CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

Actieplan Duurzaamheid 2021-2024

Raadssessies (Presentatiezaal) 9 maart 2021, gemeente LelystadBij agendapunt: 07. Actieplan duurzaamheid 2021-202417.719 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Actieplan Duurzaamheid 2021-2024

Inhoud Samenvatting 5

1. Inleiding 6 2. De Speerpunten 8 3. Financiële paragraaf 24 Bijlage 1: overzicht projecten Speerpunt 1: Energie 27 Speerpunt 2: Afval & Circulaire Economie 34 Speerpunt 3: Voedsel 41 Speerpunt 4: Fysieke Leefomgeving 47 Thema: De Duurzame Gemeente 53

Inhoud

3

4

Samenvatting In 2016 heeft de gemeenteraad de Kadernota Duurzaamheid vastgesteld. In deze kadernota zijn de langjarige doelen beschreven die leiden tot een duurzamer Lelystad. Een jaar later is eveneens door de gemeenteraad het Uitvoeringsplan Duurzaamheid 2017-2020 vastgesteld. Daarin zijn speerpunten met projecten benoemd die bijdragen aan het behalen van de doelstellingen. Tegelijkertijd heeft de raad middelen beschikbaar gesteld om deze doelen te behalen. Nu het uitvoeringsplan afloopt is het tijd voor een opvolging: Het Actieplan Duurzaamheid 2021-2024. Geconstateerd is dat de door de raad vastgestelde kaders van 2016 nog actueel zijn en de middelen om deze te kunnen behalen vooralsnog toereikend zijn. Het verduurzamen van Nederland is in een stroomversnelling geraakt. Dat wat in 2016 nog gezien kon worden als een gemeentelijke ambitie is nu al deels vertaald naar een landelijke verplichting. In het Actieplan zijn wettelijke opgaven toegevoegd ten opzichte van de kaders die in 2016 door de raad zijn vastgesteld. Die opgaven komen met name voort uit de energietransitie, klimaatadaptatie en de weg naar een circulaire economie. Deze verplichte taken zijn toegevoegd aan de uitgangspunten van het Actieplan Duurzaamheid 2021-2024. De uitwerking van die opgaven past nu nog binnen de beschikbare formatie en middelen.

Mocht gedurende de looptijd van dit actieplan blijken dat er aanvullende formatie en/of middelen nodig zijn dan wordt daarvoor een separaat voorstel aan de raad voorgelegd. Onze doelen voor 2050 zijn ambitieus en voor een groot deel nu al vastgelegd in wettelijke taakstellingen, regionale overeenkomsten, convenanten, het grondstoffenakkoord en intentieverklaringen. De afgelopen 4 jaar hebben we het fundament gelegd om deze doelen te kunnen behalen. We hebben al veel gedaan maar we zijn er nog lang niet. In dit Actieplan hebben we maatregelen benoemd en projecten gedefinieerd die ons de komende 4 jaar gaan helpen weer een stukje dichter bij de einddoelen van 2050 te komen. Omdat het speerpunt Onderwijs en Ondernemen niet meer als separaat speerpunt wordt opgenomen (dit is geïntegreerd in de overige speerpunten), is er nu sprake van vijf speerpunten (Energie, Afval & Circulaire Economie, Voedsel, Mobiliteit, Fysieke Leefomgeving,) en een thema (de Duurzame Gemeente). Dit nieuwe Actieplan Duurzaamheid is opgesteld door het team van duurzaamheidsregisseurs. Echter, de uitvoering van dit Actieplan doen we niet alleen. Zoals te lezen is draagt Lelystad bij aan verschillende transities: de Energietransitie, de transitie naar een Circulaire Economie en de transitie naar een Klimaat Adaptieve en Water robuuste samenleving.

Deze transities staan niet op zichzelf en leveren een substantiële bijdrage aan onze werkgelegenheid. Daarom is afstemming met onze andere grote opgaven zoals voor Wonen, Economie, de Omgevingsvisie en Lelystad Next Level (LNL) noodzakelijk en ook opgezocht met vakafdelingen. De komende 4 jaar, wordt, net als de afgelopen 4 jaar, nauw samengewerkt met onze interne collega’s en externe partners aan een klimaatrobuust, duurzaam en toekomstbestendig Lelystad.

Samenvatting

5

1. Inleiding Lelystad in 2050 De hoofdstad van de Nieuwe Natuur, zo kent iedereen in Nederland en ver over de landsgrenzen Lelystad in 2050. Lelystad heeft een groen imago en een aantrekkelijk vestigingsklimaat, waarbij er een duidelijke balans is tussen natuur, ontwikkelruimte en groene structuren die de ruimtelijke drager vormen van de stedelijke ontwikkeling. Het stedelijk ecosysteem functioneert, de inwoners begrijpen (op hun eigen niveau) de stedelijke natuur en de voordelen hiervan. Natuurinclusief, energieneutraal en circulair ontwerpen en bouwen is vanzelfsprekend. De grote natuurgebieden lopen geleidelijk over in het stedelijk gebied, waarbij aangesloten wordt op de stedelijke hoofdgroenstructuur. Beschermde en zeldzame soorten zijn binnen de gemeentegrenzen in een goede staat van instandhouding. Soorten en het ecosysteem zijn aangepast aan het dan heersende klimaat en kunnen zich verplaatsen langs ecologische groenstructuren van voldoende afmeting en kwaliteit. In 2050 is duurzaamheid vanzelfsprekend geworden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de integrale wijkbenadering waarbij duurzame energie, circulariteit en klimaatadaptatie bijdragen aan de wijkontwikkeling. Straten zijn opnieuw ingericht op basis van herbruikbare en duurzame materialen waardoor schone tweewielers, wandelaars en schoon (deel)vervoer ruim baan hebben.

De aanwezigheid van parken, perkjes, groene daken en groene gevels biedt mensen contact met de natuur, zorgt dat de bebouwde omgeving niet oververhit raakt en draagt tegelijkertijd bij aan de biodiversiteit. Als we bouwen doen we dat biobased en natuurinclusief. Beton gebruiken we enkel nog waar dat echt nodig is en van circulaire bron. De bouwmaterialen komen zo veel als mogelijk uit onze regionale grondstoffendepots die zijn ontstaan door urban mining en circulaire materialen. De energietransitie heeft de samenleving versterkt, omdat zij tot stand is gekomen in nauwe samenspraak tussen bestuurders en burgers. Woningen zijn verduurzaamd, comfortabel en waar mogelijk zoveel mogelijk energieneutraal. Ook heeft deze transitie en opgave naar de nieuwe economie een enorme impuls gegeven aan nieuwe verdienmodellen, onderwijs, biodiversiteit en werkgelegenheid. Een nieuw Actieplan Duurzaamheid Dit nieuwe Actieplan Duurzaamheid is opgesteld door het team van duurzaamheidsregisseurs. Echter, de uitvoering van dit Actieplan doen we niet alleen. Zoals te lezen is draagt Lelystad bij aan verschillende transities: de Energietransitie, de transitie naar een Circulaire Economie en de transitie naar een Klimaat Adaptieve en Water robuuste samenleving. Deze transities staan niet op zichzelf en leveren een substantiële bijdrage aan onze werkgelegenheid.

Hierdoor is afstemming met onze andere grote opgaven zoals voor Wonen, Economie, de Omgevingsvisie en Lelystad Next Level (LNL) noodzakelijk. Daarom zullen wij de komende 4 jaar, net als de afgelopen 4 jaar, nauw samenwerken met onze interne collega’s en externe partners aan een klimaatrobuust, duurzaam en toekomstbestendig Lelystad. Het hierboven geschetste duurzame toekomstperspectief komt voor een groot deel overeen met de in de Kadernota Duurzaamheid (2016-2025) opgenomen duurzame beleidskaders. Deze kaders zijn in februari

6

Inleiding

1. Inleiding

2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Uit de tussenrapportage 2019 (opgeleverd in voorjaar 2020) is

• Meer scheiden (75% in 2020¹)

gebleken dat de doelen uit de Kadernota nog actueel en voldoende dekkend zijn voor de komende jaren.

• Circulair maken van afvalstromen (samenwerking provinciebreed en in MRA-verband);

Hierop komt de focus te liggen in het voorliggende Actieplan Duurzaamheid. Ten opzichte van het Uitvoeringsplan Duurzaamheid 2017-2021 is er een klein verschil met dit nieuwe Actieplan. Uit de tussenrapportage en 213a onderzoek is naar voren gekomen dat er sprake was van een aantal speerpunt overstijgende onderwerpen, waaronder onderwijs en ondernemen. Gebleken is dat deze in de overige speerpunten al voldoende geïntegreerd zijn. Bijvoorbeeld klimaatadaptatie waarbij reeds wordt samengewerkt met Waterschap, diverse ondernemers en onderwijs. Ook in de circulaire economie en het onderwerp voedsel vindt samenwerking plaats. Dit gebeurt in reguliere overleggen zoals het platform Circulaire Economie van de provincie Flevoland en met het practoraat circulaire regionale economie. Bij voedsel vindt samenwerking plaats met lokale ondernemers zoals de stichting Lelystadse Boer, Flevofood en onderwijs en maatschappelijke organisaties zoals IVN. Er is daardoor geen noodzaak meer om onderwijs en ondernemen als separaat speerpunt op te nemen. Maatregelen tot 2024 Onze doelen voor 2050 zijn ambitieus en voor een groot deel nu al vastgelegd in wettelijke taakstellingen, regionale overeenkomsten, convenanten, het grondstoffenakkoord en intentieverklaringen. De afgelopen 4 jaar hebben we het fundament gelegd om deze doelen te kunnen behalen. We hebben al veel gedaan én we zijn er nog lang niet.

In dit uitvoeringsplan hebben we maatregelen benoemd en projecten gedefinieerd die ons de komende 4 jaar gaan helpen weer een stukje dichter bij de einddoelen van 2050 te komen. Omdat het speerpunt Onderwijs en Ondernemen niet meer als separaat speerpunt wordt opgenomen, is er nu sprake van vijf speerpunten (Energie, Afval & Circulaire Economie, Voedsel, Mobiliteit, Fysieke Leefomgeving,) en een thema (de Duurzame Gemeente). Wat zetten we met deze speerpunten op de agenda:

Energie Evenwicht tussen het lokale energieverbruik en duurzaam opgewekte energie (energieneutraal, excl. mobiliteit in 2025 met een maximale compensatieopgave van 4,4 PJ) door in te zetten op: • Vermindering van het energieverbruik in met name de bestaande bouw en lokale industrie; • Vergroten van de opwek van duurzame energie door met name windenergie en zonne-energie; • Onderzoek naar inzetbaarheid slimme technische concepten en alternatieve hernieuwbare bronnen; • Geleidelijke uitfasering van het gebruik van fossiele brandstoffen in de gebouwde omgeving.

Afval & circulaire economie Een zeer geringe hoeveelheid restafval (100 kg per inwoner in 2020 ) door in te zetten op: • Meer bewuste consumptie • Verantwoorde productie

Voedsel: • Hogere consumptie van gezonde lokale producten; • Meer lokale verwerking en afzet; • Een bundeling van de distributie; • Minder verspilling in elk onderdeel van de voedselketen; • Een sterkere relatie met gezondheidsbeleid en parkenbeleid;¹

Fysieke leefomgeving: • Duurzame gebiedsontwikkeling; • Natuurinclusief bouwen en klimaat adaptief ontwikkelen; • Milieuvriendelijker beheer met oog voor biodiversiteit;

Mobiliteit: • 10% minder autoverkeer (motorvoertuigen per etmaal) op het Lelystadse wegennet ten opzichte van de prognose indien geen maatregelen worden getroffen; • Aandeel fietsen en e-fietsen in de modal split is 35% (10% hoger dan nu) • 100 scooters/bromfietsen zijn vervangen door e-scooters; • CO2 uitstoot door verkeer is met 20% verminderd ten opzichte van 1990 (landelijk peiljaar); • Het stadsvervoer (stadsdienst) rijdt volledig elektrisch; • In 2025 wordt het stadshart emissievrij beleverd (ambitie Green Deal Zero Emission Stadslogistiek); • een 20% kleinere ecologische footprint w.b.t ons eigen verbruik (Stadhuis & Wigstraat).

De Duurzame Gemeente: • Een 20% kleinere ecologische footprint (Stadhuis & Wigstraat); • Draagvlak vanuit het management voor duurzame (beleids)ontwikkeling; • Spreken van een gemeenschappelijke taal en werken vanuit duurzame principes; • Meer kennis over duurzaamheid en duurzame aanpakken, instrumentarium en uitvoering. In het volgende hoofdstuk omschrijven we de speerpunten en geven we aan welke focuspunten we hebben gekozen om onze projecten uit te voeren. De focuspunten kunnen worden gezien als deelthema’s waar binnen het speerpunt op wordt ingezet. Deze focuspunten (met onderliggende projecten) dekken de verschillende doelen en opgaven van het betreffende speerpunt. In het volgende hoofdstuk wordt eerst een totaaloverzicht gegeven van alle speerpunten met bijbehorende focuspunten en projecten.

De doelstellingen omtrent de 100 kg restafval per inwoner en 75% scheiden zijn vastgelegd in het gemeentelijke afvalbeleid en afkomstig uit de Rijksambitie die zijn vastgelegd in het uitvoeringsprogramma ‘Van Afval Naar Grondstof’ (VANG). Het afvalbeleid zal binnen afzienbare tijd geactualiseerd worden evenals de percentages en jaartallen. Met de in dit Actieplan benoemde projecten willen we ook een bijdrage leveren aan het terugdringen van de hoeveelheden restafval en het verbeteren van scheiden daarvan. 1.

Inleiding

7

2. De Speerpunten

Klimaat robuuste samenleving/gemeente ENERGIE Evenwicht tussen het lokale energieverbruik en duurzaam opgewekte energie (energieneutraal, excl. mobiliteit in 2025 met een maximale compensatieopgave van 4,4 PJ)

Focuspunt: Besparen Focuspunt: Transformatie

Een duurzaam en lokaal voedselsysteem realiseren

THEMA: DE DUURZAME GEMEENTE Interne verankering van het duurzaamheidbeleid

Een zeer geringe hoeveelheid restafval (100 kg per inwoner in 2020)

Focuspunt: Opwekken

VOEDSEL

Focuspunt: Secundaire grondstromen & sluiten kringlopen

AFVAL EN CIRCULAIRE ECONOMIE

Focuspunt: Circulaire bouw en gebiedsontwikkeling Focuspunt: Meer bewuste consumptie en meer scheiden

Focuspunt: Hogere consumptie gezonde lokale producten

MOBILITEIT

Focuspunt: Voedseleducatie Focuspunt: Voedselverspilling tegengaan

Een verantwoorde mobiliteit, in 2025 20% minder Co2 uitstoot dan in 1990

Focuspunt: interne verankering van duurzaamheidsbeleid

FYSIEKE LEEFOMGEVING Een goede en aangename fysieke leefomgeving, rekening houdend met toekomstige behoeften zonder afwenteling van problemen naar elders en later.

8

Focuspunt: Voorkomen van hitte, droogte en wateroverlast Focuspunt: Vergroenen van de stad

Thema De duurzame gemeente

ENERGIE

AFVAL EN CIRCULAIRE ECONOMIE

VOEDSEL

FYSIEKE LEEFOMGEVING

Focuspunt: besparen

Focuspunt: secundaire grondstromen en sluiten kringlopen

Focuspunt: hogere consumptie gezonde lokale producten

Focuspunt: voorkomen van hitte, droogte en wateroverlast

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.12 1.13

2.1. Toepassing en monitoring van gebruik en bestemming van circulaire producten in de openbare ruimte. Beheersysteem inrichten voor materialenpaspoorten. Ruimte voor experimenten in de openbare ruimte. 2.3. Ondersteuning Praktoraat Circulaire Regionale Economie en stimuleren onderzoeken onderwijs binnen circulaire economie 2.4. Stimuleren gebruik herbruikbare/recyclebare bekers en verbieden single use plastic bekers evenementen 2.5. Afval scholen en maatschappelijke organisaties gescheiden inzamelen 2.7. Pilotproject textielsortering 3.7. Duurzaam Door

3.1. Zaadje tot soep 3.2. JOGG NL gekozen als pilotgebied voor de gezonde schoolomgeving 3.3. Deelname Vereniging Flevofood 3.4. Vergroten van voedseleducatie op scholen 4 jaar aansluiten NDE structuur 3.6. Inbedden en afstemmen beleid omtrent voedsel 3.7. Duurzaam Door 3.8. Voedsel Verbindt en onderzoeken voedselvraagstukken

4.1. Opstellen Handreiking Klimaat Adaptatie 4.2. Uitvoeringsplan Klimaat adaptatie 1.3. Bemensing energieopgaven 1.4. Regionale Energie Strategie 1.5. Transitievisie Warmte 1.12. Handelingsperspectief overige woonwijken 1.13. Aanpak fossiele brandstoffen vrije bedrijventerreinen

Omgevingsvisie - juridische/beleidsmatige inbedding Financiering duurzame energiemaatregelen Bemensing energieopgaven Regionale Energie Strategie Transitievisie Warmte Handelingsperspectief overige woonwijken Aanpak fossiele brandstoffen vrije bedrijventerreinen

Focuspunt: opwekken 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.5. 1.6. 1.7. 1.8. 1.9. 1.10.

Omgevingsvisie - juridische/beleidsmatige inbedding Financiering duurzame energiemaatregelen Bemensing energieopgaven Regionale Energie Strategie Transitievisie Warmte Netcapaciteit voor energie Inzet duurzame energiebronnen Zonneveldenbeleid Windplan West Ruimtelijke projecten

ENERGIE

Focuspunt: transformatie 1.1 Omgevingsvisie - juridische/beleidsmatige inbedding 1.2 Financiering duurzame \energiemaatregelen 1.3 Bemensing energieopgaven 1.4 Regionale Energie Strategie 1.5 Transitievisie Warmte 1.7 Inzet duurzame energiebronnen 1.10. Ruimtelijke projecten 1.11. Wijkuitvoeringsplannen 1.12. Handelingsperspectief overige woonwijken 1.13. Aanpak fossiele brandstoffen vrije bedrijventerreinen

Focuspunt: circulaire bouw en gebiedsontwikkeling 2.1. Toepassing en monitoring van gebruik en bestemming van circulaire producten in de openbare ruimte. Beheersysteem inrichten voor materialenpaspoorten. Ruimte voor experimenten in de openbare ruimte. 2.2. Circulair & Biobased bouwen 2.3. Ondersteuning Praktoraat Circulaire Regionale Economie en stimuleren onderzoeken onderwijs binnen circulaire economie

ENERGIE

Meer bewuste consumptie en meer scheiden 2.3. Ondersteuning Praktoraat Circulaire Regionale Economie en stimuleren onderzoeken onderwijs binnen circulaire economie 2.4. Stimuleren gebruik herbruikbare/recyclebare bekers en verbieden single use plastic bekers evenementen 2.5. Afval scholen en maatschappelijke organisaties gescheiden inzamelen 2.6. Uitbannen single use plastics sportverenigingen en scholen 2.7. Pilotproject textielsortering 2.8. Duurzame waterketen Lelystad Airport en Lelystad Airport Businesspark 2.9. Waterzuivering als energie en grondstoffenfabriek 2033 3.7. Duurzaam Door

MOBILITEIT Het realiseren van de doelen van het speerpunt mobiliteit wordt uitgewerkt in de Mobiliteitsvisie en de achterliggende mobiliteitsagenda. Voor de uit te voeren projecten wordt naar de Mobiliteitsagenda verwezen.

Focuspunt: voedseleductie 3.1. Zaadje tot soep 3.2. JOGG NL gekozen als pilotgebied voor de gezonde schoolomgeving 3.3. Deelname Vereniging Flevofood 3.4. Vergroten van voedseleducatie op scholen 4 jaar aansluiten NDE structuur 3.6. Inbedden en afstemmen beleid omtrent voedsel 3.7. Duurzaam Door 3.8. Voedsel Verbindt en onderzoeken voedselvraagstukken

Focuspunt: voedselverspilling tegengaan

Focuspunt: vergroenen van de stad ENERGIE 4.3. 4.4. 4.5. 4.6.

Beleidskader duurzame gebiedsontwikkeling Opstellen Natuurvisie Actieplan Biodiversiteit Verkenning boer-boer dialoog voor bermen inzet bloemrijk grasland 4.7. Onderzoek naar haalbaarheid oprichten kenniscentrum Stad & Natuur Lelystad 4.8. Onderzoek naar vergroten van areaal biodiverse landbouw 4.9. Aanbieden kennis over natuur aan inwoners 4.10. Milieuvriendelijk beheer 4.11. Toename van Groene Schoolpleinen 4.12. Samenwerking met Stichting Steenbreek

3.3. Deelname Vereniging Flevofood 3.4. Vergroten van voedseleducatie op scholen 4 jaar aansluiten NDE structuur 3.5. Het stimuleren of bijdragen aan projecten die voedselverspilling tegenaan (inclusief aandacht voor de week van de verspilling en de week zonder vlees) 3.6. Inbedden en afstemmen beleid omtrent voedsel 3.7. Duurzaam Door 3.8. Voedsel Verbindt en onderzoeken voedselvraagstukken

THEMA: DE DUURZAME GEMEENTE Interne verankering van duurzaamheidsbeleid Project: Opstellen wegingskader, monitoring & toetsing duurzaamheid Project: Monitoren & optimaliseren installaties gemeentelijk vastgoed Project: Jaarlijkse collegiale gesprekscyclus over de voortgang van de onderdelen van het uitvoeringsprogramma in de verschillende portefeuilles Project: Oriëntatie collectieve aanpak bedrijfsafval Project: Uitvoeren 2 pilottrajecten circulaire inkoop

Thema De duurzame gemeente

9

Speerpunt 1: Energie Lelystad staat aan de vooravond van een grote verbouwing van haar energievoorziening. Het overschakelen van een fossiel gedreven naar een hernieuwbaar energiehuishouding. Dit heeft voor veel inwoners ondernemers en maatschappelijke partijen invloed voor hun gebouwen, mobiliteit en productieprocessen. Waar aardgas en olie nu vaak de basis vormt zal dit aangepast moeten worden naar elektriciteit, warmte en kracht uit hernieuwbare bronnen. De mogelijkheden van aquathermie worden onderzocht in het kader van de transitievisie warmte (bronnen onderzoek). Dan moet ook duidelijk worden onder welke voorwaarden aquathermie toepasbaar is in Lelystad. Dit geldt ook voor geothermie, hiervoor lijkt juist een enorm potentieel aanwezig te zijn in Lelystad. De energietransitie heeft voor de gebouwde omgeving en de mobiliteitssector grote gevolgen op individueel en collectief niveau. Tevens liggen hier grote kansen voor innovatie en groeiende werkgelegenheid. Het slagen van deze energietransitie hangt af van een geslaagde participatie met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. De gemeente Lelystad heeft hierin een regisserende en uiteindelijk een besluitvormende rol voor de gebouwde omgeving. Hierin is nauwe samenwerking met mede overheden (RES Flevoland, MRA, G40, VNG en Rijk) noodzakelijk.

In de Kadernota Duurzaamheid is voor het speerpunt Energie als doel gesteld een evenwicht te verkrijgen tussen het lokale energieverbruik en duurzaam opgewekte energie (energieneutraal, excl. Mobiliteit in 2025 met een maximale compensatieopgave van 4,4 PJ) door in te zetten op: • Vermindering van het energieverbruik in met name de bestaande bouw en lokale industrie; • Opwekken van duurzame energie door met name windenergie en zonne-energie; • Onderzoek naar inzetbaarheid slimme technische concepten en alternatieve hernieuwbare bronnen; • Geleidelijke uitfasering van het gebruik van fossiele brandstoffen in de gebouwde omgeving. Op deze doelen wordt ingezet aan de hand van de volgende drie focuspunten:

Energiebesparing De eerste stap naar een energieneutraal Lelystad is het reduceren van het energieverbruik. Uit de analyse is gebleken dat met name de bestaande bouw en de lokale industrie het grootste deel van het energieverbruik voor hun rekening nemen. Op die sectoren zullen de acties (bv isolatieprojecten) dan ook gericht moeten zijn. Inzetten op energiebesparing dient een tweeledig doel: de vraag naar energie neemt af en daarmee de kosten voor de gebruiker, en om energieneutraal te worden verkleint het de opgave voor de benodigde duurzame energieproductie. Deze opgave wordt echter steeds groter rekening houdend met de groei van de stad in aantallen inwoners en werkgelegenheid. Dit is van invloed op het absolute energieverbruik van de stad.

10

Speerpunt 1: Energie

Speerpunt 1: Energie Vergroten aandeel duurzame energie Bieden van ruimte voor het opwekken van duurzame energie (zon, wind, geothermie, aquathermie en biomassa waar nodig en onder strikte voorwaarden. Wat betreft Biomassa heeft de gemeenteraad vastgesteld geen nieuwe projecten te willen starten.

Transitie naar duurzame energie Naast de doelen die gesteld zijn in de Kadernota Duurzaamheid is de opgave voor het thema Energie vergroot met het vaststellen van de Klimaatwet. In 2030 moet een reductie van 49% CO2 uitstoot ten opzichte van 1990 behaald zijn. In 2050 is dit 95% op landelijk niveau. Om dit te bereiken is er in de klimaatwet vastgelegd om alle fossiele brandstoffen te vervangen voor hernieuwbare energie. Concreet betekent dit dat er geen aardgas meer gebruikt mag worden in de gebouwde omgeving. Hiervoor wordt de transitievisie warmte opgesteld.

Speerpunt 1: Energie

11

Speerpunt 2: Afval en circulaire economie Het Rijk heeft de ambitie om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben in Nederland. Het tussendoel is om in 2030 al 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken. Deze ambitie is onder andere uitgewerkt in de Klimaatwet en het Klimaatakkoord, waarbij de circulaire economie een belangrijke bijdrage zal leveren aan de doelstellingen met betrekking tot het behalen van de benodigde CO2 reductie. De verwachting is dat daarmee jaarlijkse circa 14 Megaton CO2 wordt bespaard. Gemeente Lelystad heeft in 2017 het grondstoffenakkoord ondertekend. Daarin is met partners een gezamenlijke ambitie uitgesproken een circulaire economie te realiseren en is met de partners gekomen tot de landelijke transitieagenda’s voor de Circulaire Economie. In een circulaire economie worden grondstoffen na gebruik telkens weer teruggewonnen en ingezet om nieuwe (financiële) waarde te generen. Het winnen van primaire (eindige) grondstoffen wordt afgebouwd en de stoffen die nog in de kringloop zijn worden telkens hergebruikt. Hierdoor ontstaan zoveel als mogelijk oneindige kringlopen. Naast het telkens gebruiken van de al bestaande primaire grondstoffen wordt ook gebruik gemaakt van biobased grondstoffen die hernieuwbaar zijn zodat de voorraden altijd in korte tijd weer kunnen worden hersteld.

Denk hierbij aan bio-grondstoffen als bamboe, zeewier, vlas of hout. Bij deze circulaire aanpak past ook het ontstaan van nieuw businessmodellen zoals het delen van bezit, servicemodellen of leasen van producten. De transitie naar een circulaire economie vraagt om nieuwe en innovatieve business- en design modellen voor de productie, consumptie, regionale distributie, logistiek en het afvalbeheer. Daarnaast vraagt het een nieuwe blik op project- en gebiedsontwikkeling waarmee vooraf al rekening wordt gehouden met het ontwerp, bouw en inrichting, gebruik en de uiteindelijke herinrichting van een gebied. In de Kadernota Duurzaamheid is voor het speerpunt circulaire economie en afval als doel gesteld om de hoeveelheid restafval terug te dringen (100 kg per inwoner in 2020) door in te zetten op: • Meer bewuste consumptie • Verantwoorde productie • Meer scheiden (75% in 2020) • Circulair maken van afvalstromen (samenwerking provinciebreed en in MRA-verband). De doelstellingen omtrent de 100 kg restafval per inwoner en 75% scheiden zijn vastgelegd in het gemeentelijke afvalbeleid en afkomstig uit de Rijksambitie die zijn vastgelegd in het uitvoeringsprogramma ‘Van Afval Naar Grondstof’ (VANG). Het afvalbeleid zal binnen afzienbare tijd geactualiseerd worden evenals de percentages en jaartallen.

Met de in dit Actieplan benoemde projecten willen we ook een bijdrage leveren aan het terugdringen van de hoeveelheden restafval en het verbeteren van scheiden daarvan. Omdat de circulaire economie terugkomt in alle onderdelen van onze economie, en de inzet binnen het team Duurzaamheid beperkt is, is voor de periode 2021 tot en met 2024 gekozen voor de inzet op specifie-

12

Speerpunt 2: Afval en circulaire economie

Speerpunt 2: Afval en circulaire economie ke focuspunten. Deze focuspunten zijn: Secundaire grondstromen/sluiten kringlopen, Circulaire bouw en

Meer bewuste consumptie en meer scheiden

gebiedsontwikkeling en meer bewuste consumptie en meer scheiden.

Als wegwerpmaatschappij is het belangrijk dat burgers en bedrijven bewuster consumeren en een grotere inzet plegen op het scheiden van afvalstromen. Zonder deze gedragsverandering is een circulaire economie

In deze planperiode wil Lelystad zich voor wat betreft de focuspunten grotendeels op de interne processen

niet haalbaar. Als gemeente is het noodzakelijk inzet te plegen op die velden waar deze zelf invloed heeft.

en de eigen invloedsfeer richten. Daarmee willen we als gemeente een voorbeeldfunctie vervullen binnen

De gemeente kan een goede scheiding van afvalstromen en bewuste consumptie mogelijk maken. Dit door

de kaders en (financiële) uitdagingen waar de gemeente nog meer voor staat. Een weg ontstaat door er op

de invloed die de gemeente heeft in het eigen afval-, en evenementenbeleid en door bewuste consumptie

te lopen niet op te rennen. De weg naar 2030 en 2050 is nog lang maar we proberen deze doelen telkens

te verplichten, stimuleren of hier over voor te lichten. Deze rol pakt de gemeente bij en met evenementen,

met stappen te bereiken. Denk in deze planperiode aan de invloed die de gemeente heeft op het gemeen-

scholen, sportverenigingen en maatschappelijke organisaties. Dit door afvalscheiding te verplichten, te

telijke afval (beleid) -en evenementenbeleid, de invloed in de openbare ruimte, stedelijke ontwikkeling, de

stimuleren en te faciliteren. Hierdoor wil de gemeente bewustere consumptie en betere afvalscheiding op

eigen monitoring en inkoop. Daarnaast vinden projecten plaats om circulaire economie aan te jagen in het

meerdere niveaus bewerkstelligen. Waar dit kan gebeurt dit met partners uit het bedrijfsleven en onder-

onderwijs in combinatie met het bedrijfsleven,

wijs.

In onderstaande paragrafen wordt nader ingegaan op deze focuspunten. Secundaire grondstromen/ sluiten kringlopen Secundaire grondstromen zijn bijproducten of afvalproducten die vooralsnog geen circulaire bestemming hebben of een laagwaardige bestemming hebben zoals recycling of verbranding. Bij dit focuspunt is het de intentie om het (her)gebruik van materialen, en innovatie van nieuwe (biobased) producten te stimuleren. In de transitie van de circulaire economie is het van belang om kringlopen van producten te kunnen sluiten zodat er geen bijproducten of afvalstoffen onbenut worden gelaten. De gemeente kan invloed uitoefenen op diverse velden. Denk aan inkoop, het stellen van randvoorwaarden en het ondersteunen van bedrijfsleven in combinatie met onderwijs. Daarbij wordt de samenwerking opgezocht met andere overheden, ook binnen de MRA, het bedrijfsleven en onderwijs. Circulaire bouw en gebiedsontwikkeling Bij circulaire bouw zijn diverse fases aan de orde. Ontwerp, waarbij gebruik wordt gemaakt van circulaire of hernieuwbare materialen. De bouwfase waarbij modulair, biobased of demontabel wordt gebouwd en de vastlegging van (duurzame) materialen in een materialenpaspoort of monitoringsysteem. Daarnaast zou er bij de fase van sloop nog zoveel mogelijk materialen moeten worden “geoogst” om deze te kunnen hergebruiken.

Het doel is de uiteindelijke restmaterialen ook zoveel mogelijk weer opnieuw toe te passen. Bij circulaire gebiedsontwikkeling houdt men rekening met gebruik, onderhoud én de uiteindelijke demontage, herindeling of hergebruik van een gebied. De gemeente heeft invloed op projectontwikkeling, realisatie en het beheer en onderhoud van de stad. Dit vraagt een nieuwe kijk op gebiedsontwikkeling. Met de projecten in dit uitvoeringsprogramma willen we invloed uitoefenen op gebiedsontwikkeling en meer circulariteit bij interne processen van de gemeente gaat het hierbij in de ontwerp, ontwikkeling en beheer en onderhoudsfase.

Speerpunt 2: Afval en circulaire economie

13

Speerpunt 3: Voedsel De productie van voedsel staat wereldwijd onder druk maar kent ook enorme kansen. Enkele knelpunten: Nederland vervoert circa 80% van het geproduceerde voedsel over de grenzen en de boeren ontvangen lage marges voor hun producten waarbij de markt leidend is voor de prijs. Daarnaast wordt een groot deel van ons voedsel geïmporteerd. De ontstane milieuvervuiling wordt nog niet meegerekend in de prijs van ons voedsel. Ondertussen verspilt de gemiddelde Nederlander circa 34 kg voedsel per jaar. Alsof dat niet genoeg is beslaat dit circa één derde van het totaal aan voedsel per persoon dat in de hele keten van productie, verwerking en bij de consument verloren gaat. Per persoon ligt de verspilling jaarlijks tussen de 106 en 147kg. Deze verspilling is verantwoordelijk voor 6% van de uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast leidt de grote mate van vleesproductie en visserij wereldwijd tot ontbossing, vervuiling, verdwijning van biodiversiteit en uitputting van de landbouwgronden en zeeën. Niet alleen de productie van voedsel maar ook de keuze wat we eten is een punt van aandacht. In 2019 had 50% van de Nederlanders boven de 18 jaar overgewicht. Bij kinderen tussen de 4 en 17 betreft dit al 13%.

Dit heeft te maken met het feit dat kennis over voedsel(productie) verdwijnt, ongezond voedsel vaak goedkoop en snel is en de kennis van voedselbereiding niet automatisch meer van ouder op kind wordt overgedragen. Tegelijkertijd is een deel van de consumenten zich juist wel bewuster van voedsel geworden. De invloed van korte ketens, waarbij meer lokaal voedsel wordt gegeten en biologische landbouw (Flevoland is koploper van Nederland) die groeien. Ook is er meer oog voor dierenwelzijn, het minder consumeren van vlees en vis en de innovatie bij het gebruik van reststromen uit de landbouw. Daarnaast spelen kringlooplandbouw, voedselbossen, stadslandbouw, productie van nieuwe voedselproducten van insecten, soja, algen, zeewier en kunstmatig vlees een steeds grotere rol. Dat maakt ons voedsellandschap, naast een landschap vol uitdagingen er ook één vol innovaties. Daarnaast verbindt voedsel ons allen. Het is een primaire levensbehoefte en onderdeel van het dagelijkse leven van alle inwoners van de stad. In de Kadernota Duurzaamheid zijn de volgende doelen opgenomen voor het speerpunt Voedsel: • Hogere consumptie van gezonde lokale producten; • Meer lokale verwerking en afzet; • Een bundeling van de distributie; • Minder verspilling in elk onderdeel van de voedselketen; • Een sterkere relatie met gezondheidsbeleid en parkenbeleid.

De gemeente pakt de rol op het gebied van voedsel in de looptijd van dit uitvoeringsprogramma vooral in de context van meer voedselonderwijs. Dit doen wij vooral met onderwijsinstanties en, maatschappelijke instan-

14

Speerpunt 3: Voedsel

Speerpunt 3: Voedsel ties. Ook wordt gekeken naar het reguleren van een gezonde schoolomgeving en het faciliteren van voedselonderzoek in de combinatie met onderwijs/bedrijfsleven. Op basis van bovenstaande is voor het speerpunt Voedsel is gekozen voor de volgende focuspunten: Voedseleducatie Bij voedseleducatie is draait het om verbeteren van kennis omtrent de productie, verwerking, bereiding en de vraag: “wat is gezond voedsel, waar komt dit vandaan en hoe wordt dit geproduceerd”? Dit stimuleren en faciliteren doen we door scholen te ondersteunen door voedseleducatie beschikbaar te maken, projecten op het gebied van voedsel(educatie) te ondersteunen. Dit kan niet zonder beleidsafstemming omtrent dit onderwerp met onderwijsbeleid en gezondheidsbeleid. Verspilling van voedsel tegengaan Het is van belang voedselverspilling te voorkomen. In de stad zijn al initiatieven die gebruik maken van bijvoorbeeld voedseloverschotten. Denk aan de Voedselbank, IDO en Waste to Succes. De gemeente zal initiatieven ondersteunen die voedselverspilling tegengaan en inzet plegen om de kennis omtrent voedselverspilling te vergroten. Met de projecten in dit focuspunt wordt getracht een bijdrage te leveren aan de bewustwording omtrent en voorkoming van voedselverspilling. Hogere consumptie gezonde lokale producten Lelystad en Flevoland als geheel hebben een groot voedselproducerend areaal.

Dit is iets om trots op te zijn. Het eten van lokale producten voorkomt onnodige voedselkilometers en ondersteund lokale ondernemers en sociale cohesie. Door middel van voedseleducatie en deelname aan bijvoorbeeld de Vereniging Flevofood en het programma Voedsel Verbindt willen we lokale gezonde producten en producenten onder de aandacht brengen en de kennis en het gebruik van deze producten stimuleren. Daarnaast vinden we het als gemeente van belang dat er een gezonde voedselomgeving aanwezig is voor bijvoorbeeld jongeren. Ook hier vindt samenwerking plaats met bijvoorbeeld gezondheidsbeleid, onderwijs en het JOGG.

Bron: “Dagelijkse kost. Hoe overheden, bedrijven en consumenten kunnen bijdragen aan een duurzaam voedselsysteem” van het Planbureau voor de Leefomgeving Den Haag, 2019 PBL-publicatienummer: 2638

Speerpunt 3: Voedsel

15

Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving In navolging van het raadsbesluit 23 februari 2016 werken we aan een goede en aangename fysieke leefomgeving, rekening houdend met toekomstige behoeften zonder afwenteling van problemen naar elders en later, door in te zetten op: • Duurzame gebiedsontwikkeling: • Natuurinclusief bouwen en klimaat adaptief ontwikkelen; • Milieuvriendelijker beheer met oog voor biodiversiteit; • Bewonersparticipatie. Het speerpunten fysieke leefomgeving kent twee focuspunten: Voorkomen van hittestress, droogte en wateroverlast Voor Nederland als laag liggend en dichtbevolkt land kunnen de gevolgen van klimaatverandering groot zijn. Tekenend is ook dat de laatste jaren vrijwel allemaal tot de tien warmste jaren sinds het begin van de metingen behoren, zowel in Nederland als wereldwijd. Nederland zal daarom adaptief moeten inspelen op veranderende inzichten en ontwikkelingen in het klimaat. Sinds 2010 is adaptief deltamanagement de centrale aanpak in het Deltaprogramma. De gemeente Lelystad werkt samen in het KAF (Klimaat adaptatie Flevoland) met de andere Flevolandse gemeenten, de provincie, GGD en het Waterschap Zuiderzeeland aan het voorkomen van hittestress, droogte en wateroverlast.

Onder regie van het Delta Plan Ruimtelijke Adaptatie stellen wij een visie en uitvoeringsagenda op waarin maatregelen zullen staan hoe wij in Flevoland in 2050 Klimaat Adaptief en Waterrobuust willen zijn. Het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie is een gezamenlijk nationaal plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk met concrete acties en doelen voor de verantwoordelijke overheden. Het doel van dit plan is om het proces van ruimtelijke adaptatie te versnellen en minder vrijblijvend te maken, op basis van afspraken over de doelen, de werkwijze en de monitoring van de uitvoering. De gevolgen van klimaatverandering zijn nu al merkbaar; recente onderzoeken bevestigen dat. Extreme neerslag blijkt nu al duidelijk vaker voor te komen dan in de jaren vijftig en de kans op dergelijke hevige buien neemt naar verwachting in de toekomst nog verder toe. In Lelystad hebben we dit gemerkt in het najaar van 2019 en januari, februari 2020 waarbij straten en parken onder water liepen. De toegenomen urgentie van ruimtelijke adaptatie stelt Lelystad voor een opgave die overheden, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers alleen in gezamenlijkheid het hoofd kunnen bieden.

Ruimtelijke adaptatie grijpt onder meer in op de manier waarop we onze woningen en bedrijven bouwen en onze tuinen en openbare ruimte inrichten, de wijze waarop we onze infrastructuur aanleggen, in stand houden en beheren, en de manier waarop we landbouw bedrijven en de natuur inrichten. We moeten onze

16

Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving

Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving leefomgeving blijvend aanpassen aan de toenemende wateroverlast, hittestress, droogte door klimaatver-

’s nachts geeft dit water warmte af. Overigens spelen naast temperatuur ook schaduw, ventilatie (wind) en

andering.

luchtvochtigheid een belangrijke rol bij hittestress.

Wateroverlast

Gezondheidsklachten door hittestress ontstaan niet alleen door de warmte zelf, maar ook door de combina-

Uit recente analyses blijkt dat klimaatverandering nu al zichtbaar is in de statistieken van extreme regen-

tie met luchtverontreiniging (hoge ozongehaltes en zomersmog). Hittestress raakt ook steeds meer mensen

buien. Extreme neerslaggebeurtenissen komen nu al twee tot vijf keer zo vaak voor als in de jaren vijftig en

door de toenemende verstedelijking en de vergrijzing van de bevolking en het feit dat kwetsbare mensen

zullen in de toekomst nog vaker optreden: tot vijf keer zo vaak in 2050 en tot tien keer zo vaak in 2085 ten

langer thuis blijven wonen. Bij kwetsbare groepen kan hittestress tot meer arbeidsuitval, toename van ziek-

opzichte van de huidige situatie (op basis van de KNMI’14-klimaatscenario’s).

tes en vervroegde sterfte leiden. Tijdens de hittegolf die in 2003 Europa teisterde, overleden in Nederland

Wateroverlast kan ontstaan door langdurige neerslag (meestal in de winter), maar ook door kortdurende,

1.400 mensen meer dan normaal.

zeer hevige neerslag (vaker in de zomer). De impact van deze twee typen neerslag verschilt en is ook afhankelijk van de plaats waar de neerslag valt: in landelijk gebied of in de stad. De impact kan zo groot zijn dat

In de Nationale klimaatadaptatiestrategie is hittestress benoemd als een van de urgente klimaatrisico’s

burgers of bedrijven schade ondervinden, ondanks het feit dat overheden preventieve maatregelen hebben

voor de komende decennia. De urgentie van het voorkomen van hittestress wordt nog te weinig gevoeld.

getroffen. Voor deze schade zijn waterschap en gemeente niet aansprakelijk. Burgers en bedrijven hebben

De laatste jaren is er meer informatie over de gevolgen van extreme hitte voor de gezondheid en mogelijke

ook een eigen verantwoordelijkheid, maar zijn zich vaak onvoldoende bewust van het risico en hebben te

handelingsperspectieven voor burgers, organisaties en overheden beschikbaar gekomen. Deze informatie

weinig kennis van maatregelen waarmee ze het risico kunnen beperken. Daardoor is lang niet iedereen

is echter nog erg versnipperd en komt niet altijd terecht bij de partijen die kunnen aanzetten tot het verla-

verzekerd tegen schade door wateroverlast. Daarbij is de dekking van verzekeringen niet volledig en ook het

gen van risico’s of tot gedragsverandering.

calamiteitenfonds van het Rijk vormt geen sluitend vangnet. Veel valt te leren van partijen die al instrumenten hebben ontwikkeld en ingezet. Een voorbeeld daarvan is In steden hebben met name de kortdurende, maar zeer hevige buien grote impact. Het regenwater moet

het maken van hittekaarten en (daarop gebaseerd) aanpassingen in de ruimtelijke inrichting om hittestress

in het dichtbebouwde en verharde stedelijke gebied grotendeels via de riolering en openbare weg wegstro-

op de middellange of lange termijn te verminderen, zoals vergroening van de openbare ruimte en stedelijke

men. Het riool is niet geschikt om zo veel water in zo’n korte tijd af te voeren. Het teveel aan water stroomt

herinrichting.

dan naar lage plekken en kan daar schade of overlast bezorgen, zoals stremming van wegen of spoorwegen en wateroverlast in huizen en bedrijven. De impact verschilt sterk per locatie, en naast de financiële scha-

Droogte

de blijkt ook de emotionele schade bij herhaalde wateroverlast groot. Waterberging op daken en in tuinen,

We spreken van droogte als er te weinig water van voldoende kwaliteit in de bodem en het watersysteem

straten en parken is een kosteneffectievere aanpak van wateroverlast door hoosbuien dan verdere uitbrei-

beschikbaar is. Bij langdurige droogte nemen de gevolgen toe. Denk bijvoorbeeld aan:

ding van de riolering. Bewoners en bedrijven zijn op hun eigen terrein in beginsel zelf verantwoordelijk voor

• Versnelde bodemdaling, funderingsschade en andere schade aan constructies door dalende grondwa-

het omgaan met regenwater. Hittestress Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving kan hittestress al op korte termijn zeer grote gevolgen voor mensen hebben. Maar ook kunnen bijvoorbeeld beweegbare bruggen uitzetten en daardoor niet meer sluiten of opengaan. In de stedelijke omgeving is het ’s zomers gemiddeld 1ºC warmer dan in de landelijke omgeving. In sommige nachten kan dat verschil oplopen tot meer dan 7ºC. In de stad blijven de minimumtemperaturen daarom relatief hoog. Dit is een belangrijke factor bij negatieve gevolgen van hitte, met name als dit leidt tot minimumtemperaturen boven 20°C. De klimaatscenario’s van het KNMI laten zien dat de zomers rond 2050 alleen maar warmer worden. Ook in het landelijk gebied kan hittestress optreden en de nabijheid van water leidt niet per definitie tot verkoeling. Tijdens de stresstest in Lelystad bleek duidelijk dat water in de stad overdag dan wel voor verkoeling zorgt,

Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving

terstanden; • Verdroging van natuurgebieden en verlies van landbouwproductie door gebrek aan neerslag en dalende grondwaterstanden; • Beperkingen voor de scheepvaart; • Waterkwaliteitsproblemen (verzilting, blauwalgenplaag) en waterkwantiteitsproblemen. Bij bodemdaling is peilaanpassing noodzakelijk om het bestaande gebruik in een gebied in stand te kunnen houden. Lage grondwaterstanden leiden ook tot schade aan de fundering van infrastructuur en bebouwing, waardoor de kosten voor beheer en onderhoud in de publieke en private ruimte fors toenemen. Door verdroging van groen- en landbouwgebieden zal de gewasverdamping afnemen, terwijl verdamping belangrijk is in de strijd tegen hittestress. Droogte heeft vaak pas impact op de lange termijn, hoewel op korte termijn in combinatie met hitte pas aangeplant groen, bij groot onderhoud en nieuwe gebiedsontwikkeling, aanzienlijke schade kan oplopen doordat beplanting nog niet diep genoeg heeft kunnen wortelen.

17

Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving Uit een studie van Deltares blijkt dat hitte in de stad sterk toeneemt bij droogte. Dat komt doordat bomen en

Om meekoppelkansen te benutten streven we naar een integrale aanpak: we willen klimaat adaptieve

planten in de stad bij droogte de helft minder verdampen dan in normale omstandigheden. Het is daarom

maatregelen zo veel als mogelijk samen laten vallen met groot onderhoud en nieuwbouw. Ook andere grote

zaak droogte en hittestress in samenhang aan te pakken. De effectiefste maatregelen om verdroging tegen

projecten als de energietransitie en GRP alsmede doelen op het gebied van circulaire economie worden

te gaan zijn de vermindering van het aandeel ondoorlatende verharding, afkoppeling van regenafvoer van

hierbij meegenomen zodat we de ruimtelijke ingrepen voor inwoners zo veel mogelijk beperken. Deze

daken en uitbreiding van groen. Gemeenten hebben een zorgplicht voor grondwateroverlast en -onderlast in

integrale aanpak vergt ook integratie van klimaat adaptieve maatregelen in onze eigen organisatie. Hiervoor

het openbaar gebied, maar ook eigenaren van onroerend goed hebben een grote eigen verantwoordelijkheid

is al een begin gemaakt door klimaat adaptatie mee te nemen in het LIOR (Leidraad Inrichting Openbare

voor schade door grondwater.

Ruimte). Om dit verder te borgen werken we vanuit het KAF aan een Handreiking Klimaat Adaptatie en een

Lelystad, van nu naar 2050

Uitvoeringsagenda waarin we vaststellen welke maatregelen we in Flevoland gaan nemen om de gestelde doelen van 2050 te behalen.

De uitkomst van de stresstesten die we in Lelystad hebben gedaan in november 2017 was dat de problemen lokaal verschillen en oplossingen dus maatwerk vragen. We beogen een integrale aanpak om hitte, droogte en wateroverlast te beperken. In het raadsprogramma staat dat Lelystad wil inzetten op een regisserende aanpak. We willen niet afwachten, maar ons preventief en adaptief voorbereiden op klimaatverandering. Dit is in lijn met de visie van het gehele Deltaprogramma. Belangrijk hierbij is te beseffen dat met een klimaatbestendige inrichting wateroverlast, hittestress en langdurige droogte ten dele zijn te voorkomen, maar nooit helemaal. We moeten in zekere mate accepteren dat deze omstandigheden ons vaker zullen treffen en ervoor zorgen dat de schade dan beperkt blijft. Dit is te bereiken door de ruimte anders in te richten. Een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting vraagt inzet van iedereen. In Flevoland werken overheden, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en de samenleving samen: iedereen moet zijn steentje bijdragen (of weg dragen) en aan de slag gaan. In de eigen achtertuin, op daken, op het private grondgebied van bedrijven en in de openbare ruimte. Iedere partij afzonderlijk kan maatregelen nemen, met regie op lokaal niveau.

Er is vooral ook intensieve samenwerking nodig: tussen burgers, bedrijven en overheden, tussen sectoren en tussen het lokale, het regionale en het nationale niveau. Bijvoorbeeld om het watersysteem of de riolering aan te passen. Samenwerking maakt bovendien gezamenlijke financiering en kennisuitwisseling mogelijk. Investeren in ruimtelijke adaptatie wordt kosteneffectiever door de maatregelen te verbinden met andere opgaven, zoals de energietransitie, de bereikbaarheid en de circulaire economie. Zo’n integrale aanpak sluit aan bij de intentie van de Omgevingswet. We versnellen en intensiveren de totstandkoming van een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting door te werken aan zeven ambities. Deze ambities zijn bij de voorbereiding van het deltaplan gezamenlijk geformuleerd en zijn daarmee nadrukkelijk ambities van alle betrokken overheden: gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk: 1. kwetsbaarheid in beeld brengen; 2. risicodialoog voeren en strategie opstellen; 3. uitvoeringsagenda opstellen; 4. meekoppelkansen benutten; 5. stimuleren en faciliteren; 6. reguleren en borgen; 7. handelen bij calamiteiten. 18

Tweede focuspunt: Vergroenen van de stad Als land zijn we financieel welvarender geworden, maar dat is ten koste gegaan van ons ecologische welzijn; de biodiversiteit neemt wereldwijd in schrikbarend tempo af, de bodem raakt uitgeput, de zomers worden warmer en water is zelfs in Nederland schaars aan het worden. De komende tien jaar zijn cruciaal om te voorkomen dat ons welzijn in de toekomst onherstelbaar beschadigd raakt. De lucht die we ademen, de insecten die onze gewassen bevruchten, de vruchtbaarheid van onze landbouwgrond, het water dat ons land zo kenmerkt en een eerlijke verdeling van kansen, zijn daarvoor cruciaal. Lelystad is de Hoofdstad van de Nieuw Natuur. Ons groen krijgt een kwaliteitsimpuls en heeft daarmee niet alleen een hogere belevingskwaliteit, maar draagt ook bij aan het voorkomen van hittestress, droogte en wateroverlast. Daarnaast levert het groen een bijdrage aan de toename van biodiversiteit: we willen meer inheemse soorten, die naast dat ze klimaat robuust zijn, ook meer voedsel bieden voor insecten wat weer een positief effect heeft op andere groen en dier soorten. We streven naar een enorme toename van biodiversiteit in zowel de agrarische en natuurlijke omgeving. Onze inwoners voelen zich fitter als ze in een groene omgeving wonen, en zo vanuit hun woning de natuur in kunnen wandelen en fietsen.

Groene zones vormen samen een ecologisch netwerk en verbinden de verschillende wijken waardoor er ruimte is voor verschillende dier en plantsoorten om zich door de stad te verplaatsen. Lelystad kent een enorm areaal aan landelijk gebied, wat naast agrarische doeleinden ook ingezet kan worden voor het versterken van de biodiversiteit. We streven er naar onze natuurgebieden, zowel in areaal als in kwaliteit met elkaar te verbinden, zodat flora en fauna kunnen gedijen. De maatregelen die een bijdrage leveren aan Klimaat Adaptatie, leveren ook een bijdrage aan de biodiversiteit. Door bijvoorbeeld het aanleggen van wadi’s is er ook plaats voor wilde bloemen en planten en de daar aan te planten bomen. In de opdracht om te bezuinigen op grijs kijken we kritisch naar de kansen die dat biedt voor de uitbreiding van groen: we verkennen de mogelijkheden dat de uitbreiding van groen een win-win-win-win situatie oplevert. Én een bijdrage aan klimaat adaptatie, én aan biodiversiteit, én aan de kwaliteit van de leefomgeving, én lager in beheerkosten. Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving

Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving Het proces Belangrijke uitkomst van de afgelopen vier jaar is dat duurzaamheid vraagt om een integrale en multidisciplinaire benadering, zowel intern als extern, en daarnaast vraagt om het opdoen van ervaring in de praktijk. Daarnaast is gebleken dat in de projecten van de afgelopen jaren er vooral is gekeken naar de gemeente om regie te voeren. In de uitvoering van de projecten binnen Fysieke Leefomgeving werken we samen met een groot deel van de partners waarmee we ook de afgelopen 4 jaar intens hebben samen gewerkt. De samenwerking met deze partners is succesvol geweest en zetten we graag voort. Natuur- en MilieuFederatie Flevoland (NMFF), Aeres Hogeschool, ROC Flevoland, LTO, de Lelystadse Boer, Flevolands Agrarisch Collectief (FAC), Landschapsbeheer Flevoland, Waterschap Zuiderzeeland, GGD en Provincie Flevoland zijn hier voorbeelden van.

Speerpunt 4: Fysieke leefomgeving

19

Speerpunt 5: Mobiliteit Dit jaar (2020) wordt de gemeentelijke Mobiliteitsvisie vastgesteld door de raad. In deze visie wordt een aantal trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid, ecologie en klimaatadaptatie gesignaleerd:

Landelijk •

Voor duurzaamheid is veel maatschappelijke aandacht: van het duurzaam opwekken van energie tot het stimuleren van duurzame mobiliteit.

•

Het landelijke Klimaatakkoord is regionaal vertaald naar hoe daar op het gebied van Mobiliteit uitwerking aan gegeven kan worden; het RMP (Regionaal MobiliteitsPlan).

•

De aandacht voor natuur, biodiversiteit en ecologische ontwikkeling in en rond de stad neemt toe. Daardoor groeit het besef dat gemotoriseerde vormen van mobiliteit negatieve gevolgen hebben voor het ecosysteem.

•

Zero emissie is sterk in ontwikkeling voor alle vervoerswijzen: de (brom)fiets, de auto en de bus.

•

De Raad van State heeft een streep gezet door het Nederlandse stikstofbeleid. De hoogste bestuursrechter verbood het zogeheten Programma Aanpak Stikstof (PAS), omdat het de natuur onvoldoende beschermt. Dit verbod leidt tot een belemmering in de realisatie van veel infras structurele projecten.

•

In het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 is afgesproken dat we in Nederland in 2030 bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uitstoten dan we in 1990 deden. Het Klimaatakkoord gaat over de maatregelen die de komende jaren moeten worden genomen om dit doel te halen.

•

Het Samenwerking Project Expertpool Stadslogistiek (SPES) is geïnitieerd om de 40 grootste gemeenten (G40) te ondersteunen bij de invoering van een zero emissie zone voor stadslogistiek. Vanuit de Green Deal Zero Emission Stadslogistiek (GDZES) werkt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat daarvoor samen met gemeenten. SPES focust zich op het voorbereiden en begeleiden van de (gemeentelijke) besluitvorming om een zero emissie zones voor stadslogistiek in te voeren.

In Lelystad worden de volgende trends en ontwikkelingen gesignaleerd • De vermindering van fijnstof en CO2-uitstoot door verkeer staat op de politieke agenda (Raadsprogramma 2018-2022). • Het openbaar vervoer in Lelystad zal, vanaf 2021 (nieuwe concessie van de provincie), worden uitgevoerd met bussen die elektrisch worden aangedreven. • Kansen zijn er voor het opnemen en versterken van ecologische verbindingen. Tevens maatregelen om bij (her)inrichting barrières te slechten; faunaduikers, otterplanken, etc.

20

Speerpunt 6: Onderwijs en ondernemen

Speerpunt 5: Mobiliteit De Kadernota Duurzaamheid In 2013 sloten 40 organisaties, waaronder het Rijk, IPO en de VNG, het SER-energieakkoord. Voor de sector verkeer formuleerden zij de ambitie om in 2050 een reductie van 60% van de CO2-emissie te realiseren ten opzichte van 1990. Dit akkoord is in 2019 aangescherpt in het klimaatakkoord: • Zorgeloze mobiliteit, voor alles en iedereen in 2050. • Geen emissies, uitstekende bereikbaarheid toegankelijk voor jong en oud, arm en rijk, valide en mindervalide. • Betaalbaar, veilig, comfortabel, makkelijk én gezond. • Slimme, duurzame, compacte steden met optimale doorstroming van mensen en goederen. • Mooie, leefbare en goed ontsloten gebieden en dorpen waarbij mobiliteit de schakel is tussen wonen, werken en vrije tijd.

We gaan Lelystad verduurzamen door: • Verminderen van mobiliteit:

Door stimuleren van het nieuwe werken en slimme ruimtelijke ordening gericht op gebruik van openbaar vervoer, fietsen en lopen, kunnen structureel veel kilometers worden bespaard. • Veranderen van mobiliteit: Overstap naar OV, fietsen, lopen of deelauto’s of een slimme combinatie hiervan. • Verduurzamen van mobiliteit: Stimuleren van gebruik van duurzame voertuigen en brandstoffen, zoals groen gas en elektrisch rijden. Realiseren van laadpunten in de openbare ruimte en in parkeergarages. In 2025 is het volgende bereikt: • 10% minder autoverkeer (motorvoertuigen per etmaal) op het Lelystadse wegennet ten opzichte van de prognose indien geen maatregelen worden getroffen. • Aandeel fietsen en e-fietsen in de modal split is 35% (10% hoger dan nu) • 100 scooters/bromfietsen zijn vervangen door e-scooters. • CO2 uitstoot door verkeer is met 20% verminderd ten opzichte van 1990 (landelijk peiljaar). • Het stadsvervoer (stadsdienst) rijdt volledig elektrisch. • In 2025 wordt het stadshart emissievrij beleverd (ambitie Green Deal Zero Emission Stadslogistiek) Het realiseren van deze doelen wordt uitgewerkt in de Mobiliteitsvisie en de achterliggende mobiliteitsagenda. Voor de uit te voeren projecten wordt naar de mobiliteitsagenda verwezen.

Speerpunt 5: Mobiliteit

21

Thema De duurzame gemeente De Duurzame Gemeente is geen speerpunt maar een thema. Interne verankering van het duurzaamheidsbeleid, één van de focuspunten, vraagt om een benadering die zich kenmerkt door integraliteit, gebiedsgericht, innovatief, co-creatief, optrekken met koplopers en flexibel samenwerken. Dit kan worden bereikt door gemaakte heldere bestuurlijke afspraken over de portefeuille-opgaven, uitvoeren van MVO-beleid (maatschappelijke verantwoord ondernemen), brede kennisontwikkeling over duurzaamheid, spreken van een gemeenschappelijke taal en werken vanuit duurzame principes.

Focuspunt: Interne verankering van het duurzaamheidsbeleid Verankering binnen de gemeentelijke organisatie is niet alleen belangrijk voor de uitvoering van beleid, maar heeft ook een uitstraling naar buiten toe als het gaat om geloofwaardigheid en ‘staan’ voor ons beleid. Dit reikt van de eigen bedrijfsvoering (facilitair en vastgoed), het (laten) uitvoeren van taken (inclusief inkoop en aanbesteding/ tendering) tot ook de eigen vervoersbewegingen en catering. Duurzaamheid maakt deel uit van alle beleidsterreinen. Organisatiebrede betrokkenheid en draagvlak is essentieel. Op dit moment worden duurzaamheidsaspecten al in diverse projecten meegenomen, zij het vaak impliciet of op een laat moment. Het expliciet en tijdig maken van keuzes ingegeven door principes en duurzaamheidoverwegingen op basis van duidelijke criteria, is belangrijk. Om deze verankering te bevorderen zijn de volgende doelen vastgesteld in de Kadernota Duurzaamheid: • Een 20% kleinere ecologische footprint (Wigstraat & Stadhuis) • Draagvlak vanuit het management voor duurzame (beleids)ontwikkeling; • Spreken van een gemeenschappelijke taal en werken vanuit duurzame principes; • Meer kennis over duurzaamheid en duurzame aanpakken, instrumentarium en uitvoering. De belangstelling voor duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) neemt toe.

De structurele krachten die duurzaamheid en MVO aanjagen worden sterker. Dit geldt vooral voor het bedrijfsleven, maar ook van publieke organisaties wordt verwacht dat ze hun steentje bijdragen en een voorbeeldrol spelen. Meer specifiek gelden voor gemeenten de volgende rollen en verantwoordelijkheden: 1. De gemeente als organisatie/bedrijf: Het gaat hierbij om gemeentelijke organisatie en de voorbeeldfunctie die de organisatie heeft. Dit uit zich in besluitvorming, bedrijfsvoering (zoals huisvesting, wagenpark, afval en energie), inkoop en aanbesteding en personeelsbeleid (zoals medewerkertevredenheid en ziekteverzuim). 2. De gemeente als bevoegd gezag: De gemeente is als bevoegd gezag ‘leverancier’ van bepaalde producten en diensten. Zij is bevoegd gezag voor wettelijke taken, zoals het verstrekken van vergunningen, afvalmanagement, onderwijs, zorg en cul-

22

Thema De duurzame gemeente

Thema De duurzame gemeente tuur. Hierbij is zij kaderstellend en schept zij randvoorwaarden. 3. De gemeente als voorlichter/stimulator: In deze rol is de gemeente hoeder van maatschappelijke belangen en kan anderen stimuleren ook hun rol in MVO in te nemen. In dit thema focussen we vooral op de gemeente als organisatie/bedrijf. De gemeente als uitvoerder van taken en de gemeente als voorlichter/stimulator komen terug in de speerpunten voor zover ze daar onder vallen. Voor zover dat niet het geval is, zal aandacht hiervoor geborgd worden via de aanpak van versnelling en integrale verankering.

Thema De duurzame gemeente

23

3. Financiële paragraaf Projecten

Budgetten

Energie: Project Omgevingsvisie - juridische/beleidsmatige inbedding

0

Financiering

Onderzoek: 10.000 Dekking financiële middelen, programmabegroting P&C cyclus

Bemensing

Huidig budget + uitkomst ROB onderzoek

Regionale Energie Strategie

12.500

Transitievisie Warmte

0 (zelfstandige begroting)

Netcapaciteit

ambtelijke uren

Inzet bronnen

25000 (eenmalig)

Zonneveldenbeleid

Communicatiemiddelen, 5000 euro.

Windplan West

60.000 (Uitvoering Regioplan, 774000/438480)

Ruimtelijke projecten

10.000 (ook voor CE en Klimaatadaptatie)

Wijkuitvoeringsplannen

Resultaat ROB

Handelingsperspectief overige woonwijken

Koppeling bijdrage energietransitie gebouwde omgeving, 100.000 procesgeld

Bedrijvenaanpak

Separaat begrotingsvoorstel P&C cyclus

Totaal (jaarlijks)

€ 197,500

Totaal (eenmalig)

€ 25.000

Circulaire Economie:

24

Toepassing en monitoring van gebruik en bestemming van circulaire producten in de openbare ruimte en LIOR inrichten voor materialenpaspoorten

€ 10.000

Circulair en biobased bouwen

€ 10.000

Ondersteuning Praktoraat Circulaire Regionale Economie en stimuleren onderzoeken onderwijs binnen circulaire economie

€ 25.000 + € 10.000 (4x t/m 2024)

Stimuleren gebruik herbruikbare/recyclebare bekers en verbieden single use plastic bekers evenementen

€ 10.000 per jaar t/m 2024

Afval scholen en maatschappelijke organisaties gescheiden inzamelen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=c5e28069-3704-4c05-b57d-11de0559008b