Bijlage 10 Motivering - Project-m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
Project-m.e.r.-beoordeling Stadhuisplein 51 te Lelystad
Projectnummer: 4304.02 Datum: 20-10-2025
Inhoud 1.
Algemeen ......................................................................................................... 1
2.
Toetsing ........................................................................................................... 2 2.1
Algemeen............................................................................................................ 2
2.2
De kenmerken van het project .......................................................................... 2
2.3
De plaats waar het project wordt verricht ........................................................ 2
2.4
De kenmerken van het potentiële effect ........................................................... 4
2.4.1 2.4.2 2.4.3
3.
Luchtkwaliteit ....................................................................................................................... 4 Beschermde natuurgebieden ............................................................................................ 4 Overige milieuaspecten ...................................................................................................... 5
Conclusie ......................................................................................................... 6
BIJLAGEN 1. Quickscan natuurwaardenonderzoek 2. Voortoets stikstofdepositie (AERIUS-berekening)
Project-m.e.r.-beoordeling
1.
Buro Ontwerp & Omgeving
Algemeen Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling is opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat in de eerste kolom de omschrijving van projecten. In de vierde kolom staan de besluiten waarvoor de merverplichtingen gelden. Dit zijn besluiten zoals: • een omgevingsvergunning; • een projectbesluit; • het omgevingsplan (incl. buitenplanse omgevingsplanactiviteiten). Indien het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1, en het besluit in de laatste kolom staat, dient er te worden gekeken naar kolom 2 en vervolgens naar kolom 3. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor een project waar in kolom 2 geen voorwaarden zijn opgenomen, en waar volgens kolom 3 een project-m.e.r.-beoordeling verplicht is, dient altijd een project-m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd, voordat duidelijk is of er voor het project een MER moet worden opgesteld.
Indien een project project-m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt door het bevoegd gezag getoetst of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee uitkomsten mogelijk: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer-procedure, waarbij een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer-procedure nodig en er hoeft geen MER te worden gemaakt.
1
Project-m.e.r.-beoordeling
Buro Ontwerp & Omgeving
2.
Toetsing
2.1
Algemeen Op de locatie aan het Stadhuisplein 51 te Lelystad is een voormalig PostNL kantoor gelegen. Het projectgebied is in de huidige situatie verhard en grotendeels bebouwd. Initiatiefnemer is voornemens de locatie te herontwikkelen. Hierbij wordt een appartementencomplex gerealiseerd met 140 woningen, binnen het bestaande bouwvlak van het voormalig postkantoor. Behalve woningen wordt er ook ruimte geboden aan andere functies. Zo zal er op de eerste woonlaag een collectieve ruimte worden gerealiseerd voor bewoners, welke dienst kan doen als 'huiskamer' voor de bewoners, en zal er een gedeelde daktuin aangelegd worden. Daarnaast wordt er in het initiatief rekening gehouden met parkeerplaatsen voor zowel auto’s als fietsen. De realisatie van de woningen met collectieve ruimte, daktuin en parkeerplaatsen kan worden gekwalificeerd als ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ als genoemd in onderdeel J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij deze projecten is er geen sprake van een directe MER plicht. Bij het bepalen van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wordt, conform de Bijlage III van de Europese Richtlijn, ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten.
2.2
De kenmerken van het project Het projectgebied is gelegen in het centrum van Lelystad. De noordzijde van het projectgebied grenst aan de Poststraat, de oostzijde aan de Neringweg, en de westzijde grenst aan het Stadhuisplein met het stadhuis van Lelystad, de Zuil van Lely en verschillende winkels en horecavoorzieningen. Aan de zuidzijde sluit het projectgebied aan op bestaande bebouwing, waarbij de plint is ingevuld met diverse voorzieningen en de bovenliggende verdiepingen bestaan uit woningen. Het projectgebied staat kadastraal bekend als gemeente Lelystad, Sectie M, nummer 3270 en 7411. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van de locatie van het projectgebied, waarbij woningbouw gerealiseerd wordt. De herontwikkeling betreft de sloop van het voormalige postkantoor van PostNL, en de bouw van een wooncomplex met in totaal 140 appartementen. Daarnaast wordt er ruimte voor parkeren, een dakterras en een collectieve ruimte geboden. De 140 nieuwe appartementen bestaan uit verschillende oppervlaktes, en zullen tevens vallen binnen verschillende prijsklassen. De indicatieve verdeling betreft 40% sociale huur en 60% middenhuur. In de parkeergarage behorende bij het initiatief worden in totaal 66 autoparkeerplaatsen en 440 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd.
2.3
De plaats waar het project wordt verricht Het projectgebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Markermeer en IJmeer’, dat op circa 2,7 kilometer van het projectgebied ligt. Daarnaast ligt de ‘Oostvaardersplassen’ op circa 5,3 kilometer afstand. Andere Natura 2000-gebieden op meer dan 10 kilometer afstand zijn de ‘Ketelmeer en Vossemeer’, en ‘Veluwerandmeren’. Op de navolgende kaart is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden (blauw) globaal weergegeven met een rode cirkel.
2
Project-m.e.r.-beoordeling
Buro Ontwerp & Omgeving
Ligging projectgebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (blauw)
Het projectgebied ligt niet in het Natuur Netwerk Nederland of een ecologische verbindingszone. Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van deze gebieden bij de werkzaamheden niet aangetast. Op navolgende afbeelding is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natuur Netwerk Nederland weergegeven.
Ligging projectgebied ten opzichte van NNN (blauwe pijl)
3
Project-m.e.r.-beoordeling
2.4
Buro Ontwerp & Omgeving
De kenmerken van het potentiële effect Er geldt geen directe mer-plicht voor het project. Om aan te tonen dat het niet noodzakelijk is een MER voor onderhavig project op te stellen, wordt in navolgende paragrafen van dit hoofdstuk aangetoond dat voor dit project geen sprake is van negatieve effecten op het milieu. Op grond van de kenmerken van het plan en de ligging, kan de realisatie van de woningen, met bijbehorende ontsluiting en parkeerplaatsen in potentie de volgende milieueffecten hebben: • verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving; • invloed op omliggende beschermde natuurgebieden.
2.4.1 Luchtkwaliteit Bij het toelaten van activiteiten of werken in zijn op grond van 5.53 Bkl activiteiten en werken die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging in beginsel vrijgesteld van toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10. Er is sprake van NIBM wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: • 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg; • 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. Het project voorziet in de realisatie van 140 woningen. Hiermee is het project NIBM. Het initiatief zorgt niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving. Hiermee is het project vrijgesteld van toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10. 2.4.2 Beschermde natuurgebieden Voor het initiatief is door Buro Ontwerp en Omgeving in oktober 2025 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In dit onderzoek is ingegaan op de effecten van het voorgenomen initiatief op omliggende beschermde natuurgebieden. Het onderzoek is als bijlage 1 bijgevoegd. Natura 2000-gebieden Het projectgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect.
Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn op basis van de voorgenomen ingreep op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (Aeriuscalculator). In het onderzoek werd niet ingegaan op de effecten van mogelijke stikstofdepositie de Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling. Om die reden is door Buro Ontwerp & Omgeving in oktober 2025 een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename aan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Er is dus geen significante toename als gevolg van het initiatief. Er is ook voor de realisatiefase een AERIUS-berekening uitgevoerd. Ook in de realisatiefase blijkt dat er geen toename aan stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar plaatsvindt.
4
Project-m.e.r.-beoordeling
Buro Ontwerp & Omgeving
Natuur Netwerk Nederland Het projectgebied ligt niet in het Natuur Netwerk Nederland of een ecologische verbindingszone. Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van deze gebieden bij de werkzaamheden niet aangetast. 2.4.3 Overige milieuaspecten Gezien de aard van de ontwikkeling zijn er geen andere effecten te verwachten. Daarnaast zijn alle overige milieu- en omgevingsaspecten beschreven in de motivering ‘BOPA Stadhuisplein 51 te Lelystad’. Hieruit blijkt dat geen van de overige milieu- en omgevingsaspecten een belemmering vormt voor de ontwikkeling.
5
Project-m.e.r.-beoordeling
3.
Buro Ontwerp & Omgeving
Conclusie
Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Voor het initiatief hoeft geen mer-procedure te worden doorlopen. Bijlage 1. QS Flora en Fauna Bijlage 2. AERIUS-berekening
6
Project-m.e.r.-beoordeling
Buro Ontwerp & Omgeving
Bijlage 1
7
Quickscan flora en fauna Stadhuisplein 51 te Lelystad Zenzo MV VOF
Projectnummer: 4304.01 Versie: 1 Datum: 15-10-2025
Inhoud 1.
Algemeen .................................................................................................................................................. 2 1.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 2
2.
Onderzoeksgebied en werkzaamheden ............................................................................................ 3 2.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 3 2.2 Algemene constateringen ....................................................................................................... 3 2.3 Geplande werkzaamheden .....................................................................................................4
3.
Werkwijze .................................................................................................................................................. 5 3.1 Bureauonderzoek ...................................................................................................................... 5 3.2 Veldbezoek .................................................................................................................................. 5 3.3 Betrouwbaarheid....................................................................................................................... 5
4.
Wet- en regelgeving ...............................................................................................................................6 4.1 Omgevingswet ............................................................................................................................6 4.2 Gebiedsbescherming ................................................................................................................6 4.3 Soortbescherming ..................................................................................................................... 7 4.4 Houtopstanden ......................................................................................................................... 8 4.5 Invasieve exoten....................................................................................................................... 8
5.
Resultaten ...............................................................................................................................................10 5.1 Gebiedsbescherming ..............................................................................................................10 5.1.1 Natura 2000 ..........................................................................................................................10 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 11 5.1.3 Houtopstanden ................................................................................................................... 11 5.2 Soortbescherming ................................................................................................................... 12 5.2.1 Vleermuizen ......................................................................................................................... 12 5.2.2 Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................ 14 5.2.3 Vogels .................................................................................................................................... 15 5.2.4 Reptielen en amfibieën .....................................................................................................
17 5.2.5 Vlinders ................................................................................................................................. 17 5.2.6 Overige beschermde diersoorten................................................................................... 18 5.2.7 Vaatplanten en mossen .................................................................................................... 18 5.2.8 Rode Lijst-soorten .............................................................................................................. 18 5.2.9 Invasieve exoten ................................................................................................................. 18 5.3 Samenvatting ........................................................................................................................... 19
6.
Conclusie ................................................................................................................................................ 20 6.1 Gebiedsbescherming ............................................................................................................. 20 6.2 Soortbescherming ................................................................................................................... 21 6.2.1 Jaarrond beschermde soorten ........................................................................................ 21 6.2.2 Algemene broedvogels ......................................................................................................22 6.2.3 Verlichting ............................................................................................................................22 6.3 Nader onderzoek .....................................................................................................................23
7.
Literatuurlijst .........................................................................................................................................25 7.1 Referenties................................................................................................................................25
Quickscan flora en fauna
7.2 7.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Gebruikte websites ................................................................................................................ 26 Overige geraadpleegde bronnen ....................................................................................... 26
1
Quickscan flora en fauna
1.
Algemeen
1.1
Inleiding
Buro Ontwerp & Omgeving
In opdracht van Zenzo MV VOF is door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan het Stadhuisplein 51 te Lelystad. Het onderzoeksgebied omvat het kadastrale perceel LLS00-M-3270. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats een nieuw woongebouw en bijbehorende (maatschappelijke) voorzieningen te realiseren. Het doel van de quickscan flora en fauna is om een indicatie te krijgen van de aanwezigheid en (mogelijke) effecten van de ingreep op beschermde gebieden en dier- en plantensoorten. Uit deze quickscan moet blijken of er nadelige effecten zijn op gebieden met een speciale beschermingsstatus, namelijk op Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Vervolgens worden de mogelijke effecten onderzocht op onder de Omgevingswet (Ow) beschermde dier- en plantensoorten. Als nadelige effecten niet uit te sluiten zijn moet nader onderzoek plaatsvinden, dienen er mogelijk mitigerende maatregelen en compenserende maatregelen te worden getroffen en een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit te worden aangevraagd. Deze quickscan is gebaseerd op bureauonderzoek en een veldonderzoek.
In het voorliggende rapport worden achtereenvolgens het onderzoeksgebied (hoofdstuk 2), de werkwijze (hoofdstuk 3), de relevante wet- en regelgeving (hoofdstuk 4), de resultaten (hoofdstuk 5) en de conclusie (hoofdstuk 6) beschreven.
2
Quickscan flora en fauna
2.
Onderzoeksgebied en werkzaamheden
2.1
Inleiding
Buro Ontwerp & Omgeving
Het onderzoeksgebied bevindt zich in het centrum van Lelystad en is gelegen aan het Stadhuisplein 51 te Lelystad. Op de locatie bevindt zich het voormalige gebouw van PostNL. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied bevinden zich onder meer kantoorgebouwen, winkels, woongebieden, een stadspark, supermarkten en treinstation Lelystad Centrum. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het onderzoeksgebied weergegeven (Figuur 1).
Figuur 1. Luchtfoto van het onderzoeksgebied aan het Stadhuisplein 51 te Lelystad (rood kader).
2.2
Algemene constateringen In het projectgebied bevindt zich het voormalige gebouw van PostNL. Het gebouw bestaat merendeels uit drie bouwlagen, maar aan de oostzijde gaat het deels om vier bouwlagen. Tegen de zuidgevel van het gebouw bevindt zich echter ook een lager aangebouwd gedeelte bestaande uit één bouwlaag. Alle gebouwdelen beschikken over een plat dak. Verder bevindt er zich een binnenplaats in het zuiden van de locatie. Deze binnenplaats is aan de oost- en zuidrand van het projectgebied ommuurd. Het projectgebied is volledig verhard. Ten slotte staan er enkele oude platanen vlak buiten de oostgrens van het projectgebied.
3
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Figuur 2. Binnenplaats en uitzicht op het zuiden van het gebouw (linksboven), binnenplaats en uitzicht op het lagere aangebouwde gedeelte (rechtsboven), dak van het hoge gebouwgedeelte met uitzicht op de Zuil van Lely (linksonder) en de westzijde van de bebouwing (rechtsonder).
2.3
Geplande werkzaamheden De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats een nieuw woongebouw en bijbehorende (maatschappelijke) voorzieningen te realiseren
4
Quickscan flora en fauna
3.
Werkwijze
3.1
Bureauonderzoek
Buro Ontwerp & Omgeving
Voorafgaand aan het veldbezoek is onderzoek gedaan naar de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden, de voorkomende habitats en de verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en rondom het onderzoeksgebied. De bronnen die hiervoor zijn geraadpleegd zijn te vinden in de literatuurlijst (zie hoofdstuk 7).
3.2
Veldbezoek Het veldbezoek is uitgevoerd op 13 oktober 2025 en vond plaats van 10:45 tot 11:45. Tijdens het veldbezoek was het bewolkt met tegen het einde van het bezoek lichte motregen, stond er een zwakke wind (N2) en was het circa 15 graden Celsius. Er is gekeken naar het terrein en de geschiktheid hiervan voor beschermde flora en fauna. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten, met inbegrip van sporen als braakballen, uitwerpselen, nesten en andere mogelijke verblijfplaatsen. Tabel 1. Deskundigheid betrokken medewerker(s). Naam
Deskundigheid
J. Metselaar
Studie: Afgestudeerd in Diermanagement op Hogeschool Van Hall Larenstein (VHL) te Leeuwarden. Functie: Ecoloog bij Buro Ontwerp & Omgeving sinds januari 2020.
3.3
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige wet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van deze soorten. In artikel 16.5 van de Omgevingswet is bepaald dat onderzoeken bij de vaststelling van het besluit niet ouder zijn dan twee jaar. Indien kan worden aangetoond dat de gegevens uit de onderzoeken nog actueel zijn, dan mogen onderzoeken bij de vaststelling ouder zijn dan twee jaar. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan flora en fauna geldig is voor een periode van maximaal drie jaar, tenzij de ecologische omstandigheden in deze periode wezenlijk zijn veranderd, of inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Wanneer de uitvoering van een plan meer dan drie jaar wordt uitgesteld, verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te onderzoeken.
5
Quickscan flora en fauna
4.
Wet- en regelgeving
4.1
Omgevingswet
Buro Ontwerp & Omgeving
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet bundelt 26 wetten en diverse regels en voorschriften in één wet. Ook de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet. In de Omgevingswet speelt bij milieubelastende activiteiten het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een belangrijke rol. In het Bal staan rijksregels voor de fysieke leefomgeving, waaronder voor flora- en fauna-activiteiten. Daarnaast wordt hierin vermeld voor welke activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is en wie toezicht houdt. Een belangrijk verschil met de Wnb is dat de bepalingen over de zorgplicht (artikel 1.11, Wnb) concreter zijn aangegeven in de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). Aanvullend zijn regels opgenomen over ongewone voorvallen (artikel 11.34, Bal en artikel 11.35, Bal). Onder de Wnb bestonden geen vergelijkbare bepalingen. De Omgevingswet bevat ook instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Zo kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelen voor deze gebieden vaststellen (artikel 2.44, Ow). Ook is in het aanwijzingsbesluit opgenomen dat gebieden bij omgevingsverordening kunnen worden aangewezen tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzonder provinciaal natuurgebied of bijzonder provinciaal landschap.
Verder zijn instructieregels voor de omgevingsverordening opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De instructieregels verplichten provincies tot het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden), het vastleggen van de kenmerken en waarden van de NNN-gebieden en het stellen van regels voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de NNN-gebieden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt bovendien regelgeving voor het vellen van houtopstanden en voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben.
4.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen in de Omgevingswet middels een aanwijzingsbesluit (artikel 2.44, Ow). Natura 2000-gebieden zijn gebieden waarin habitats en soorten worden beschermd die van communautair belang zijn. Per Natura 2000-gebied zijn specifieke instandhoudingsdoelen opgesteld. Activiteiten die significant nadelige effecten hebben op de kwaliteit van de habitats en/of de instandhoudingsdoelen van het gebied mogen niet plaatsvinden zonder een vergunning voor een Natura 2000-activiteit. Dit geldt niet alleen voor activiteiten binnen het Natura 2000gebied. Ook bij activiteiten aangrenzend of buiten het gebied kunnen significant nadelige gevolgen optreden.
6
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland (NNN) bestaat uit een netwerk van natuurgebieden en heeft als doel deze beter met elkaar en omringende agrarische gebieden te verbinden. De NNN-gebieden zijn beschermd conform de provinciale omgevingsverordening (Provincie Flevoland, 2025). Afdeling 15.3 Instructieregels Artikel 15.5 Gemeenteraad: Bescherming NNN 1. Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland: a. strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied; of b. maakt alleen activiteiten mogelijk die per saldo niet leiden tot de achteruitgang van de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk, vermindering van de samenhang tussen die gebieden of tot nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk.
4.3
Soortbescherming Soorten met specifieke beschermingsregels Het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet kent drie beschermingsregimes voor soorten: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) • Beschermingsregime soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (artikel 11.46 lid 1, Bal) • Beschermingsregime andere soorten uit Bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 11.54 lid 1, Bal), ook wel soorten van nationaal belang genoemd. In bovengenoemde wetsartikelen uit het Bal zijn schadelijke handelingen opgenomen en is vastgesteld voor welke handelingen een vrijstelling kan worden verleend. De verbodsbepalingen houden in dat Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of gevangen en dat hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren niet opzettelijk mogen worden beschadigd of vernield. Ook is het rapen en onder zich hebben van eieren van vogelsoorten die onder deze richtlijnen vallen verboden. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt bovendien dat ze niet opzettelijk mogen worden gestoord. Daarnaast is het verboden om beschermde planten opzettelijk te plukken, verzamelen, ontwortelen, vernielen of af te snijden in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Als de activiteiten leiden tot het overtreden van deze verbodsbepalingen moet worden nagegaan of een provinciale vrijstelling geldt of dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moet worden verkregen.
7
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Rode Lijsten Kwetsbare en met uitsterven bedreigde soorten die niet onder de hiervoor genoemde beschermingsregimes vallen zijn door de minister van LNV opgenomen in de Rode Lijsten. Rode Lijst-soorten vallen niet noodzakelijkerwijs onder specifieke beschermingsregels, zoals een vergunningsplicht bij schadelijke handelingen. Hiervan is alleen sprake als de soort ook beschermd is conform de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Bijlage IX van het Bal. Desondanks zijn Rode Lijsten relevant bij ruimtelijke ontwikkelingen. Indien een activiteit nadelige effecten heeft op een Rode Lijst-soort wordt namelijk gesproken van een activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt. Specifieke zorgplicht Een activiteit kan nadelig zijn voor de van nature in het wild levende dier- en plantensoorten. Iemand die weet of kan weten dat er bij het verrichten van een activiteit nadelige effecten optreden moet zich houden aan de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt voor alle dier- en plantensoorten.
De volgende stappen zijn noodzakelijk: • Controle op aanwezige soorten en leefgebieden in het onderzoeksgebied; • Nagaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten kunnen worden uitgesloten; • Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is; • Passende preventieve maatregelen nemen om nadelige effecten te voorkomen; en • Stoppen met de activiteit of herstelmaatregelen treffen.
4.4
Houtopstanden Als houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap worden geveld kan er een meld- en herbeplantingsplicht gelden. Dergelijke houtopstanden worden in de Omgevingswet omschreven als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Voor het vellen en herbeplanten zijn er een aantal uitzonderingen op de rijksregels opgenomen in artikel 11.111 van het Bal. Voor de kap van houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap geldt gemeentelijke regelgeving, zoals verwoord in het omgevingsplan van de desbetreffende gemeente (artikel 5.165b, Bkl).
4.5
Invasieve exoten Algemeen In de Omgevingswet is regelgeving opgenomen voor activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve exoten tot gevolg kunnen hebben. Hierdoor is het onder zich of voorhanden hebben, vervoeren of ten vervoer aanbieden (van delen van invasieve exoten) expliciet aangemerkt als verhandelen. Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit en ecosystemen. Daarnaast kunnen invasieve exoten schadelijk zijn voor de economie, de openbare veiligheid en menselijke gezondheid. Bekende voorbeelden van invasieve exoten zijn de beverrat, Siberische grondeekhoorn, nijlgans, zonnebaars en Aziatische hoornaar. Het is onder meer verboden om deze soorten opzettelijk te houden, vrij te laten in het milieu, te kweken of vervoeren en het toestaan om zich voort te planten (artikel 11.108 lid 1, Bal en artikel 7 lid 1 van de Europese invasieve-exoten-basisverordening). 8
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Nationaal handelsverbod Aziatische duizendknopen Per 1 januari 2022 geldt er tevens een nationaal handelsverbod voor Aziatische duizendknopen (artikel 11.109a, Bal). Het verbod heeft betrekking op drie soorten: de Japanse duizendknoop, Sachalinse duizendknoop en bastaardduizendknoop. Het handelsverbod op Aziatische duizendknopen geldt ook voor besmette grond. Gelet op deze ruime definitie van het woord ‘verhandelen’, maakt het hierbij niet uit of het gaat om de delen van de duizendknoop zelf, of om de delen van de duizendknoop in het transport van een partij grond. Dit betekent dat grondtransport met (levensvatbare delen van) Aziatische duizendknopen verboden is, tenzij een vrijstelling van toepassing is. Een vrijstelling geldt als er sprake is van niet-commerciële doeleinden, wanneer het transport plaatsvindt in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing en op voorwaarde dat geen verdere verspreiding of introductie in het milieu plaatsvindt. Daarnaast geldt er een vrijstelling voor het verhandelen of in bezit hebben van dode delen of dode producten van Aziatische duizendknopen (NVWA, 2021).
9
Quickscan flora en fauna
5.
Resultaten
5.1
Gebiedsbescherming
Buro Ontwerp & Omgeving
5.1.1 Natura 2000 In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het ‘Markermeer & IJmeer’, dat op circa 2,7 kilometer ten westen van het onderzoeksgebied ligt. Natura 2000-gebieden op minder dan 25 km afstand van het onderzoeksgebied zijn weergegeven in Tabel 2. In Figuur 3 is tevens de ligging ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven. Tabel 2. Overzicht nabijgelegen Natura 2000-gebieden Gebiedsnaam
Land
Afstand (km)
Markermeer & IJmeer Oostvaardersplassen Ketelmeer & Vossemeer Veluwerandmeren Lepelaarsplassen Veluwe Rijntakken
NL NL NL NL NL NL NL
2,7 5,3 15,5 16,6 20,1 22,0 22,1
Figuur 3. Ligging onderzoeksgebied (pijl) ten opzichte van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen gearceerde vlakken).
10
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is namelijk meer dan 1 km. Door het gebruik van werktuigen en een toename van voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat er zeven Natura 2000gebieden op minder dan 25 km afstand van het onderzoeksgebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van deze Natura 2000-gebieden. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied ligt op ca. 2,3 km afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (Figuur 4). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN bij de werkzaamheden niet aangetast.
Figuur 4. Ligging onderzoeksgebied (pijl) t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland (grijs).
5.1.3 Houtopstanden In het onderzoeksgebied zijn geen houtopstanden aanwezig, waardoor er voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning nodig is.
11
Quickscan flora en fauna
5.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming
5.2.1 Vleermuizen Op basis van openbare verspreidingsgegevens kunnen de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, meervleermuis en tweekleurige vleermuis in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied voorkomen. Alle vleermuissoorten zijn op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal). Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis. Ook zijn er soorten die zowel gebouw- als boombewonend zijn. Gebouwbewonende vleermuizen maken doorgaans gebruik van spouwruimtes, spleten en vergelijkbare ruimtes in gebouwen. De bebouwing werd daarom geïnspecteerd op potentiële verblijfplaatsen. Uit de quickscan blijkt dat de bebouwing vrijwel rondom beschikt over openingen langs dakranden. Deze spleten zijn groot genoeg om toegankelijk te zijn voor vleermuizen. Tevens beschikt de bebouwing over open stootvoegen, welke vleermuizen toegang bieden tot spouwruimtes (Figuur 5). Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen kunnen daarom niet worden uitgesloten.
Figuur 5. Voorbeelden van openingen langs dakranden en open stootvoegen die toegang bieden tot de spouwruimtes (gele pijlen).
12
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Boombewonende vleermuizen verblijven in boomholtes, holle oksels, spechtenholen, holle takken en achter loshangend schors van (oude) bomen. In het projectgebied zijn echter geen bomen aanwezig. Verder beschikken de platanen vlak buiten het projectgebied ook niet over geschikte openingen. Negatieve effecten op boombewonende vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. De meervleermuis is een grote vleermuissoort die jaagt boven het oppervlak van open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Kolonies van meervleermuizen bevinden zich vrijwel altijd in gebouwen zoals op kerkzolders, in spouwmuren en onder dakpannen (Zoogdierenverenging, 2025 a). De meervleermuis is lastig waar te nemen. Voor ontwikkelingen in de omgeving van bekende verblijfplaatsen van de meervleermuis geldt daarom een verhoogde onderzoeksinspanning (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2025). Rondom bekende verblijfplaatsen van meervleermuizen is sprake van een buffer ter grootte van de home range van de desbetreffende kraamgroep of mannengroep (Figuur 6). Binnen deze buffer moet onderzoek naar de meervleermuis plaatsvinden. Het projectgebied bevindt zich binnen de home range van een kraamgroep en de bebouwing voldoet aan de kenmerken van een potentiële verblijfplaats.
Negatieve effecten op satellietverblijven van een kraamkolonie van de meervleermuis zijn daarom niet uitgesloten.
Figuur 6. Ligging projectgebied (pijl) t.o.v. bekende verblijfplaatsen van de meervleermuis (stippen), binnen de home range rondom mannenverblijven (blauw), kraamverblijven (roze) en kraam- en mannenverblijven (paars).
13
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Vliegroutes Vleermuizen volgen vaak lijnvormige elementen om heen en weer te bewegen tussen de verblijfplaatsen en foerageergebieden. Het behoud van lijnvormige landschapselementen is daarom van groot belang voor de instandhouding van vleermuispopulaties. De sloop van de bebouwing zal echter niet resulteren in het verlies van een vliegroute. Negatieve effecten op de vliegroutes van vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Essentiële foerageergebieden De in Nederland voorkomende vleermuizen leven allemaal van insecten. Ze foerageren daarom op allerlei plekken waar veel vliegende insecten aanwezig zijn. Enkele voorbeelden van dit soort gebieden zijn wind beschutte plaatsen langs lijnvormige elementen (bijv. sloten, beken, bosranden en houtwallen), maar ook in bosgebieden, open plekken in bossen of langs oevers met rietkragen. Bij het verdwijnen van essentiële foerageergebieden gaan de verblijfplaatsen ook verloren. De sloop van de bebouwing zal echter niet resulteren in het verlies van foerageergebied. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar de oude platanen ten oosten van het projectgebied moet worden voorkomen.
Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting. Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht. 5.2.2 Grondgebonden zoogdieren Algemene soorten De meeste grondgebonden zoogdieren zijn in provincie Flevoland vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). Omdat het projectgebied volledig verhard is en er geen struweel of andere dekkingsmogelijkheden zijn, kan worden uitgesloten dat de zoogdiersoorten als de haas en egel een rust- of verblijfplaats hebben in het projectgebied. Negatieve effecten op algemene grondgebonden zoogdiersoorten zijn uitgesloten. Strikt beschermde soorten Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de bunzing, wezel, steenmarter, boommarter, otter, das, edelhert, wild zwijn en bever in de ruime omgeving van het projectgebied voorkomen.
Van deze soorten worden de otter en bever op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de overige soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). Gezien het projectgebied bijna geheel verhard is en zich in het centrum van Lelystad bevindt kunnen negatieve effecten op de bunzing, wezel, boommarter, otter, das, edelhert, wild zwijn en bever op voorhand worden uitgesloten.
14
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Steenmarters kunnen binnen het leefgebied meerdere schuilplaatsen hebben, zoals takkenhopen, boomholtes, dichte struwelen, kruipruimtes of zolders. Ook ruimtes onder dakbedekkingen en spouwmuren worden gebruikt door steenmarters. Openingen van 5 à 6 cm zijn al van voldoende grootte om een schuilplaats te bereiken (Zoogdiervereniging, 2025b). In de bebouwing werd gezocht naar sporen die kunnen duiden op de aanwezigheid van de steenmarter. Dergelijke sporen werden echter niet aangetroffen. Verder beschikt de bebouwing over een kleine kelderruimte. Deze is van buitenaf echter niet toegankelijk. Negatieve effecten op de rust- of voortplantingsplaatsen van de steenmarter kunnen daarom worden uitgesloten. 5.2.3 Vogels Algemene soorten Verschillende vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is kunnen voorkomen in en rondom het onderzoeksgebied. Tijdens de quickscan werd nestmateriaal van een vogelnest waargenomen in een opening boven een regenpijp. Conform de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 lid 1, Bal) is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van in het wild levende vogelsoorten te vernielen of te beschadigen, of nesten van deze vogels weg te nemen. Tevens zijn alle vogelsoorten tijdens het broedseizoen beschermd. De Omgevingswet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen.
Voor de meeste vogels kan worden aangenomen dat het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 juli loopt (indicatief broedseizoen), maar bij enkele soorten begint het broedseizoen eerder of loopt het langer door. Dichter bij het indicatieve broedseizoen is de kans op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten groter. Op het moment dat sprake is van een nest dat in gebruik is, zijn werkzaamheden die kunnen leiden tot beschadiging of vernieling hiervan verboden. Hierop is geen uitzondering en er is ook geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mogelijk. Er wordt daarom geadviseerd om werkzaamheden waarbij nesten verstoord kunnen worden, (ruim) buiten het indicatieve broedseizoen uit te voeren. Strikt beschermde soorten Van sommige vogelsoorten zijn de vaste rust- en nestplaatsen jaarrond beschermd (beschermingscategorie 1 t/m 5a). Binnen de bebouwde kom van Lelystad kunnen dit de ooievaar, sperwer, slechtvalk, ransuil, gierzwaluw, roek en huismus zijn. Gezien het projectgebied vrijwel geheel verhard is en zich in het centrum van Lelystad bevindt kunnen negatieve effecten op in bomen broedende vogelsoorten op voorhand worden uitgesloten. Dit zijn de sperwer, ransuil en roek. De ooievaar komt voor in cultuurlandschappen en broedt op schoorstenen, kerktorens, telefoonpalen, in bomen, hoogspanningsmasten of speciaal voor de soort gemaakte ooievaarspalen.
De nesten zijn groot en daardoor goed herkenbaar (Vogelbescherming Nederland, 2025a). In het projectgebied werden echter geen nesten van de ooievaar aangetroffen. Negatieve effecten op de vaste rust- en nestplaatsen van de ooievaar kunnen worden uitgesloten. De slechtvalk broedt in stedelijk gebied op hoge gebouwen als kantoren en flats. In open boerenland nestelt de soort in hoogspanningsmasten (Vogelbescherming Nederland, 2025 b). Tijdens de quickscan werd op het dak van de bebouwing gekeken naar sporen die duiden op de aanwezigheid van de slechtvalk. Dergelijke sporen werden niet aangetroffen. Negatieve effecten op de slechtvalk kunnen daarom worden uitgesloten. 15
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
De gierzwaluw is een soort die voorkomt in dorpen en steden waar hij broedt in donkere holtes, spleten en onder dakpannen van gebouwen die tenminste drie meter hoog zijn (BIJ12, 2023a). Tijdens de quickscan werden openingen langs dakranden aangetroffen die breed genoeg zijn om toegang te bieden aan de gierzwaluw (Figuur 7). Negatieve effecten op de rust- of nestplaatsen van de gierzwaluw kunnen daarom niet worden uitgesloten.
Figuur 7. Voorbeeld van een opening langs een dakrand die breed genoeg is als nestruimte voor de gierzwaluw.
De huismus is een standvogel die gebonden is aan bebouwing en komt voornamelijk voor in dorpen en steden. Nesten worden gebouwd onder dakpannen, in kieren en gaten van gebouwen en in speciaal voor de soort ontworpen mussenkasten (BIJ12, 2023 b). De huismus is tijdens het veldbezoek niet waargenomen in het projectgebied, maar kan tot broeden komen in openingen van de bebouwing. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de huismus niet worden uitgesloten. Naast strikt beschermde soorten, vallen er ook soorten onder de Vogelrichtlijn, waarvan het nest alleen jaarrond beschermd is als er zwaarwegende ecologische redenen zijn. Deze soorten zijn opgenomen op de lijst van beschermde vogelsoorten uit beschermingscategorie 5b in de provincie Flevoland. Dit zijn voornamelijk holenbroeders, maar ook soorten die op of tegen gebouwen aan nestelen. Hiervan werden de spreeuw overvliegend waargenomen tijdens de quickscan waargenomen. Het is niet uitgesloten dat de spreeuw in het projectgebied tot broeden kan komen, aangezien de bebouwing potentiële openingen biedt waar de soort kan nestelen. Gezien de bebouwing wordt gesloopt biedt het projectgebied geen uitwijkmogelijkheden. Daarnaast wordt de staat van instandhouding van de spreeuw door SOVON Vogelonderzoek Nederland beoordeeld als ‘zeer ongunstig’ (SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2025).
Hierdoor kunnen negatieve effecten op de spreeuw niet op voorhand worden uitgesloten en dient de aanwezigheid van de soort nader te worden onderzocht. 16
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
5.2.4 Reptielen en amfibieën Algemene soorten Op basis van de openbare verspreidingsgegevens zijn verschillende algemene amfibieën te verwachten in de omgeving van het onderzoeksgebied. De meeste algemene amfibieën zijn in provincie Flevoland vrijgesteld. Wel dient voor deze soorten de specifieke zorgplicht te worden nageleefd, waarbij passende preventieve maatregelen moeten worden genomen om nadelige effecten te beperken. Wanneer er toch nadelige effecten optreden moeten de activiteiten worden gestaakt, of dienen er passende herstelmaatregelen te worden getroffen indien dit niet mogelijk is (artikel 11.27, Bal). Het projectgebied zelf is echter volledig verhard en vormt daardoor geen rust- of voortplantingsplaats voor amfibieën. Negatieve effecten op algemene amfibieën kunnen op voorhand worden uitgesloten. Strikt beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de ringslang, rugstreeppad, vroedmeesterpad, alpenwatersalamander en kamsalamander in de ruime omgeving van het projectgebied kunnen voorkomen. Van deze soorten worden de rugstreeppad, vroedmeesterpad en kamsalamander op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de ringslang en alpenwatersalamander soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). Negatieve effecten op deze soorten kunnen echter op voorhand worden uitgesloten.
Het projectgebied is volledig verhard en vormt daardoor geen potentiële rust- of voortplantingsplaats. Bovendien ontbreekt het aan zandige plekken waar een soort als de rugstreeppad zich kan ingraven. 5.2.5 Vlinders Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de grote vos, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Van deze soorten wordt de teunisbloempijlstaart op Europees niveau beschermd conform de Habitatrichtlijn (artikel 11.46 lid 1, Bal) en zijn de grote vos en grote weerschijnvlinder soorten van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). Negatieve effecten op de grote weerschijnvlinder kunnen echter op voorhand worden uitgesloten, gezien het projectgebied volledig verhard is. De grote vos is een zeldzame, zwerflustige vlinder die zich sinds 2019 weer verspreid door Nederland heeft voortgeplant. De belangrijkste waardplanten voor deze soort zijn breedbladige wilgensoorten, iepen en zoete kers. Ook functioneren de ratelpopulier en peer als waardplant voor de grote vos. De rupsen leven namelijk vaak op struiken en bomen die zich bevinden langs brede bospaden, bosranden, in boomgaarden of op kapvlaktes. De rupsen van de grote vos leven in groepen van tientallen tot enkele honderden rupsen bij elkaar en kunnen zich hoog in struiken en bomen bevinden.
De soort overwintert als vlinder in oude, houten schuren, in holle bomen en tussen houtstapels (Bos, 2006). In het projectgebied bevinden zich geen potentiële waardplanten van de grote vos. Daarnaast voldoet de bebouwing niet aan de kenmerken van een overwinteringsplaats. Deze soort werd dan ook niet aangetroffen in de bebouwing.
17
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
De teunisbloempijlstaart gebruikt het (harig) wilgenroosje, de basterdwederik, teunisbloem en grote kattenstaart om de eitjes op af te zetten. De soort komt daarom voor in vochtige bossen, bosranden en warme open plekken (van Deijk, 2018). Het projectgebied is volledig verhard en de waardplanten van de soort werden niet aangetroffen. Hierdoor kunnen negatieve effecten op de teunisbloempijlstaart worden uitgesloten. 5.2.6 Overige beschermde diersoorten Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen, kreeftachtigen, kevers, libellen of weekdieren in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied. Negatieve effecten op deze soortgroepen kunnen daarom worden uitgesloten. 5.2.7 Vaatplanten en mossen Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat de strikt beschermde kartuizer anjer in de ruime omgeving van het onderzoeksgebied te verwachten is. De kartuizer anjer is een soort van nationaal belang (artikel 11.54 lid 1, Bal). De kartuizer anjer groeit op schrale graslanden, kalkgraslanden, leisteenhellingen en zandsteenrotsen. Lokaal wordt de soort ook wel als tuinplant aangeplant of ingezaaid in bermen (NDFF & FLORON, 2025). Gezien de biotoopvoorkeuren is de soort niet in het projectgebied te verwachten. Negatieve effecten kunnen daarom worden uitgesloten.
Hoewel het projectgebied volledig verhard groeien er langs de zuidrand van het projectgebied enkele plantensoorten tussen de verharding. Het gaat om Canadese fijnstraal, koninginnenkruid, late guldenroede en muurleeuwenbek. Ook groeit er een zaailing van de gewone esdoorn tussen de verharding door. Op het dak van het hoge gebouwgedeelte werd tevens wit vetkruid waargenomen. De rijksregels voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet van toepassing op deze soorten en er hoeft voor deze soorten geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd. 5.2.8 Rode Lijst-soorten Tijdens de quickscan werden geen Rode Lijst-soorten vastgesteld. Er hoeven geen aanvullende stappen te worden genomen voor soorten uit deze categorie. 5.2.9 Invasieve exoten Planten en dieren op de Unielijst Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van invasieve exoten gedaan. Omtrent invasieve exoten hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Aziatische duizendknopen Er zijn tijdens de quickscan geen waarnemingen van Aziatische duizendknopen gedaan. Er hoeven daarom geen aanvullende stappen te worden ondernomen omtrent de Aziatische duizendknopen.
18
Quickscan flora en fauna
5.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Samenvatting Tabel 2 geeft een overzicht van soorten die (mogelijk) aanwezig zijn, de effecten waar ze last van kunnen hebben en eventuele vervolgstappen die genomen moeten worden. Tabel 2. Soortenoverzicht. Soortgroep
Soort(en)
Aanwezigheid
Mogelijk effect
Opmerkingen
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Mogelijk
Verstoren,
Nader onderzoek
gebouwbewonende
beschadigen of
nodig
soorten
vernielen van rust- of voortplantingsplaatsen
Verblijfplaatsen
Nee
Nee
-
Foerageergebieden
Nee
Nee
-
boombewonende soorten Vliegroutes
Nee
Nee
-
Grondgebonden
Strikt beschermde
Nee
-
-
zoogdiersoorten
soorten Algemene soorten
Nee
Nee
-
Gierzwaluw,
Mogelijk
Vogels
Verstoren,
Nader
spreeuw en
beschadigen of
nodig
huismus
vernielen van
onderzoek
rustplaatsen, nestplaatsen of functioneel leefgebied Algemene soorten
Mogelijk
Verstoren nestplaatsen
Werken buiten het
Reptielen en
Strikt beschermde
Nee
Nee
-
amfibieën
soorten Algemene soorten
Nee
Nee
-
Strikt beschermde
Nee
Nee
-
Nee
Nee
-
Nee
Nee
-
vogelbroedseizoen
Vlinders
soorten Overige
Strikt beschermde
diersoorten
soorten
Vaatplanten en
Strikt beschermde
mossen
soorten
Rode Lijst-
-
Nee
Nee
-
Exotische
Soorten van de
Nee
Nee
-
soorten
Unielijst Nee
Nee
-
soorten
Aziatische duizendknopen
19
Quickscan flora en fauna
6.
Conclusie
6.1
Gebiedsbescherming
Buro Ontwerp & Omgeving
Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde gebieden. Natura 2000 Het onderzoeksgebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op ca. 2,7 km afstand ligt zijn negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten uitgesloten. Door het gebruik van werktuigen en voertuigbewegingen kunnen er wel gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Om de eventuele effecten van stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt aangeraden om een AERIUS-berekening (voortoets stikstof) uit te laten voeren voor zowel de realisatiefase als gebruiksfase. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden kunnen worden uitgesloten als uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jr plaatsvindt. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied ligt op ca. 2,3 km afstand van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN bij de werkzaamheden niet aangetast. Houtopstanden In het onderzoeksgebied zijn geen houtopstanden aanwezig, waardoor er voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning nodig is.
20
Quickscan flora en fauna
6.2
Buro Ontwerp & Omgeving
Soortbescherming Er is onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten op beschermde soorten.
6.2.1 Jaarrond beschermde soorten Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het onderzoeksgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten dienen nader onderzocht te worden. Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn invliegopeningen aangetroffen in de bebouwing die vleermuizen toegang kunnen bieden tot potentiële verblijfplaatsen. Het gaat bijvoorbeeld om openingen langs dakranden en via open stootvoegen. Alle vleermuissoorten zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn. Het is daarom verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.46 lid 1a, Bal), opzettelijk te verstoren (artikel 11.46 lid 1b, Bal) of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 11.46 lid 1d, Bal). De sloop van de bebouwing kan leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of voortplantingsplaats van vleermuizen. Nader onderzoek moet uitwijzen of er vleermuizen aanwezig zijn en wat de functie van de bebouwing is. Gierzwaluw De bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw door de aanwezigheid van geschikte openingen, zoals spleten langs dakranden. De gierzwaluw is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn.
Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de gierzwaluw moet daarom nader worden onderzocht. Spreeuw De bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt als nestlocatie voor de spreeuw door de aanwezigheid van geschikte openingen. De spreeuw is opgenomen op de lijst van beschermde vogelsoorten uit beschermingscategorie 5b in de provincie Flevoland. Nesten van de soort zijn jaarrond beschermd als daar zwaarwegende redenen voor zijn. Gezien de bebouwing wordt gesloopt biedt het projectgebied geen uitwijkmogelijkheden. Daarnaast is de staat van instandhouding beoordeeld als ‘zeer ongunstig’. Gezien het voorgaande zijn nestlocaties jaarrond beschermd. De spreeuw is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal).
De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de spreeuw moet daarom nader worden onderzocht.
21
Quickscan flora en fauna
Buro Ontwerp & Omgeving
Huismus De bebouwing in het onderzoeksgebied is geschikt als nestlocatie voor de huismus door de aanwezigheid van geschikte openingen. De huismus is beschermd op grond van de Vogelrichtlijn. Het is daarom verboden om de soort opzettelijk te doden of vangen (artikel 11.37 lid 1a, Bal), de nestlocaties, rustplaatsen en eieren opzettelijk te beschadigen of vernielen (artikel 11.37 lid 1b, Bal) en de soort opzettelijk te storen (artikel 11.37 lid 1d, Bal). De werkzaamheden kunnen leiden tot overtreding van het Bal als er sprake is van een rust- of nestplaats van de soort. De aanwezigheid van de huismus moet daarom nader worden onderzocht. 6.2.2 Algemene broedvogels Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene broedvogels in en rond het onderzoeksgebied voorkomen. Werkzaamheden dienen daarom (ruim) buiten het indicatieve vogelbroedseizoen plaats te vinden of te worden opgestart, omwille de aanwezigheid van algemene broedvogelsoorten (15 maart - 15 juli). 6.2.3 Verlichting Maak in de actieve periode van vleermuizen ’s avonds en ’s nachts geen of zo min mogelijk gebruik van bouwverlichting. Uitstraling naar de oude platanen ten oosten van het projectgebied moet worden voorkomen. Indien verlichting in de permanente situatie noodzakelijk is wordt aangeraden om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke, amberkleurige verlichting.
Zodoende kan eventuele verstoring tot een minimum worden beperkt. Er mag geen gebruik worden gemaakt van blauw en ultraviolet licht. Waar verlichting noodzakelijk is, dienen de lichtstralen gebundeld te zijn en op de grond te worden gericht.
22
Quickscan flora en fauna
6.3
Buro Ontwerp & Omgeving
Nader onderzoek Gelet op de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor gebouwbewonende vleermuizen, gierzwaluw, spreeuw en huismus is nader onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het onderzoeksgebied voor deze soorten te kunnen bepalen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van het Bal aan de orde zijn. Vleermuizen Het nader onderzoek naar vleermuizen dient te worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging, 2025). Voor gebouwbewonende soorten dienen de onderzoeksmethoden van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger te worden aangehouden, waarmee ook andere vleermuissoorten kunnen worden aangetoond. Er dient rekening te worden gehouden met een mogelijke functie als zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en massawinterverblijf. Naar de hiervoor genoemde verblijfsfuncties dienen twee avondrondes naar zomer- en kraamverblijven te worden uitgevoerd in kraamperiode (15 mei t/m 15 juli), waarbij tenminste één ronde wordt uitgevoerd in de maand juni.