CConstaterende datLelystad
Koppel je AI →
Document · PDF

25.239 Toelichting bij nieuwe Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025

Raadsvergadering 1 juli 2025, gemeente LelystadBij agendapunt: 25.239 Verordening Jeugdhulp Lelystad 202517.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025 INLEIDING Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 is de gemeente naast het preventieve jeugdbeleid ook verantwoordelijk geworden voor de jeugdhulp en jeugdbescherming en jeugdreclassering. Op grond van de Jeugdwet (artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1., derde lid) is de gemeenteraad verplicht om een verordening vast te stellen. De verordening regelt de rechten en plichten die jeugdigen en ouders hebben op grond van de Jeugdwet. Met andere woorden: in de verordening staat wat ouders en jeugdigen van de gemeente mogen verwachten en wat de gemeente van hen verwacht. Verordening sluit aan op de gemaakte beleidskeuzes In de 2e helft van 2024 is het Knoppenplan Jeugdzorg Lelystad unaniem door de gemeenteraad vastgesteld. In het Knoppenplan is de richting van de maatregelen opgenomen om te komen tot een andere jeugdzorg, tot een anders kijken naar zorg. Op deze manier kunnen we de jeugdzorg verbeteren door o.a. te stoppen met hetgeen niet werkt en de middelen te besteden aan dat wat wel werkt. Dit doen we door het ondersteunen van het gezin wat altijd in de lead is met daaromheen het (eigen) netwerk, het versterken van de kracht van de samenleving en de maatschappelijke partners en het terugdringen van de specialistische jeugdhulp.

De maatregelen zijn uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Samen voor de Jeugd Lelystad 2025-2028. Deze Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025 vormt de technische uitwerking van het door de raad vastgestelde Knoppenplan Jeugdzorg Lelystad. De uitgangspunten van het Knoppenplan liggen ten grondslag aan deze verordening en sluit aan op de Jeugdwet en de daarin onderliggende uitgangspunten van zelfredzaamheid, het kritisch kijken wanneer een individuele voorziening nodig is en ruimte voor professionals om hun expertise in te zetten. Op basis van het Knoppenplan Jeugdzorg is in deze verordening de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor jeugdhulp scherper afgebakend, zowel ten opzichte van het probleemoplossend vermogen van de ouders als ten opzichte van andere wettelijke domeinen. Afbakening Verordening De basis voor welke verantwoordelijkheid de gemeente heeft bij het bieden van jeugdhulp staat in artikel 2.3 van de Jeugdwet.

Hier staat: indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Het woonplaatsbeginsel is van toepassing op de reikwijdte van deze verordening. Alleen jeugdigen die op basis van het woonplaatsbeginsel, zoals genoemd in artikel 1.1 van de Jeugdwet, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen kunnen aanspraak doen op een jeugdhulpvoorziening bij de gemeente. In deze verordening en de daaraan verbonden nadere regels zijn de verbindende voorschriften opgenomen hoe het college invulling en uitwerking geeft aan het bepalen wanneer er jeugdhulp wordt ingezet. Hiermee bakenen we af wanneer het college jeugdhulp vergoedt.

ALGEMEEN Opbouw van de verordening Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden. Hoofdstuk 3 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt Pagina 1 van 27

beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget. De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten overige (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings)plichten en de herziening van besluiten. De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen? Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag. Deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over: a. de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b.

de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en d. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Ten aanzien van sub a. wordt hierbij gewezen op drie uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024: (ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097). De CRvB heeft in die uitspraken gewezen op de opdracht in de Jeugdwet (artikel 2.9) om de algemene begrippen uit artikel 2.3 Jeugdwet nader uit te werken in een gemeentelijke verordening. In een dergelijke verordening moeten regels worden gesteld over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden van een individuele voorziening, de wijze van beoordeling daarvan en afwegingsfactoren daarbij. Artikel 2.3 van de Jeugdwet zelf geeft volgens de CRvB onvoldoende duidelijkheid in een concrete situatie. In een verordening kan daarom niet worden volstaan met een herhaling van de begrippen uit de Jeugdwet. Er moet een duidelijke hoofdrichting worden neergelegd voor de betekenis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.

Specifiek wijst de CRvB nog op de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek (BW), al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke en/of bovengebruikelijke hulp. Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij: a. in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; b. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; c. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen, d. deel kunnen nemen aan periodiek overleg; e. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; en f. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie. De verordening bevat ook regels ter waarborging van: a. een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en b. de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.

Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Pagina 2 van 27

Achtergronden De wet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouders van bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2, van de wet heeft vastgesteld.

In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrijtoegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2 en 3). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder komt binnen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan de hulpvraag.

Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrijtoegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke vorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de vorm van jeugdhulp), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder zich moeten houden aan de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 3, eerste lid). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is Pagina 3 van 27

verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt.

De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Geen toegang jeugdhulp via Veilig Thuis De wet voorziet niet in toegang tot jeugdhulp via Veilig Thuis. Om die reden is toegang tot jeugdhulp via Veilig Thuis niet geregeld in deze verordening. De taken van Veilig Thuis zijn opgenomen in artikel 4.1.1 van de Wmo 2015. De Wmo 2015 en de Jeugdwet bevatten geen regeling voor Veilig Thuis om te verwijzen naar jeugdhulp. Veilig Thuis is immers geen verwijzer zoals artsen en de gecertificeerde instelling dat wel zijn. Zolang er sprake is van het vrijwillig kader, kan jeugdhulp niet worden afgedwongen, ook niet als Veilig Thuis dit noodzakelijk vindt. Voor toegang tot jeugdhulp kan Veilig Thuis ouders wijzen op het doen van een aanvraag bij de gemeente. Afbakening jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de gezinnen die dit het hardst nodig hebben. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt.

Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen. De verordening voorziet in: - Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket; - Een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving; - Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen;en - Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet. Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet. ARTIKELSGEWIJS In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven. HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Definities Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’.

In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet gebruikt. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de Pagina 4 van 27

jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). Sommige begrippen uit deze verordening worden gedefinieerd door de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb). HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel 2. Algemene voorzieningen Een algemene voorziening is voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) rechtstreeks toegankelijk. Hiervoor hoeft geen aanvraag in de zin van artikel 7, tweede lid, van deze verordening aan vooraf te gaan. Het college verricht dan ook geen voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en het college geeft geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is.

In dat geval verwijst het college naar die algemene voorziening en wordt de aanvraag voor de individuele voorziening afgewezen. Artikel 3. Individuele voorzieningen Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen. Vanwege het feit dat het aanbod van individuele voorzieningen, de benamingen ervan en de contractafspraken met jeugdhulpaanbieders aan verandering onderhevig zijn, is ervoor gekozen om de individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn op te nemen in bijlage 1 van de verordening. Daarnaast wordt het overzicht van deze individuele voorzieningen op de website van de gemeente geplaatst. Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). Het college maakt hierover afspraken met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie.

De gemaakt afspraken hierover zijn ook opgenomen in bijlage 1 van deze verordening. HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Tweede lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een Pagina 5 van 27

jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5). Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouders geen gebruik kunnen maken van een pgb. Derde lid In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is.

Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de toegankelijkheid van deze jeugdhulp. Het derde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening (zie Kamerstukken II, 33684, nr. 3, p. 148). Dit betekent concreet dat de jeugdhulpaanbieder gebonden is aan de voorwaarden van artikel 13‘Criteria voor toekenning van een individuele voorziening’, vierde en vijfde lid . De jeugdhulpaanbieder zal bij het beoordelen van de vorm van jeugdhulp rekening moeten houden met een voorziening die een passende bijdrage levert aan de in dat artikel genoemde doelen. Ook zal de jeugdhulpaanbieder moeten kiezen voor de goedkoopste, adequate en tijdig beschikbare voorziening.

Vierde lid Artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet verplicht de jeugdhulpaanbieder persoonsgegevens van de jeugdige of zijn ouder(s) te verstrekken aan het college voor zover het college die nodig heeft voor de uitvoering van de wettelijke taken als bedoeld in artikel 7.4.0, eerste lid, van de Jeugdwet. Een van die taken is de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp. Hoewel de jeugdhulpaanbieder op grond van de verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts in beginsel vaststelt welke jeugdhulp naar aard, omvang en duur nodig is, beoordeelt het college of die jeugdhulp voldoet aan de geldende regelgeving en de afspraken die met de desbetreffende jeugdhulpaanbieder zijn gemaakt (zoals de toelichting bij het derde lid). Voldoet de jeugdhulp daaraan, dan wordt dat in een toewijzende beschikking vastgelegd en kan de jeugdhulp worden ingezet. Zo niet, dan volgt een afwijzende beschikking en mag de jeugdhulp niet worden ingezet. Dat geldt ook indien de termijn waarvoor de beschikking geldt is verstreken en de jeugdhulpaanbieder op grond van een nieuwe verwijzing heeft vastgesteld dat verlenging van de reeds ingezette jeugdhulp nodig is.

In de Regeling Jeugdwet hebben de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vastgelegd welke persoonsgegevens de jeugdhulpaanbieder dient te verstrekken wanneer hij een declaratie indient voor reeds verleende jeugdhulp of in het geval het college besluit tot een materiële controle of fraude-onderzoek. Het gaat hierbij dus om controle achteraf. De Regeling Jeugdwet bepaalt echter niet welke persoonsgegevens de jeugdhulpaanbieder verplicht is te verstrekken als het gaat om controle vooraf, dus voorafgaand aan het inzetten van jeugdhulp. Hoewel de Jeugdwet de daartoe bevoegde bewindslieden uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt, hebben zij nog geen gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Het college heeft dus de vrijheid om te bepalen welke persoonsgegevens het noodzakelijk acht voor het uitvoeren van toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp.

Pagina 6 van 27

Op grond van artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet kunnen dat ook ‘bijzondere categorieën van persoonsgegevens’ zijn. De absolute wettelijk bovengrens is steeds dat niet meer persoonsgegevens mogen worden gevraagd door het college dan de gegevens die het nodig heeft om te kunnen beoordelen of aard, omvang en de duur van de jeugdhulp die de jeugdhulpaanbieder heeft vastgesteld in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving en de afspraken die hierover zijn gemaakt tussen het gemeentebestuur en de jeugdhulpaanbieder. Onder die gegevens vallen in ieder geval de productcategorie en de productcode van de voorziening, de eenheid en het volume van de voorziening, de frequentie en de duur van de voorziening en de reden van de inzet van de voorziening (sub a t/m d). Daarnaast is ook de verwijsbrief nodig (sub e) (exclusief de inhoudelijke medische gegevens). Een verwijsbrief bevat namelijk (in ieder geval) de reden van de verwijzing, zoals volgt uit de Landelijke samenwerkingsafspraken jeugd-GGZ. Daarnaast volgt dit uit de afspraken die op grond van artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet tussen het college en de wettelijke verwijzers zijn gemaakt.

Door het verstrekken van de verwijsbrief met daarin de reden van de verwijzing kan ook voorafgaand aan het inzetten van de jeugdhulp gecontroleerd worden of de in te zetten jeugdhulp past bij de jeugdhulp die de wettelijk verwijzer heeft bepaald. Dat sluit ook aan bij de bedoeling van de regelgever. In de Regeling Jeugdwet is namelijk vastgelegd dat het college kan besluiten tot een zogeheten materiële controle als er signalen zijn dat de geleverde jeugdhulp niet past binnen een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts (artikel 6b.2, aanhef en onder c, van de Regeling Jeugdwet). Ook deze bepaling veronderstelt dat het college kennis moet kunnen nemen van (de reden van) de verwijzing om zijn wettelijke taken als controleur naar behoren uit te kunnen voeren. Het is belangrijk dat een verwijzer op de hoogte blijft van de resultaten van de hulp en een aanbieder niet onbeperkt gebruik kan maken van een verwijzing om een nieuw (of verlengd) hulptraject te starten. Daarom bepaalt lid 4e dat de verwijzing maximaal 9 maanden geldig is. De wetgever heeft geen termijnen gekoppeld aan de geldigheidsduur van een verwijzing. Het college hanteert een geldigheidsduur van negen maanden, gerekend vanaf de datum van afgifte van de verwijzing tot aan het moment dat de jeugdhulpaanbieder het verzoek om toewijzing (JW315) indient.

Wanneer de verwijsbrief ouder is dan negen maanden, dienen de jeugdige of de ouders de verwijzer te verzoeken om een nieuwe verwijsbrief af te geven. Daarmee komt de verwijzer in de positie om opnieuw de situatie te beoordelen. Voor huisartsen kan daarbij de eventueel aanwezige praktijkondersteuner jeugd een rol spelen. Jeugdhulpaanbieders hebben een geheimhoudingsplicht, maar die plicht komt te vervallen als zij op grond van een wettelijke bepaling, zoals in dit geval artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet, gehouden zijn om persoonsgegevens te verstrekken, ook als de jeugdige of zijn ouder(s) daarvoor geen toestemming hebben gegeven. Door in de verordening op te nemen welke informatie de jeugdhulpaanbieder in ieder geval dient te verstrekken, weten ook de jeugdige en zijn ouder(s) welke informatie de jeugdhulpaanbieder voorafgaand aan het inzetten van jeugdhulp met het college moet delen. Uitgangspunt blijft daarbij uiteraard steeds dat de privacy van de jeugdige en zijn ouder(s) alleen mag worden geschonden voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taken die het college op grond van de Jeugdwet heeft. Vijfde lid Ook na een verwijzing is het nodig dat de gemeente een beschikking afgeeft, zowel bij verstrekking van een individuele voorziening, als bij verlenging en afwijzing daarvan.

De inhoud van de beschikking moet voldoen aan het bepaalde in artikel 18 ‘Inhoud beschikking’. Artikel 5 Uniform hulpaanbod (UHA) rechtbank bij scheidingen of directe doorverwijzing ter zitting Het Uniform hulpaanbod (UHA) is een samenwerking tussen rechtbanken en gemeenten, waarbij passende hulp wordt aangeboden aan ouders en kinderen in echtscheidingen en omgangszaken. De familierechter komt in beeld wanneer een ouder een eenzijdig verzoek tot scheiding indient of wanneer een ouder bestaande afspraken over gezag- en omgang wil aanpassen. Wanneer ouders er niet samen uitkomen, kan de rechter hen doorverwijzen naar hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (UHA). Ouders moeten daar beiden vrijwillig aan mee werken en er mag geen geweld plaatsvinden in het gezin. Het UHA omvat een aantal basistrajecten voor hulp, waar de civiele rechter naar kan verwijzen. De hulpverlening is meestal voor de ouders. In sommige gevallen kan de hulpverlening ook voor het kind zijn of voor het kind en de ouders samen. De rechtbanken kunnen in het kader van het UHA verwijzen naar de volgende vormen van (jeugd)hulp: Pagina 7 van 27

- ouderschapsbemiddeling; - omgangsbegeleiding; Artikel 6 Toegang tot jeugdhulp via justitieel kader Voor een toelichting op de toegang tot jeugdhulp via het justitieel kader wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting. Voor de duidelijkheid wordt hier nog benoemd dat het college geen beschikking neemt voor toegekende voorzieningen via het justitieel kader, gelet op de beperkte rol die het college in dit kader heeft. Om die reden wordt in het derde lid van dit artikel gesproken over een toewijzingsbericht. De zorg dient niet eerder te starten dan na dit toewijzingsbericht. Een voorbeeld van een nadere regel zoals bedoeld in lid 4 is: de GI bepaalt dat er jeugdhulp nodig is en welke en verwijst naar de gemeente om de plek aan te wijzen. Artikel 7. Toegang jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 5 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen.

Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Eerste lid De jeugdige of ouders die een beroep willen doen op een algemene voorziening kunnen hier direct naartoe zonder aanvraagprocedure in de zin van het tweede lid van dit artikel. Er vindt in dat geval geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af. Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens tijdens of na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daar naar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening afwijzen. Tweede tot en met vierde lid Allereerst wordt benadrukt dat algemene voorzieningen toegankelijk zijn zonder tussenkomst van de gemeente. Voor hulp die niet kan worden geboden door algemene voorzieningen kunnen jeugdigen en gezaghebbende ouders een aanvraag indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag.

Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college. Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 5). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Vijfde en zesde lid Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een budgetplan in moeten dienen. Wat er in een beschikking moet staan is opgenomen in artikel XX. Met de termijn van acht weken wordt aangesloten bij de beslistermijn van artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. Zevende lid

Pagina 8 van 27

Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking. HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel 8. Onderzoek Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht en methodisch wordt benaderd. Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen.

Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Vierde lid Het onderzoek zal conform de GIZ-methodiek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. GIZ staat voor Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften en is een wetenschappelijk onderbouwde methode.

De GIZ-methodiek heeft als doel een gezamenlijke, brede gezinsgerichte, gestructureerde inschatting en beslissing te maken met jeugdige en/of (toekomstige) ouder/verzorger van krachten over de zorgbehoeften en ondersteuning, zodat gezinnen passende, tijdige en effectieve ondersteuning ontvangen en versterkt worden in hun eigen kracht (autonomie, competentie en verbondenheid). Ook wordt het schema Ontwikkelaspecten en Omgevingsinteractieschema (O&O) van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid toegepast. In het schema O&O worden essentiële ontwikkelingsaspecten per leeftijdsfase van het kind benoemd. Ook gaat het schema in op de ontwikkelbehoefte van het kind, de interactie tussen het kind en zijn ouders (opvoedcapaciteiten), de impact die gebeurtenissen kunnen hebben in het gezin en dus impact kunnen hebben op het kind en de interactie met de omgeving. Het schema beoogt juist de combinatie van deze aspecten met elkaar in verband te brengen en zo de brede integrale blik van het college te versterken. Daarnaast past het college de richtlijnen jeugdhulp van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) toe. Die richtlijnen ondersteunen professionals om samen met kinderen en ouders te beslissen over de best passende hulp. De richtlijnen geven onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis van professionals en ervaringskennis van ouders en kinderen.

Pagina 9 van 27

Vijfde lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Een gesprek vindt in principe bij de jeugdige of zijn ouders thuis plaats. Indien dat om wat voor reden dan ook niet mogelijk is, kan het gesprek ook plaatsvinden op een andere locatie, bijvoorbeeld op school. Dit zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. Zesde lid Deze bepaling berust op artikel 8.1.2, derde lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) de medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) wordt verlangd dat ze voldoende gegevens en bescheiden verstrekken om het college in staat te stellen om het onderzoek goed uit te voeren. Onder wet- en regelgeving wordt o.a. de AVG en Archiefwet bedoeld, naast de Jeugdwet.

En daarmede worden alleen gegevens opgevraagd binnen de kaders van het proportionaliteitsbeginsel (alleen die informatie die nodig is) en het subsidiariteitsbeginsel (niet meer informatie dan nodig is). Zevende lid Om de situatie van een jeugdige goed in kaart te kunnen brengen kan het college andere instanties benaderen, zoals de huisarts en de onderwijsinstelling. Daarnaast kan worden gedacht aan andere betrokken hulpverleners/zorgaanbieders. Achtste lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen, die zijn ontleend aan de rechtspraak van de CRvB: a. wat de hulpvraag is; Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp.

Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente b. of de gemeente verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel, artikel 1.1. Jeugdwet); c. of de Jeugdwet van toepassing is; d. of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen; Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen e.

welke hulp naar aard en omvang nodig is om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.

Pagina 10 van 27

f. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend is. Dit is nader uitgewerkt in artikel 14. g. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp. Artikel 9. Niet meewerken ouder(s) Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp Het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening.

Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. Artikel 10. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In het tweede lid is, op basis van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; • taal- en leerproblemen; • somatische aandoeningen; • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en • kindermishandeling en huiselijk geweld.

Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 6, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een professional die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Het college heeft niet altijd de juiste deskundigheid in huis om de (specifieke) problematiek goed in kaart te kunnen brengen en te kunnen beoordelen wat nodig is.

Dat hoeft ook niet, mits ze wel kan inschatten wanneer andere (externe) deskundigheid nodig is en die deskundigheid vervolgens ook wordt ingeschakeld. Dat is bepaald in het derde lid. De stappen die in dit proces wordt gezet, moeten voor de jeugdige en/of ouder transparant en controleerbaar zijn.

Pagina 11 van 27

Artikel 11. Identificatie Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin. Artikel 12. Onderzoeksrapport Om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht en vastgelegd in de onderzoeksrapportage. Wanneer ouders en/of jeugdigen aangeven geen onderzoeksrapportage te willen ontvangen, dan dit achterwege worden gelaten. De jeugdige en zijn ouders krijgen de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. Artikel 13.

Criteria voor toekenning van een individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven. Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt. Tweede en derde lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen.

Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de factoren die in het tweede lid zijn genoemd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt. Ook verstrekt het college geen individuele voorziening voor (extra) begeleiding bij zwemles of sporten. Hierbij wordt allereerst opgemerkt dat reguliere zwemles of sportactiviteiten vrij toegankelijk (algemene voorziening) zijn voor inwoners van de gemeente. Als ouders vanwege financiële redenen geen gebruik kunnen maken van zwemles of sportactiviteiten, kunnen zij een beroep doen op bijzondere bijstand of Stichting Leergeld. Wanneer het college concludeert dat een aanvraag geen betrekking heeft op jeugdhulp in de zin van artikel 1.1 van de wet wordt de aanvraag gemotiveerd afgewezen. Dit moet worden onderscheiden van de gevallen waarin een aanvraag wordt afgewezen omdat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn op grond van artikel 14 van deze verordening.

In gevallen waarbij het college concludeert dat een aanvraag geen betrekking heeft op jeugdhulp wordt er geen (verder) onderzoek verricht naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.

Pagina 12 van 27

In het derde lid wordt benadrukt dat, wanneer de oorzaak van de hulpvraag gelegen is in de problematiek van de ouder, dit niet valt onder jeugdhulp. In dat geval kan het college onderzoeken of een ouder een beroep kan doen op ondersteuning vanuit de Wmo 2015 (zie ook artikel 31. [Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning]). De aanvraag voor jeugdhulp wordt in dat geval gemotiveerd afgewezen. Vierde en vijfde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of algemene voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of algemene voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.

Zesde lid Een individuele voorziening moet een jeugdige in staat stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Dit volgt uit artikel 2.3, eerste lid, van de wet en is in deze verordening nogmaals expliciet benoemd. Zevende en achtste lid Het zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg) en […].

Negende lid Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 2.3, derde lid, van de wet. Met permanent toezicht wordt gedoeld op 'bovengebruikelijk' toezicht. Het is geen 'gewoon' ouderlijk toezicht of gebruikelijke ouderlijke zorg. Er zijn verschillende oorzaken denkbaar waarom permanent toezicht nodig zou zijn. Het kan gaan om het verlenen van zorg op ongeregelde tijden bij jeugdigen met zware fysieke beperkingen door een lichamelijke handicap, bij wie continu hulp en begeleiding bij alle dagelijkse activiteiten nodig is. Ook kan het gaan om de noodzaak in te kunnen grijpen bij gedragsproblemen, veroorzaakt door een psychiatrische beperking of een verstandelijke handicap (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 142). Als voldaan is aan deze criteria uit artikel 2.3 lid 3 Jeugdwet kan het college een voorziening treffen. Vanzelfsprekend zal het college ook moeten onderzoeken of voldaan is aan de andere criteria zoals genoemd in deze verordening. Artikel 14. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Algemeen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop.

Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 10 geconcretiseerd.

Pagina 13 van 27

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden.

Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Eerste lid Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.

Tweede lid Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek. Derde lid Het derde lid bevat een concretisering van de plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis Pagina 14 van 27

waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen. Vierde lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid. Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lelystad&id=36b6c7b2-5154-44e2-8a98-9a3ae8d2f266