12a-samenvatting-en-preadvies-motie-nop-budgetneutrale-overgang-omgevingswet-aangepast
Tekst van het document
Samenvatting en preadvies motie ‘Budgetneutrale overgang naar Omgevingswet’ Indienende gemeente(n): Noordoostpolder en 7 mede-indienende gemeenten Ondersteunende gemeenten: zie bijlage. Status motie: definitief Strekking van de motie: Noordoostpolder en de mede-indienende en ondersteunende gemeenten roepen de VNG op: 1. de gemeenten te consulteren over de financiële effecten van de Omgevingswet, bijvoorbeeld in een (bijzondere) algemene ledenvergadering, in 2021 op basis van de kostenraming, en over de daadwerkelijke kosten op de belangrijke momenten in het interbestuurlijke financiële proces tot 2027. 2. daarbij het uitgangspunt te bevestigen dat de overgang naar de Omgevingswet voor gemeenten op middellange termijn (<10 jaar) budgetneutraal moet kunnen verlopen en een beroep op het Rijk te doen om extra middelen ter beschikking te stellen als blijkt dat deze budgetneutrale overgang voor gemeenten onhaalbaar is. Preadvies VNG-bestuur: Overnemen Toelichting bij het preadvies: De Omgevingswet gaat in op 1/1/22. Gemeenten zien de meerwaarde van de Omgevingswet en werken hard aan de implementatie ervan. Zij maken zich echter in toenemende mate zorgen over de kosten van de Omgevingswet. Wij delen de zorgen en de analyse van de indieners.
Die zorgen betreffen enerzijds de kosten die gemeenten moeten maken om de wet in te voeren; de invoeringskosten lopen in de praktijk hoger op dan vooraf geraamd door het ministerie. Anderzijds betreffen die zorgen de structurele financiële effecten van de wet: gemeenten vragen zich af of de verwachte structurele baten (bijvoorbeeld door besparingen op ambtelijke capaciteit doordat er minder vergunningen worden aangevraagd) gaan opwegen tegen de verwachte extra kosten, zowel structureel als incidenteel. Oftewel: gemeenten vrezen dat de invoering van de Omgevingswet niet budgetneutraal kan worden gerealiseerd. Deze zorgen leven breed in het land; bij meer gemeenten dan Noordoostpolder en mede-indienende en ondersteunende gemeenten. Wij herkennen deze zorgen en hebben er begrip voor. Op ambtelijk niveau worden deze zorgen interbestuurlijk al enige tijd gedeeld en besproken. Bij het besluit de invoering van de wet een jaar uit te stellen, is ook bestuurlijk nadrukkelijk op dit punt gewezen.
We hebben na het Financieel Hoofdlijnenakkoord (2016), waarop de motie zich baseert, in de Beheerovereenkomst DSO-LV (2018) verdergaande procesafspraken gemaakt met de minister en de andere bestuurlijke partners over de wijze waarop de financiële effecten van de Omgevingswet worden gemonitord en de momenten waarop we daarover met elkaar in gesprek gaan met de mogelijkheid om de bestaande financiële afspraken te herzien.
1
De belangrijkste momenten in dit financiële proces zijn1: • Eind 2020/begin 2021: raming van de transitiekosten en de structurele financiële effecten in het Integraal Financieel Beeld. • 2021: ontwikkeling van monitoringsinstrument voor de transitiekosten en structurele financiële effecten. • Vanaf 2022: start van de monitoring van de werkelijke structurele financiële effecten. • Uiterlijk eind 2022: evaluatie van de werkelijke transitiekosten tot inwerkingtreding. • Eind 2023: 1e integrale evaluatie op basis van de monitoring van de werkelijke transitiekosten en structurele financiële effecten. • Uiterlijk eind 2026: 2e integrale evaluatie op basis van de monitoring van de werkelijke transitiekosten en structurele financiële effecten. • In 2022, 2023 en 2026 kan de evaluatie van de kosten en baten leiden tot herziening van de gemaakte financiële afspraken.
1
De afspraken over het financiële proces zoals hier weergegeven, zijn aangepast aan de nieuwe datum inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze aangepaste afspraken worden formeel vastgesteld in het Bestuurlijk Overleg tussen koepels en de minister op 7 oktober 2020. 2