CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 Regeling-woningbouwimpuls 2020.pdf

Raadsvergadering 9 februari 2021, gemeente LelystadBij agendapunt: 47. Stationsgebied (aangepaste kaders)10.894 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Indien de uitvoeringskosten lager uitvallen dan verwacht, dan wordt het vrijgekomen bedrag toegevoegd aan het beschikbare budget voor specifieke uitkeringen. De hoogte van het nog resterende uitkeringsplafond wordt jaarlijks aangepast aan de actuele loon- en prijsontwikkelingen. De basis voor de systematiek zijn de onafhankelijke indices voor loon- en prijsontwikkelingen van het Centraal Planbureau die elk jaar in het voorjaar volgen uit het Centraal Economisch Plan (CEP) en in augustus uit de Macro Economische Verkenning (MEV). Deze indices zijn gebaseerd op de lonen en prijzen in de markt en zijn niet beïnvloedbaar door de overheid. De indexatie van het uitkeringsplafond wordt definitief vastgesteld bij Voorjaarsnota. De loon- en prijsuitkering komt niet ten goede aan een indexatie van reeds uitgekeerde specifieke uitkeringen.

Artikel 4. De aanvraag In dit artikel zijn enkele indieningseisen waaruit een aanvraag van een gemeente ten minste moet bestaan, nader uitgewerkt. Dit artikel is een nadere uitwerking van artikel 4 van het besluit. Als één of meerdere van de hier of in het besluit gevraagde gegevens niet worden aangeleverd bij de aanvraag, dan is de aanvraag onvolledig en wordt de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Ter ondersteuning wordt een format waarin alle gevraagde onderdelen staan, beschikbaar gesteld aan gemeenten, die gemeenten moeten gebruiken voor de indiening van de aanvraag. In artikel 4, eerste lid, is nader bepaald uit welke onderdelen een omschrijving van een project bestaat. a. De geografische afbakening van het project, hetgeen relevant is voor de beoordeling of sprake is

14

Staatscourant 2020 nr. 28062

20 mei 2020

van geografische samenhang van een gebied in het kader van de definitie van ‘afgebakend projectgebied’ als bedoeld in artikel 1, onder b, van het besluit en waaruit blijkt waar de genomen maatregelen zich bevinden (waar is bijvoorbeeld de locatie voor de infrastructurele ontsluiting). b. In de toelichting op het project wordt de noodzaak van de activiteiten in het project onderbouwd en het gevolg van het niet verlenen van een specifieke uitkering voor de woningbouw. Ook wordt de noodzaak van de activiteiten voor het realiseren van de woningen in het projectgebied onderbouwd. Aanvragers kunnen de toerekenbaarheid (noodzakelijkheid van maatregel voor woningbouw in het project) en proportionaliteit (de opgevoerde kosten zijn in verhouding met het profijt van de maatregel dat het project toekomt) waar mogelijk onderbouwen met verwijzingen naar openbare rapporten (bijv. onderzoeken en studies, MER). Indien er geen openbare bronnen zijn dient kwalitatief onderbouwd te worden hoe de toerekenbaarheid van de maatregel en de proportionaliteit van de opgevoerde kosten is bepaald. c. In het kwantitatieve overzicht van het woningbouwprogramma wordt het aantal te bouwen woningen, de fasering van de woningbouw en in welke prijscategorie de woningen worden gerealiseerd in kaart gebracht. d.

Voor de kwalitatieve aspecten van het woningbouwprogramma onderbouwt een gemeente waarom deze noodzakelijk of wenselijk zijn voor de woningbouw. Een kwalitatief aspect is bijvoorbeeld de oppervlakte van de woning en de gemiddelde prijs per prijscategorie van de door het project toegevoegde woningen. Artikel 4, tweede lid, bevat nadere eisen met betrekking tot een haalbaarheidsstudie, ook wel bekend als businesscase. a. In een begroting neemt een gemeente een overzicht op van de kosten van de publieke maatregelen en de publieke inkomsten uit bijvoorbeeld het wettelijke kostenverhaal. Uit de begroting moet het resterende financiële tekort blijken en op welke manier de betrokken medeoverheden de additionele financiële bijdrage van ten minste 50 procent borgen. Bijvoorbeeld door een voorgenomen besluit van het college van burgemeesters en wethouders. c. Voor het woningbouwproject wordt de fasering in de (ruimtelijke ordenings)procedures voorzien van een verwachte aanvangsdatum die per fasering wordt opgenomen en tevens wordt inzichtelijk gemaakt in welke fase het project zich ten tijde van de aanvraag bevindt. Ook wordt de hardheid van de realisatie van de planning en bijkomende risico’s in kaart gebracht. In het vierde en zesde lid zijn bepalingen opgenomen over de inhoud van de beschikking tot de verstrekking van de specifieke uitkering.

Een specifieke uitkering wordt verstrekt na positief advies van de toetsingscommissie en bij beschikking van de minister. Het besluit tot verlening van een specifieke uitkering wordt in een beschikking medegedeeld aan de gemeente die de aanvraag heeft ingediend. In de beschikking kunnen nadere verplichtingen worden verbonden aan de specifieke uitkering. In het vijfde lid zijn bepalingen opgenomen over de betaling van de specifieke uitkeringen. De specifieke uitkering wordt in één keer volledig uitgekeerd. Bovendien kan in bepaalde gevallen sprake zijn van een 100% bevoorschotting van de specifieke uitkering. Bevoorschotting is mogelijk in de volgende gevallen: • De specifieke uitkering wordt bevoorschot in jaar t, zodat de gemeente in de eerste helft van jaar t+1 een bestemmingsplan kan goedkeuren. • De specifieke uitkering wordt bevoorschot in jaar t, zodat de gemeente in de eerste helft van jaar t+1 een anterieure overeenkomst kan sluiten met een marktpartij voor de start van de gebiedsontwikkeling. • De specifieke uitkering wordt bevoorschot in jaar t, zodat de gemeente in de eerste helft van jaar t+1 uitgaven kan doen voor voorbereidende werkzaamheden voor de start van de gebiedsontwikkeling.

Artikel 5. Scoring van aanvragen en weging van criteria In dit artikel wordt verwezen naar de bijlage waarin een nadere toelichting op de vier hoofdcriteria is opgenomen, en waarin het beoordelingskader met daarin de nadere uitwerking van de hoofdcriteria tot subcriteria is opgenomen. Het beoordelingskader bestaat uit vier hoofdcriteria die elk een aantal subcriteria tellen met een of meerdere indicatoren. De totale score van een aanvraag wordt bepaald door het gewogen gemiddelde van de score op de vier hoofdcriteria. De weging van de hoofdcriteria is als volgt: noodzaak (25%), effectiviteit (25%), efficiëntie (25%) en urgentie (25%). Het is aan de toetsingscommissie om de subcriteria onderling te wegen en tot een score voor het hoofdcriterium te komen. Er worden geen gewichten voorgeschreven voor de weging van de onderliggende subcriteria en onderliggende indicatoren. Zie voor een nadere toelichting op het beoordelingskader en het advies van de commissie ook paragraaf 1.5 van het algemeen deel van de toelichting.

15

Staatscourant 2020 nr. 28062

20 mei 2020

Artikel 6. Rangschikking van aanvragen Uit het besluit volgt dat de rangschikking plaatsvindt op basis van de totaalscores die de aanvragen behalen. De totaalscore is het gewogen gemiddelde van de scores op de vier hoofdcriteria. In artikel 6, eerste lid, is bepaald hoe de positie op de ranglijst wordt bepaald indien twee of meer aanvragen dezelfde scoren hebben behaald en een toekenning van die aanvragen gezamenlijk ertoe zou leiden dat het uitkeringsplafond van het betreffende aanvraagtijdvak wordt overschreden. In dat geval zal de deelscore op effectiviteit doorslaggevend zijn, Ter voorbeeld: vier aanvragen behalen een gelijke totaalscore. Eén van de vier aanvragen behaalt de hoogste score op het criterium effectiviteit, diens positie op de ranglijst staat daarmee vast. De overige drie aanvragen behalen een lagere, maar aan elkaar gelijke score op dat criterium. Dan is het dus nog niet mogelijk om die drie aanvragen onderling te rangschikken. Voor die situatie beidt het tweede lid uitkomst. In het tweede lid is bepaald dat indien er na toepassing van het voorgaande nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren, de positie op de rangschikking van die aanvragen onderling bepaald wordt door de gevraagde bijdrage per gerealiseerde woning in de aanvraag. Dat is het gevraagde uitkeringsbedrag, gedeeld door het aantal toegevoegde woningen.

In het derde lid is bepaald dat de eerste toekenning, op basis van de rangschikking, die leidt tot een overschrijding van het uitkeringsplafond toch volledig toegekend kan worden. De minister kan hiertoe besluiten indien er nog middelen voor een volgend aanvraagtijdvak beschikbaar zijn en zij zal het deel van de toekenning dat het uitkeringsplafond overschrijdt dan ook ten laste brengen van het uitkeringsplafond in het eerstvolgende tijdvak. De minister kan de uitkering in een dergelijke situatie in één keer betalen, maar kan ook besluiten om de uitkering verspreid over twee momenten uit te betalen. In de uitkeringsbeschikking zal de wijze van uitbetaling worden opgenomen.

Artikel 7. Weigeringsgronden In artikel 6 van het besluit zijn de weigeringsgronden van een aanvraag voor een specifieke uitkering bepaald. Een van de weigeringsgronden is dat een aanvragen een onvoldoende score van de toetsingscommissie krijgt. Deze weigeringsgrond is nader uitgewerkt in artikel 7, eerste lid, van deze regeling. Er is sprake van een onvoldoende score als een aanvraag op alle beoordelingscriteria gezamenlijk, te weten urgentie, noodzaak, efficiëntie en effectiviteit, een gemiddelde score lager dan een 5,5 scoort. Ook is sprake van een onvoldoende score als het totaal van de scores hoger is dan een 5,5, maar op ten minste één van de beoordelingscriteria noodzaak, efficiëntie en effectiviteit lager dan een 5,5 scoort. Een andere weigeringsgrond van de minister is dat toekenning van een aanvraag leidt tot een onevenwichtige regionale spreiding van de beschikbare middelen. Er is sprake van een onevenwichtige regionale spreiding als de totale omvang van specifieke uitkeringen die zijn toegekend aan een regio te veel uit te pas loopt met de woningbouwopgave van deze regio. De woningbouwopgave wordt gebaseerd op de meest actuele cijfers die door het Ministerie van BZK zijn gepubliceerd in de Staat van de Woningmarkt. De woningbouwopgave wordt gefixeerd voor de duur van de woningbouwimpuls.

Dit betekent dat er tussentijds in principe geen actualisaties worden gemaakt van de cijfers tenzij hier zwaarwegende redenen voor zijn. Dit geeft gemeenten zekerheid over de kansen die zij hebben en geeft hen ook de mogelijkheid om complexe projecten op te pakken en een aanvraag voor te bereiden, ook als dit een langere aanlooptijd heeft.

Artikel 8. Leden van de commissie In artikel 8 zijn nadere voorschriften gesteld op grond van artikel 7, zesde lid, van het besluit, over de leden van de commissie. De onafhankelijkheid van de commissie is geborgd doordat in het derde lid is geregeld dat de voorzitter en de leden zitting hebben op persoonlijke titel en hun functie uitoefenen zonder last of ruggespraak.

Artikel 9. Ondersteuning van de commissie De minister voorziet in een secretariaat ter ondersteuning van de commissie. De commissie stelt op grond van artikel 8, eerste lid, van het besluit haar eigen werkwijze vast en zal ook, in overleg met de minister, de werkzaamheden van het secretariaat bepalen.

Artikel 10. Inwerkingtreding Deze regeling bevat een uitwerking van de delegatiegrondslagen uit het Besluit woningbouwimpuls

16

Staatscourant 2020 nr. 28062

20 mei 2020

2020 en treedt daarom in werking op het tijdstip waarop dat besluit in werking treedt. Als aan het besluit terugwerkende kracht wordt verleend, treedt ook deze regeling met terugwerkende kracht in werking. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

17

Staatscourant 2020 nr. 28062

20 mei 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=21ddd2af-0529-4b0a-9468-ef7874640aa4