Beantwoording technische vragen 140 Verordening fysieke leefomgeving - LL.docx
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen inzake het opnemen van een bepaling tot het weren van hondenhandelaren in de Verordening fysieke leefomgeving. Document: Technische vragen 140 Verordening fysieke leefomgeving Onderwerp Het weren van hondenhandelaren Portefeuillehouder: Wethouder Schoone Datum: Vraag gesteld op 14 mei 2021 Van: Leefbaar Lelystad, Marianne van de Watering De vraag: Is het mogelijk om bij artikel 4 ‘Houden van dieren’ een toevoeging te doen om hondenhandelaren te weren? De Verordening fysieke leefomgeving is opgesteld met het oog op de toekomstige omzetting van lokale regelgeving uit de gemeentelijke verordeningen naar het omgevingsplan onder het toekomstige regime van de Omgevingswet. Hierbij is getracht dit zoveel als mogelijk beleidsneutraal te doen, mede gelet op de huidige wetgeving. De regels van hoofdstuk 4 van de Verordening vinden hun oorsprong in de APV, waarbij bepalingen zijn opgenomen over het houden van dieren in relatie met de fysieke leefomgeving. Een bepaling omtrent het weren van hondenhandelaren past niet in deze structuur, aangezien de handel in gedomesticeerde dieren (huisdieren) legaal is op basis van hogere regelgeving.
Misstanden in het kader van bijvoorbeeld dierenwelzijn kunnen lijden tot strafbare situaties op basis van het strafrecht, maar de strafrechtelijke handhaving ligt bij andere opsporingsinstanties en niet bij de gemeentelijke regelgever. Op dit moment is het bestemmingsplan het enige kader waarbinnen wel of geen ruimte kan worden geboden aan bedrijfsmatige activiteiten omtrent het houden van dieren. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gaan bestemmingsplannen op in het omgevingsplan, waarmee er ruimte is tot aanpassing van de regels mits dit nodig is voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Het is daarbij echter wel noodzaak dat een specifiek verbod op het handelen in honden gerechtvaardigd kan worden in relatie tot de fysieke leefomgeving, zeker wanneer andere dierenhandel wel is toegestaan. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over geur- of geluidsaspecten van de activiteit. Overwegingen welke geregeld worden langs privaatrechtelijke of strafrechtelijke lijn mogen hier niet aan ten grondslag liggen. Indien een dergelijk specifiek verbod wordt overwogen dient er tevens een kritische afweging gemaakt te worden over de handhaafbaarheid van een dergelijk verbod. Er ontstaat dan namelijk ook een beginselplicht tot handhaving van het verbod.
Als hiervoor geen extra capaciteit beschikbaar is betekent dit dat er keuzes moeten worden gemaakt met betrekking tot de inzet van toezicht en handhaving op andere terreinen. In het VTHUP van 2021 zal illegale dierenhandel worden geprioriteerd in het kader van de handhaving bestemmingsplannen. Op basis van deze gegevens is het antwoord op de vraag negatief en wordt het op grond van de twijfelachtige rechtmatigheid en handhaafbaarheid ontraden dit via het omgevingsrecht te regelen.