271. INFO OZB-tarief sportverenigingen
Tekst van het document
INFORMATIENOTA VOOR DE RAAD Nummer: 271
Portefeuillehouder: Portefeuille: Programma: Taakveld:
D.A. Grimbergen
Datum:
6 september 2022
0 Bestuur en ondersteuning 0.62 OZB niet-woningen
Onderwerp: Lager OZB-tarief voor sportverenigingen DE RAAD NEEMT KENNIS VAN: De raad heeft bij de programmabegroting 2022-2025 een motie aangenomen waarin het college wordt gevraagd een lager OZB-tarief te introduceren voor sportvereniging. Het college informeert de raad dat daartoe (nog) niet wordt overgegaan. INLEIDING De raad heeft bij de programmabegroting 2022-2025 een motie aangenomen, waarin het college opdracht wordt gegeven vanaf 2023 een lager OZB-tarief (het woningtarief) toe te passen bij sportverenigingen. Vanuit het rijk wordt het toepassen daarvan afgeraden en ook de VNG raadt gemeenten af om deze maatregel nu al toe te passen. De regelgeving is niet helder en de juridische basis is te broos om de maatregel zonder risico's toe te passen. In deze informatienota wordt aan de raad gemeld dat het advies van het rijk en de VNG wordt opgevolgd en dat nog niet wordt overgegaan tot uitvoering van de motie. KERNBOODSCHAP De raad heeft bij de programmabegroting 2022-2025 een motie (M18) aangenomen, waarin het college opdracht wordt gegeven vanaf 2023 een lager OZB-tarief (het woningtarief) toe te passen bij sportverenigingen. De OZB is een objectieve belasting. Dat wil zeggen dat er sec gekeken wordt naar de onroerende zaak. Kort gezegd wordt beoordeeld of er in een onroerende zaak wordt of kan worden gewoond, dan krijgt het voor de OZB het woningtarief.
Kan er niet in worden gewoond dan volgt het niet-woningtarief. Sportaccommodaties vallen logischerwijs niet onder het begrip ‘woning’. Wie de onroerende zaak in eigendom of gebruik heeft, maakt voor de tarifering van de OZB niet uit. De keuze om voor sportverenigingen etc. het lagere OZB-tarief te hanteren is mogelijk gemaakt door een op rijksniveau aangenomen Amendement Omtzicht bij het Belastingplan 2019. Het amendement ziet op de mogelijkheid voor gemeenten om voor sportverenigingen, dorpshuizen en ‘andere instellingen van sociaal belang’ het (lagere) woningtarief op te leggen. Omdat niet helder was, en nog steeds niet is, wat de reikwijdte van het amendement Omtzigt is, heeft de VNG destijds al afgeraden om op plaatselijk niveau uitvoering te geven aan het amendement, zolang nog niet duidelijk is wat de
reikwijdte is en welke juridische haken en ogen er aan kleven. De motie in Lelystad ziet erop dat er wél duidelijk zou zijn wat onder ‘sportvereniging’ moet worden verstaan en daarom voor die categorie alvast het woningtarief zou moeten worden toegepast. Die stelling is onjuist, althans leidt deze bij strikte toepassing van het begrip ‘sportvereniging’ tot rechtsongelijkheid die in het ultieme geval kan leiden tot onverbindendheid van de Verordening OZB, met alle financiële gevolgen van dien. Landelijk is nog niet uitgekristalliseerd of bijvoorbeeld ook commerciële sportclubs onder de regeling zouden vallen. Een fiscaal onderscheid maken tussen commercieel en niet-commercieel is zeer risicovol. Immers zijn ook sportscholen van sociaal belang, zodat de objectieve rechtvaardiging voor een tariefonderscheid lijkt te ontbreken. In december 2020 heeft toenmalig minister Ollongren in een bief aan de Kamer het volgende aangeven: ‘Zoals hiervoor al gezegd, heb ik sympathie voor de gedachte achter de wettelijke bepaling. Gelet op bovenstaande redenen en met name de interpretatieve vragen, kom ik tot de conclusie dat de huidige wettelijke bepaling voor gemeenten niet toepasbaar is.
Om de bedoeling van de bepaling wel mogelijk te maken kan onderzocht worden hoe de gedachte achter de wettelijke bepaling het beste uitgevoerd kan worden, ik ben bereid om dit onderzoek op te starten.’ Op 30 mei 2022, heeft huidig minister Bruins Slot de Kamer bij brief geïnformeerd wat de uitkomst is van gesprekken over dit onderwerp met de VNG en met (grotere en kleinere) gemeenten. Geciteerd uit de brief aan de Kamer komt uit de gesprekken naar voren dat: ‘… er unaniem is geconstateerd dat er bij deze fiscale mogelijkheid zwaarwegende praktische uitvoerings- en toepassingsvraagstukken met betrekking tot de afbakening spelen die niet eenvoudig zijn op te lossen. Zoals toegelicht in de brief van 30 november 2020 komen deze vraagstukken met name voort uit het feit dat de ozb-wetgeving gericht is op het object (gebouw) en de specifieke regeling voor sportverenigingen uitgaat van het subject (belastingplichtige de sportvereniging). Dit is binnen de Gemeentewet niet eenvoudig op te lossen. Ik zal opdracht geven tot een extern onderzoek om te bezien of en hoe de uitvoerings- en toepassingsvraagstukken het beste geadresseerd kunnen worden.’ Daarnaast schrijft de minister dat uit de gesprekken met gemeenten is gebleken dat de maatregel via de OZB helemaal niet nodig is, omdat het subsidie-instrument eigenlijk heel goed werkt.
Subsidies voor sportverenigingen worden al breed ingezet en bieden vooralsnog voldoende en meer gerichte mogelijkheden om bij te dragen aan het beoogde doel. Vanwege het feit dat de regeling voor gemeenten (nog niet) toepasbaar is, wacht het college de landelijke ontwikkelingen af en zal deze risicovolle maatregelen nog niet op te nemen in de Verordening OZB 2023.
VERVOLG Uitwerking in de paragraaf lokale lasten van de programmabegroting 2023-2026. Bijlagen Motie M18