25.446 RV Vaststellen van belastingverordeningen en tarievenregeling 2026 - aangepast
Tekst van het document
Voorstel aan de raad Nummer: 25.446
Portefeuille: Programma: Taakveld:
D.A. Grimbergen 0 Bestuur en ondersteuning 0.61 OZB woningen, 0.62 OZB niet-woningen, 0.63 Parkeerbelasting en 0.64 Belastingen overig
Onderwerp:
Vaststellen van belastingverordeningen en tarievenregeling 2026 Voorgesteld besluit De raad voor te stellen de onder nummer 1 tot en met nummer 12 genoemde belastingverordeningen en tarievenregeling – onder voorbehoud van de besluitvorming van de programmabegroting 2026-2029 in de raad - vast te stellen: 1. de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2026; 2. de Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2026; 3. de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2026; 4. de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2026; 5. de Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2026; 6. de Verordening op de heffing en de invordering van marktgelden 2026; 7. de Regeling tot vaststelling van de tarieven voor de huur van gemeentegrond door de ambulante handel 2026; 8. de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2026; 9. de Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2026; 10. de Verordening op de heffing en de invordering van de liggelden Bataviahaven 2026; 11. de Verordening op de heffing en de invordering van de parkeerbelastingen 2026; 12. de Verordening op de heffing en de invordering van de toeristenbelasting 2026. 13. De portefeuillehouder financiën te machtigen om wijzigingen in het voorstel aan te
brengen conform de vastgestelde programmabegroting.
Urgentie Raad Dit voorstel moet uiterlijk besloten zijn in de raadsvergadering van 16 december 2025 ,want Dit voorstel moet uiterlijk besloten zijn in de raadsvergadering van 16 december 2025 ,want de belastingtarieven dienen vóór 1 januari 2026 te zijn vastgesteld...
Voorgaande besluitvorming Programmabegroting 2026-2029 Inleiding Jaarlijks worden de tarieven in de belastingverordeningen en tarieventabellen aangepast. Deze tarieven worden conform de uitgangspunten van de programmabegroting 2026 aangepast. Argumenten De raad voor te stellen de onder nummer 1 tot en met nummer 12 genoemde belastingverordeningen en tarievenregeling vast te stellen. Door vaststelling van bovenstaande belastingverordeningen en tarievenregeling worden de tarieven in overeenstemming gebracht met de uitgangspunten zoals opgenomen in de door de raad vastgestelde programmabegroting 2026. Ad 1 en 2. De Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2026 en de Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2026 De ozb-opbrengst wordt voor belastingjaar 2026 begroot op € 35,58 miljoen. Daarin is verwerkt de algemene loon-en prijspeilaanpassing van 3,0% en de meeropbrengst als gevolg van areaaluitbreiding. Marktanalyse (gewogen gemiddelden) Uit marktanalyse blijkt dat de waarden van woningen tussen 1-1-2024 en 1-1-2025 met gemiddeld 12,5% zijn gestegen en niet-woningen met gemiddeld (gewogen) 1,5% zijn gestegen. De onroerende-zaakbelastingen worden berekend naar een percentage van de waarde van de onroerende zaak.
De stijging of daling van de gemiddelde waarde heeft geen effect op de totale opbrengst die wordt gerealiseerd uit de onroerende-zaakbelasting. Bij stijgende huizenprijzen, zoals nu het geval is, wordt het gehanteerde tarief naar beneden toe bijgesteld en bij dalende huizenprijzen wordt het gehanteerde tarief naar boven toe bijgesteld. Dit zodat de uiteindelijk te realiseren opbrengst aansluit bij de bedragen die in de begroting staan opgenomen. Om de OZB-opbrengst te kunnen realiseren dienen de volgende tarieven te worden vastgesteld. De tarieven voor belastingjaar 2026 bedragen: OZB voor: Eigenaarsgedeelte woningen Eigenaarsgedeelte niet-woningen Gebruikersgedeelte nietwoningen
Tarieven 2026 0,1098% 0,4595% 0,3420%
Tarieven 2025 0,1200% 0,4528% 0,3370%
Bijvoorbeeld: het tarief voor woningen (eigenaren) bedraagt 0,1156%. De gemiddelde eigenarenaanslag OZB voor een woning met een gemiddelde waarde van € 371.250,- bedraagt dan € 407,63. De tarieven voor de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten dienen op grond van de Gemeentewet gelijk te zijn aan die van de onroerende-zaakbelastingen. Voor de gemiddelde belastingdruk voor woningen wordt verwezen naar bijlage 1 van dit voorstel. Tevens wordt in bijlage 1 ook de belastingdruk voor niet-woningen weergegeven. Ad 3. De Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2026 Op het gebied van de afvalstoffen is het uitgangspunt dat in 2026 de afvalstoffenheffing 100% kostendekkend is. Hierbij wordt er gekeken naar de direct toe te rekenen kosten en de indirect toe te rekenen kosten (zie de toelichting in de programmabegroting, paragraaf lokale heffingen). De in 2021 gewijzigde tarievenstructuur wordt in 2026 voorgezet. De afvalstoffenheffing stijgt in 2026 door een toename van de kosten voor het verwerken van afval. Dit leidt tot de tarieven zoals hieronder voorgesteld, waarbij het tarief in elke categorie procentueel evenveel stijgt. Tarieven 2026 1 persoon 2 personen 3 personen 4 of meer personen
€ 407,90 € 462,98 € 509,05 € 598,95
Tarieven 2025 € 373,08 € 423,48 € 465,72 € 547,92
In de programmabegroting 2026 zijn de begrote lasten en baten vastgesteld. De begrote baten van de afvalstoffenheffing zijn € 16,81 miljoen. De juridische geoorloofde toerekening van de geraamde kosten aan de geraamde opbrengsten geeft een kostendekking van 100%. Ad 4. De Verordening rioolheffing Lelystad 2025 De rioolheffing wordt verdeeld in de rioolheffing voor woningen en de rioolheffing voor nietwoningen eigenaren, waarbij het object aangesloten dient te zijn op de riolering. Met de hieronder voorgestelde tarieven is toegewerkt naar een geraamde 100% kostendekking. De kosten voor de gemeentelijke zorgplichten nemen in 2026 toe. Daarnaast neemt de ICLbijdrage af. Dat resulteert in een tariefsverhoging van 3%. Tarief rioolheffing woningen (gebruikersbelasting) De tariefstructuur is gelijk aan de structuur in 2025, zijnde vier categorieën huishoudens. De tarieven stijgen zoals hierboven aangegeven met 3%. Tarief rioolheffing niet-woningen (eigenarenbelasting) De rioolheffing niet-woningen wordt geheven naar de WOZ-waarde van een (bedrijfs)pand. Het aanslagbedrag stijgt gemiddeld genomen met 3%.
De tarieven zijn na vaststelling als volgt:
1 persoon 2 personen 3 personen 4 of meer personen rioolheffing niet-woning eigenaren
Tarieven 2026 € 145,76 € 206,26 € 254,81 € 349,42 0,0918%
Tarieven 2025 € 135,60 € 191,88 € 237,04 € 325,04 0,0871%
De begrote opbrengst van deze heffing bedraagt € 9,18 miljoen. De juridische geoorloofde toerekening van de geraamde kosten aan de geraamde opbrengsten geeft een kostendekkendheid van 100%. In de programmabegroting 2026 zijn de begrote lasten en baten vastgesteld. Ad 5. De Verordening hondenbelasting Lelystad 2026 De tarieven blijven in 2026 gelijk aan die van 2025. Ad 6. De Verordening marktgelden Lelystad 2026 De tarieven marktgelden worden gecorrigeerd met het inflatiepercentage. Ad 7. Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2026 (privaatrechtelijke regeling) Standplaatshouders buiten de reguliere markten betalen behalve de legeskosten van hun vergunning een vergoeding (huur) voor het gebruik van de grond waarop zij staan. Als ze op gemeentelijk terrein staan, wordt de huur voor de openbare grond in rekening gebracht. Het college stelt u voor de tarieven met 3% te verhogen. De kosten van stroomlevering worden doorberekend aan de afnemer. De afweging van de kosten en opbrengsten geeft een kostendekkendheid van 100%. Ad 8. De Legesverordening Lelystad 2026 Het college stelt u voor de tarieven van de leges in z’n algemeenheid met 3% te verhogen, tenzij wettelijke voorschriften deze tariefstijging verhinderen of gemotiveerd wordt afgeweken om het prijsindexcijfer te gebruiken. In de tabel zijn voor 2026 geen beleidswijzigingen opgenomen.
Wel is een aantal tarieven gewijzigd waarvan bleek dat de niet kostendekkend waren. Dat heeft voornamelijk te maken met de ervaringen uit de belastingjaren 2024 en 2025 ten aanzien van de activiteiten in het kader van de Omgevingswet. Het betreft dan met name de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. In de nieuwe tabel zullen deze ook niet kostendekkend worden gepresenteerd, maar wel in lijn worden gebracht met bijvoorbeeld Almere, Zaanstad, Urk, Zeewolde en Noordoostpolder, die hogere tarieven hanteerden. In bijlage 2 van dit voorstel worden de wijzigingen van de leges tarieventabel weergegeven. Ad 9. De Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2026 Het college stelt u voor de tarieven van deze rechten met 3% te verhogen. De juridische geoorloofde toerekening van de geraamde kosten aan de geraamde opbrengsten geeft een kostendekking van 100%.
Ad 10. De Verordening liggelden Bataviahaven 2026 Voorgesteld wordt om de tarieven van de liggelden te wijzigen. De tarieven liggelden voor zowel de charterschepen, vrachtschepen als de rivierschepen worden met 3% verhoogd. Het tarief voor de “botenhelling” wordt niet geïndexeerd, dat blijft € 10,00. Ad 11. De Verordening Parkeerbelasting 2026
De wijziging van de verordening heeft alleen betrekking op de naheffingsaanslagen, alsmede de onderbouwing van de kosten. Voor 2026 is het bedrag voor naheffingsaanslagen vastgesteld op € 82,00 (max tarief 2026) (plus het van toepassing zijnde uurtarief ter plaatse). Ad 12. De Verordening Toeristenbelasting 2026
Voorgesteld wordt de tarieven niet te wijzigen. Kanttekeningen geen
Financiën Zoals aangegeven in de programmabegroting worden de belastingopbrengsten begroot op € 70,58 miljoen. De begrote inkomsten worden in onderstaande tabel gecategoriseerd weergegeven.
Vervolg Het besluit wordt na vaststelling door de raad bekend gemaakt in het Elektronisch Gemeenteblad en in de Flevopost. De verordeningen en de eventueel hieraan verbonden tarieventabellen zullen zowel raadpleegbaar zijn op de site van overheid.nl als op de site van de gemeente Lelystad.
Bijlagen Bijlage 1: De gemiddelde belastingdruk voor woningen en niet-woningen Bijlage 2: Toelichting op de wijzigingen in de tarieventabel van de legesverordening Bijlage 3: Belastingverordeningen en regelingen Lelystad, 4 november 2025 Het college van de gemeente Lelystad, de gemeentesecretaris, C.J.M. Swart *Dit voorstel is digitaal vastgesteld en ondertekend
Bijlage 1 De gemiddelde belastingdruk voor woningen en niet-woningen 2026 0,1098% 0,1200% Gemiddelde Gemiddelde WOZ-waarde peil WOZ-waarde peil stijging stijging € 371.250 € 330.000 % € 1-1-2026 1-1-2025 1 persoonshuishouden, gebruiker 1 persoonshuishouden, gebruiker rioolheffing € 145,76 rioolheffing € 135,60 7,49% € 10,16 afvalstoffenheffing € 407,90 afvalstoffenheffing € 373,08 9,33% € 34,82 Totaal € 553,66 Totaal € 508,68 8,84% € 44,98 1 persoonshuishouden, eig en gebr eigenarenbelasting € 407,63 rioolheffing € 145,76
1 persoonshuishouden, eigenaar en gebruiker eigenarenbelasting € 396,00 2,94 € 11,63 rioolheffing € 135,60 7,49% € 10,16
afvalstoffenheffing
€ 407,90
afvalstoffenheffing
€ 373,08
9,33%
€ 34,82
Totaal
€ 961,29
Totaal
€ 904,68
6,26%
€ 56,61
2 persoonshuishouden, gebruiker rioolheffing € 206,27
2 persoonshuishouden, gebruiker rioolheffing € 191,88
7,50%
€ 14,39
afvalstoffenheffing
€ 462,98
afvalstoffenheffing
€ 423,48
9,33%
€ 39,50
Totaal
€ 669,25
Totaal
€ 615,36
8,76%
€ 53,89
2 persoonshuishouden, eig en gebr eigenarenbelasting € 407,63 rioolheffing € 206,27
2 persoonshuishouden, eig en gebr eigenarenbelasting € 396,00 rioolheffing € 191,88
2,94% 7,50%
€ 11,63 € 14,39
afvalstoffenheffing
afvalstoffenheffing
€ 423,48 10,40%
€ 44,04
Totaal
€ 462,98
€ 1.011,36
6,93%
€ 70,06
3 persoonshuishouden, gebruiker rioolheffing € 254,81
3 persoonshuishouden, gebruiker rioolheffing € 237,00
7,51%
€ 17,81
afvalstoffenheffing
€ 509,05
afvalstoffenheffing
€ 465,72 11,90%
€ 48,48
Totaal
€ 763,86
Totaal
€ 702,72
8,70%
€ 61,14
3 persoonshuishouden, eig en gebr eigenarenbelasting € 407,63 rioolheffing € 254,81
3 persoonshuishouden, eig en gebr eigenarenbelasting € 396,00 rioolheffing € 237,04
2,94% 7,50%
€ 11,63 € 17,77
afvalstoffenheffing
afvalstoffenheffing
€ 465,72 11,90%
€ 48,48
Totaal
€ 1.076,88
€ 509,05 € 1.171,49
Totaal
Totaal
€ 1.098,76
7,09%
€ 77,88
7,49%
€ 24,34
rioolheffing
€ 349,42
4 en meerpersoonshuishouden, gebr rioolheffing € 325,08
afvalstoffenheffing
€ 598,95
afvalstoffenheffing
€ 547,92 11,90%
€ 57,00
Totaal
€ 948,37
Totaal
€ 873,00
€ 81,34
4 en meerpersoonshuishouden, gebruiker
4 en meerpersoonshuishouden, eig en gebr eigenarenbelasting € 407,63 rioolheffing € 349,42 afvalstoffenheffing
€ 598,95
9,32%
4 en meerpersoonshuishouden, eig en gebr eigenarenbelasting rioolheffing
€ 396,00 € 325,08
2,94% 7,49%
€ 11,63 € 24,34
afvalstoffenheffing
€ 547,92 11,90%
€ 57,00
Totaal
€ 1.356,00
Totaal
€ 1.269,00
7,33%
€ 92,97
Lasten 2025- 2026 eigenaren woningen (afgeronde berekening)
Waardestijging
Waarde
2025
Waarde
OZB 2025 eigenaar woningen
OZB 2026 eigenaar woningen
2026
Verschil in
Verschil in
%
€
12,50% Woning
€ 192.000
€ 216.000
€ 230,00
€ 237,00
3,00%
€ 7,00
€ 965.000
€ 1.085.625
€ 1.158,00
€ 1.192,00
3,00%
€ 34,00
€ 1.939.000
€ 2.181.375
€ 2.327,00
€ 2.395,00
3,00%
€ 68,00
waarde
Woning waarde
Woning waarde
Tarief OZB niet-woning 2025 – 2026 Tarieven OZB
2026
2025
Tarief OZB eigenaren niet-woning
0,4595%
0,4528%
Tarief OZB gebruikers niet-woning
0,3420%
0,3370%
Gemiddelde waardestijging niet- woning
1,5%
2,75%
Loon- en prijspeilaanpassing
3,0%
3,2%
Lasten 2025 – 2026 eigenaren niet-woningen
Waardestijging
Waarde
OZB 2025 eig niet woningen
Waarde
OZB 2026 eig niet woningen
Verschil in
Verschil in
%
€
2025
2026
€ 107.000
€ 108.605
€ 484,00
€ 499,00
3,00%
€ 15,00
€ 530.000
€ 537.950
€ 2.400,00
€ 2.472,00
3,00%
€ 72,00
€ 1.060.000
€ 1.075.900
€ 4.800,00
€ 4.944,00
3,00%
€ 144,00
1,50%
Waarde Niet Woning
Waarde Niet Woning
Waarde
Waardestijging
Waarde
OZB 2025 eig niet woningen
Waarde 2025
2026
€ 107.000
€ 108.605
€ 530.000
€ 537.950
€ 1.060.000
€ 1.075.900
OZB 2026 eig niet woningen
Verschil in
Verschil in
%
€
1,50%
Waarde Niet
€ 484,00
€ 499,00
3,00%
€ 15,00
€ 2.472,00
3,00%
€ 72,00
€ 4.944,00
3,00%
€ 144,00
Woning
Waarde Niet
€ 2.400,00
Woning
Waarde
€ 4.800,00
Lasten 2025 – 2026 gebruikers niet-woningen
Waardestijging
Waarde
OZB 2025 gebr niet woningen
Waarde
OZB 2026 gebr niet woningen
Verschil in
Verschil in
%
€
2025
2026
€ 107.000
€ 108.605
€ 361,00
€ 371,00
3,00%
€ 11,00
€ 530.000
€ 537.950
€ 1.786,00
€ 1.840,00
3,00%
€ 54,00
€ 1.060.000
€ 1.075.900
€ 3.572,00
€ 3.679,00
3,00%
€ 107,00
OZB 2026 eig/geb niet woningen
Verschil in
Verschil in
%
€
1,50%
Waarde Niet Woning
Waarde Niet Woning
Waarde
Lasten 2025 – 2026 eigenaren/gebruikers niet-woningen
Waardestijging
Waarde
OZB 2025 eig/geb niet woningen
Waarde
2025
2026
€ 106.000
€ 107.590
€ 530.000
€ 537.950
€ 1.060.000
€ 1.075.900
1,50%
Waarde Niet
€ 837,19
€ 862,30
3,00%
€ 25,12
€ 4.311,52
3,00%
€ 125,58
€ 8.623,04
3,00%
€ 251,16
Woning
Waarde Niet
€ 4.185,94
Woning
Waarde
€ 8.371,88
Bijlage 2 Toelichting op de voorgestelde wijzigingen in de belastingverordeningen 2026
Het college stelt u voor, los van de reguliere peilaanpassing van 3%, de tarieventabel behorende bij de legesverordening 2026 als volgt te wijzigen: Algemeen
Voor de leges geldt dat door de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging de volledige tarieventabel in 2024 ‘op de schop’ is gegaan. Inmiddels is de nodige ervaring opgedaan met de wijze waarop de wet en regelgeving van deze wet in de praktijk vorm heeft gekregen. De tarieven zijn in overeenstemming gebracht met het eerder bepaalde bestendige beleid en tevens zijn tarieven geactualiseerd. Hierbij is in voldoende mate rekening gehouden met de wijze waarop de omliggende gemeenten deze regelgeving in hun verordening hebben opgenomen en de wijze waarop deze gemeente tot hun tariefstelling zijn gekomen. Op deze manier ligt het prijspeil van de gemeente Lelystad in lijn met de buurgemeenten en vergelijkbare gemeenten. Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening
Met uitzondering van de door het rijk vastgestelde maximumtarieven, zijn de tarieven aangepast aan de index van 3%. Paragraaf 1.2 Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart
De leges reisdocumenten worden als volgt aangepast aan de Rijksmaxima en in de tarieventabel naar beneden afgerond op eenheden van vijf cent. Document/leges
Totaal legestarief maximaal
Nationaal paspoort ≥ 18 jaar
€ 88,65 (was € 86,85)
< 18 jaar
€ 67,05 (was € 65,70)
Nederlandse identiteitskaart (NIK) ≥ 18 jaar
€ 80,10 (was € 78,50)
< 18 jaar
€ 43,20 (was € 42,35)
Paragraaf 1.3 Rijbewijzen
De leges voor de rijbewijzen worden altijd extreem laat in het jaar bekend gemaakt. Er wordt daarom vanaf het 2025 voor gekozen om in de tabel te verwijzen naar de maximumtarieven zoals die door het rijk worden vastgesteld.
Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet
Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Aanpassing met index 3%, met uitzondering van de artikelen 2.6.1.4 en 2.45. Voorgesteld wordt deze artikelen te verhogen van € 9.000 naar € 12.000. In de nieuwe tabel zullen deze ook niet kostendekkend worden gepresenteerd, maar wel in lijn worden gebracht met bijvoorbeeld Almere, Zaanstad, Urk, Zeewolde en Noordoostpolder, die hogere tarieven hanteerden. Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn
De tarieven zijn aangepast aan de index van 3%.
Bijlage 3 Belastingverordeningen en tarievenregeling 2026
Raadsbesluit Nummer: De raad van de gemeente Lelystad, op voorstel van het college van de gemeente Lelystad d.d. 4 november 2025 gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; B E S L U I T: vast te stellen de navolgende VERORDENING op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2026 (Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2026). Artikel 1 Belastingplicht 1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt; b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 2. Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Belastingobject 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2.
Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4 Vrijstellingen 1. In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij de krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; k. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel k van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Artikel 5 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,3420,% b. de eigenarenbelasting: 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1098% 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,4995% 2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's. 3. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats.
Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf
gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt, als het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen of andere heffingen minder bedraagt dan € 50,- of meer is dan € 5.000,-, dat deze aanslagen moeten worden betaald in één termijn. Deze termijn vervalt op de laatste dag van de maand na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerendezaakbelastingen. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 1.
De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2025” van 19 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2026”.
Lelystad, De raad van de gemeente Lelystad, de griffier,
de voorzitter,
Raadsbesluit Nummer: De raad van de gemeente Lelystad, op voorstel van het college van de gemeente Lelystad d.d. 4 november 2025 gelet op artikel 221 van de Gemeentewet; B E S L U I T: vast te stellen de navolgende VERORDENING op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2026 (Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2026). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik; b. woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden; c. bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte. Artikel 2 Belastingplicht Onder de naam “belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten” wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. Artikel 3 Belastingobject Als één ruimte wordt aangemerkt: a. een binnen de gemeente gelegen ruimte; b.
een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; c. een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; d. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel c bedoeld samenstel. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1. De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Erfgoedwet vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met: a. de aard en de bestemming van de ruimte; b.
de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.
3.
4.
5.
In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven en die door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming. In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte. Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.
Artikel 5 Vrijstellingen 1. In afwijking van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van: a. glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; c. ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; d. ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning; e.
werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken. Artikel 6 Waardepeildatum 1. De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op 1 januari 2025 heeft. 2. De heffingsmaatstaf vindt toepassing voor kalenderjaar 2026. 3. De waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat waarin de ruimte op de waardepeildatum verkeert. 4. Indien een ruimte tussen de waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar: a. opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of b. wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of c. een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid, wordt, in afwijking van het derde lid, de waarde bepaald naar de staat van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar.
Artikel 7 Belastingtarieven 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,3420% b. de eigenarenbelasting: 1. voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1098% 2. voor roerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,4595% 2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's. 3. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 8 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf gelijke termijnen.
De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt, als het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen of andere heffingen minder bedraagt dan € 50,- of meer is dan € 5.000,-, dat deze aanslagen moeten worden betaald in één termijn. Deze termijn vervalt op de laatste dag van de maand na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen roerende woon- en bedrijfsruimtebelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting op roerende woon- of bedrijfsruimten. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1.
De “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2025” van 19 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2026”. Lelystad, De raad van de gemeente Lelystad, de griffier,
de voorzitter,
Raadsbesluit Nummer: De raad van de gemeente Lelystad, op voorstel van het college van de gemeente Lelystad d.d. 4 november 2025; gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; B E S L U I T: vast te stellen de navolgende VERORDENING op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2026 (Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2026). Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven terzake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 2 Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degenen die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangemerkt: a.
bij gebruik door meer leden van een huishouden: een lid van een huishouden; b. bij gebruik van delen van een perceel: degene die de delen van het perceel in gebruik heeft gegeven; c. bij ter beschikking stellen voor volgtijdig gebruik: degene die het perceel voor volgtijdig gebruik ter beschikking heeft gesteld. Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt: a. door 1 persoon € 407,90 b. door 2 personen € 462,98 c. door 3 personen € 509,05 d. door 4 of meer personen € 598,95 2. Het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. Artikel 4 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 5 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt. Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 2.
In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt, als het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen of andere heffingen minder bedraagt dan € 50,- of meer is dan € 5.000,-, dat deze aanslagen moeten worden betaald in één termijn. Deze termijn vervalt op de laatste dag van de maand na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 1.
De “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2025” van 19 november 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2026”. Lelystad, De raad van de gemeente Lelystad, de griffier,
de voorzitter,
Raadsbesluit Nummer: De raad van de gemeente Lelystad, op voorstel van het college van de gemeente Lelystad d.d. 4 november 2024; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; B E S L U I T: vast te stellen de navolgende VERORDENING op de heffing en de invordering van rioolheffing 2026 (Verordening rioolheffing Lelystad 2026). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; d. woning: een onroerende zaak als bedoeld in artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet met dien verstande dat daartoe ook die gedeelten van een onroerende zaak behoren die als perceel kunnen worden aangemerkt en waarvan de waarde ingevolge artikel 220e van de Gemeentewet buiten de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelastingen wordt gelaten; e. niet-woning: elke onroerende zaak of zelfstandig gedeelte daarvan die niet als woning is aan te merken als voornoemd.
Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam “rioolheffing” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijke afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. Onder de naam "rioolheffing" wordt geheven: a. een heffing van de gebruiker van een perceel dat in gebruik of bestemd is als woning van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel; b. een heffing van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel. 2.
Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht gebruikt;
b. ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. 3.
4.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, ingeval het eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Belastingobject 1. Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de onroerende zaak, als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet in hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet. 2. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak, niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt als woning: a. door 1 persoon € 145,76; b. door 2 personen € 206,21; c. door 3 personen € 254,81; d. door 4 of meer personen € 349,42. 2.
Het aantal personen, als bedoeld in het eerste lid, dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. 4. De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het eigendom als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken en bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient 0,0918%. 5. De belasting van niet-woningen wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2026. 6. 7.
Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de eigenaar die het genot heeft van een perceel krachtens eigendom, bezit of beperkt recht vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht.
8.
Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikel 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt. Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt, als het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen of andere heffingen minder bedraagt dan € 50,- of meer is dan € 5.000,-, dat deze aanslagen moeten worden betaald in één termijn. Deze termijn vervalt op de laatste dag van de maand na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening rioolheffing Lelystad 2025” van 19 november 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing Lelystad 2026”. Lelystad, De raad van de gemeente Lelystad, de griffier,
de voorzitter,
Raadsbesluit Nummer: De raad van de gemeente Lelystad, op voorstel van het college van de gemeente Lelystad d.d. 4 november 2025; gelet op artikel 226 van de Gemeentewet; B E S L U I T: vast te stellen de navolgende VERORDENING op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2026 (Verordening hondenbelasting Lelystad 2026). Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam “hondenbelasting” wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1. Belastingplichtig is de houder van een hond. 2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Vrijstellingen 1. In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. 2. De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: a.
die uitsluitend dienen om blinde personen te leiden of die hiervoor in opleiding zijn; b. waarbij de houder van de hulphond de daartoe verstrekte machtiging afgegeven door de zorgverzekeraar kan overleggen; c. die verblijven in een hondenasiel; d. waarvan de houder in het bezit is van een geldend diploma van de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging, mits de houder zich verbindt zijn hond met een geleider, aan wiens bevelen hij gehoorzaamt, op aanvraag ter beschikking van de politie te stellen; e. die jonger zijn dan 6 maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden. Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
Artikel 5 Belastingtarief 1. De belasting bedraagt per hond per belastingjaar € 85,20 2. In afwijking in zoverre van het voorgaande lid bedraagt de belasting voor honden gehouden in kennels die zijn geregistreerd bij de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland niet meer dan € 255,60. 3. Eveneens in afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, niet meer dan € 255,60. Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Aangifte 1. Ieder die bij aanvang van een belastingjaar houder is van één of meer honden, is gehouden binnen 4 weken aangifte hiervan te doen, tenzij aan de belastingplichtige reeds een aangiftebiljet is uitgereikt of reeds een aanslag is opgelegd. 2. Indien in de loop van het belastingjaar de belastingplicht ontstaat dan wel het aantal honden dat door de belastingplichtige wordt gehouden een wijziging ondergaat, dient de belastingplichtige binnen 4 weken na het tijdstip waarop de belastingplicht is ontstaan of de wijziging van het aantal honden heeft plaatsgevonden, aangifte hiervan te doen.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting terzake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 10 Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt, als het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen of andere heffingen minder bedraagt dan € 50,- of meer is dan € 5.000,-, dat deze aanslagen moeten worden betaald in één termijn. Deze termijn vervalt op de laatste dag van de maand na de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5. Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen hondenbelasting en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de hondenbelasting.
Artikel 12 Geen kwijtschelding Bij de invordering van de hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel 1. De “Verordening hondenbelasting Lelystad 2025” van 19 november 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026. 4. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening hondenbelasting Lelystad 2026”. Lelystad, De raad van de gemeente Lelystad, de griffier,
de voorzitter,
Raadsbesluit Nummer: De raad van de gemeente Lelystad, op voorstel van het college van de gemeente Lelystad d.d. 4 november 2025; gelet op artikel 229, lid 1, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; B E S L U I T: vast te stellen de navolgende VERORDENING op de heffing en de invordering van marktgelden 2026 (Verordening marktgelden Lelystad 2026). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a. standplaats : de op en voor de duur van een markt door het bevoegd gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel; b. vaste-standplaats : een standplaats die tot wederopzegging beschikbaar wordt gesteld; c. dagplaats : een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld; d. standplaatshouder : ieder aan wie door het college van de gemeente Lelystad of de marktmeester het is toegestaan om gedurende een markt een standplaats te bezetten; e. marktdag : de dag waarop de markt gehouden wordt, waarbij de voor de markt bestemde dagen afzonderlijk beschouwd worden; f. weekmarkten : de markten die in de regel wekelijks op dinsdag en zaterdag worden gehouden in respectievelijk het “Lelycentre” en het “Stadshart”; g. jaarmarkt : de in de regel in april van een jaar te houden jaarmarkt voor de verkoop van tuinartikelen en andere jaarmarkten; h. een kwartaal : een kalenderkwartaal; i.
een halfjaar : een kalenderhalfjaar; j. een jaar : een kalenderjaar. Artikel 2 Aard van de heffing Onder de naam van “marktgeld” wordt voor het innemen van een standplaats op een markt een recht geheven. Artikel 3 Belastingplicht Het marktgeld wordt geheven van degene die een standplaats op een markt inneemt. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1. Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een weekmarkt wordt geheven over de frontbreedte van de standplaats; deze frontbreedte wordt uitgedrukt in strekkende meters (m). Indien de oppervlakte van de standplaats in vierkante meters meer bedraagt dan 5 maal de frontbreedte, wordt voor iedere 5 vierkante meter overschrijding een extra strekkende meter in rekening gebracht. 2. Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een jaarmarkt wordt geheven over het aantal vierkante meters (m2 ) dat de standplaats beslaat. Artikel 5 Standplaatstarieven 1. Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 2,40 per strekkende meter met een minimum van € 9,60.