtgever Vertrouwelijkheid Organisator beschrijver lithologie Bodemgebruik
ASB BAR 20W, 20O, 26W, 26O 2024-095 Archeologisch onderzoek Zuiderhage, Lelystad EARTH Integrated Archaeology BV 5777920001 RD2000 LDGZ NAP MDGP EARTH Integrated Archaeology BV ABO geomet Openbaar EARTH Integrated Archaeology BV Akker
EARTH Integrated Archaeology
50
BIJLAGE 2: KAART VERDELING BORINGEN ONTBREKEND EN DUN DEKZAND
EARTH Integrated Archaeology
51
BIJLAGE 3: ONDERZOEKSPROCES, REPRESENTATVIE STEEKPROEF Het vooronderzoek met behulp van grondboringen is opgedeeld in fasen. In de eerste fase wordt kwalitatieve bodemkundige informatie verzameld van het gehele gebied in een relatief wijdmazig boorgrid (doorgaans 40 meter afstand). Deze informatie maakt duidelijk waar in het plangebied lagen aanwezig zijn die archeologische resten kunnen bevatten, en of deze lagen nog zodanig intact zijn dat daarin behoudenswaardige vindplaatsen verwacht mogen worden. Ook is na deze eerste fase duidelijk waar zich in de ondergrond de verschillende zones bevinden van het vroegere en nu begraven landschap. Dergelijke zones zijn bijvoorbeeld de hoge zandkoppen en –ruggen, met uitgesproken hoogteverschillen, vaak droog en begroeid met linden- of eikenbossen. En de lagere zandvlakten, vaak uitgestrekt, met minder uitgesproken reliëfverschillen, vochtig, doorsneden door beekjes en begroeid met elzenbroekbossen. Uit onderzoek is bekend dat de vroegere bewoners alle aanwezige landschappelijke zones hebben gebruikt, waarschijnlijk voor verschillende doeleinden en mogelijk in verschillende jaargetijden. In de tweede fase van het onderzoek is het doel om behoudenswaardige vindplaatsen op te sporen, een wetenschappelijk zo goed mogelijk te onderbouwen minimum uit elk van de onderscheiden landschappelijke zones.
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het in geval van grote ruimtelijke ontwikkelingen niet nodig is om iedere landschappelijke zone compleet af te zoeken. Volledigheid zou bovendien tot aanzienlijk hogere financiële lasten leiden dan vanuit archeologische optiek nodig en nuttig is. Het blijkt voldoende om minstens 45% van een landschappelijke zone af te zoeken, dat levert in ca. 85% van de gevallen een statistisch gezien betrouwbare steekproef van waarden op. In onderstaande kaartjes is deze manier van kiezen verbeeld.
Het linker kaartje verbeeldt een plangebied van 25 ha waarop met verschillende kleuren de diepteligging is aangegeven van het begraven dekzand. Hoe roder hoe hoger, hoe blauwer hoe
EARTH Integrated Archaeology
52
dieper/lager. Op het middelste kaartje is met de rode lijn de grens aangegeven tussen twee landschappelijke zones, nl. de hoge en de lage zone. De hoge zone telt 13 vakken van 1 hectare, en de lage zone 12 vakken van 1 hectare. Van elk van deze zones wordt een steekproef genomen van tenminste 45%. Dus van de hoge en lage zones elk, worden tenminste 6 vakken in de tweede fase onderzocht op de aanwezigheid van archeologische resten. Er wordt nu gezocht met boorafstanden van 20 meter. Maar welke vakken worden gekozen voor dat onderzoek? Dat wordt bepaald door alle vakken te nummeren, en daaruit worden willekeurig per zone (dus in dit geval 6) nummers getrokken van de vakken die onderzocht gaan worden. In de niet-getrokken vakken wordt dan ook in de tweede fase van het booronderzoek geen verder onderzoek uitgevoerd.
EARTH Integrated Archaeology
53
EARTH Integrated Archaeology