24.103 Wmo verordening 2024
Tekst van het document
VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING LELYSTAD 2024 Raadsbesluit Nummer: 24.103 De raad van de gemeente Lelystad, Gelezen: -
het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Lelystad 12 maart 2024;
Gelet op: -
de artikelen 2.1.3, artikel 2.1.4a, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; BESLUIT
vast te stellen: de Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2024;
1
Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan het, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover ook als hij geen beperkingen had, kon beschikken; b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet; c. eenmalige pgb: een incidenteel of eenmalig toegekend pgb voor besteding aan een woningaanpassing of een (mobiliteits)hulpmiddel; d. besluit MOL: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Lelystad 2020 e. CAK: Centraal Administratie Kantoor, zijnde een publiekrechtelijk bestuursorgaan belast met wettelijke, administratieve taken op het gebied van zorg en welzijn in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); f. Eigen kracht: het vermogen van de cliënt om zelf dan wel met hulp van het sociale netwerk de mogelijkheden te benutten om het probleem zelf op te lossen of te verminderen; g. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; h. Lokaal vervoer: verplaatsingen tot een afstand van 15 tot 20 kilometer vanaf het woonadres; i. Ondersteuningsvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; j. ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Lelystad; k.
melding: kenbaar maken van de ondersteuningsvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; l. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet; m. pgb-plan: een door of namens een cliënt in te vullen formulier mede op basis waarvan het college vaststelt of een cliënt voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2.3.6 lid 2 van de wet; n. professionele standaard: beroepscodes en richtlijnen die gelden voor de beroepsgroep in kwestie; o. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; p. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; q. woning: een woning, een woonwagen of een woonschip. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Artikel 2. Melding Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt bij het college of bij een door het college aangewezen instantie worden gemeld. Artikel 3. Onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt of indien gewenst (samen) met zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen. 2. De factoren genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet, maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 3. Het college informeert de cliënt in begrijpelijke bewoordingen welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 4. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 5 in te dienen. 2
5. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de cliënt, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 6. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. Artikel 4. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in een ondersteuningsplan. 2. Binnen een redelijke termijn na het onderzoek verstrekt het college aan de cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. 4. De cliënt ondertekent het verslag voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar binnen 5 werkdagen naar het college. 5. Als de cliënt ondertekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.
Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 5. Aanvraag Een cliënt, zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van: a. een door cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger ondertekend verslag als bedoeld in artikel 4, of b. een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een maatwerkvoorziening wordt in natura, als pgb of als een financiële tegemoetkoming verstrekt. 2. Een cliënt komt slechts in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt deze beperkingen niet kan verminderen of wegnemen met inzet van: - eigen kracht; - met een algemeen gebruikelijke voorziening; - met gebruikelijke hulp; - met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of - met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of b.
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen, als de cliënt deze problemen niet kan verminderen of wegnemen met inzet van: - eigen kracht; - met een algemeen gebruikelijke voorziening; - met gebruikelijke hulp; - met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of - met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de 3
3.
4. 5. 6.
behoefte van de cliënt aan beschermd wonen en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving; c. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, als de cliënt deze problemen niet kan verminderen of wegnemen met inzet van: - eigen kracht; - met een algemeen gebruikelijke voorziening; - met gebruikelijke hulp; - met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of - met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a.
tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. Als een cliënt recht heeft op een maatwerkvoorziening, wordt deze toegekend vanaf de datum van melding, tenzij het recht op een latere datum is ontstaan. Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van lid 1, lid 2, 3 en lid 4 beschikbaar zijn.
Artikel 7. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening 1. Het college kan een maatwerkvoorziening als financiële tegemoetkoming inzetten voor de volgende kosten. a. Verhuis- en/of herinrichtingskosten; b. Kosten van vervoer per eigen auto; c. Woningsanering. 2. Een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het tweede lid moet een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van lokaal vervoer die verplaatsingen van 1500 tot 2000 kilometer per jaar mogelijk maakt, voldoet aan de criteria zoals bedoeld in het derde lid. 4. Het college kan nadere regels stellen over de financiële tegemoetkoming die op grond van lid 2 beschikbaar zijn. Artikel 8. Aanvullende criteria voor Beschermd wonen 1. Beschermd wonen kent de volgende ondersteuningsprofielen: a. Beschermd wonen midden: biedt 24-uurs ondersteuning in een veilige en weinig eisende accommodatie van een Beschermd Wonen instelling. Is gericht op stabilisatie van de 4
psychische en/of psychosociale problematiek, herstel van de zelfredzaamheid en zelfstandig wonen met eventueel ambulante ondersteuning. b. Beschermd wonen hoog: biedt voor de cliënt zeer intensieve ondersteuning, begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving. Deze intensieve ondersteuning is gericht op het (in de eerste instantie) overnemen van taken op alle levensterreinen, waar mogelijk leren omgaan met beperkingen en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblemen. c. Beschut wonen: Is een lichtere vorm waarbij de client woont in een accommodatie van de aanbieder. Begeleiding is 24/7 beschikbaar en kan binnen 30 minuten aanwezig zijn. d. Gewoon thuis: de client woont zelfstandig met een intensieve vorm van ambulante begeleiding. 2. Een cliënt komt slechts in aanmerking voor beschermd wonen wanneer de cliënt: a. 18 jaar of ouder is; b. beperkingen ervaart door: Psychische en/of psychosociale problemen, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking, verslaving, gedragsproblematiek, somatische aandoening en/of lichamelijke beperking; c. beperkt inzicht heeft in de eigen problematiek en/of gevolgen van eigen handelen/gedrag; d. onvoldoende in staat is zijn hulpvraag zelf te formuleren en uit te stellen; e. problemen ervaart bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag; f.
beperkte vaardigheden bezit om problemen op te lossen of besluiten te nemen; g. ondersteuning bij één of meerdere taken van de basale algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) nodig heeft; h. ondersteuning of overname bij één of meerdere taken van de instrumentele ADL nodig heeft; i. intrinsiek gemotiveerd is; j. beperkt gevoelig -kan zijn voor begeleiding; k. ondersteuning nodig heeft bij het opstarten en/of vasthouden van dagbesteding. 3. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en omvang van beschermd wonen en de toegang daartoe. Artikel 9. Aanvullende criteria voor Maatschappelijke opvang 1. Een cliënt komt in aanmerking voor maatschappelijke opvang wanneer de cliënt: a. de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; én b. feitelijk of residentieel dakloos is; én c. zich niet op eigen kracht kan handhaven in de maatschappij, er sprake is van beperkte zelfredzaamheid op meerdere leefgebieden als gevolg van een verslavings-, psychisch of psychosociaal probleem, dan wel een combinatie van deze problemen, én d. niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen, én e.
niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen de zelfredzaamheid of participatie kan verbeteren. 2. De cliënt die aanspraak maakt op maatschappelijke opvang, wordt opgevangen in de regio waar de voorwaarden voor een succesvol traject voor de cliënt optimaal zijn of waar de cliënt aantoonbare binding heeft. 3. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard, inhoud en omvang van de te verstrekken maatschappelijke opvang en de toegang daartoe.
5
Artikel 10. Gebruikelijke en niet-gebruikelijke hulp 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als bedoeld in artikelen 2.3.5 van de wet wanneer sprake is van gebruikelijke hulp. 2. Wanneer een huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem geen gebruikelijke hulp verwacht, tot dat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven, mits er een verband is tussen de overbelasting en de hulp die de huisgenoot aan de cliënt biedt. 3. Wanneer een huisgenoot medische beperkingen ervaart en daardoor niet in staat is om gebruikelijke hulp te bieden, wordt van hem geen gebruikelijke hulp verwacht. 4. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5 van de wet wanneer sprake is van niet-gebruikelijke hulp zolang: a. een huisgenoot in staat is de niet-gebruikelijke hulp te bieden, en b. een huisgenoot de niet-gebruikelijke hulp kan bieden; en c. een huisgenoot niet overbelast is of dreigt te raken door het bieden van de niet-gebruikelijke hulp. 5. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot situaties waarin van huisgenoten gebruikelijke hulp wordt verwacht. Artikel 11. Voorwaarden 1. Een voorziening wordt alleen verstrekt, als deze langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij de huishoudelijke ondersteuning, ondersteuning thuis en dagbesteding; 2.
Een voorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet antirevaliderend werkt . 3. Een voorziening wordt alleen verstrekt aan een cliënt die ingezetene is van de gemeente Lelystad. Artikel 12. Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; b. als de cliënt de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning vóór de melding op eigen kracht heeft opgelost, waardoor geen noodzaak meer is tot ondersteuning; c. als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven; d. als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht; e. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; f. als de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; g. als de voorziening voorzienbaar was én van de cliënt redelijkerwijs verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag overbodig had gemaakt. 2.
Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de beperkingen van de cliënt voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning; d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de 6
toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. Artikel 13. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking. 2. De cliënt moet zich, indien van toepassing, binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij de aanbieder van de dienst(en) voor de inzet van de voorziening waarvoor de beschikking is afgegeven. Artikel 14. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; c.
hoe de voorziening verstrekt wordt; d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welk doel het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; d. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; e. welke voorwaarden aan het pgb zijn verbonden; f. hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden. 4. Indien van toepassing wordt bij de beschikking inzake de verlening van het pgb een programma van eisen gevoegd waarin is aangegeven aan welke vereisten de met het pgb aan te schaffen of te bekostigen voorziening dient te voldoen. 5. Als een bijdrage in de kosten is verschuldigd informeert het college de cliënt daarover in de beschikking.
Hoofdstuk 4 Regels en hoogte pgb Artikel 15. Regels voor een pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. De cliënt dient in dat geval een pgb-plan in. In het pgb-plan is in elk geval opgenomen: a. welke resultaten met de in te kopen maatwerkvoorziening worden bereikt en hoe deze resultaten behaald zullen worden. Deze resultaten moeten overeenkomen of voortvloeien uit hetgeen is vastgelegd in het persoonlijk ondersteuningsplan. b. hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; 7
2.
3.
4. 5.
c. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; d. welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke hulpverlener; e. op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; f. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. Er wordt geen pgb verstrekt voor: a. het inkopen van dagbesteding van iemand die eerste- of tweedegraads familielid of huisgenoot is of een aanbieder die de ondersteuning niet in groepsverband aan kan bieden. b. beschermd wonen, behoudens de gevallen waarin sprake is van een kleinschalige woonvorm, mits deze voldoet aan dezelfde door het college vast te stellen pgb-kwaliteitseisen als de gesubsidieerde instellingen voor beschermd wonen.
Een kleinschalige woonvorm bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners waarbij: 1) wordt verbleven op één adres, aaneengesloten adressen of adressen in elkaars directe nabijheid (binnen een straal van 100 meter), waarbij er altijd gemeenschappelijke ruimten aanwezig moeten zijn waar de bewoners hun huishouding (gedeeltelijk) gezamenlijk voeren; 2) situaties van verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers zijn uitgesloten van deze definitie. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden indien: a. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college niet of niet in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het beoogde resultaat; b. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet; c. onafhankelijk advies heeft uitgewezen dat de verantwoorde ondersteuning niet geborgd is.
Artikel 16. Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. zelfstandigen zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Informele hulp is: a. Ondersteuning die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. Ondersteuning die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. 8
Artikel 17. Hoogte pgb 1. De hoogte van een eenmalige pgb wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. 2. De hoogte van een periodiek uit te betalen pgb voor formele hulp is gelijk aan 75% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 3. Indien het op basis van lid 1 en lid 2 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 4. De hoogte van het pgb voor informele hulp wordt voor: a. huishoudelijke ondersteuning bepaald op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleegen Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. b.
begeleiding bepaald op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 5. De hoogte van het pgb voor beschermd wonen wordt bepaald door de indicatiestelling beschermd wonen. Er geldt een apart tarief voor de indicatiestelling beschermd wonen midden en beschermd wonen hoog. Het tarief wordt bepaald op basis van het pgb-plan en is maximaal 90% van het desbetreffende tarief voor zorg in natura minus de zogenaamde Normatieve Huisvestingscomponent (NHC). Met het van toepassing zijnde tarief moet de inkoop van de individuele begeleiding, groepsbegeleiding, dagbesteding en toezicht worden bekostigd. 6. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Artikel 18. Hulp uit het sociale netwerk 1. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt kan diensten betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk voor zover het tarief voor maatschappelijke ondersteuning, verleend op basis van een door Sociale Verzekeringsbank (SVB) goedgekeurde overeenkomst, niet meer bedraagt dan het tarief bedoeld in artikel 17 lid 4 onder a (bij huishoudelijke ondersteuning) of onder b (bij begeleiding). 2.
Indien de cliënt ondersteuning, begeleiding of een hulpmiddel wenst te betrekken bij een persoon uit het sociaal netwerk kan het college via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of deze persoon verantwoorde ondersteuning kan leveren.
Hoofdstuk 5: Bijdrage in de kosten Artikel 19. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders en; b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 9
3. Voor gebruik van het collectief vervoer wordt aan de cliënt een ritprijs in rekening gebracht. Het college bepaalt de hoogte van de ritprijs. Artikel 20. Bijdrage in de kosten maatschappelijke opvang 1. Bij verblijf in maatschappelijke opvang locatie is een cliënt van 18 jaar of ouder die langer dan één etmaal gebruik maakt van een 24-uurs verblijfsvoorziening een bijdrage verschuldigd. 2. De hoogte van de bijdrage is een vast bedrag per dag en nooit hoger dan de werkelijke kostprijs of feitelijke woonlasten. 3. De hoogte van de bijdrage voor maatschappelijke opvang kan jaarlijks worden geïndexeerd. 4. Bij verblijf in de maatschappelijke opvang dient een cliënt minimaal zak- en kleedgeld over te houden plus de nominale premie ziektekosten minus de zorgtoeslag en waar nodig geld voor voeding, volgens artikel 3.20 lid 1 en 2 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 5. De bijdragen in de kosten voor opvang worden door de zorgaanbieder vastgesteld en geïnd. 6. Het college kan nadere regels stellen inzake de hoogte en het innen van de eigen bijdrage van de te verstrekken maatschappelijke opvang. Artikel 21. Kostprijs van een voorziening 1. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. 2.
De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gebaseerd op de kostprijs van zorg in natura of op een door het collega akkoord bevonden offerte gemaximaliseerd tot de kostprijs voor zorg in natura.
Hoofdstuk 6: Bestrijding misbruik en niet gebruik Artikel 22. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een voorziening 1. Het college informeert cliënten op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. Artikel 23. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.
Hoofdstuk 7: Kwaliteit en veiligheid Artikel 24. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: a. voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg; c. inzet van de juiste deskundigheid; d. ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector; e. er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.
10
2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van loon binnen een overeenkomst; f. overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bíj de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 6. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a.
de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: i. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; ii. instructie over het gebruik van de voorziening; iii. onderhoud van de voorziening, en iv. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel 26. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar. 11
3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Hoofdstuk 8: Waardering mantelzorgers Artikel 27. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit een mantelzorgwaardering in de vorm van een Lelypas met een budget of een geldbedrag. 2. Het college kan bij nadere regels de omvang en de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de mantelzorgwaardering bepalen.
Hoofdstuk 9: Klachten en medezeggenschap Artikel 28. Klachtregeling 1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten. 2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders. Artikel 29. Medezeggenschap 1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van dagbesteding, tijdelijk verblijf en ondersteuning thuis door zorg in natura. 2. Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen door periodieke overleggen met de aanbieders. Artikel 30. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.
Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
Hoofdstuk 10: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 31. Geen bepalingen In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
12
Artikel 32. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de cliënt duidelijk onrecht wordt aangedaan. Artikel 33. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2020 wordt ingetrokken op het moment dat deze verordening in werking treedt. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2020, en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening. 4. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2020, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2020 die daarvoor zijn geldigheid behoudt. 5. Van lid 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Artikel 34. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt op 1 juni 2024 in werking. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Lelystad 2024. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 23 april 2024.
De raad van de gemeente Lelystad, de griffier, L.A. Wieringa
13
TOELICHTING VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING LELYSTAD 2024
Algemeen Opdracht aan de gemeente Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 geeft de gemeente de opdracht om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning en voor de kwaliteit en continuïteit van de voorzieningen. Het begrip maatschappelijke ondersteuning is uiteengezet in 3 hoofdelementen waarop van de gemeente inzet wordt verwacht: 1. het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en het vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; 2. het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; 3. het bieden van beschermd wonen en opvang. De Wmo 2015 schrijft voor dat de gemeente per verordening de regels moet vaststellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het beleidsplan (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015).
Belang zorgvuldige procedure Er moet steeds een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen worden om: • de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften, situatie en de gewenste resultaten helder te krijgen; • de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te inventariseren; • te achterhalen welk oplossingen de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van het sociaal netwerk, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, een beroep op andere wetten en algemeen gebruikelijke voorzieningen; • te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan of dat een maatwerkvoorziening nodig is en welke voorziening dan (goedkoopst) compenserend is voor de beperkingen van de cliënt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure in hoofdlijnen vast. Als de procedure goed wordt uitgevoerd, moet deze steeds tot een juiste beslissing leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.
14
Artikelsgewijs Hoofdstuk 1: Begrippen In hoofdstuk 1 wordt uitgelegd wat er verstaan wordt onder de begrippen die gebruikt worden in deze verordening. Artikel 1. Begripsbepalingen In het eerste lid wordt een aantal begrippen nader uitgelegd. Hieronder worden bepaalde begrippen nader toegelicht. Lid 1 onder a. algemeen gebruikelijke voorziening: Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt, draait het om het beantwoorden van de vraag of de cliënt ook over de voorziening kon beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Daarnaast spelen de individuele omstandigheden van de cliënt, zoals leeftijd een rol. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, moet het college daarom altijd onderzoeken of de voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager. Lid 1 onder b. andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de cliënt kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Lid 1 onder f. hoofdverblijf: Omdat er bij het begrip ingezetene wordt gesproken over hoofdverblijf, is hier verduidelijkt wat onder hoofdverblijf onder wordt verstaan. Lid 1 onder i.
ondersteuningsvraag: De ondersteuningsvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet. Als iemand met behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat het college allereerst onderzoekt wat de ondersteuningsvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet is noodzakelijk. Lid 1 onder j. ingezetene: Een ingezetene van Nederland kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 van de wet) en het college beslist op een aanvraag van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 van de wet). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich voor een maatwerkvoorziening moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 2209-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats. De inschrijving in de Basisregistratie Personen vormt daarbij een belangrijke aanwijzing, maar is niet doorslaggevend. Lid 1 onder k. melding: Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag.
Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding doet het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk onderzoek. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. In het tweede lid is bepaald dat alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet 15
nader worden omschreven de zelfde betekenis hebben als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Hiermee wordt voorkomen dat begrippen worden herhaald en dat er onduidelijkheid is over gebruikte begrippen.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Dit hoofdstuk bevat de regels voor de procedure die voorafgaat aan de eventuele aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze procedure start op het moment dat de cliënt de gemeente om ondersteuning vraagt. Dit is de melding en de aanleiding voor de gemeente om onderzoek te doen. Het onderzoek vormt de kern van de procedure in de Wmo 2015. De uitkomst van het onderzoek kan zijn dat er oplossingen zijn voor de ondersteuningsvraag waar de cliënt geen maatwerkvoorziening van de gemeente voor nodig heeft. Als de cliënt zich daarin kan vinden, stopt op dat moment de procedure. Het is echter ook mogelijk dat de cliënt na het onderzoek een aanvraag voor een maatwerkvoorziening doet. De regels die van belang zijn voor de melding en aanvraag zijn opgenomen in het volgende hoofdstuk. Artikel 2. Melding De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, de ondersteuningsvraag. De melding is niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch worden gedaan en zowel op het stadhuis als op een andere door het college aangewezen locatie. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.
Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het college het tijdstip van de melding moet registreren. Artikel 3. Onderzoek Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 lid 4 wat er tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In lid 1 wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de cliënt daar zoveel mogelijk bij betrokken wordt. Om het onderzoek goed uit te voeren heeft het college de nodige deskundigheid in huis. Soms kan het echter ook nodig zijn om een extern advies op te vragen. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft regels over (externe) advisering. In lid 6 is concreet aangegeven dat het mogelijk is om extern advies in te winnen als dit nodig is voor het onderzoek. Afhankelijk van de situatie en welke deskundigheid vereist is, beslist het college welke adviesinstantie eventueel ingeschakeld wordt. Artikel 4 Verslag In artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet is bepaald dat het college de cliënt de uitkomsten van het onderzoek schriftelijk moet verstrekken. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij.
In de Memorie van Toelichting van de wet (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3) staat hierover dat het college een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schríftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed
16
geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. In het tweede lid is bepaald dat het college binnen een redelijke termijn na de melding een verslag met de uitkomst van het onderzoek aan de cliënt verstrekt. Het later toevoegen van opmerkingen of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feítelijke onjuistheden is eveneens vormvrij (derde lid). In het vierde lid is bepaald dat de cliënt het verslag binnen vijf werkdagen dient te retourneren. Op verzoek van de cliënt kan hiervoor een langere termijn worden geboden. Desgewenst kan de gemeente de schríftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen verslag waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit verslag ondertekenen. Wanneer de cliënt het niet eens is met de ínhoud van het verslag, kan hij dit voor 'gezien' ondertekenen en daarbij aangeven met welk onderdeel hij het niet eens is.
Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Dit hoofdstuk bevat de regels op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Daarmee kan hij zelf bepalen bij wie hij de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil inkopen. Artikel 5. Aanvraag In artikel 2.3.2 lid 9 van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen 6 weken. In beginsel wordt een aanvraag ingediend nadat het onderzoek is afgerond, waarbij het ondertekend verslag van de uitkomsten als aanvraag dient. De cliënt mag volgens de wet echter na zes weken na de melding een aanvraag indienen, als het onderzoek nog niet is afgerond. In dat geval moet de cliënt toch in de gelegenheid worden gesteld om een aanvraag in te dienen. Dit kan door gebruik te maken van een aanvraagformulier. Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om een maatwerkvoorziening te kunnen krijgen.
Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie of, bij een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, van problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Lid 3 In beginsel wordt geen nieuwe voorziening verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch niet is afgeschreven. Onder omstandigheden is het toch mogelijk om een vervangende voorziening te verstrekken. Deze omstandigheden zijn opgenomen in het tweede lid. Het college kan de aanvraag afwijzen als het gaat om een voorziening die al eerder is verstrekt en de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onoplettendheid. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Als bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico moet in de opstalverzekering gedekt worden.
Als vervolgens brand uitbreekt en blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. 17
Lid 4 Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat ze de voorziening meer compenserend maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. De bruikbaarheid van een voorziening wordt niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald, maar is ook afhankelijk van de gebruiker. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau, wordt aangesloten bij een verantwoord niveau, maar ook niet meer dan dat. Als de cliënt een compenserende voorziening wenst die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening kan het college daarvoor een pgb verstrekken ter hoogte van de goedkoopst compenserende voorziening. De cliënt kan er dan voor kiezen om de extra kosten van de duurdere voorziening zelf te betalen. Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat als maatwerkvoorziening niet een woningaanpassing wordt verstrekt maar een verhuiskostenvergoeding. De woningaanpassing kan dermate kostbaar zijn dat het college het primaat van verhuizing hanteert.
Lid 5 In deze bepaling wordt geregeld dat de individuele voorziening wordt toegekend vanaf de meldingsdatum, tenzij de aanspraak op een individuele voorziening pas op een latere datum ontstaat. Nadat de melding is ingediend, wordt eerst onderzoek gedaan naar de zorgbehoefte en daarna bepaald door wie en eventueel vanaf wanneer de ondersteuning zal worden geboden. In beginsel start de ondersteuning nadat een beschikking is afgegeven. Het kan voorkomen dat de cliënt zelf hulp inschakelt en daarna pas een aanvraag indient met het verzoek deze hulp te vergoeden. De Wmo 2015 geeft geen regels voor deze situatie. Volgens deze bepaling start de ondersteuning in die gevallen vanaf de meldingsdatum, mits cliënt op grond van de verordening in aanmerking komt voor de ingeschakelde ondersteuning . Op basis van lid 6 kan het college nadere regels stellen. Het college kan bijvoorbeeld uitwerken welke regels gelden voor de beoordeling van de vraag of sprake is van eigen kracht of gebruikelijke hulp. Artikel 7. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een cliënt krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 recht geeft op een maatwerkvoorziening.
De definitie van maatwerkvoorziening - diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen – in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is ruim genoeg om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen betekenen. In lid 2 zijn de maatwerkvoorzieningen genoemd, waarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt. Een op artikel 2.3.5, lid 3, van de Wmo 2015 gebaseerde financiële tegemoetkoming moet een passende bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. De te verstrekken vervoersvoorziening moet verplaatsingen van 1500 tot 2000 kilometer per jaar mogelijk maken. Daarmee wordt volgens vaste rechtspraak (vb ECLI:NL:CRVB:2008:BH2024) van de CRvB een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. 18
Artikel 8. Aanvullende criteria voor Beschermd wonen In dit artikel zijn de criteria opgenomen voor beschermd wonen. In het eerste lid is opgenomen welke vormen van beschermd wonen beschikbaar zijn. Bij beschermd wonen midden en hoog een weinig eisende woonomgeving. Daarmee wordt bedoeld dat de woonomgeving niet te veel prikkels geeft aan de bewoner en weinig eisen stelt in de eerste periode van beschermd wonen. Omdat de meeste mensen dan nog niet over vaardigheden beschikking om te spreken over “goed huurderschap” bijvoorbeeld: financiën, huishouden en goed contact met je buren, wordt daar begeleiding op ingezet. Omdat de Wmo zich richt op ontwikkeling zal gedurende het traject steeds meer gevraagd worden binnen de begeleiding met betrekking tot de zelfstandigheid en eigenregie van de cliënt. Dit alles in het kader van uitstroom In het tweede lid zijn de specifieke criteria opgenomen waaraan een cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor beschermd wonen. Op basis van lid 3 kan het college nadere regels stellen over de aard, inhoud en omvang van beschermd wonen en de toegang daartoe. Artikel 9. Aanvullende criteria voor Maatschappelijke opvang In dit artikel zijn de criteria opgenomen voor maatschappelijke opvang. In het lid zijn de specifieke criteria opgenomen waaraan een cliënt moet voldoen om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang.
Het tweede lid bepaalt in welke regio een cliënt wordt opgevangen. Artikel 10. Gebruikelijke en niet-gebruikelijke hulp We kennen in de Wmo 2015 gebruikelijke hulp en niet-gebruikelijke hulp. Alles wat iedereen normaal gesproken voor een ander doet is gebruikelijk. Wat meer is, is niet-gebruikelijk. De Wmo gaat er vanuit dat mensen uit de doelgroep in staat moeten zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Om die doelen te bereiken wordt eerst gekeken naar de eigen kracht van mensen en naar de gebruikelijke hulp die huisgenoten kunnen leveren. De Wmo 2015 zit zo in elkaar dat eerst moet worden onderzocht wat iemand zelf of met hulp uit de eigen omgeving kan oplossen. Wat iemand zelf kan oplossen hoeft niet te leiden tot een maatwerkvoorziening. Tot de eigen oplossingen behoort ook de gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp staat in de Wmo 2015 als volgt omschreven: “de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.” Ook in de situatie dat er sprake is van niet-gebruikelijke hulp moet eerst beoordeeld worden in hoeverre huisgenoten de niet-gebruikelijke hulp kunnen bieden aan de cliënt. Wanneer de huisgenoot er toe in staat is, er de tijd voor heeft en niet overbelast is, mag die hulp van de huisgenoot worden verwacht.
In dat geval wordt geen pgb toegekend voor de door de huisgenoot verleende hulp. De grens ligt dan op het punt dat de huisgenoot het niet (meer) kan. Dan pas gaat de gemeente het probleem overnemen, met een maatwerkvoorziening of een pgb. De beoordeling van gebruikelijke zorg is nader uitgewerkt in nadere regels. De hulp aan een cliënt door een huisgenoot, kan zo zwaar worden dat van overbelasting sprake is. Als daarvan sprake is, dan wordt van die huisgenoot geen gebruikelijke zorg verlangd. Hoe ‘bepaal’ je overbelasting van een huisgenoot? De hulp aan een cliënt met een beperking kan voor huisgenoten zo zwaar worden dat er sprake is van overbelasting. De draagkracht en draaglast zijn dan fors uit balans. Het kan heel duidelijk zijn dat de huisgenoot overbelast is. In andere gevallen is dat minder duidelijk en zal dit tijdens het 19
gesprek/onderzoek moeten worden uitgediept. Overbelasting kan zich uiten door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard. Mogelijke klachten en symptomen van overbelasting zijn: • Angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, slecht slapen • Depressie: huilbuien, somberheid, hopeloosheid • Gedragsproblemen: negeren van normen en regels • Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid • Concentratieproblemen • Lichamelijke klachten • Verminderde prestaties Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van de te raadplegen bronnen tijdens het onderzoekstraject en de weging draagkracht en draaglast. Om hulp aan een cliënt toe te kennen vanwege de overbelasting van een huisgenoot moet er wel een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp die de huisgenoot biedt aan de cliënt. Is er een andere oorzaak van de overbelasting, dan zal de oplossing namelijk gezocht moeten worden in het wegnemen van de oorzaak van de overbelasting. In dat geval is het dus niet logisch een beschikking af te geven i.v.m. overbelasting omdat de oorzaak van overbelasting niet gerelateerd is aan de hulp die de cliënt nodig heeft. In alle gevallen moet worden gekeken naar maatwerk. Artikel 11.
Voorwaarden Lid 1 Het college kan in beginsel slechts een maatwerkvoorziening toekennen als deze langdurig noodzakelijk is. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening.
Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Lid 2 Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt. Lid 3 20
Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Lelystad en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Artikel 12. Weigeringsgronden Lid 1 onder a Uit de wet blijkt niet dat andere wetten voorliggend zijn of dat de aanspraak op een andere wettelijke regeling kan leiden tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo. Wel is in de wet geregeld dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten (artikel 2.3.5 lid 5 van de wet). Ook verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening als de cliënt niet op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie of kan voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang (artikel 2.3.5. lid 3 en 4 van de wet). Het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt bij het toepassen van deze verordening gezien als een vorm van eigen kracht. Vandaar dat in deze bepaling expliciet is geregeld dat het college geen maatwerkvoorziening toekent voor zover een andere wettelijke regeling in de ondersteuningsbehoefte kan voorzien.