Beantwoordingsbrief schriftelijke vragen jeugdhulp - getekend.docx
Tekst van het document
Aan de fractie van de CU, GL, CDA, PvdA en D66
uw brief van 23 augustus 2021
uw kenmerk
ons kenmerk
behandeld door MY. Post
doorkiesnummer 14-0320
bijlagen
onderwerp Beantwoording vragen CU, GL, CDA, PvdA en D66 inzake jeugdhulp
datum 21 september 2021 CS-CA dossiernummer pr-nummer
Geachte mevrouw Messelink, mevrouw Boertjens, de heren Hijmissen en Van der Herberg en mevrouw Bergman, Hierbij ontvangt u de antwoorden op uw vragen betreffende jeugdhulp en de organisatie daarvan in Lelystad. Eerst wordt de vraag herhaald, daarna volgt het antwoord. Vraag 1: Uit diverse signalen blijkt dat beschikkingen worden afgegeven met een looptijd van rond de 3 maanden, terwijl men eerder een beschikking kreeg voor 6 maanden bijvoorbeeld. Wordt in het huidige proces inderdaad ingestoken op (in eerste instantie) beschikkingen met een korte looptijd (3 maanden bijv)? En zo ja wat is de reden van deze korte looptijd van een beschikking? Hoe verhoudt deze zich tot de noodzaak om vertrouwen op te bouwen met een zorgverlener en de noodzaak tot stabiliteit? Is een beschikking met zo’n korte looptijd effectief (in het bijzonder in deze turbulente tijd)? Mogelijk dat ook inzichtelijk is of het aantal beschikkingen met een kortere looptijd inderdaad is toegenomen? Antwoord vraag 1 De duur van een beschikking is casus afhankelijk. In sommige situaties worden korte beschikkingen afgegeven ter overbrugging. Dit kan het geval zijn als het onderzoek nog niet is afgerond maar er is wel zorg nodig. Of als men in afwachting is van een uitspraak van ondertoezichtstelling of jeugdbeschermingstafel.
Ook worden korte beschikkingen afgegeven als blijkt dat na een traject nog een korte verlenging nodig is voor de borging. Vraag 2: Veel kleinere zorgaanbieders hebben de aanbesteding niet gekregen. Elders blijkt dat zulke aanbieders vervolgens door grote partijen die de aanbesteding hebben gekregen worden ingeschakeld, als onderaannemer, om dezelfde zorg te leveren, maar dan tegen een lager tarief. Is het college daarvan op de hoogte? Is hier bij de aanbesteding rekening mee gehouden? Heeft het college signalen dat dezelfde ontwikkelingen zich in Lelystad voordoen?
ons kenmerk
datum
pagina
221
2
Antwoord vraag 2 Het college is op de hoogte van het construct hoofd- en onderaannemers. In deze aanbesteding is het toegestaan dat de aanbieder met wie de gemeente een overeenkomst aangaat gebruik maakt van onderaannemers om de opdracht in te vullen. De hoofdaannemer dient hier vooraf toestemming te vragen aan de gemeente Lelystad. Toestemming zal niet op onredelijke gronden worden geweigerd. Een aantal hoofdaannemers heeft inmiddels laten weten met onderaannemers te gaan werken. Om onderaannemers te beschermen hebben wij in de aanbesteding geregeld, dat de door de hoofdaannemer opgelegd tarieven/kosten aan onderaannemer nooit minder bedragen dan 90% van de vaste tarieven/kosten zoals door hoofdaannemer aan Gemeente Lelystad in rekening gebracht Vraag 3: Omdat er is besloten tot minder aanbieders binnen de jeugdhulp, zijn bij de aanbesteding ook organisaties buiten de aanbesteding gevallen die daarvoor wel zorg leverden. Dat is niet te vermijden.
In hoeverre is in het proces rond de aanbesteding ook het belang van (kleine) lokale aanbieders met een uniek concept meegenomen? Of kan het zijn sommige unieke aanbieders (zoals bijv Ago Natura) zijn weggevallen uit het zorgaanbod, die niet op die manier kunnen worden overgenomen door andere aanbieders? Antwoord vraag 3 De raad heeft met het vaststellen van de Aanpak Sociaal Domein besloten om met een beperkt aantal aanbieders voor een langere periode (5 jaar) partnerschap aan te gaan. Dit is in de aanbesteding verwerkt door voor de meeste percelen het aantal aanbieders met wie de gemeente een overeenkomst aangaat te limiteren. Deze aanbieder moet alle producten uit een perceel kunnen aanbieden. Mochten zij het niet zelf kunnen uitvoeren, dan kunnen zij een onderaannemer inschakelen. Vraag 4: Uit verschillende signalen blijkt dat in een aantal gesprekken door verschillende partijen (gemeente, JGT, scholen, Samenwerkingsverband) naar elkaar verwezen wordt voor betaling en verlening van hulp. Daarnaast zijn er geluiden dat in gesprekken tav een beschikking wordt benoemd dat ‘hulp niet meer kan omdat er bezuinigd moet worden’.
Herkent het college deze signalen? Is het college met ons van mening dat in een gesprek met ouders of jongeren die hulp nodig hebben, de bezuinigingen op deze manier nooit een rol mogen spelen of mogen worden gebruikt als argument? En is het college ook met ons van mening dat het door verschillende partijen verwijzen naar elkaar voor betaling of verlenen van hulp geen gewenste situatie is? Wat zouden we kunnen doen om te voorkomen dat dit wel gebeurd? Op welke manier zou het mogelijk helpend kunnen zijn dat er iemand een volmacht krijgt om door te pakken, eerst zorgt dat er hulp geregeld wordt en daarna het proces leidt om te bepalen wie de rekening betaalt? Antwoord vraag 4 Het signaal, dat bezuinigingen werden genoemd als reden voor het afwijzen van een aanvraag jeugdhulp is ons ter ore gekomen ten tijde van de afrondingsfase van het JGT. Wij zijn met u van mening dat dit niet gebruikt mag worden als argument en hebben dit toen ook geadresseerd aan de directie van het JGT. Het college herkent de signalen, dat door de wijzigingen in het jeugdstelsel (start van LISA, Jeugd Lelystad (JEL) en nieuwe inkoop per 1 juli) het nog aftasten en zoeken is naar de nieuwe verhoudingen, rollen en verantwoordelijkheden. Ook merken we dat in de praktijk partijen moeten wennen aan de nieuwe werkwijze. We zetten ons in om alle stakeholders goed te informeren over de nieuwe situatie.
Met verschillende partijen hebben we afspraken gemaakt over de samenwerking en opschalingsroute of zijn we nog in gesprek met elkaar. Vraag 5: Er zijn signalen (ook in het landelijk nieuws: https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5233902/rechter-nathalie-machteloos-noodklokhuiselijk-geweld ) die zichtbaar lijken te maken dat ouders zich bij tijd en wijle gediskwalificeerd voelen als ouder en gesprekspartner tav de zorgvraag, er geen gevoel is van gelijkwaardigheid. Heeft het college in Lelystad ook dergelijke berichten gehoord? Op welke manier ziet het college kans om hierover in gesprek te zijn en te blijven met de betrokken hulpverleners en ook te bevorderen dat hulpverleners daarover gezamenlijk in gesprek blijven? Antwoord vraag 5 Het college kent berichten over jeugdigen of ouders die zich niet gehoord voelen of onvoldoende betrokken voelen als gesprekspartner. We zien een ontwikkeling dat organisaties meer besef en alertheid tonen als het gaat om de jeugdige en diens gezin als gesprekspartner. Bij onze lokale inkoop is de rol van de client een belangrijk criterium en is als voorwaarde opgenomen dat de
ons kenmerk
datum
pagina
221
3
gecontracteerde aanbieder zichzelf zo dient te organiseren dat gegarandeerd kan worden dat jeugdigen en ouders een actieve rol krijgen of hebben in het hulpverleningsproces. We werken (ook regionaal) met een verklarende analyse, die wordt opgesteld samen met ouders en jeugdigen om in kaart te brengen wat er speelt. In de regiovisie die wordt opgesteld is aandacht benoemd voor de stem die jeugdigen en ouders moeten hebben. De Flevo Academie Jeugd levert een bijdrage aan een lerende omgeving voor professionals waarbij actieleren centraal staat om betere zorg te leveren voor de cliënt. Vraag 6: Bij verschillende inwoners en instellingen of scholen lijkt het nog niet helder waar men heen moet voor zorg en welke zorg er is. Is het college hiervan op de hoogte? Op welke manier kunnen we deze bekendheid nog veel verder vergroten? Antwoord vraag 6 Dit is bij het college bekend. De communicatie is een blijvend aandachtspunt en wordt/is opgepakt. In juni zijn cliënten en andere belanghebbenden, zoals scholen, huisartsen en (gecertificeerde) instellingen, geïnformeerd over de start van JEL per 1 juli 2021. In september hebben inloopsessies plaatsgevonden voor cliënten waar ze vragen konden stellen over JEL. Ook staan we in contact met onze partners, o.a. middels de Klankbordgroep Sociaal Domein.
Om de bekendheid verder te vergroten, zijn we in het najaar gestart met een nieuwe informatieronde. Een update met de meest relevante veranderingen in het jeugdstelsel en een overzicht met contactgegevens van Lisa (voor informatie en advies over opvoeden, opgroeien en ontwikkeling) en JEL is verstuurd naar onze belanghebbenden, zoals scholen, huisartsen en (gecertificeerde) instellingen. In oktober ontvangen deze belanghebbenden meer informatie over het jeugdstelsel en de wijzigingen. Vraag 7: In sommige gevallen wordt geen verbinding gelegd tussen hulp aan verschillende gezinsleden. Op welke manier kan deze verbinding meer worden gecreëerd? Dat voorkomen wordt dat de hulp aan het ene gezinslid niet wegvalt omdat het met het andere gezinslid goed gaat? Of dat er te veel hulpverleners in een gezin zitten? We begrepen dat met JEL ook weer ingestoken wordt op 1 regisseur voor een gezin, dat is heel belangrijk. Dit is echter ook bij de vorige landelijke wijziging voor de jeugdhulp ook altijd de boodschap geweest (1 gezin, 1 regisseur, 1 plan) en in de praktijk lijkt dat toch moeilijker te bereiken dan mogelijk gedacht.
Heeft het college een idee waar dit door komt en wat we kunnen doen om niet na een bepaalde periode te moeten concluderen dat er nog niet integraal gewerkt wordt? Antwoord vraag 7 Integraal werken in de praktijk wordt bemoeilijkt, omdat de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet zijn geschreven vanuit een andere denkkader. Ook het delen van gegevens en gelabelde financiering kan een obstakel zijn voor integraal werken. Gelukkig is dit op landelijk niveau ook gesignaleerd. Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor meervoudige problematiek in het sociaal domein zodat het makkelijker wordt om overstijgend te werken. Ook wordt er aan een wetswijziging gewerkt om het delen van informatie tussen hulpverlenende instanties en gemeenten makkelijker te maken. Bij onze lokale inkoop is de samenwerking een belangrijk criterium en is als voorwaarde opgenomen dat de gecontracteerde aanbieder zichzelf zo dient te organiseren dat gegarandeerd kan worden dat er gewerkt wordt volgens het principe één gezin, één plan en één regisseur. Wij gaan ervan uit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Het college van de gemeente Lelystad, de loco secretaris,
de burgemeester,
D.T. de Blieck – Visser
A.E.H. Baltus