bijlage 2.TOELICHTING-REGELS BP Flevokust binnendijk -datacenter P02069_4_BP Datacenter Lelystad (NIEUW)
Tekst van het document
5.1 Bestemming Bedrijf - Dataopslag De hoofdfunctie van het bestemmingsplan is gericht op de realisatie van een datacenter (dataopslag). Dit is mogelijk gemaakt in de bestemming "Bedrijf - Dataopslag". Zoals aangegeven wordt aangesloten bij de opzet en systematiek van het huidige bestemmingsplan. 5.1.1 Doel van de bestemming De bestemming heeft tot doel een datacenter voor de opslag van data mogelijk te maken. Daarbij horende voorzieningen worden ook mogelijk gemaakt. 5.1.2 Toelichting op de bestemming Functionele mogelijkheden Bedrijventerrein Binnen de bestemming zijn andere bij het bedrijf horende functies toegestaan. Daarbij gaat het om wegen, spoorwegen voor de interne ontsluiting, straten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water, tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bouw- en reclameborden en nutsvoorzieningen. Deze functies zijn toegestaan om een goede bedrijfsvoering voor de nieuw te vestigen bedrijven te kunnen garanderen. In de regels zijn de parkeernormen gekoppeld aan de te realiseren bedrijfsoppervlakten, zodat voldoende parkeren op eigen erf gerealiseerd wordt. De functies bedrijfswoning, verkooppunt van motorbrandstoffen (verkoop aan particulieren) en detailhandel zijn binnen de bestemming volledig uitgesloten.
Kantoren zijn alleen toegestaan wanneer de bedrijfsoppervlakte niet meer is dan 30% van de totale bedrijfsoppervlakte per bedrijf, tot een maximum van 1.500 m2. Deze beperkingen hebben te maken met de vereisten vanuit de wetgeving rond externe veiligheid en het vastgestelde gemeentelijke beleid. Ruimtelijke en/of bouwmogelijkheden De regels maken de bouw van gebouwen mogelijk voor de uitoefening van de mogelijk gemaakte bedrijven. Daarbij moet rekening worden gehouden met de maximale afmetingen die in de regeling Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
45
zijn opgenomen. Deze zijn afgestemd op de stedenbouwkundige eisen voor Flevokust. De verbeelding kent een bouwvlak, dat voor maximaal 75% mag worden bebouwd. Hierdoor is de plaatsing van de bebouwing op het bedrijventerrein relatief vrij, mits wordt voldaan aan de regels met betrekking tot de aan te houden afstand(en) tot de weg en perceelsgrenzen, en mits voldaan wordt aan de parkeernormen. Dit past binnen de globale en flexibele systematiek van de gemeente Lelystad. Naast gebouwen zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan binnen de bestemming. Het gaat om erf- en terreinafscheidingen, palen en masten, damwanden en daarmee vergelijkbare constructies. In de regels zijn voor deze bouwwerken maximale bouwhoogten opgenomen. Deze bouwhoogten zijn gerelateerd aan de (on)mogelijkheden vanuit het Besluit omgevingsrecht en de gewenste hoogten voor de beste functionaliteit van het bouwwerk. Algemeen geldt dat alle bouwwerken alleen gebouwd mogen worden wanneer voldaan wordt aan de parkeernormen die zijn opgenomen bij de regels. Het parkeren moet op het bedrijfsperceel plaatsvinden. Hiermee wordt parkeeroverlast op de doorgaande routes van het toekomstige Flevokust voorkomen.
5.2 Uitgangspunten bestemming In deze paragraaf staan de uitgangspunten voor de juridische regeling van de bestemming, zoals deze is opgenomen in de ruimtelijke verbeelding en de planregels. Algemeen De bestemmingsplansystematiek 'globaal en flexibel' is het uitgangspunt voor de systematiek van deze bestemming. Deze is bovendien afgestemd op de voor de gemeente gebruikelijke plansystematiek. Gewenste situatie Een datacenter voor de opslag van data. Ook zijn de bij het bedrijf horende wegen-, groen- en waterstructuur mogelijk gemaakt, waarbij de hoofdwatergang direct naast de hoofdontsluitingsweg ligt (buiten het plangebied). Omgevingsaspecten Water wordt in de bestemming mogelijk gemaakt om de watercompensatie en -afvoer te kunnen realiseren. Ondergronds bouwen, dieper dan 1,50 meter onder maaiveld, is niet toegestaan in verband met aardkundige waarden. Dieper bouwen is alleen toegestaan, nadat op basis van onderzoek aangetoond is dat de aardkundige waarden niet onevenredig geschaad worden. Algemene aanduidingsregels De algemene aanduidingsregels geven regels over specifiek aangeduide gebieden in het plangebied. Bij deze laatste hoort de aanduiding vrijwaringszone - dijk. De regels hierbij zorgen ervoor dat het aangeduide gebied rond de primaire waterkering vrij blijft voor een mogelijke dijkverbreding en/of verzwaring.
Hiervoor zijn in het beleid van het waterschap beschermingszones opgenomen.
Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
46
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.
Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
47
voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure. Communicatie met Klankbordgroep Flevokust Op 2 juni 2020 vindt er een bijeenkomst plaats waarbij initiatiefnemer, gemeente en de Klankbordgroep Flevokust aanwezig zijn. Deze klankbordgroep bestaat uit een groep van belanghebbenden zoals bewoners in de buurt van Flevokust (voornamelijk aan de andere zijde van de A6). Tijdens dit overleg zal het plan gepresenteerd worden. Indien hier vragen komen zullen deze door initiatiefnemer en gemeente beantwoord worden, en bij wensen vanuit de klankgroep zal bekeken worden of deze inpasbaar zijn. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Het voorontwerpbestemmingsplan is aan de wettelijk verplichte overheden en belanghebbenden voorgelegd in het kader van het vooroverleg. Het vooroverleg is opgenomen in artikel 3.1.1. van de Wet ruimtelijke ordening. Het vooroverleg met de overleginstanties liep van 10 maart 2020 t/m 20 april met de volgende instanties: Rijkswaterstaat Provincie Flevoland Dijkgraaf en Heemraden van het Waterschap Zuiderzeeland Veiligheidsregio Liander Tennet De inhoud van de inspraak en het overleg en de gemeentelijke reactie daarop zijn opgenomen in een speciale antwoordnota. Deze is opgenomen in de bijlagen. In de antwoordnota is ook aangegeven op welke aspecten het bestemmingsplan aangepast is. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken.
Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
48
In 2008 heeft de gemeenteraad de ‘Inspraakverordening 2008’ vastgesteld. De algemene regel is dat bij bestemmingsplannen een voorontwerp wordt gemaakt en dat daarbij een inspraakprocedure wordt doorlopen. De inspraakprocedure houdt in dat het voorontwerp wordt gepubliceerd, waarna burgers en bedrijven inspraakreacties kunnen geven. Op basis van de inspraakreacties kan het ontwerpbestemmingsplan worden opgesteld. De inspraakverordening kent een mogelijkheid om de inspraakfase over te slaan. Dit geldt; “Ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen”. In het bestemmingsplan “Lelystad Flevokust – binnendijks” is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Binnen de functie ‘bedrijventerrein zijn enkel havengebonden bedrijven toegestaan. Voor de beoogde ontwikkeling van een datacenter kan daarom geen gebruik gemaakt worden van de wijzigingsbevoegdheid in het vigerende bestemmingsplan. Aangezien binnen het projectgebied bedrijven zijn toegestaan en er slechts op ondergeschikte punten sprake is van een herziening - en er ook nauwelijks sprake is van direct omwonenden -, wordt voorgesteld voor deze herziening geen voorontwerp op te stellen en geen inspraakprocedure te doorlopen. Burgers en bedrijven kunnen een zienswijze geven als het ontwerpbestemmingsplan ter inzage ligt.
6.2.3 Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan ‘Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks – Datacenter’ met de bijbehorende stukken heeft met ingang van 3 december 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerp naar voren te brengen bij de gemeenteraad. Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn twee zienswijzen naar voren gebracht, te weten door TenneT en door Natuur- en Milieu Federatie Flevoland. Van de provincie is een (ambtelijke) reactie ontvangen dat zij geen aanleiding ziet om een zienswijze in te dienen. De zienswijze van TenneT bleek abusievelijk te zijn ingediend en is na overleg door TenneT ingetrokken en hoeft dus niet verder te worden behandeld. De zienswijze van Natuur- en Milieu Federatie Flevoland is gedagtekend buiten de daarvoor bestemde termijn en (logischerwijs) ook buiten de termijn ter post bezorgd, zoals ook duidelijk blijkt uit de poststempel op de enveloppe, zodat deze te laat is ingediend en inhoudelijk niet zal worden meegenomen. Hoewel er eigenlijk geen reactienota hoeft te worden geschreven, is dit voor de volledigheid toch gedaan en is deze als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.
Volledigheidshalve dient nog te worden opgemerkt dat er geen aanleiding is geweest om (ambtshalve) wijzigingen in het vast te stellen bestemmingsplan aan te brengen ten opzichte van het ontwerp, zodat het bestemmingsplan ongewijzigd kan worden vastgesteld. Bij de besluitvorming in de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan zal tevens over de (overgebleven) ingediende zienswijze worden besloten. De indiener daarvan ontvangt bericht over het vervolg van de procedure en wat er met de zienswijze is gedaan.
Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
49
Overigens is wel ambtelijk aan initiatiefnemer voorgelegd om – zij het informeel, dus buiten de bestemmingsplanprocedure om – t.z.t. een gesprek te arrangeren met Natuur- en Milieu Federatie Flevoland om het plan desgewenst nader toe te lichten en eventuele vragen te beantwoorden. Door initiatiefnemer is toegezegd een gesprek te willen aangaan met indiener in samenspraak met de gemeente. 6.2.4 Vaststelling bestemmingsplan De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Als onderdeel van deze procedure zal na vaststelling het vaststellingsbesluit op de wettelijk voorgeschreven wijze worden bekendgemaakt en met de bijbehorende stukken gedurende een termijn van 6 weken ter inzage worden gelegd, met de mogelijkheid voor belanghebbenden om (mits zij tegen het ontwerp tevens een ontvankelijke zienswijze naar voren hebben gebracht) hiertegen beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Het vaststellingsbesluit - en daarmee het bestemmingsplan - treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn, tenzij er een voorlopige voorziening is gevraagd en op dit verzoek nog niet is beslist door de Voorzitter van de ABRvS. Omdat zoals aangegeven in paragraaf 6.2.3 geen sprake (meer) is van ontvankelijke zienswijzen, is (succesvol) beroep i.c. niet meer mogelijk.
Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
50
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek Bijlage 2: Kwantitatieve risicoanalyse externe veiligheid Bijlage 3: Luchtkwaliteitsonderzoek Bijlage 4: Notitie bedrijven en milieuzonering Bijlage 5: Notitie verkeer en parkeren Bijlage 6: Notitie water Bijlage 7: Quickscan beschermde soorten Bijlage 8: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 9: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 10: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 11: Archeologisch vooronderzoek en verkennend booronderzoek Bijlage 12: Nota vooroverleg Bijlage 13: Nota zienswijzen
Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
51
Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter
blz. 2
Inhoudsopgave Regels Hoofdstuk 1
3 Inleidende regels
Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Hoofdstuk 3
Bedrijf - Dataopslag
Algemene regels
Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Hoofdstuk 4
Begrippen Wijze van meten
Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
Overgangs- en slotregels
Artikel 9 Artikel 10
Overgangsrecht Slotregel
5 5 7 9 9 13 13 14 15 16 17 19 19 20
(vastgesteld)
Regels
Bestemmingsplan "Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter" (vastgesteld) NL.IMRO.0995.BP00083-VG01
52
blz. 4
(vastgesteld)
blz. 5
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 Plan Het bestemmingsplan Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks datacenter met identificatienummer NL.IMRO.0995.BP00083-VG01 van de gemeente Lelystad. 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6 Bedrijfsgebouw Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf of bedrijfsactiviteit. 1.7 Bedrijfsvloeroppervlak De totale (bruto) vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten c.q. een (dienstverlenend of detailhandels-) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke. 1.8 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.9 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.10 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
1.11 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.12 Bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel. 1.13 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
(vastgesteld)
blz. 6
1.14 Datacenter Een bedrijf hoofdzakelijk gericht op het digitaal opslaan en verwerken van (digitale) informatie en informatietechnologie op servers, met de daarbij behorende noodzakelijke installaties en apparatuur zoals koelsystemen, elektriciteit- en energievoorzieningen, onderhoudsruimtes, kantoorruimten en/of veiligheidssystemen. 1.15 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.16 Ondergronds Beneden peil 1.17 Peil a. indien op het land wordt gebouwd: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; b. indien in, op of over het water wordt gebouwd: het gemiddelde streefpeil ter plaatse van het bouwwerk. 1.18 Seksinrichting Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.19 Spoorweg Rails voor de ontsluiting van en transport binnen het industrieterrein en de aantakking op het landelijke spoornet.
(vastgesteld)
blz. 7
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Afstand tot de perceelsgrens vanaf enig punt van een (hoofd)gebouw tot de (naar de weg gekeerde, de zijdelingse en/of achter)perceelgrens; 2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, luchtkokers, antennes, liftkokers, technische installaties en lichtkappen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, mits deze plaatselijke verhogingen niet leiden tot een bouwhoogte die hoger is dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende bouwwerk; 2.3 De dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4 De goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.5 De inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 De oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
(vastgesteld)
blz. 8
(vastgesteld)
blz. 9
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels Bedrijf - Dataopslag
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf - Dataopslag' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. diensten op het gebied van data-opslag, waaronder begrepen datacentra; met de daarbijbehorende: b. (spoor)wegen, straten en paden; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. waterlopen en waterpartijen; f. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; g. tuinen, erven en terreinen; h. bedrijfsgebouwen; i. tanks en silo's; j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bouw- en reclameborden; k. nutsvoorzieningen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken geldt de volgende regel: de bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd indien in ieder geval wordt voldaan wordt aan de volgende parkeernormen: type bedrijvigheid arbeidsextensieve bedrijvigheid *)
minimale parkeernorm per 100 m² brutovloeroppervlakte 0,8 pp er 100 m² brutovloeroppervlakte
*) loods, opslag, groothandel, transportbedrijf e.d. 3.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan tot een diepte van ten hoogste 1,50 m; b. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven hoogte bedragen; c. het bebouwingspercentage van een bouwperceel zal ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangegeven percentage bedragen; d. de afstand van een bedrijfsgebouw tot de naar de weg gekeerde perceelgrens bedraagt ten minste 15,00 m; e. de afstand van een bedrijfsgebouw tot aan de zijdelingse en achterperceelgrens bedraagt ten minste 3,00 m.
(vastgesteld)
blz. 10
3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f.
er mogen geen windturbines worden gebouwd; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 m; de bouwhoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6,00 m; de bouwhoogte van een reclamemast bedraagt ten hoogste 20,00 m; de bouwhoogte van kranen bedraagt ten hoogste 45,00 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 25,00 m. 3.3 Afwijken van de bouwregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 4.2.2 onder a in die zin dat ondergronds mag worden gebouwd tot een grotere diepte, mits op basis van onderzoek wordt aangetoond dat de aardkundige waarden niet worden geschaad; b. het bepaalde in lid 4.2.2 onder b in die zin dat de bouwhoogte wordt vergroot tot ten hoogste 40,00 m; c. het bepaalde in lid 4.2.2 onder d in die zin dat de afstand van gebouwen tot de naar de weg gekeerde perceelgrens wordt verkleind tot ten minste 6,00 m; d. het bepaalde in lid 4.2.2 onder e in die zin dat de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterperceelgrens wordt verkleind; e. het bepaalde in lid 4.2.3 onder b in die zin dat de afstand van tanks tot de naar de weg gekeerde perceelgrens wordt verkleind tot ten minste 6,00 m; f.
het bepaalde in lid 4.2.3 onder c in die zin dat de afstand van tanks tot de zijdelingse en achterperceelgrens wordt verkleind; g. het bepaalde in lid 4.2.4 sub e in die zin dat de bouwhoogte van kranen wordt vergroot tot ten hoogste 55,00 m; h. het bepaalde in lid 4.2.4 onder f in die zin dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 30,00 m. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan bedrijven die zijn genoemd in lid 3.1: b. bedrijven waarvan de richtafstand voor geur en/of voor het desbetreffende bedrijf groter is dan 400 m, tenzij aangetoond kan worden dat de daadwerkelijke geur of stof hinderafstand kleiner is dan de afstand tot de meest nabij gelegen milieugevoelige functie; c. explosiegevaarlijke bedrijven voor zover deze op een afstand liggen van minder dan 100 m vanaf de teen van de dijk; d. het gebruik van gronden en bouwwerken zodanig dat de risicocontour 10-6 (plaatsgebonden risico) van het bedrijf buiten het bouwperceel van het betreffende bedrijf valt; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen; f. het gebruik van de gebouwen als (bedrijfs)woning; g.
het gebruik van de gebouwen voor kantoor (niet zelfstandig) over een bedrijfsvloeroppervlakte van meer dan 30% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte per
(vastgesteld)
blz. 11
bedrijf; h. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, waaronder een verkooppunt van motorbrandstoffen, zoals bedoeld in bijlage 1 onder SBI-code 473 (2008); i. het gebruik van de gronden voor de opslag van containers en andere goederen zodanig dat: j. er meer dan 5 lagen containers worden gestapeld; k. de opslag plaatsvindt binnen 15,00 m tot de naar de weg gekeerde perceelgrens; l. de opslag plaatsvindt binnen 3,00 m tot de zijdelingse en achterperceelgrens. 3.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Bedrijf - Dataopslag' wordt gewijzigd in de bestemming 'Bedrijventerrein', mits: a. de gemeentelijke beleidsuitgangspunten met betrekking tot zonering van bedrijven, zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels in acht worden genomen; b. de stedenbouwkundige randvoorwaarden, zoals die zijn opgenomen in Bijlage 2 van de regels, in acht worden genomen; c. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden dienen de regels zoals bedoeld in Bijlage 3, voor zover relevant, te worden opgenomen in het wijzigingsplan.
(vastgesteld)
blz. 12
(vastgesteld)
blz. 13
Hoofdstuk 3 Artikel 4
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
(vastgesteld)
blz. 14
Artikel 5
Algemene gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met de bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend: a. het storten van puin en afvalstoffen; b. het stellen en opslaan van (aan het oorspronkelijke gebruik onttrokken) vaar-, voer- of vliegtuigen; c. het gebruik van gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten, werken en werkzaamheden; d. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; f. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van waterberging oppervlaktewater indien de gezamenlijke oppervlakte minder dan 2,0 hectare bedraagt.
(vastgesteld)
blz. 15
Artikel 6
Algemene aanduidingsregels
6.1 Vrijwaringszone - dijk De als 'Vrijwaringszone - dijk' aangeduide gronden zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor: a. een strook ten behoeve van de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering; met de daarbijbehorende: b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. andere werken. 6.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. in afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen mogen op of in deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze gebiedsaanduiding; b. ten behoeve van deze gebiedsaanduiding mogen geen gebouwen worden gebouwd; c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van deze gebiedsaanduiding, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer te water, bedraagt ten hoogste 3,00 m. 6.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.2 in die zin dat de in de voorkomende bestemming(en) genoemde bouwwerken worden gebouwd, mits vooraf positief advies is ontvangen van de beheerder van de waterkering. 6.4 Wijzigingsbevoegdheid Het plan kan worden gewijzigd in die zin dat de grens van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' wordt verlegd of aangepast, mits: a.
dit noodzakelijk is vanwege het aanpassen van het dijklichaam in verband met de aanleg van het binnen- of buitendijkse bedrijventerrein; b. vooraf positief advies is ontvangen van de beheerder van de waterkering.
(vastgesteld)
blz. 16
Artikel 7
Algemene afwijkingsregels
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. de bij recht in de bestemmingsregels gegeven maten en afmetingen, tot ten hoogste 10% van die maten en afmetingen; b. de bestemmingsregels in die zin dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. de bestemmingsregels in die zin dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; d. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in die zin dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10,00 m; e. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in die zin dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvangst- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot ten hoogste 30,00 m.
(vastgesteld)
blz. 17
Artikel 8
Overige regels
8.1 Voldoende parkeergelegenheid a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. b. Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
(vastgesteld)
blz. 18
(vastgesteld)
blz. 19
Hoofdstuk 4 Artikel 9
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
9.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 9.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
(vastgesteld)
blz. 20
Artikel 10
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter'.
(vastgesteld)
Eerste partiële herziening Lelystad Flevokust binnendijks - datacenter
blz. 2
Inhoudsopgave
Bijlage 1
Zonering van bedrijven en bedrijvenlijst
3
Bijlage 2
Stedenbouwkundige randvoorwaarden
7
Bijlage 3
Artikel bedrijventerrein
11
Bijlagen bij regels
(vastgesteld)
blz. 3
Bijlage 1
(vastgesteld)
Zonering van bedrijven en bedrijvenlijst
Zonering van bedrijven en bedrijvenlijst Om tot een zonering van bedrijfscategorieën en bedrijvenlijsten te komen, wordt naast beleidsuitgangspunten, doorgaans gebruik gemaakt van onderzoek naar de milieuaspecten en de handreiking Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Door toepassing hiervan wordt maatwerk verkregen in de ruimtelijke ordeningspraktijk. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan worden bereikt door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). In de handreiking zijn voor de verschillende bedrijfsactiviteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar richtafstanden gegeven. Voor Flevokust-Havenontwikkeling wordt uitgegaan van de richtafstanden die gelden voor een rustige woonwijk en een rustig buitengebied. Een richtafstand heeft betrekking op de afstand van een bedrijfsactiviteit tot een gevoelig object, zoals een (agrarische bedrijfs)woning. Vervolgens zijn de bedrijfsactiviteiten op basis daarvan ingedeeld naar milieucategorieën. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de beleidsuitgangspunten en de verschillende milieuaspecten. Beleidsuitgangspunten Gelet op het locatiebeleid van de gemeente (Structuurvisie locatiebeleid Lelystad 2013-2025, januari 2014) gaat het om een industrieel haventerrein in de milieucategorieën 3 -5.
Dit is gebruikt als basis voor de regeling van de toegestane bedrijfsactiviteiten. In de regels van het inpassingsplan is bepaald dat het om havenactiviteiten, laad-, los- en overslagbedrijven ten behoeve van de binnenvaart, alsmede inname van brandstoffen door schepen moet gaan. Daarbij is een bedrijfsactiviteitenlijst bij de regels gevoegd die uitgaat van de milieucategorieën 3.1 tot en met 5.3. Vervolgens zijn hier nog nadere selecties op toegepast of zijn extra regels van toepassing verklaard. Dit heeft te maken met het locatiebeleid en de richtafstanden die bij de bedrijfsactiviteiten horen. Op grond van de voornoemde Structuurvisie locatiebeleid Lelystad 2013-2025 van de gemeente moet een aantal activiteiten worden uitgesloten: “Het betreft hier onder andere: detailhandel, hoogovens, olieraffinaderijen, kerncentrales, (en in het verlengde daarvan ook de activiteiten die te maken hebben met de voorverwerking, aanvoer van grondstoffen van dergelijke activiteiten). Verder is op grond van het locatiebeleid het vervoer van levende dieren uitgesloten. In het verlengde hiervan zijn bedrijfsactiviteiten uitgesloten die te maken hebben met de bewerking van vlees van (levende) dieren.” Hoogovens, olieraffinaderijen en kerncentrales behoren tot een milieucategorie hoger dan 5 en zijn dus met de basisregeling al niet toegestaan.
Detailhandel is in de regels van het inpassingsplan uitgesloten. Bedrijfsactiviteiten die te maken hebben met de bewerking en het transport van (levende) dieren zijn uit de bedrijfsactiviteitenlijst behorende bij het inpassingsplan gehaald. Hiermee is tevens invulling gegeven aan de zone van 3 km rondom het IDDLO waarbinnen geen evenhoevigen mogen worden gehouden. De verschillende milieu-aspecten: geluid, gevaar, geur en stof Geluid Voor geluid moet rekening worden gehouden met een bestaande geluidcontour rondom de Maximacentrale. Deze geluidcontour reikt tot over Flevokust (haven en binnendijks industrieterrein) en het agrarische gebied dat ten oosten van de A6 is gelegen. Voor de Maximacentrale en Flevokust (haven en binnendijks industrieterrein) tezamen moet een nieuwe geluidzone worden vastgesteld. Bij de vestiging van bedrijven wordt getoetst of het geluidniveau vanwege het industrieterrein buiten de geluidcontour niet boven de 50 dB(A) komt. In het MER is een nieuwe geluidzone bepaald. Bij de berekening is van het volgende uitgegaan: Flevokust wordt geheel bezet met bedrijven uit milieucategorie 5.3 met een geluidemissie van 65 dB(A)/m2. Voor het binnendijks gelegen industrieterrein wordt alleen in de nachtperiode
1
uitgegaan van een emissie van 60,5 dB(A)/m2.. Voor het bedrijf aan de Karperweg 8 wordt alleen in de nachtperiode uitgegaan van 60 dB(A)/m2 ; De bestaande milieuvergunning voor de Maximacentrale. Er is rekening gehouden met extra (geluids)ruimte voor de Maximacentrale en het onderstation (+3 dB(A)), boven de huidige vergunning voor de Centrale. Gelet op de geluidcontour waren en zijn ook nu hogere grenswaarden nodig. Om de hogere grenswaarden vast te stellen is een apart besluit nodig. Gelet op artikel artikel 110a Wet geluidhinder is de gemeente hiervoor het bevoegde gezag. Daarnaast is het gewenst dat er door het bevoegde gezag een zonebeheerplan wordt opgesteld. Uitgangspunten voor het zonebeheerplan zijn de ontwikkelruimte voor de Maximacentrale en de hiervoor genoemde geluidemissies voor Flevokust. Op dit moment geldt voor een aantal (agrarische bedrijfs)woningen hogere grenswaarden tussen de 50 en 55 dB(A) (besluit uit 1992).
Gelet op het geluidonderzoek dat is verricht zijn voor zowel de Maximacentrale als Flevokust de volgende hogere grenswaarden nodig: - Visvijverweg 49: 54 dB(A) - Visvijverweg 52: 53 dB(A) - Visvijverweg 57: 55 dB(A) - Visvijverweg 58: 58 dB(A) - Visvijverweg 64: 55 dB(A) - Plavuizenweg 1: 52 dB(A) Voor de locaties Visvijverweg 49, Visvijverweg 52 en Plavuizenweg 1 geldt dat de geluidbelasting onder de reeds voor deze locaties geldende hogere grenswaarde vanwege indrustrielawaai liggen. Voor deze woningen wordt bij de ontwikkeling van Flevokust dus nog voldaan aan de reeds vastgestelde hogere grenswaarde. Bij hogere grenswaarden moet ervoor gezorgd worden dat de binnenwaarde maximaal 35 dB(A) bedraagt. Gelet op het economisch belang van de ontwikkeling van Flevokust wordt een hogere grenswaarde voor deze objecten aanvaardbaar geacht. De geluidcontour en de terreinen waarvoor deze contour geldt, wordt in de regels en de verbeelding van het inpassingsplan voor de geluidzone verankerd. In de toelichting wordt vermeld welke hogere grenswaarden daarbij horen. Gevaar Voor de op- en overslaghaven (inclusief terminal) geldt dat de plaatsgebonden risicocontour niet mag komen voorbij de binnendijks gelegen watergang die van belang is voor de Kaderrichtlijn (Forellentocht). Deze komt dus niet op het binnendijks gelegen industrieterrein.
Hiermee heeft de terminal geen beperkende werking voor de bedrijvigheid op het industrieterrein. Deze uitgangspunten voor de lokatiegebonden risicocontour, zijn in de regels van het inpassingsplan verankerd. Stof In het MER is onderzocht of – uitgaande van vestiging van bedrijven in de milieucategorie 5.3 – voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen. De ontwikkeling van Flevokust leidt weliswaar lokaal tot een verhoging van de concentraties NOx en fijn stof. Maar deze overschrijden de wettelijke normen niet. Voor een biologisch landbouwgebied bestaan geen aparte of toegesneden wettelijke normen. Een onderzoek uit 2013 naar de mogelijke invloed van luchtkwaliteit van de A10 op een daarnaast gelegen daktuin wijst erop dat de gewassen geen schade ondervinden en dat als de groenten normaal worden gewassen, er geen problemen zijn met de normeringen. Er bestaat hiernaar (nog?) geen uitgebreid onderzoek. Gelet daarop wordt voor stof uitgegaan van de richtafstanden in de VNG-publicatie. De afstand tot de dichtst bijzijnde (bedrijfs)woning is meer dan 800 meter. Slechts enkele bedrijfsactiviteiten binnen de milieucatogorieën 3.1 tot en met 5.3, hebben een richtafstand voor stof die daarbij in de buurt komt, namelijk 700 meter. Daarom is in de regels van het inpassingsplan geen nadere regeling voor stof opgenomen. 2
Eventueel kan worden overwogen om uitwaaiing van stof zoveel mogelijk te voorkomen door maatregelen te nemen. Deze moeten dan in het kader van de vergunningverlening voor de desbetreffende bedrijven worden meegenomen. Geur De provincie heeft een beleidsregel voor de beoordeling van geurhinder 2008. Voor de toepassing van de beleidsregel wordt onderscheid gemaakt in een viertal situaties. Voor Flevokust gaat het om de situatie van een ‘nieuw bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een geurveroorzakende functie’. Bij ontwikkeling van potentiële geurhinderbronnen gaat de provincie uit van de geadviseerde milieuzonering voor geur in de meest recente versie van de VNG-publicatie ”Bedrijven en Milieuzonering”. Mits gemotiveerd kan er in bepaalde gevallen van deze richtafstanden worden afgeweken. Zonodig en indien mogelijk moet rekening worden gehouden met cumulatie. De indicatieve afstanden gelden voor een gemiddeld bedrijf. Voor bovengemiddeld grote bedrijven, bedrijven met een bovengemiddelde emissie en voor branches waarvoor geen geurhinderonderzoek beschikbaar is, zijn de vermelde afstandsindicaties niet altijd toereikend. Omdat bij het planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein de concrete invulling met bedrijven meestal nog niet bekend is, kan in het ruimtelijk spoor in principe niet op dergelijke bijzonderheden worden geanticipeerd.
De aanvaardbaarheid van de geur zal dan in het kader van de milieuvergunning moeten worden beoordeeld. Gelet daarop wordt voor geur uitgegaan van de richtafstanden in de VNG-publicatie. De afstand tot de dichtst bijzijnde (bedrijfs)woning is meer dan 800 meter. Enkele bedrijfsactiviteiten binnen de milieucatogorieen 3.1 tot en met 5.3, hebben een richtafstand voor geur die meer dan 800 meter bedraagt (het betreft de volgende bedrijfsactiviteiten: SBI-2008:SBIcode 1081 suikerfabriek met meer dan 2.500 t/j; code 20141, Organische chemische grondstoffenfabrieken vallend onder “post-Seveso-richtlijn”). Daarom wordt voor geur uitgegaan van inwaartse zonering, welke is gebaseerd op de richtafstanden voor geur in de VNG-publicatie. Dat houdt in dat bij vestiging van een bedrijf voor de beoordeling van het geuraspect in principe wordt uitgegaan van een afstand tot de dichtst bij zijnde (agrarische bedrijfs)woning die overeenkomt met de richtafstand die bij de desbetreffend bedrijfsactiviteiten hoort. De werkelijke geuruitstoot van bedrijven is sterk afhankelijk van de specifieke bedrijven die zich vestigen. Er is op dit moment geen duidelijkheid over de geuruitstoot van die bedrijven.
3
blz. 7
Bijlage 2
(vastgesteld)
Stedenbouwkundige randvoorwaarden
Stedenbouwkundige aspecten Flevokust ligt op een stedenbouwkundig markante plek nabij het snijpunt van IJsselmeerdijk en rijksweg A6. Om te zorgen dat het gebied zich straks nationaal, regionaal en op stadsniveau kan profileren wordt een stedenbouwkundige visie opgesteld. Het duurzame en innovatieve karakter van het bedrijventerrein komt tot uiting in de basisverkaveling, de uitstraling gezien vanuit het IJsselmeer, de rijksweg A6, het polderlandschap, de spoorlijn/Houtribweg en de bestaande stad. De basisverkaveling is oost-west gericht en wordt daarmee zoveel mogelijk gebaseerd op de voormalige visvijverstructuur. Dit bestemmingsplan biedt voldoende flexibiliteit om de stedenbouwkundige visie handen en voeten te geven. Het beoogd welstandskader zal vervolgens worden omschreven in een beeldregieplan. Een aantal stedenbouwkundige basiseisen zoals bouwhoogte en minimale bebouwingsrooilijnen van verschillende bouwwerken zijn reeds in dit bestemmingsplan opgenomen. Voor het beeld speelt het silhouet van havengebonden en havengerelateerde gebouwen binnendijks en kranen buitendijks een belangrijke rol.
Stedenbouwkundige randvoorwaarden Bouwwerk
Max. Bouwhoogte
Bebouwingspercentage
Min. Rooilijn /afstand tot perceelgrenzen
Mogelijk maken met binnenplanse afwijking
Toelichting (tevens tekst t.b.v. toelichting Bestemmingsplan)
Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, , de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Bouwvlak bestemming Bedrijven
Zie bij bouwwerken
75% Opnemen in plankaart
zie bij bouwwerken
Hoger bebouwingspercentage met 10% regeling
Bouwwerken Gebouwen
Buitendijks: 10 meter
Buitendijks: geen
Buitendijks: 15 meter
Binnendijks: 40 meter
Binnendijks: Rooilijn Grenzend aan openbare weg Min. 15 meter Afstand tot overige perceelgrenzen Min 3,0 meter
Binnendijks: Max. bouwhoogte 40 meter
Opnemen in plankaart
Minimale rooilijn aan openbare weg naar min. 6.0 meter Min rooilijn overige perceelgrenzen naar 0,0 meter
Het maximum bebouwingspercentage is gesteld op 75%. Een hoger bebouwingspercentage is om stedenbouwkundige redenen ongewenst, om te voorkomen dat er onvoldoende onbebouwde ruimte overblijft ten behoeve van een adequate logistieke afwikkeling van vrachtverkeer, voldoende parkeerruimte, opslag e.d. de bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd indien voldaan wordt aan de parkeernormen van Parkeerbeleidsplan Lelystad De bouwhoogte van gebouwen is buitendijks gesteld op 30 meter. En binnendijks op 40 meter. Daarmee blijft de bebouwing onder de bouwhoogte van de kranen en blijft de hoogte gemeten vanuit het aangrenzende polderlandschap acceptabel. Buitendijks kan incidentele hogere gebouwen tot Maximaal 35 meter worden gerealiseerd met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Verder geldt binnendijks het volgende: Om voldoende ruimte te creëren voor een representatief voorterrein is een minimale rooilijn vastgesteld van 15 meter langs alle wegprofielen. Binnen deze maat is voldoende ruimte voor het creëren van een groen voorterrein al dan niet in combinatie met parkeren. Langs overige perceelgrenzen wordt tussen gebouw en perceelgrens een minimale afstand van 3,0 meter gehanteerd. Deze maat is erop gericht om voldoende distantie tot stand te brengen naar naastgelegen percelen en de bereikbaarheid voor nood en hulpdiensten.
In specifieke gevallen kan de rooilijn, grenzend aan de openbare weg, met een binnenplanse afwijking worden teruggebracht naar 6.0 meter en de overige afstanden tot perceelgrenzen naar 0,0
Kranen (buitendijks)
45 meter
Kranen toestaan tot aan de waterlijn
Max. bouwhoogte 55 meter
De kranen vormen beeldbepalende elementen in Flevokust. De bouwhoogte is gesteld op 45 meter. Met een binnenplanse afwijking kunnen kranen tot 55 meter mogelijk worden gemaakt. Bij percelen die grenzen aan het water mogen de kranen tot aan het water worden geplaatst.
Silo’s Bouwwerk geen gebouw zijnde of
35 meter
Alleen binnendijks: Grenzend aan openbare weg Min. 15 meter
Hogere bouwhoogte met 10% regeling
De bouwhoogte van silo’s is gesteld op 35 meter. Hiermee blijft de bebouwing onder de bouwhoogte van de kranen. Incidentele hogere silo’s kunnen worden gerealiseerd met een binnenplanse
gebouw?
Schoorstenen
45 meter
Reclamemasten Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde
20 meter 25 meter
Opstapelen containers
Max 5 lagen (=15 meter)
-
-
Overige perceelgrenze n Min 3,0 meter
Minimale rooilijn aan openbare weg naar min. 6.0 meter Min rooilijn overige perceelgrenzen naar 0,0 meter
afwijkingsmogelijkheid (10% regeling).
Grenzend aan openbare weg Min. 15 meter Overige perceelgrenzen Min 3,0 meter
Hogere bouwhoogte met 10% regeling
De bouwhoogte van schoorstenen is gesteld op 45 meter. Hiermee blijft de bebouwing onder de bouwhoogte van de windturbines. Incidentele hogere schoorstenen kunnen worden gerealiseerd met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (10%regeling).
-
10% regeling Max. bouwhoogte naar 30 meter Geen afwijkingsmogelijkheid
Overige bouwwerken dienen in principe niet hoger te zijn dan de gebouwen. Hogere objecten, zoals lichtmasten, telecommasten e.d. kunnen worden gerealiseerd met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met het stapelen van containers tot een hoogte van 15 meter. Dit komt overeen met het stapelen van containers in 5 lagen. Door deze maximale maat te hanteren zal de hoogte niet gaan concurreren met de (hoofd)gebouwen.
blz. 11
Bijlage 3
(vastgesteld)
Artikel bedrijventerrein
Artikel 4 Bedrijventerrein 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. havengebonden bedrijven genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, alsmede naar de aard en de invloed om de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijven, met dien verstande dat explosiegevaarlijke bedrijven op een afstand van ten minste 100 m uit de teen van de dijk moeten liggen; b. havengebonden bedrijven genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 5.1, 5.2 en 5.3 , alsmede naar de aard en de invloed om de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijven, met dien verstande dat: 1. de geur- en/of stofcontour van een dergelijk bedrijf de bestemmingsplangrens met niet meer dan 400 m overschrijdt; 2. explosiegevaarlijke bedrijven op een afstand van ten minste 100 m uit de teen van de dijk moeten liggen; met de daarbijbehorende: c. (spoor)wegen, straten en paden; d. parkeervoorzieningen; e. groenvoorzieningen; f.
waterlopen en waterpartijen;
g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; h. tuinen, erven en terreinen; i.
bedrijfsgebouwen;
j.
tanks en silo's;
k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bouw- en reclameborden; l.
nutsvoorzieningen.
4.2 Bouwregels 4.2.1 Bouwwerken Voor het bouwen van bouwwerken geldt de volgende regel:
de bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd indien in ieder geval wordt voldaan wordt aan de volgende parkeernormen:
type bedrijvigheid
minimale parkeernorm per 100 m² brutovloeroppervlakte
kantoren zonder baliefunctie
1,8 parkeerplaatsen
kantoren met baliefunctie
2,5 parkeerplaatsen
arbeidsextensieve bedrijvigheid *)
0,8 parkeerplaatsen
arbeidsintensieve bedrijvigheid **)
2.8 parkeerplaatsen
*) loods, opslag, groothandel, transportbedrijf e.d. **) industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats e.d. 4.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: a. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan tot een diepte van ten hoogste 1,50 m; b. de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt ten hoogste 25,00 m; c. het bebouwingspercentage van een bouwperceel bedraagt ten hoogste 75%; d. de afstand van een bedrijfsgebouw tot de naar de weg gekeerde perceelgrens bedraagt ten minste 15,00 m; e. de afstand van een bedrijfsgebouw tot aan de zijdelingse en achterperceelgrens bedraagt ten minste 3,00 m. 4.2.3 Tanks en silo's Voor het bouwen van tanks en silo's gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van tanks en silo' s bedraagt ten hoogste 35,00 m; b. de afstand van een tank of een silo tot de naar de weg gekeerde perceelgrens bedraagt ten minste 15,00 m; c. de afstand van een tank of een silo tot aan de zijdelingse en achterperceelgrens bedraagt ten minste 3,00 m. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. er mogen geen windturbines worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2,00 m; c. de bouwhoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6,00 m; d. de bouwhoogte van een reclamemast bedraagt ten hoogste 20,00 m; e.
de bouwhoogte van kranen bedraagt ten hoogste 45,00 m; f.
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 25,00 m.
4.3 Afwijken van de bouwregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:
a. het bepaalde in lid 4.2.2 onder a in die zin dat ondergronds mag worden gebouwd tot een grotere diepte, mits op basis van onderzoek wordt aangetoond dat de aardkundige waarden niet worden geschaad; b. het bepaalde in lid 4.2.2 onder b in die zin dat de bouwhoogte wordt vergroot tot ten hoogste 40,00 m; c. het bepaalde in lid 4.2.2 onder d in die zin dat de afstand van gebouwen tot de naar de weg gekeerde perceelgrens wordt verkleind tot ten minste 6,00 m; d. het bepaalde in lid 4.2.2 onder e in die zin dat de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterperceelgrens wordt verkleind; e. het bepaalde in lid 4.2.3 onder b in die zin dat de afstand van tanks en silo's tot de naar de weg gekeerde perceelgrens wordt verkleind tot ten minste 6,00 m; f.
het bepaalde in lid 4.2.3 onder c in die zin dat de afstand van tanks en silo's tot de zijdelingse en achterperceelgrens wordt verkleind;
g. het bepaalde in lid 4.2.4 sub e in die zin dat de bouwhoogte van kranen wordt vergroot tot ten hoogste 55,00 m; h. het bepaalde in lid 4.2.4 onder f in die zin dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 30,00 m. 4.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden voorzover er geen onbebouwde doorgaande strook van ten minste 40 meter breed wordt aangehouden ten behoeve van de aanleg van wegen met daarlangs waterberging in de vorm van een watergang ; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven, anders dan bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 3.1, 3.2, 4.1, 4.2, 5.1, 5.2 en 5.3 , met uitzondering van: 1. bedrijven waarvan de richtafstand voor geur en/of voor het desbetreffende bedrijf groter is dan 400 m, tenzij aangetoond kan worden dat de daadwerkelijke geur of stof hinderafstand kleiner is dan de afstand tot de meest nabij gelegen milieugevoelige functie; 2. explosiegevaarlijke bedrijven voor zover deze op een afstand liggen van minder dan 100 m vanaf de teen van de dijk; c. het gebruik van gronden en bouwwerken zodanig dat de risicocontour 10-6 (plaatsgebonden risico) van het bedrijf buiten het bouwperceel van het betreffende bedrijf valt; d.
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen; e. het gebruik van de gebouwen als (bedrijfs)woning; f.
het gebruik van de gebouwen voor kantoor over een bedrijfsvloeroppervlakte van meer dan 30% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte per bedrijf, tot een maximum van 1.500 m²;
g. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, waaronder een verkooppunt van motorbrandstoffen, zoals bedoeld in bijlage 1 onder SBI-code 473 (2008); h. het gebruik van de gronden voor de opslag van containers en andere goederen zodanig dat: 1. er meer dan 5 lagen containers worden gestapeld; 2. de opslag plaatsvindt binnen 15,00 m tot de naar de weg gekeerde perceelgrens; 3. de opslag plaatsvindt binnen 3,00 m tot de zijdelingse en achterperceelgrens. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 4.4 sub b in die zin dat bedrijven genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2 alsmede naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn toegestaan, mits het gaat om havengebonden bedrijven dan wel bedrijven die nauw verbonden zijn aan cq. complementair zijn aan havengebonden bedrijven, met dien verstande dat niet meer dan 10% van de oppervlakte van het bedrijventerrein door deze bedrijven in gebruik wordt genomen; b. het bepaalde in lid 4.4 sub c in die zin dat de risicocontour 10-6 (plaatsgebonden risico) van een bedrijf buiten het bouwperceel van het betreffende bedrijf wordt gesitueerd, mits wordt voldaan aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen; c.
het bepaalde in lid 4.4 sub f in die zin dat niet meer dan 50% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte per bedrijf wordt gebruikt voor kantoor, mits het gaat om het hoofdkantoor van het betreffende bedrijf.
16-09-2015 15:49
Bedrijvenlijst Flevokust
200
300
30
50 50 100 300 300
10 10 10 10 10
200 300
30 50
200 300
10 10
100 200
10 10
200 200 50 100 50 50
100 30 0 0 50 0
200 100 50
100 50 100
200 300
50 100
CAT.
10
MAX. GEUR / STOF
STOF
OMSCHRIJVING
WINNING VAN ZAND, GRIND, KLEI, ZOUT, E.D. Steen-, grit- en krijtmalerijen (open lucht): - steenbrekerijen VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Aardappelprodukten fabrieken: - vervaardiging van aardappelproducten Groente- en fruitconservenfabrieken: - jam - groente algemeen - met koolsoorten - met drogerijen - met uienconservering (zoutinleggerij) Vervaardiging van ruwe plantaardige en dierlijke oliën en vetten: - p.c. < 250.000 t/j - p.c. >= 250.000 t/j Raffinage van plantaardige en dierlijke oliën en vetten: - p.c. < 250.000 t/j - p.c. >= 250.000 t/j Margarinefabrieken: - p.c. < 250.000 t/j - p.c. >= 250.000 t/j Zuivelprodukten fabrieken: - gedroogde produkten, p.c. >= 1,5 t/u - geconcentreerde produkten, verdamp. cap. >=20 t/u - melkprodukten fabrieken v.c. < 55.000 t/j - melkprodukten fabrieken v.c. >= 55.000 t/j - overige zuivelprodukten fabrieken Consumptie-ijsfabrieken: p.o. > 200 m² Meelfabrieken: - p.c. >= 500 t/u - p.c. < 500 t/u Grutterswarenfabrieken 0 Zetmeelfabrieken: 1 - p.c. < 10 t/u 2 - p.c. >= 10 t/u 0 2 0 1 0 1 2 3 4 5 0 1 2 0 1 2 0 1 2 0 1 2 3 4 5 1 0 1 2
GEUR
SBI-2008 08 0812 0812 10, 11 1031 1031 1032, 1039 1032, 1039 1032, 1039 1032, 1039 1032, 1039 1032, 1039 104101 104101 104101 104102 104102 104102 1042 1042 1042 1051 1051 1051 1051 1051 1051 1052 1061 1061 1061 1061 1062 1062 1062
NUMMER
Bedrijvenlijst Flevokust - JA-LIJST
200 5.2 0 0 300 4.2 0 50 3.2 50 3.2 100 3.2 300 4.2 300 4.2 0 200 4.1 300 4.2 0 200 4.1 300 4.2 0 100 4.1 200 4.2 0 200 5.1 200 5.1 50 3.2 100 4.2 50 4.2 50 3.2 0 200 4.2 100 4.1 100 4.1 0 200 4.1 300 4.2
16-09-2015 15:49
3 4 5 6 0 1 2 0 1 2 0 1 2 4 5 0 1 2
0 1 2
0 1 2
-
- drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap. < 10 t/u water - drogerijen (gras, pulp, groenvoeder, veevoeder) cap. >= 10 t/u water - mengvoeder, p.c. < 100 t/u - mengvoeder, p.c. >= 100 t/u Vervaardiging van voer voor huisdieren Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen: - v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens - v.c. >= 7500 kg meel/week Banket, biscuit- en koekfabrieken Suikerfabrieken: - v.c. < 2.500 t/j - v.c. >= 2.500 t/j Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk: - Cacao- en chocoladefabrieken: p.o. > 2.000 m² - cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. < 2.000 m² - Suikerwerkfabrieken met suiker branden - Suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. > 200 m² Deegwarenfabrieken Koffiebranderijen en theepakkerijen: - koffiebranderijen - theepakkerijen Vervaardiging van azijn, specerijen en kruiden Vervaardiging van overige voedingsmiddelen Bakkerijgrondstoffenfabrieken Soep- en soeparomafabrieken: - zonder poederdrogen - met poederdrogen Bakmeel- en puddingpoederfabrieken Destilleerderijen en likeurstokerijen Vervaardiging van ethylalcohol door gisting: - p.c. < 5.000 t/j - p.c. >= 5.000 t/j Bierbrouwerijen Mouterijen Mineraalwater- en frisdrankfabrieken VERWERKING VAN TABAK Tabakverwerkende industrie