Bijlage 16 Quickscan Wnb ZuiderC deelgebieden 1-4 te Lelystad
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming ZuiderC deelgebieden 1-4 Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0328
Datum:
10 oktober 2023 (revisie 15 december 2025)
Samensteller:
E. Honingh MSc.
Collegiale toets:
ing. D.F. Knoops
Opdrachtgever:
Gemeente Lelystad
Contactpersoon:
M. Brinkbäumer
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
4
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
8
2.1
Uitvoering onderzoek
8
2.2
Soortenbescherming
8
2.3
Gebiedsbescherming
10
2.4
Houtopstanden
11
2.5
Houdbaarheid en toepassing
11
2.6
Gedragscode
11
3 Beoordeling
12
3.1
Soortenbescherming
12
3.2
Gebiedsbescherming
18
3.3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
20
4.3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5.1
Conclusie
21
5.2
Uitvoerbaarheid
21
5.3
Vervolgstappen
21
5.4
Te treffen maatregelen
21
1 Inleiding Aan de Larserdreef e.o. zijn verscheidene agrarische percelen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om nieuwbouwwoningen te realiseren op de bestaande agrarische percelen op de planlocatie. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. De gemeente Lelystad heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Larserdreef e.o. (figuur 1.2). De planlocatie is opgedeeld in vier verschillende gebieden: -
-
-
-
Op deelgebied 1 worden uien gecultiveerd en was braakliggend. Ten zuidoosten van de planlocatie is er langs de doorgaande weg een ruigtestrook gesitueerd. Het deelgebied ligt ingesloten tussen twee doorgaande wegen waarbij er naast de noordelijke doorgaande weg een kanaal gelegen is. Deelgebied 2 is in zijn geheel met mais ingezaaid waarbij er een aantal bomen aanwezig zijn die in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling behouden blijven. Ten westen het deelgebied is ruim oppervlaktewater gelegen, ten oosten een spoorbaan en ten noorden een penitentiaire inrichting. Deelgebied 3 bestaat uit kort gras en klavers waarbij er ten noordoosten een ruigtestrook aanwezig is. Naast het deelgebied ten noord-, oost- en westen zijn industrieterreinen en doorgaande wegen gelegen. Ten zuiden is een agrarisch perceel gelegen. Deelgebied 4 bestaat uit een deels gerooid uienveld met een watergang ten noordwesten en agrarische percelen aan de andere zijde.
Voor de deelgebieden 2 en 4 is een reeds een natuurtoets uitgevoerd waarnaar zal worden verwezen in deze rapportage (R. Apperloo, 2021) In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
4
Figuur 1.1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Larserdreef e.o..
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de stad Lelystad ten noorden en agrarische percelen ten zuiden. Op en nabij de planlocatie zijn (grote) watergangen aanwezig en het markermeer is op circa 2km ten westen van de planlocatie aanwezig. Op circa 1,3km ten zuiden zijn de stadsbossen Lelystad gesitueerd met aansluitend de Oostvaardersplassen.
5
Figuur 1.2 De verschillende percelen op de planlocatie aanwezig, de nummers op het figuur komen overeen met de nummers in figuur 1.2.
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie, gefotografeerd vanuit deelgebied 1.
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het realiseren van nieuwbouwwoningen op de bestaande agrarische percelen op de planlocatie. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een bestemmingsplanwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • mogelijk dempen van (delen van) sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
7
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2023 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 23 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
8
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift.
Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn – Provincie Flevoland Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is verboden om van alle vogelsoorten nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. In de provincie Flevoland zijn naast nesten van vogels in categorie 1 t/m 4, nesten van soorten binnen categorie 5a in beginsel ook jaarrond beschermd. Indien middels een ecologische beoordeling blijkt dat aantasting niet van invloed is op de lokale Staat van Instandhouding van de soort, bijvoorbeeld omdat er voldoende geschikte uitwijkmogelijkheden zijn.
Nesten van vogels in de provincie Flevoland welke vallen binnen categorie 5b zijn in beginsel niet jaarrond beschermd, tenzij door aantasting de lokale staat van instandhouding van de soort in het geding komt, bijvoorbeeld omdat er geen of onvoldoende geschikte uitwijkmogelijkheden zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5a: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, tenzij aantasting van invloed is op staat van instandhouding. Vogelsoorten onder categorie 5b: nesten en rustplaatsen niet jaarrond beschermd, tenzij door aantasting staat van instandhouding in het geding komt.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boerenzwaluw Bosuil Gierzwaluw
Grote gele kwikstaart Huismus Kerkuil
Ransuil Roek Slechtvalk
Steenuil Torenvalk
Rode wouw Sperwer Wespendief
Zeearend Zwarte wouw
Kleine bonte specht Middelste bonte specht Oeverzwaluw
Spreeuw Tapuit Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5a Boomvalk Buizerd Havik
Oehoe Ooievaar Raaf
Vogelsoorten onder categorie 5b Blauwe reiger Draaihals Groene Specht
Grote bonte specht Huiszwaluw IJsvogel
9
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Flevoland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Flevoland. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.
10
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
2.6 Gedragscode Een gemeente kan gebruik maken van de gedragscode Stadswerk. De gedragscode Stadswerk geldt voor soortenbescherming. Deze gedragscode kan ingezet worden voor zowel bestendig beheer & onderhoud als voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het gebruik van de gedragscode is het noodzakelijk om inzichtelijk te hebben of beschermde soorten aan- of afwezig zijn en wat de gebiedsfuncties van het leefgebied zijn. Indien de beoogde activiteiten en gevolgen voor beschermde soorten binnen de reikwijdte van de gedragscode vallen, kan de gedragscode van toepassing worden verklaard op de activiteit en hoeft voor de activiteit niet een losse ontheffing Wet natuurbescherming te worden verkregen.
11
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de kartuizer anjer (NDFF 2013-2023). De kartuizer anjer groeit van nature op matig voedselarme en kalkhoudende grond in grasland, bermen en rotsachtige plaatsen. De dichtstbijzijnde waarneming is op circa 1,2 ten noordwesten van deelgebied 1 en beide waarnemingen betreffen een uit cultuur verwilderde soort. Deelgebied 1, 2 en 4 betreffen actief gebruikte agrarisch percelen waarbij een hoge mate van stikstof in de bodem aanwezig zal zijn en de percelen jaarlijks bewerkt worden. Gezien deze hoge stikstof concentraties en de verstoring, is er geen sprake van de voorkeursbiotoop van de soort. Deelgebied 3 betreft een ingezaaid en gemaaid grasland op een afstand van circa 3,7 km tot de dichtstbijzijnde waarneming.
Gezien het regelmatig maaien van het grasland en de dispersieafstand van de soort ligt tussen de 10 en 100 m (Wamelink et al., 2011), kan uitgesloten worden dat de kartuizer anjer op de planlocatie aanwezig is. Daarnaast heeft de ruigtestrook, gezien het voorkomen van, onder andere, distels een uitgesproken voedselrijk karakter waardoor het ontbreekt aan geschikte standplaatslocaties voor de kartuizer anjer. De aanwezigheid van de kartuizer anjer is op de planlocatie derhalve uit te sluiten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, bijvoet, grote weegbree, Jacobs kruiskruid, rode kornoelje, smeerwortel en veldzuring. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, edelhert, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, otter, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, edelhert, hermelijn, otter, steenmarter, wezel, en wild zwijn. In de nabije omgeving van de planlocatie zijn meerdere waarnemingen en burchten van de bever bekend. De bever komt voornamelijk voor rond (grotere) wateren met op de oevers een dichte begroeiing van houtige vegetatie. Op plangebied 1 en 3 zijn van een open karakter waar geen houtige vegetatie aanwezig is. Gezien de afwezigheid van bosschages en schuilplekken kan de aanwezigheid van bevers op de plangebieden 1 en 3 uitgesloten worden.
12
Rond het oppervlakte water ten westen van plangebied 2 en 4, de Torenvalktocht genoemd, zijn meerdere bevers waargenomen en er is een beverburcht ten oosten van plangebied 4 bekend (Reinhold & Borsch, 2022). De aanwezigheid van bevers in het oppervlaktewater en de oevers nabij de plangebieden 2 en 4 kan gezien de bekende waarnemingen aangenomen worden. Afhankelijk van de functie van de oever kan er verstoring optreden door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Het uitgangspunt van de ontwikkelingen is om de oevers niet te verstoren en/of aan te tasten. In de beoogde ontwikkeling wordt ook veel waterrijke natuur aangelegd wat uiteindelijk ook nieuw leefgebied voor de bever oplevert. Hierdoor wordt het leefgebied van de bever positief beïnvloed. Landschapsbeheer Flevoland (Reinold & Borsch, 2022) heeft onderzoek gedaan naar de bever nabij plangebied 2 en 4. Zij concluderen dat er geen essentiële onderdelen aanwezig zijn. Blom Ecologie kan deze conclusie volgen, maar wil de kanttekening plaatsen dat dit sinds het uitgevoerde onderzoek veranderd kan zijn. De bever breidt zich in Nederland namelijk snel uit. Gezien de vele waarnemingen in de NDFF is de bever ook veelvuldig aanwezig in Lelystad en omgeving. Mogelijk kan de situatie sinds de uitvoering van het onderzoek van Reinold & Borsch veranderd zijn.
Hierdoor dienen enkele maatregelen gevolgd te worden zodat op voorhand gewaarborgd kan blijven dat er geen negatieve effecten ontstaan ten aanzien van de bever. Hiervoor dient gewerkt te worden met een ecologisch werkprotocol (zie H5.3). De boommarter komt voor in bossen en boomrijke gebieden. De soort gebruikt als rust- en voortplantingsplaats onder andere boomholten en bestaande holen van andere zoogdieren. Gezien de agrarische eigenschap van de deelgebieden ontbreekt het aan grote boomrijke gebieden op de planlocatie. Ten zuiden van deelgebied 2 zijn bomen aanwezig die in de beoogde ruimtelijke ingreep behouden blijven. Derhalve kan uitgesloten worden dat er in binnen de beoogde ruimtelijke ingreep sprake is van aantasting van rust- of voortplantingsplaatsen van de boommarter. Tevens vormt de planlocatie voor deze soorten geen essentieel leefgebied gezien het ontbreken van boomrijke gebieden. Het wild zwijn is niet gevestigd in de Provincie Flevoland en kent hier geen natuurlijk verspreidingsgebied. De bekende waarnemingen uit de NDFF (één uit 2016 en één uit 2018) zijn zeer aannemelijk foutief. Gezien er binnen de Provincie Flevoland geen natuurlijk verspreidingsgebied van de soort aanwezig is, kent deze geen beschermde status zoals bedoeld in Bal art. 11.54.
Los daarvan is er op de planlocatie geen sprake van rustplaatsen, voortplantingsplaatsen of essentieel foerageergebied gezien het huidige gebruik en inrichting. Het ontstaan van negatieve effecten op het wild zwijn is uitgesloten. Het edelhert komt voor in verschillende gebieden waarbij het een voorkeur heeft voor bosgebieden met weinig recreatie die grenzen aan grasgebieden. De aanwezigheid van gras en water zijn de belangrijkste voorkeuren voor de biotoop. De waarnemingen van het edelhert die bekend zijn, zijn voornamelijk in de stadsbossen Lelystad, het natuurpark Lelystad en de Oostvaardersplassen gedaan. Gezien het actief gebruik van de plangebieden en het ontbreken van geschikt leefgebied voor de soort kan de aanwezigheid van het edelhert op de planlocatie uitgesloten worden. De otter is voornamelijk aanwezig in (schone) watergangen met voldoende voedsel en vegetatie en weinig verstoring. Voor de otter dient er een netwerk aan watergangen aanwezig te zijn gezien versnippering een grote invloed heeft op het gebruik van een omgeving voor de soort. Voor dagrustplaatsen worden oevers met dichte vegetatie, struwelen, bosschages en oude holen van andere zoogdieren gebruikt. De plangebieden 1 en 3 zijn van een open karakter waar geen vegetatie of bosschages aanwezig zijn.
Gezien de afwezigheid van schuilmogelijkheden kan de aanwezigheid van de otter op de plangebieden 1 en 3 uitgesloten worden. In en nabij de Torenvalktocht zijn meerdere waarnemingen van de otter bekend. Gezien de waarnemingen kan het aangenomen worden dat er otters aanwezig zijn in het oppervlaktewater en op de oevers nabij de planlocaties 2 en 4. Het uitgangspunt is dat de huidige oevers en watergangen niet worden aangetast, waardoor geen negatieve effecten zullen ontstaan. In de toekomstige situatie wordt veel waterrijke natuur aangelegd welke aannemelijk een leefgebied gaat vormen voor de otter. Om negatieve effecten tijdens de werkzaamheden uit te kunnen sluiten dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. (zie H5.4).
13
De bunzing, hermelijn, wezel en steenmarter behoren tot de marterachtigen. Deze soorten zijn kenmerkend voor kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende structuurelementen die beschutting bieden zoals houtstapels of heggen. De steenmarter komt echter ook voor in (de buurt van) dorpen en steden. Schuilplaatsen voor deze soorten bestaan uit oude holen van andere zoogdieren, holle bomen, boomwortels, hout- en stenenstapels of in stro- en hooibalen. De vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter bevinden zicht in het bijzonder regelmatig in bebouwing. Er is geen bebouwing aanwezig waardoor de rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter uitgesloten kunnen worden. In de verruigde onderdelen van deelgebieden 1 en 3 zijn mogelijk verblijfplaatsen van de bunzing, hermelijn en wezel aanwezig. Daarnaast kunnen alle deelgebieden mogelijk ook als foerageergebied gebruikt worden. Er is geen sprake van essentieel foerageergebied gezien de aanwezigheid van de ruimte hoeveelheid alternatief leefgebied in de nabije omgeving. Mochten de verruigde onderdelen van deelgebieden 1 en 3 in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling niet behouden blijven, dan worden er mogelijk verblijfplaatsen van bunzing, hermelijn en wezel verstoord, beschadigd of ongeschikt gemaakt.
Ten aanzien van de bescherming van de bunzing, hermelijn en wezel stelt de provincie Flevoland zich pragmatisch op en bied de mogelijkheid voor mitigatie in plaats van aanvullende onderzoeken. Er kan alleen voor deze benadering gekozen worden als er door kwaliteitsimpuls toch voldoende leefgebied overblijft of elders voldoende leefgebied wordt teruggebracht. De ontwikkeling van de deelgebieden gaat gepaard met grootschalige (waterrijke) natuurontwikkeling. Deze natuurontwikkeling zal voorzien in de noodzakelijke compensatie van het groen. De planlocatie heeft mogelijk ook een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bosmuis, bruine rat, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis en ruige vleermuis (NDFF 2013-2023).
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zullen er in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling geen bomen gekapt worden welke kunnen dienen als verblijfplaats. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen of verstoren van potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Gezien het ontbreken van bebouwing is de aanwezigheid verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uit te sluiten. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er zijn nabij de planlocatie verscheidene lijnvormige structuren die voor vleermuizen op grotere schaal een functie kunnen vervullen zoals de bomenrij rond plangebied 2 en het oppervlaktewater nabij plangebied 2 en 4.
Deze lijnvormige structuren zullen in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling behouden blijven waardoor er geen essentiële vliegroutes aangetast worden. De verschillende deelgebieden bestaan uit agrarische percelen die mogelijk als foerageergebied kunnen functioneren voor vleermuizen. Gezien de grote hoeveelheid alternatief, en kwalitatief beter foerageergebied in de nabije omgeving is er geen sprake van essentieel foerageergebied. De watergangen ten westen van plangebieden 2 en 4, de Torenvalktocht, kunnen mogelijk tot 14
foerageergebieden behoren voor onder andere de water- en meervleermuis. Landschapsbeheer Flevoland heeft hier onderzoek naar gedaan (Reinold & Borsch, 2022). Zij concludeerden dat er geen sprake is van aantasting van essentiële onderdelen. De watergangen zullen in de beoogde ruimtelijke ontwikkeling behouden blijven. Omdat in de beoogde ontwikkelingen ook veel waterrijke natuur wordt gerealiseerd is het aannemelijk dat de functie van het gebied in de toekomst essentiëler wordt. Om het gebied op een optimale manier voor vleermuizen in te richten dienen enkele maatregelen gevolgd te worden. Deze worden uiteengezet in het ecologisch werkprotocol (zie H5.3). Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander en rugstreeppad. Het voortplantingswater van de Alpenwatersalamander bestaat uit allerlei oppervlaktewateren, met uitzondering van stromende of visrijke wateren. De soort is weinig kritisch en veelal worden poelen en tuinvijvers gebruikt als voortplantingswater.
Overwintering vindt veelal plaats op het land onder stronken, houtstappels en kleine holen. Het oppervlaktewater dient vanaf de overwinterplaats goed bereikbaar te zijn. Op de planlocatie ontbreekt het aan geschikte overwinteringsplaatsen en landhabitat die zich nabij geschikt oppervlaktewateren bevinden. Hierdoor kan de aanwezigheid van alpenwatersalamander op de planlocatie uitgesloten worden. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op en bevat bij voorkeur geen vegetatie en concurrentie van andere amfibieën. Deelgebied 1, 2 en 4 worden in hun huidige vorm te intensief gebruikt om momenteel een geschikt leefgebied te bieden voor de rugstreeppad. Daarnaast is er op deelgebied 3 volledige vegetatie aanwezig wat het gebruik van het gebruik van dit deelgebied verhinderd. In de huidige situatie is er door het bovenstaande geen geschikt leefgebied aanwezig voor de rugstreeppad. Tijdens de werkzaamheden ontstaan mogelijk wel geschikte omstandigheden voor de rugstreeppad. De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad in de afgelopen 3 jaar is gedaan op circa 200 meter van de planlocatie.
Gezien de nabijheid van de recente waarneming, dienen maatregelen genomen te worden om de aanwezigheid van de rugstreeppad op de planlocatie te voorkomen (zie H5.4 en bijlage 3). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is voornamelijk aanwezig in waterrijke plaatsen met voldoende beschutting en weinig verstoring. Als winterverblijfplaatsen worden voornamelijk holen, compost- en bladhopen, houtstapels en onder oude bomenstammen gebruikt terwijl broeihopen voornamelijk dienst doen als voortplantingsplaatsen. Gezien het agrarische gebruik en dus het open karakter van de deelgebieden zijn er voor de ringslang geen benodigde habitateisen aanwezig. De aanwezigheid van de ringslang op de planlocatie kan hierdoor uitgesloten worden.
De oever en de aansluitende vegetatie nabij deelgebieden 2 en 4 bevinden zich op korte afstand (circa 300 meter) van bekende waarnemingen van de ringslang. Afhankelijk van de functie van de oevers voor de ringslang kan er met de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen verstoring optreden. Het uitgangspunt is om de oevers niet aan te tasten.
15
Daarnaast wordt er in de toekomstige situatie veel waterrijke natuur aangelegd welke een positieve invloed zal hebben op (het leefgebied van) de ringslang. Om het voorkomen van negatieve effecten tijdens de aanlegfase te voorkomen dienen maatregelen gevolgd te worden. Deze zullen uiteengezet worden in een ecologisch werkprotocol (zie H5.4). Tevens worden hierin enkele inrichtingsmaatregelen benoemd om de nieuwe natuur optimaal in te richten voor de soort. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: grote vos en grote weerschijnvlinder (NDFF 2013-2023). De grote vos en grote weerschijnvlinder zijn beide gebonden aan bosgebieden. De grote vos komt voornamelijk voor in bossen, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplanten betreffen de iep, zoete kers en sommige wilgensoorten.
Het leefgebied van de grote weerschijnvlinder bestaat uit oudere en vochtige bossen. Waardplanten zijn boswilg en grauwe wilg. Op de deelgebieden ontbreekt het aan bomen, echter zijn er nabij (circa 50 meter) deelgebieden 1, 2 en 3 bomen aanwezig waar er enkele losse waarnemingen bekend zijn van beide soorten. De waarnemingen zijn uit 2021 zonder vervolgwaarnemingen. Tijdens de beoogde ruimtelijke ontwikkeling blijven deze bomen behouden waardoor negatieve effecten ten aanzien van de grote vos en grote weerschijnvlinder uitgesloten zijn. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, boerenzwaluw, gele kwikstaart, grote bonte specht, holenduif, houtduif, ijsvogel, knobbelzwaan en torenvalk.
Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Gezien het ontbreken van bebouwing op de planlocatie kan het voorkomen van de huismus- en gierzwaluw nestlocaties uit te sluiten.
Gezien het ontbreken van bebouwing nabij de planlocatie, resulteert de beoogde ruimtelijke ontwikkeling niet in afname van essentieel leefgebied van de huismus.
16
Er is geen bebouwing aanwezig voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Gezien de grote hoeveelheid alternatieven in de nabije omgeving is er op de planlocatie geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bomen aan de rand van de planlocaties vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
17
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ en op circa 2,2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’ (figuur 3.1). Deze twee Natura 2000-gebieden zijn niet geclassificeerd als stikstofgevoelig (aerius.nl).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ en circa 2,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Oostvaardersplassen’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van nieuwbouwwoningen. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling.
De afstand tot het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied is gering (1,6 km), echter is de afstand tot een Natura 2000-gebied dat als stikstofgevoelig is geclassificeerd (Natura 2000-gebied ‘Veluwe’) groot (circa 23 km). Gezien de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling wordt, ondanks de grote afstand, een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator geadviseerd.
18
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 500 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartportaal-flevoland.hub.arcgis.com).
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
19
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden om het ontstaan van negatieve effecten op bever, otter en ringslang in plangebied 2 en 4 te voorkomen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep Planten Grondgebonden zoogdieren Bever Otter Vleermuizen Amfibieën Reptielen Ringslang Vissen Insecten en andere ongewervelden
Bescherming Wnb
Vervolgstap
Mogelijke functie planlocatie
Plangebied
art. 3.5 art. 3.5
EWP opstellen
Verblijfplaats & essentieel leefgebied
2&4 2&4
art. 3.10
EWP opstellen
Verblijfplaats & foerageergebied
2&4
Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gezien de grootschaligheid van het project wordt een stikstofonderzoek geadviseerd. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland
Afstand 1,6 km (niet-stikstofgevoelig) 500 m
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Stikstof
Stikstofonderzoek
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
20
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Larserdreef e.o. is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, marterachtigen, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden voor plangebied 2 en 4 (soortenbescherming).
5.3 Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient een ecologisch werkprotocol voor de bever, otter en ringslang opgesteld te worden voor plangebied 2 en 4. Voor andere soorten c.q. soortgroepen zullen hier ook maatregelen (algemene en waar nodig specifieke zorgplicht) opgenomen worden.
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De mogelijk beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vissoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. De dempwerkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd om aanwezige vissen voldoende uitwijkmogelijkheden te bieden. Indien dit niet mogelijk is dient de werklocatie afgevist te worden.
• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3.
21
• De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. • In de ontwerpfase van het plan dient bij de groencompensatie rekening gehouden te worden dat dit zo wordt aangelegd dat dit een kwaliteitsimpuls voor het leefgebied van met name marterachtigen, bever, otter, ringslang en vleermuizen betreft. • Om verstoring voor vleermuizen te voorkomen dient de planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie niet verlicht te worden. Voor de water- en meervleermuis dient er extra zorgvuldig gelet te worden dat het oppervlaktewater van de Torenvalktocht (plangebied 2 en 4) niet verlicht wordt. Hier wordt in het ecologisch werkprotocol extra aandacht aan besteed. De werkzaamheden in de periode april-oktober dienen tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd te worden (buiten schemerperiodes).
Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
22
Bronvermelding Apperloo R., 2021, Quickscan natuurtoets Warande, Lelystad. Ecogroen, Zwolle Reinhold J. & Borsch P., 2022, De bever, water- en meervleermuis nabij de nieuwe wijk De Nooten Lelystad, Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. Wamelink, G. W. W., Jochem, R., van der Greft-van Rossum, J. G. M., Grashof-Bokdam, C. J., Wegman, R. M. A., Franke, G. J., & Prins, A. H., 2011. Het plantendispersiemodel DIMO; verbetering van de modellering in de Natuurplanner (No. 241). Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Watervleermuis (Myotis daubentonii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Ecologie rugstreeppad
23
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Larserdreef e.o. en bestaat uit vier deelgebieden (deelgebied 1 is hierboven weergegeven). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van nieuwbouwwoningen.
Figuur 2
Impressie van deelgebied 2 met de aangrenzende bomenrij met daarnaast de Torenvalktocht als oppervlaktewater
24
Figuur 3
Impressie van deelgebied 3 met aangrenzende groenstructuren en ruigtestrook.
Figuur 4
Impressie van deelgebied 4 met de aangrenzende oever aan de Torenvalktocht.
25
Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
26
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
27
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het
daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,
industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter
plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.
28
Bijlage 3 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.
29
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.