26.213 RV Benoeming wethouders
Tekst van het document
Voorstel aan de raad Nummer: 26.213 Steller: L.A. Wieringa (griffier)
Datum raadsvergadering 31 maart 2026
Onderwerp Benoeming wethouders Voorgesteld besluit 1. De heer Tjeerd van der Zwan te benoemen tot wethouder 2. De heer Jan-Nico Appelman te benoemen tot wethouder Samenvatting De gemeenteraad besluit tot de benoeming van een tweetal wethouders, zodat weer voldaan wordt aan het minimum vereiste aantal wethouders als voorgeschreven in art. 36 van de Gemeentewet. Inleiding Op 23 april 2024 heeft de raad met toepassing van art. 39 Gemeentewet het aantal wethouders in de gemeente Lelystad, in overeenstemming met art. 36 Gemeentewet, bepaald op vier (fulltime) wethouders. In de raadvergadering van 27 januari 2026 zijn wethouders Grimbergen en MesselinkDijkstra opgestapt waarmee zijn hun ontslag hebben ingediend. Daarmee bestond het college, naast de burgemeester, uit twee wethouders. Hiermee werd nog wel voldaan aan het minimum vereiste aantal wethouders conform art. 36 juncto art. 42 lid 2 van de Gemeentewet. Wel waren op dat moment twee open gevallen plaatsen in het college ontstaan. In overleg met het resterende college is er vanuit de raad geen initiatief gekomen, in het licht van aankomende periodieke gemeenteraadsverkiezingen op 18 maart 2026, om hiervoor nieuwe kandidaten aan te zoeken of aan te dragen.
Er bestond voldoende vertrouwen bij alle betrokkenen dat de overgebleven wethouders voor de korte periode tot de vorming van een nieuw college na de verkiezingen konden zorgen voor een stabiel stadsbestuur. Tijdens de raadsvergadering van 5 maart 2026 heeft vervolgens ook wethouder Van Dijk zijn ontslag ingediend. Daarmee is het aantal wethouders onder het voorgeschreven minimum aantal gekomen (art. 36 en art. 42 lid 2 Gemeentewet). Consequentie hiervan is, zo is bepaald in art. 42 lid 2 van de Gemeentewet, dat de burgemeester tevens het college vormt. Wethouder Kruis is nog wel in functie, maar kan in het college niet meebeslissen. Per 5 maart 2026 zijn er derhalve drie open gevallen plaatsen in het college van de gemeente Lelystad. De Gemeentewet schrijft voor dat de raad zo snel mogelijk voorziet in de invulling van open plaatsen in het college. De raad kan er ook voor kiezen het aantal wethouders te verminderen, met dien verstande dat het aantal wethouders nooit minder mag zijn dan twee (art. 39 juncto art. 36 Gemeentewet). Vanuit de raad is de burgemeester verzocht om informatie over hoe het college denkt de periode tot en na de periodieke raadsverkiezingen, waarin door de nieuwe raad de vorming van een nieuw college plaatsvindt, te overbruggen. Art.
37 Gemeentewet bepaalt namelijk dat de benoeming van wethouders na de verkiezingen plaatsvindt door de raad in nieuwe samenstelling. Deze nieuwe raad treedt op 1 april 2026 aan. De burgemeester heeft aangegeven dat het college het wenselijk acht uit oogpunt van bestuurlijke continuïteit, werkbelasting en evenwichtige verdeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden te komen tot een tijdelijke, gedeeltelijke invulling van de open gevallen plaatsen in het college, in afwachting van een nieuw te vormen college door de raad in nieuwe samenstelling. De burgemeester heeft gezocht naar kandidaten vanuit een bestuurlijke insteek, namelijk brede bestuurlijke ervaring, vermogen de functie onafhankelijk in te vullen namens de raad en grote kennis van Lelystad. De burgemeester heeft daartoe twee kandidaten aangezocht en hierover afstemming gezocht met de fracties in de raad. Gebleken is dat de voorgestelde kandidaten kunnen rekenen op paginanummer 1
voldoende draagvlak in de gemeenteraad om hun functie voor een tijdelijke periode te kunnen uitoefenen. Voorgesteld wordt deze kandidaten nog door de raad ‘in oude samenstelling’ te benoemen, zodat een stabiel stadsbestuur vanuit het college de komende maanden is gegarandeerd en de nieuwe raad in de gelegenheid is om, zonder al te hoge tijdsdruk en met vereiste zorgvuldigheid, tot een gedragen nieuw college te komen. Doel Voldoen aan de Gemeentewet en het zorgen voor voldoende bestuurlijke continuïteit en stabiliteit in de gemeente. Argumenten De situatie waarin een burgemeester als enige het college vormt is bestuurlijk ongewenst. Ook de Gemeentewet (art. 39) stelt dat de raad bij het ontstaan van open plaatsen in het college zo spoedig mogelijk dient te voorzien in invulling daarvan. De bijzondere situatie dat een niet volledig bezet college vlak voor de periodieke raadverkiezingen is ontstaan, en dat tevens niet meer wordt voldaan aan het minimum aantal van twee wethouders, maakt dat er afgewogen moet worden hoe lang de ongewenste situatie, dat het college enkel bestaat uit de burgemeester, kan en mag voortduren. Hierbij speelt enerzijds het belang van de bestuurbaarheid van de gemeente en anderzijds de wens om na de verkiezingen te komen tot een gedragen nieuw college met voldoende wethouders, die ook op brede steun van de raad kunnen rekenen.
Dat nieuwe college kan dan met een nieuw bestuurlijk programma weer vier jaar aan de slag. De wethouderskandidaten zijn gescreend met een risicoanalyse integriteit als omschreven in art. 14 van het Reglement van Orde (RvO) en zijn in het bezit van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) zoals voorgeschreven in art. 36a lid 2 Gemeentewet. Voorafgaand aan de benoeming zullen door een commissie vanuit de raad nog de geloofsbrieven worden onderzocht (zie art. 14 RvO). Hun bevindingen omtrent de wettelijke benoembaarheidsvereisten zullen tijdens de vergadering worden medegedeeld. Indien stemming over de benoeming gewenst is, dan dient deze stemming schriftelijk plaats te vinden (art. 35 Gemeentewet). Kanttekeningen Art. 37 van de Gemeentewet bepaalt dat de benoeming van wethouders na de verkiezing van de leden van de raad plaatsvindt in een vergadering van de raad in nieuwe samenstelling. De raad in ‘oude’ samenstelling benoemt in dit geval nog twee wethouders. Art. 42 lid 1 Gemeentewet geeft echter aan dat, wanneer de raad in nieuwe samenstelling nieuwe wethouders benoemt en minimaal de helft van hen de benoeming heeft aangenomen, de wethouders uit de voorgaande raadsperiode aftreden.
De nieuwe raad wordt dus niet geconfronteerd met een situatie dat wethouders, die slechts geacht worden te zijn benoemd voor een tijdelijke periode na de verkiezingen, ontslag moeten nemen of ontslagen moeten worden. Overigens geldt dat beide te benoemen kandidaten hebben aangegeven enkel voor een overbruggingsperiode wethouder te willen zijn en het ambt niet voor een langere periode dan nodig is, te ambiëren. Formeel juridisch resteert er na benoeming van beide kandidaat wethouders nog één open gevallen plaats in het college. Het is echter aan de nieuwe raad om met in acht neming van art. 36 en 37 van de Gemeentewet omvang en samenstelling van het college na de periodieke verkiezingen te bepalen. Financiën De wethouders ontvangen een bezoldiging volgens het daartoe geldende rechtspositiebesluit. Vervolg De wethouders dienen alvorens zij geïnstalleerd kunnen worden hun benoeming te aanvaarden (art. 40 Gemeentewet). Dit kan mondeling staande de vergadering plaatsvinden, waarna de eed of belofte kan worden afgenomen (art. 41a Gemeentewet).
paginanummer 2
Bijlagen Berenschot - Memo resultaten risicoanalyse integriteit gemeente Lelystad
Lelystad, 30 maart 2026 De gemeenteraad van Lelystad, de griffier,
L.A. Wieringa
paginanummer 3