Bijlage 2 + 2.1 Beleidskader Zonneparken Lelystad (aangepaste versie)
Tekst van het document
Beide oplossingen refereren aan natuurlijke omstandigheden en bieden, zeker in combinatie met de ondergroei in het park zelf, grote kansen voor biodiversiteit. Eenvoudiger is het nog om bestaande landschappelijke- of ecologische structuren te benutten als (gedeeltelijke) visuele inpassing. Hierbij zal het zonnepark zorgen voor een versterking en oplading van deze groenstructuur. Dit kan een reden zijn om zonneparken te stimuleren in zones rondom deze groenstructuren. In de volgende paragraaf wordt concreet ingegaan op de optimalisatie van de inrichting op basis van natuurlijke referenties.
31
3. Natuurreferenties als gids voor biodiversiteit: Schaduwrijke en gevarieerde bosranden, specifiek naar bodemtype
Zoals aangegeven zijn schaduwrijke en gevarieerde bosranden te zien als natuurlijke referentie voor zonneparken. Zeker met daarbij hogere beplanting of anderzijds juist met breed water en oevervegetaties als randoplossing, kan een gradiënt worden gerealiseerd die refereert aan de meest waardevolle natuurlijke situaties. Met name bosranden en oeverzones zijn natuurlijke optima van biodiversiteit, door hun grote verscheidenheid op kleine afstand, waardoor organismen van meerdere micromilieu’s en deelhabitats gebruik kunnen maken. Belangrijk hierin is ook de bodemkundige basis, dus of we te maken hebben met zand-, klei- of veenbodems. Deze is bepalend voor de soortkeuze voor het zaaimengsel onder en tussen de panelen en voor de soortensamenstelling van de randelementen. In de concrete aanbevelingen voor Flevoland wordt concreet nader ingegaan op deze bodem- en daarmee soortensamenstelling. Daarbij is belangrijk of de bodems agrarisch sterk zijn verrijkt. Rijke bodems kennen doorgaans lage biodiversiteit en hoge beheerlast, twee aspecten die beide niet wenselijk zijn bij het zoeken naar optimale combinatie van zon en biodiversiteit. Schrale bodems zijn juist soortenrijker en behoeven minder intensief beheer.
Deze verrijking van de bodem is voor de aanleg nog in zekere mate te beïnvloeden, bijvoorbeeld via afplaggen of uitmijnen, maar geld en tijd zijn hierin een belangrijke factoren. Integraal afplaggen is kostbaar en kan ook vanuit landschap en historie onwenselijk zijn. Uitmijnen (bv met maisteelt zonder bemesting) voor realisatie van een zonnepark is minder kostbaar en ingrijpend, maar vergt vooral tijd. Als voor realisatie van een park de bodem nog enkele seizoenen kan worden uitgemijnd, verbetert dit de situatie voor de ondergroei en daarmee biodiversiteit en beheerlast naar verwachting aanzienlijk. Daarbij speelt ook de bodemvochtigheid een rol. Met het opschorten van intensief agrarisch gebruik is ook de noodzaak tot diepe drooglegging opgeschort. Dit biedt, afhankelijk van de specifieke locatie, kansen om het grondwaterpeil op te laten komen en vochtiger omstandigheden voor de ondergroei en randelementen te realiseren. Hierbij kan in de zonneparken zelfs seizoensfluctuatie worden toegestaan door afdoppen van drainagesystemen. Uiteraard verschilt dit per locatie en is vooral ook afhankelijk van de positie in het poldersysteem en het eventuele omliggende landbouwkundig gebruik. Ook dit is een reden om te zoeken naar locaties gelegen aan groenstructuren.
Inzetten van een zonnepark als hydrologische buffer tussen bijvoorbeeld een intensief gedraineerd landbouwgebied en een natte natuurkern is te zien als een extra kans. Peilopzet draagt daarbij tevens bij aan een grotere grondwaterbuffer voor droge perioden, voordelig voor zowel natuur als agrarisch gebruikte gronden, en tevens een verminderde bemalingsopgave voor poldergemalen bij piekbuien. Naast bodem en water is de landschappelijk historische situatie van belang. Oudere landschappen waren van oorsprong vrijwel altijd minder open dan de huidige, en de beplanting had doorgaans een logische en functionele positie. Deze was bijvoorbeeld gekoppeld aan de voorheen vaak duidelijker verdeling van natte en droge delen in het landschap, met ieder hun eigen functie en gebruik. In grote delen van het land zijn de afgelopen eeuw deze verschillen in vochtgehalte, vaak samen met het microreliëf zelf, vrijwel uitgevlakt. Daarbij zijn bijzonder veel groene landschapselementen opgeofferd aan grootschalige landbouw, waardoor een vlak en open landschap is ontstaan, dat tevens arm is aan natuur en biodiversiteit. Zonneparken geven een aanleiding om deze historische structuren te herstellen en een nieuwe functie te geven, bijvoorbeeld als visuele afscherming ten opzichte van bebouwing of infrastructuur. 32
Ten slotte is zoals gezegd ook de positie van zonneparken ten opzichte van andere natuurgebieden of de ecologische structuur van belang. Experts bevestigen de potentiële rol van zonneparken als refugia, voor kwetsbare diersoorten, fauna in het algemeen, of zelfs zeldzame flora, die door intensief agrarisch gebruik en monoculturen in het nauw gekomen zijn. Dat kan als geïsoleerd liggende refugia in het landelijk gebied, maar het is ook waardevol om ze bereikbaar te maken door te koppelen aan bestaande structuren en daarmee onderdeel van de ecologische structuur te maken.
4. Kennis: Engels en Nederlands onderzoek; Het idee over zonneparken in combinatie met biodiversiteit is niet nieuw. Er is in Engeland en in mindere mate Duitsland het afgelopen decennium het nodige onderzocht aan zonneparken. In eerste instantie aan het verminderen van negatieve ecologische impact, maar later zeker ook aan het bevorderen van biodiversiteitstoename als positief effect (zie literatuurlijst). Verschillende voorbeeldprojecten en opties worden in de literatuur beschreven. Belangrijk is vooral ‘The Effects of Solar farms on Local Biodiversity: A Comparative Study’, Montag et al, 2016 (lit 1.). Dit is een vergelijkend onderzoek tussen zonneparken en naastgelegen landbouwgrond, wat betreft verschillen in aantalsontwikkeling en in diversiteit van verschillende soortengroepen. Hierin blijkt vooral dat in de jaren na plaatsen van het zonnepark dieren fors toenemen, vooral in aantallen maar ook in biodiversiteit. Dat geldt voor insecten, maar ook voor vogels typisch voor kleinschalig agrarisch gebied, zoals de patrijs en veldleeuwerik. Aanvullend worden, ook in de andere literatuurreferenties, concrete aanbevelingen gedaan wat betreft locaties, inrichting en beheer van zonneparken (lit 2 – 5). Verschillende beheervormen leveren namelijk aanzienlijke verschillen in abundantie en biodiversiteit van insecten. Dit betreft met name de keuze tussen maaien en begrazen.
Conclusie is dat extensief hooilandbeheer de meeste biodiversiteit oplevert. Dit betekent slechts één maal maaien in het najaar en met bijvoorbeeld enige nabeweiding door schapen in het herfst/winterseizoen. Voor verschraling is afvoer van maaisel en mest (schaapskooi) belangrijk, maar dit kan voor behoud van bodemvruchtbaarheid en later herstel als landbouwgrond uiteindelijk toch minder wenselijk zijn. Hierover meer in paragraaf 5. In de Engelse studies wordt onder andere gesteld dat de locatiekeuzen, maatregelen, zaadmixen, beheerstrategieën zeer locatie-specifiek zijn en op basis van kennis van ecologie en landschap lokaal moeten worden uitgewerkt. In antwoord daarop is in Nederland recent (2018) onderzoek opgestart door Biodiversiteitscentrum Naturalis in een aantal zonneparken in Nederland, nl Moerdijk en Heerenveen. De eerste resultaten in Moerdijk zijn positief, in lijn met het Engelse onderzoek, zie voor de details ‘The effects of solar parks on plants and pollinators: the case of Shell Moerdijk’, Biesmeijer et al, 2020 (lit 12). Wel was in Moerdijk de uitgangssituatie al een schraal soortenrijk grasland, en zeggen de resultaten dus vooral iets over behoud van biodiversiteit in een zonnepark of de potentiële lange termijnontwikkeling daarvan.
Over het snel ontwikkelen van nieuwe biodiversiteit op soortenarm agrarisch verrijkt productiegrasland is in 2020 onderzoek op de locatie Heerenveen toegevoegd. De resultaten hiervan volgen nog. Het Nederlandse onderzoek leidt tot een aantal concrete aanbevelingen voor het verhogen van de biodiversiteit, wat betreft zaadmixen en beheer. Deze aanbevelingen worden in paragraaf 6 algemeen en voor de Flevolandse situatie in het bijzonder nader uitgewerkt. Daarnaast bestaan er ook nog de nodige kennisleemtes. Universiteit Wageningen heeft hiervoor een waardevol literatuuroverzicht samengesteld. Zie 33
‘Zonneparken, Natuur en Landbouw’, Van der Zee et al, 2019, WUR (lit. 11). In deze laatste studie ook een beschrijving van de effecten voor bodemvruchtbaarheid, ofwel mogelijkheden voor landbouwkundig gebruik na beëindiging van de periode als zonnepark. Hierop wordt in paragraaf 5 nader ingegaan Dit alles betreft echter vooral de vegetatie onder en tussen de panelen. Daarnaast zijn aanvullende voorzieningen toe te voegen die bijdragen aan de biodiversiteit van zonneparken. Naast randbeplantingen is bijvoorbeeld ook het toevoegen van dood hout onder de panelen, boomstammen die langzaam vergaan, in potentie zeer kansrijk. Dit is een belangrijk aspect van natuurlijke bossen en hoort vanuit die natuurlijke referentie ook in het schaduwrijke milieu onder de zonnepanelen thuis. Vele insecten nestelen in dood hout, in gaatjes, spleten of onder schors. Bovendien levert het geleidelijk verterende hout een terugvoer van organisch materiaal en essentiële mineralen terug naar de bodem. Dit is toegepast in een aantal ontwerpen van Smartland landschapsarchitecten, maar de uitwerking en uitvoer daarvan is op dit moment nog gaande. Hetzelfde geldt voor grondwalletjes. Zoals gezegd zijn in het huidige landbouwlandschap oneffenheden en steilrandjes vrijwel geheel verdwenen.
Dit terwijl kale droge grond een zeer belangrijk nesthabitat is voor onder andere vele soorten bijen, hommels en zweefvliegen. Door toevoegen van kleine steile grondwalletjes tussen de panelen of als basis voor de randbeplanting wordt ook dit aspect met het zonnepark teruggebracht in het landschap. Ook dit laatste is onderdeel van zonneparken die nu worden uitgewerkt en binnenkort uitgevoerd. Daarmee wordt een belangrijk aspect aangestipt over de kennis van biodiversiteit in zonneparken. De ontwikkeling van nieuwe parken gaat op dit moment in Nederland zo snel dat goed gefundeerde kennis nog grotendeels ontbreekt. Ieder park dient daarom gezien te worden als onderdeel van gezamenlijke kennisontwikkeling, en derhalve ook de mogelijkheden voor monitoring en uniforme gegevensverzameling mee te nemen. De WUR doet voor dit laatste een aanzet (lit 11). 5. Langetermijneffecten op de bodem, geschiktheid voor landbouwkundig gebruik na beëindiging Naast kennis over optimalisatie voor biodiversiteit is kennis over langetermijneffecten op bodemkwaliteit, voor landbouwkundig gebruik, essentieel voor goede besluitvorming. Ook hier ontbreekt echter nog voldoende kennis, door de snelle ontwikkelingen van zonneparken in het landschap. Een aantal aannames is dus onontkoombaar, maar tevens de oproep om dit aspect waar mogelijk wetenschappelijk te monitoren.
Er is enige literatuur over de effecten op landbouwkundige bodemkwaliteit, vanuit de tijdelijke functie van zonneparken en het vervolgens mogelijk weer oppakken van agrarisch gebruik. Een veel geciteerd Nederlands artikel van het Louis Bolk Instituut beschrijft negatieve effecten (lit…), maar dit betreft geen onderzoek, slechts een aantal inschattingen van experts. Om een echo-effect te voorkomen besteden wij verder geen aandacht aan deze inschattingen. Wel systematisch onderzoek is gedaan door de groep Armstrong in Lancaster, Engeland (Lit 9). Door concrete en minutieuze metingen aan microklimaat onder de panelen is hier een concrete basis gelegd voor echte kennisopbouw over de effecten van zonnepanelen op de bodem. Dit als basis voor een wel gefundeerde inschatting van de ontwikkeling van de bodemvruchtbaarheid over de tijd nadat een zonnepark is gerealiseerd. Uit de metingen in Lancaster blijkt onder andere een iets afgevlakt microklimaat onder de panelen, zowel dagelijks als seizoensgebonden. Dus koeler overdag en in de zomer, en minder koud in de nacht en in de winter. Ook de vochtverdeling onder de panelen is anders, het gemeten microklimaat is iets droger. De waterverdeling onder de panelen is overigens afhankelijk van het detailontwerp van de panelentafels en daarmee in de ontwikkeling te optimaliseren. 34
Minder licht en vocht resulteert in een beperktere CO2 vastlegging door de vegetatie. Dit zou minder opbouw van organisch stofgehalte van de bodem kunnen betekenen en daarmee minder bodemvruchtbaarheid op de langere termijn. In het genoemde recente literatuuronderzoek vanuit de Universiteit Wageningen, ‘Zonneparken, Natuur en Landbouw’ wordt echter geconcludeerd dat dit afhankelijk is van beheer. In het algemeen wordt in deze studie beschreven dat organisch stofgehalte, en daarmee de bodemvruchtbaarheid, een trage factor is. Zonder voldoende toevoer van organische stof aan de bodem kan terugkeer naar de situatie vóór de panelen behoorlijk lange tijd duren. Belangrijke factor daarbij is ook de bodemsamenstelling en zuurstofbeschikbaarheid. In zandige goed doorluchte bodems kan het verdwijnen van organisch stof snel gaan en het herstel lang duren. In kleiige bodems met minder zuurstof indringing blijft het organisch stofgehalte langer op peil en kan het herstel ook snel gaan. In het literatuuronderzoek van Universiteit Wageningen wordt echter tevens geconcludeerd dat bodemvruchtbaarheid feitelijk vooral afhankelijk is van keuzes in vegetatiebeheer. Het milieu onder en tussen de zonnepanelen mag dan iets minder productief zijn, toch vindt ook hier opbouw van organische stof plaats zoals dat ook in een bosbodem gebeurt.
Het gaat er vooral om wat we als beheerder met dit organisch materiaal doen. Maximale afvoer van het plantaardig materiaal zal het organisch stofgehalte en daarmee de bodemvruchtbaarheid laten afnemen. Daarmee wordt de landbouwkundige waarde op lange termijn mogelijk verminderd of is een lange periode van aanpassing aan de landbouwfunctie noodzakelijk. Zonder afvoer van dit plantaardige materiaal onder de panelen zal nog steeds een in stand houden en zelfs opbouw van organisch stof in de bodem plaatsvinden. Daarmee zal de bodemvruchtbaarheid minimaal op peil blijven of juist stijgen, zoals dat van oudsher met ‘braaklegging’ van percelen werd gedaan. In het beheer dient daarom vooral een afweging en keuze gemaakt te worden tussen verschraling ten behoeve van vegetatiediversiteit, en verrijking ten behoeve van toekomstige agrarische bodemvruchtbaarheid. Ook over deze concrete ontwikkeling en keuzes daarin dient meer kennis te worden gegenereerd. In de studie wordt daarom gepleit om vooral langjarige meetprogramma’s op te nemen bij de ontwikkeling van nieuwe zonneparken, om ook op gebied van bodemvruchtbaarheid en toekomstig landbouwkundig gebruik meer kennis te vergaren en conclusies te onderbouwen.
6. Aanbevelingen voor versterken biodiversiteit in zonneparken, specifiek in Flevoland.
Vanuit de bovengenoemde literatuur, lopende onderzoeken en verschillende andere bronnen zijn aanbevelingen te genereren voor versterken van de biodiversiteit in zonneparken in Flevoland. Dit relateren we aan bodemtype als basis voor soortenkeuze van ondergroei en randelementen, bodemvochtigheid en landschap. Bodemtype varieert hier voornamelijk van voedselrijke zware klei van de voormalige zeebodem tot enkele schralere zavelige zandbanken daarin. Verschillende bodemtypen kennen verschillende potentieel natuurlijke vegetaties (PNV), natuurlijke bostypen met kenmerkende ondergroei. Deze zijn te hanteren als de basis voor de toe te passen zaadmengsels op de specifieke bodemtypen. Hierbij kan het standaardwerk ‘Bosgemeenschappen’ van Dr. van der Werf, over potentieel natuurlijke vegetaties gehanteerd worden. Deze publicatie is wat betreft geografische verspreiding hiervan vrij generiek, maar wat betreft beschrijving van bostypen en ondergroei zeer specifiek.
35
In Flevoland gaat het vrijwel uitsluitend over Essen-Iepenbos op de kleiige bodems. Daarin zullen de zandige delen (bv rond de Knardijk af tegen de oostelijke randmeren) Zomereiken-Berkenbos, Wintereiken-Beukenbos, of Vogelkers-Essenbos als potentieel natuurlijke vegetatie hebben. Essen-Iepenbos kenmerkt zich door een zeer rijke en gevarieerde ondergroei door late bladzetting van de typerende boomsoorten. Daarnaast wordt het gekenmerkt door een groot aandeel dood hout op de bodem en een hoge omzetsnelheid daarvan. Dit sterkt de aanbeveling om zowel een geschikte zaadmix voor de onderbegroeiïng, als ook nadrukkelijk veel dood hout onder de panelen toe te passen. Hierover meer in de aanbevelingen voor Flevoland. Bodemvochtigheid is in Flevoland met uitzondering van enkele natte natuurgebieden doorgaans laag, door diepe ontwatering. Grondwatertrappen IV, V, VI en VII domineren. Slechts in centraal zuidelijk Flevoland zorgt bodemdaling voor enige toenemende bodemvochtigheid. Poldereenheden zijn daarnaast omvangrijk en belangrijk, zodat lokale peilverhoging niet gewenst is. Mogelijk is slechts in een zone rond natte natuurgebieden een hogere grondwaterstand wenselijk als buffer tegen wegzijging van water. Dit betekent dat vrijwel overal in de polder onder de panelen een vrij droge situatie zal bestaan die de vegetatieontwikkeling beperkt.
Hierdoor is extra aandacht voor een goede doorvoer en verdeling van water onder de panelen noodzakelijk. Het genoemde dode hout zal tevens bijdragen aan het beter vasthouden van vocht en daarmee aan een gunstig microklimaat onder de panelen. Landschap, als derde factor bepalend voor de te kiezen inrichting onder de panelen, is in Flevoland bijzonder, door haar karakter als drooggelegde zeebodem. Het landschap is vooral ontworpen als een grootschalig open landschap, waarin groenstructuren van verschillende orde, zoals bossen, bosstroken, maar ook transparante bomenrijen en erfbeplantingen een bijzondere ruimtelijke structuur genereren. Deze wordt vooral bepaald door boomsoorten van klei, zoals de gewone es solitair of als hoofdboomsoort in bossen en houtwallen, en Canadese populier, veelal in hoge singels langs wegen of kanalen. Daarnaast een aantal meer zandige eikenbossen op de voormalige zandbanken en jonge natte natuurgebieden met rietlanden en spontaan opgeschoten schietwilgenbos. In de polders is de oorspronkelijk ontworpen en gerealiseerde landschapsstructuur nog vrijwel compleet aanwezig. Hier is het vooral het verdichten met bebouwing die het landschap laat veranderen. Daarmee gaat het inpassen van zonnepanelen in Flevoland vooral over realiseren van nieuwe energie- of integrale landschappen en daarbij het beperken van verdere verdichting van het landschap.
Deze potentieel natuurlijke bostypen, de situatie wat betreft bodemvochtigheid en de landschappelijke setting leiden tot de volgende concrete aanbevelingen voor zonneparken in Flevoland.
A. Wat betreft ondergroei onder en tussen de panelen Voor de ondergroei onder en tussen de panelen in Flevoland hebben we als aanbeveling een basissoortenlijst samengesteld, op grond van vegetatiekundige kennis en referenties van ondergroei, en daarnaast aanbevelingen vanuit kennis over specifiek geschikte bijenvegetaties (website Arie Koster) Het betreft de ondergroei van EssenIepenbos, Wintereiken-beukenbos en Eiken-berkenbos op respectievelijk zware kleigronden en rijkere of schralere zandige kleigronden. Zie onderstaande tabel. Deze lijst is vooral een aanzet om in een zonnepark te komen tot een concreet toe te passen zaadmengsel, bij voorkeur samen te stellen met inheems zaaimateriaal. Ter geruststelling, niet veel kan fout gaan, het is vooral een poging tot optimalisatie van een gebiedsspecifieke ondergroei ten bate van maximale biodiversiteit. Hierbij geldt zoals eerder genoemd het uitgangspunt zoals in de ‘Gedragscode Zon op Land’ is vastgelegd: minimaal 25% van het projectoppervlak blijft onbebouwd. 36
B. Wat betreft randzones rond zonneparken Vanuit ecologie en landschap zijn aanbevelingen te doen aan de inrichting van randzones en parkbegrenzing, specifiek voor de situatie in Flevoland. Zoals beschreven is het Flevolandse landschap bijzonder, in zijn jonge historie, zijn ontworpen opzet en zijn relatieve gaafheid wat betreft groenstructuren. Hieruit volgt dat het behoud van de openheid hier wellicht zwaarder weegt dan het zicht op de zonnepanelen. Bovendien passen de zonnepanelen natuurlijk uitstekend in het productielandschap, als productiekavels van schone energie. Specifiek voor de randzones is het aspect hekken. Voor veiligheid en verzekering is een hek van 200cm noodzakelijk, soms aangevuld met camera’s. Voor middelgrote tot grotere diersoorten als egels, hazen, marters, vossen en reeën is een dergelijk hek een absolute barrière, terwijl juist ook deze soorten veel voedsel, rust en dekking kunnen vinden in een zonnepark. Als oplossing hiervoor wordt gesteld dat een hek altijd minimaal 10cm vrij van de bodem gehouden moet worden, en er op regelmatige afstanden in het hekwerk in- en uitspringvoorzieningen moeten worden ingepast. Wanneer toch wordt gekozen voor landschappelijke inpassing, is toepassing van brede watergangen met moerasoevers het meest gebiedseigen en landschaps-respecterend. Door watergangen te verbreden tot 5 meter is een hekwerk niet meer nodig.
Door hieraan nog een vlakke plas-drasberm 10 cm onder of net boven het polderwaterpeil te realiseren, kan eenvoudig een robuuste riet-omzoming worden gerealiseerd van bijvoorbeeld eveneens 5 meter breed. Deze onttrekt minimaal de voet, maar feitelijk vrijwel de gehele hoogte van de panelen, doorgaans op 220 – 250 cm boven maaiveld, aan het oog. De vrijgekomen grond kan bovendien verwerkt worden in een lage grondwal met steilrand, als aanvullende voorziening voor biodiversiteit (zie hierna), maar tevens om herstel van de oorspronkelijke situatie na beëindiging van het zonnepark realistisch mogelijk te maken. De profielverbreding betekent overigens tevens een robuuster polderwatersysteem met meer ruimte voor piekberging. Wanneer een houtige randzone wordt ontwikkeld dient deze bij voorkeur te bestaan uit struweel van de natuurlijke rijke struweellaag van Essen-Iepenbos, zie onderstaande tabel. Hierin veel bloem- en bes-rijke soorten en daarmee grote betekenis als nectarbron voor insecten, voor zangvogels, en als voedsel voor kleine zoogdieren. 37
Deze soorten hebben bovendien goed verteerbaar kalkhoudend strooisel, wat bijdraagt aan een soortenrijk bodemleven.
C. Wat betreft ecologische toevoegingen in zonneparken Naast ondergroei en randzones zijn er aanvullende maatregelen mogelijk die bijdragen aan de biodiversiteit. Bij voorkeur refereren deze aan typische kenmerken van de natuurlijke situatie of vegetatie, passend bij de ondergrond of locatie, maar dit is geen noodzaak. Ook hier geldt dat niet veel fout gedaan kan worden, maar dat het vooral gaat om optimalisatie van de verrijking. Hieronder enkele suggesties die op dit moment in parken worden toegepast. Uiteraard is deze opsomming nooit volledig en zijn er altijd nieuwe maatregelen aan toe te voegen. De eerste aanvullende maatregel betreft zoals eerder genoemd het toevoegen van dood hout onder de panelen. Dit kan bijvoorbeeld eenvoudig in de vorm van stammen van in het groenbeheer gekapte bomen. Deze zullen gedurende 10-20 jaar geheel verteren en verdwijnen. Daarbij voedsel en nestelhabitat biedend aan een groot aantal insectensoorten, maar ook bijdragend aan een stabiel microklimaat onder de panelen en aan een constante toevoeging van organisch materiaal aan de bodem. Bij een zuidopstelling kunnen deze eenvoudig na aanleg van het park tussen de stellages worden aangebracht, en zodanig dat het geen belemmering oplevert voor beheer. Bij een oost-westopstelling is dit iets lastiger en moet dit gedurende de aanleg worden uitgevoerd.
Een andere toevoeging die bijdraagt aan de biodiversiteit is het realiseren van kleine grondwalletjes met steile randen. Dit laatste is belangrijk omdat zo onbegroeide delen blijven bestaan die voor bijvoorbeeld graafbijen en -wespen nestelhabitat opleveren. Dergelijke steile randjes of grondwallen zijn in oudere landschappen door egalisatie verdwenen, in Flevoland zijn deze nooit aanwezig geweest, maar kunnen desalniettemin een aanvullend habitat leveren. Grondwalletjes kunnen bijvoorbeeld de basis vormen van groene randelementen als hagen, struweelhagen of houtwallen. Naast deze voorzieningen zijn in een zonnepark andere aanvullende voorzieningen mogelijk zoals insectenhotels, vogelnestkasten en vleermuiskasten. Hiervoor zijn bijvoorbeeld de transformatoren te benutten als gebouwde elementen in ieder park.
7. Aanbevelingen voor locaties voor zonneparken in Flevoland. Zoals eerder in het stuk aangegeven zijn er ruimtelijke aspecten die bepaalde zones in het landschap beter geschikt maken voor zonneparken dan andere. Er zijn technische randvoorwaarden aan te geven zoals elektrische infrastructuur en onderstations, maatschappelijke randvoorwaarden als zichtbaarheid en aansluiting bij bebouwd gebied, of juridische randvoorwaarden zoals bestemmingsgebieden of beschermingszones. In deze paragraaf bespreken we de ecologische aspecten of randvoorwaarden als basis voor beoordeling van locaties. 38
Ten eerste gelden er een aantal heldere uitsluitingsprincipes. Zo dienen bestaande natuurgebieden met biodiverse en ecologisch rijke gronden, en andere beschermingszones als weidevogelleefgebieden, te worden geïdentificeerd en uitgesloten van ontwikkeling van zonneparken. Dit tenzij garanties gegeven kunnen worden dat de natuurlijke rijkdom van deze gronden niet wordt aangetast. Aan de andere kant van het spectrum dienen ook de meest ecologisch arme gronden (in de zin van biodiversiteit en ecologische waarde) geïdentificeerd te worden en geprioriteerd voor de ontwikkeling van zonne-parken. Deze ‘groene woestijnen’ kunnen zeer intensieve landbouwgebieden zijn. Uiteraard speelt hier de afweging tussen voedselproductie en energieproductie, waarbij herstel van biodiversiteit als een doorslaggevende stem kan fungeren. Tussen deze twee polen zijn een aantal gebied aan te wijzen als geprioriteerde zoekgebieden voor zonneparken op basis van hun bijdrage aan de ecologische structuur. Zoals beschreven kan een bestaande groenstructuur ecologisch worden ‘opgeladen’ door hieraan gekoppeld zonneparken te ontwikkelen. Anderzijds kan een zonnepark ook beter bereikbaar worden voor fauna door het aantakken op het grotere groene netwerk.
Ten slotte is ook de mogelijkheid tot waterpeilaanpassing aanwezig in randzones tussen agrarisch gebied en nat groengebied, die daarmee als hydrologische buffer kunnen gaan functioneren. Het leidt tot een structuur van zoekgebieden voor zon, zoals op de onderstaande kaart is weergegeven (aanzet).
Voorzet voor een kaart Zoekgebieden zonneparken Flevoland
8. Bijdrage aan natuur en landschap op langere termijn. Tijdelijke versus permanente groenstructuren.
Landschappelijke inpassing van zonneparken kan een structurele bijdrage leveren aan de ecologische en ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Frustrerend hierbij kan zijn dat structuren in de basisovereenkomsten als tijdelijk moeten worden beschouwd. Bij tijdelijke gebruiksovereenkomsten, voor 25 jaar, geldt in principe de voorwaarde dat het hele gebied weer in de oorspronkelijke staat wordt opgeleverd. Houtwallen ontwikkelen 39
hun bos-achtige kwaliteit en landschappelijk effect echter pas op langere termijn. Verwijderen na 25 jaar betekent feitelijk het weer vernietigen van pas ontwikkelde nieuwe kwaliteit, onwenselijk, kostbaar, en bovendien onzeker wegens mogelijke dan noodzakelijke ontheffingen vanuit Wet Natuurbeheer Ook verbrede watergangen met ecologische oeverprofielen zijn waardevolle inpassingsstructuren die blijvend de landschapsstructuur en ecologische structuur (en bovendien de waterstructuur) kunnen versterken. Hier is na 25 jaar formeel het dichtschuiven van watergangen of herstellen van steile profielen aan de orde. Hiervoor zal in de praktijk vrijwel nooit worden gekozen, maar voor minder kwalitatieve vormen van landschappelijke inpassing als de hoge hekken. Daarmee werpt de tijdelijkheid haar schaduw vooruit, in beide vormen van inpassing. In een aantal gemeenten wordt om deze reden serieus overwogen het deel van de grond, daar waar de randstructuren zijn gerealiseerd, permanent te verwerven en op een bepaald moment over te nemen van de grondeigenaar. In dat geval hoeft een ontwikkelde groenstructuur na 25 jaar niet meer te worden teruggebracht naar de eerdere situatie, en kunnen de kwaliteiten blijven bijdragen aan de structuur van het landschap. Voor Lelystad en Flevoland adviseren wij deze strategie over te nemen.
Dit betekent dus in de procedure eerst een goed ruimtelijk kader aan te geven voor zonneparken, uitgaand van het hierbinnen ontstaan van een groene omzoming als inpassingsmaatregel. Deze groene omzoming vervolgens als basis te gebruiken voor een globale maar lichte bestemmingswijziging in deze gebieden (landbouw ->landbouw met groen/water). Hiervoor is voldoende tijd en kan eenvoudig worden gewacht op de actualisatie van bestemmingsplan, die eens in de 1-2 decennia aan de orde is. Daarna voor een concreet zonnepark eerst een goed ontwerp opstellen. Vervolgens de structuren door de gemeente te laten verwerven, voor deze zones in deze bestemmingsplan aanpassing een concrete bestemmingswijziging (landbouw >groen/water) te organiseren, en hiermee ten slotte te bouwen aan een nieuwe permanente landschapsstructuur.
40
9. Bronnen Lit. 1. UK PV and biodiversity study: http://www.solar-trade.org.uk/wpcontent/uploads/2016/04/The-effects-of-solar-farms-on-local-biodiversity-study.pdf Lit. 2. UK BRE guidance: https://www.bre.co.uk/filelibrary/pdf/Brochures/NSCBiodiversity-Guidance.pdf Lit. 3. NABU 1 (in German): https://www.nabu.de/umwelt-undressourcen/energie/erneuerbare-energien-energiewende/solarenergie/04300.html Lit. 4. NABU 2 (in German): https://www.natur-und-landschaft.de/de/news/photovoltaikfreiflachenanlagen-naturvertraglich-ausbauen-280 Lit. 5. National Farmer’s Union (UK): https://www.nfuonline.com/assets/43906 Lit. 6. RSPB paper on PVs: https://www.rspb.org.uk/Images/Solar_power_briefing_tcm9-273329.pdf Lit. 7. First Solar paper: http://www.etippv.eu/uploads/media/Solar_parks_and_their_influence_on_Biodiversity_Andreas_Wade .pdf Lit. 8. UK event on PV and biodiversity: http://www.weset.org/WeSETseminar16June2017.pdf Lit. 9. Armstrong. Solar park microclimate and vegetation management effects on grassland carbon cycling: https://iopscience.iop.org/article/10.1088/17489326/11/7/074016/pdf Lit. 10. Louis Bolk Instituut. Zonneparken en bodemafdekking: http://www.louisbolk.org/downloads/3270.pdf Lit. 11. WUR 2019 ‘Zonneparken, Natuur en Landbouw’ https://edepot.wur.nl/475349 Lit. 12.
Naturalis 2020, The effects of solar parks on plants and pollinators: the case of Shell Moerdijk https://www.naturalis.nl/system/files/inline/Report%20The%20effects%20of%20solar%2 0parks%20on%20plants%20and%20pollinators%20%20the%20case%20of%20Shell%20Moerdijk%20_0.pdf
41
Bijlage 2 : Gedragscode Zon op Land
42
Bijlage 3: Reactienota concept zonneveldenbeleid
43