CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Was wordt lijst Reglement van orde van de raad Leidschendam-Voorburg 2021

Commissie Samenleving 25 november 2024, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Organisatieverordening RvO Raad Verordening Raadscommissies en Rechtspositie16.460 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was-wordt lijst Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad Leidschendam-Voorburg 2021 Beleidsmatig: Blauw: keuze werkgroep Geel: klein bier Technisch: Groen: wettelijk Grijs: achterhaald Rood: evidente fout HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: ­ amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing; ­ griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger; ­ initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een verordening of ander voorstel; ­ motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; ­ subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een aanhangig amendement; ­ voorzitter: voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger; ­ commissie(s): de commissie(s) of raadscommissie(s) als bedoeld in de Verordening op de raadscommissies Leidschendam-Voorburg ‘2021’ wordt ‘2024’ 2021; ­ wet: Gemeentewet. TOELICHTING Artikel 1. Begripsbepalingen In artikel 1 worden een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich. Voor wat betreft het begrip ‘voorzitter’ zij nog vermeld dat de burgemeester voorzitter is van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet (hierna: wet) schrijft dit dwingend voor.

In artikel 77, eerste lid, van de wet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij

WAS

WORDT

OVERWEGINGEN

verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de wet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij/zij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering. Artikel 2. Het presidium 1. Er is een presidium, waarin iedere fractie met één raadslid in vertegenwoordigd is. 2. Het presidium bestaat ten minste uit de voorzitter van de raad en de voorzitters van de raadscommissies. 3. Het presidium wordt aangevuld met één raadslid per fractie die anders niet vertegenwoordigd is, tenzij de fractie hiervan afziet. 4. De raad benoemt de raadsleden in het presidium. 5. Het presidium kiest een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter uit zijn midden. 6. Fractievoorzitters zijn geen lid van het presidium. 7. De vergadering van het presidium is openbaar, tenzij het presidium anders bepaalt. 8. Het presidium heeft in ieder geval de volgende taken: a. het voorbereiden en vaststellen van concept voorlopige agenda’s en aanvullende concept voorlopige agenda’s voor raadsvergaderingen en raadscommissievergaderingen; b.

het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de raadscommissies; c. het vaststellen van vergaderingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet, en d. het doen van aanbevelingen aan de raad inzake de werkwijze van de raad en de raadscommissies.

TOELICHTING Artikel 2. Het presidium

‘Het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ ‘presidium’ wordt ‘agendacommissie’ ‘Het presidium’ wordt ‘De agendacommissie’ Lid 3 komt te vervallen ‘het presidium’ wordt ‘agendacommissie’ ‘Het presidium’ wordt ‘De agendacommissie’ Lid 6 komt te vervallen ‘presidium’ wordt vervangen door ‘agendacommissie’ en ‘openbaar’ wordt vervangen door ‘besloten’. ‘Het presidium’ wordt vervangen door ‘de agendacommissie’ ‘voorlopige’ komt te vervallen en ‘concept’ komt te vervallen ‘voorlopige’ komt te vervallen en ‘concept’ komt te vervallen ‘beeldvormende bijeenkomsten’ wordt toegevoegd onder 8.a Onder a komt de tekst ‘raadsvergaderingen en’ te vervallen

‘Het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’

Keuze: De agenda voor de raad wordt opgesteld door de griffie op basis van de uitkomsten van de commissievergaderingen. Deze wordt vastgesteld door de voorzitter en plv. voorzitter van de raad.

WAS

WORDT

Het presidium vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering van zaken in de raadscommissies en de raad. Zij heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de raad zich mee bezig houdt en zorgt voor de planning. Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol. Als aanvullende taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de raad inzake de werkwijze van de raad en de raadscommissies Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het reglement van orde en het bespreken van agenda-technische zaken.

‘Het presidium’ wordt ‘De agendacommissie’ ‘en de raad’ komt te vervallen ‘Het presidium’ wordt ‘De agendacommissie’ ‘‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’

Er is een duidelijk onderscheid met het fractievoorzittersoverleg dat voornamelijk een algemeen adviserende rol vervult (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad) en dat mede de cultuuraspecten bevat. In het geval een gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling is in deze regeling opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van de gemeente in de gemeenschappelijke regeling en hoe verantwoording wordt afgelegd (artikelen 16 t/m 19 van de Wet gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat het presidium de vergadercyclus van deze besturen kent. Het kan nodig zijn dat de raad voorafgaand aan een vergadering van ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ het bestuur van de gemeenschappelijke regeling de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil meegeven. Ook de begrotingscyclus van de gemeenschappelijke regeling is relevant voor het presidium zodat zij de raad tijdig noodzakelijke informatie kan leveren. Het is aan het presidium om de planning in te vullen maar ook ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ om deze te bewaken. Hetzelfde geldt met betrekking tot andere organisaties waar de gemeente mogelijk in vertegenwoordigd is (stichtingen, vennootschappen).

Ook deze vergadercycli kunnen voor het presidium aanleiding zijn om deze te agenderen voor een raads- of commissievergadering, zodat er informatie uitgewisseld kan worden tussen de vertegenwoordiger van de gemeente en de raad. Het presidium stelt de agenda's van de raadscommissies en de raad voorlopig vast. De definitieve vaststelling van de agenda’s geschiedt bij de aanvang van de betreffende vergadering.

‘Het presidium’ wordt ‘De agendacommissie’ ‘en de raad voorlopig’ komt te vervallen en ‘beeldvormende bijeenkomsten’ wordt toegevoegd

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

Ingevolge artikel 17 van de wet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. De voorzitter pleegt in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg met het presidium. Op deze wijze houdt het presidium ook bij vergaderingen die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie.

OVERWEGINGEN

‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’

Het presidium als zodanig kan niet ook optreden als werkgeverscommissie. De werkgeverscommissie, ingesteld op basis ‘Het presidium’ wordt ‘De agendacommissie’ van artikel 83 van de wet, bestaat immers enkel uit raadsleden (en dus niet, zoals het presidium, ook de voorzitter van de raad Het is wel mogelijk om de raadsleden van het presidium te benoemen in de ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ werkgeverscommissie en de vergaderingen van deze commissie te ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ laten aansluiten op de vergaderingen van het presidium, zodat er, indien nodig, snel overlegd kan worden. ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig (artikel 3, eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hi/zij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. Artikel 3. De griffier 1. De griffier is aanwezig in raadsvergaderingen en vergaderingen van het presidium en kan aanwezig zijn in de commissievergaderingen van de raad.

‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ Hij

‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’

Evidente fout

WAS

WORDT

2. Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een plaatsvervanger die door de raad is aangewezen. 3. De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen. TOELICHTING Artikel 3. De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikelen 100 en 107 van de wet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. De griffier is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig (eerste lid). De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid, van de wet). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Artikel 4. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden en raadscommissieleden 1. De raad benoemt een geloofsbrievencommissie bestaande uit drie raadsleden. 2. Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies. 3.

Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen. 4. Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 5. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen. 6. De commissie als bedoeld in lid 1 onderzoekt of de benoeming van de commissieleden, niet zijnde raadsleden voldoet aan de

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

vereisten van artikel 4 van de Verordening op de raadscommissies Leidschendam-Voorburg 2021. ‘2021’ wordt ‘2024’ TOELICHTING Artikel 4. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij/zij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat benoeming wordt aangenomen legt hij/zij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij/zij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties.

De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de wet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet). Eerste, tweede en zesde lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Er is hier gekozen voor een permanente commissie, die ook de benoemingsgvereisten van de ‘benoemingsgvereisten’ wordt ‘benoemingsvereisten’ commissieleden, niet zijnde raadsleden en van de wethouders (artikel 5) onderzoekt.

OVERWEGINGEN

Evidente fout

Derde lid Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten. Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren.

Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK. Zie: https://vng.nl/files/vng/publicatie_bijlagen/2014/20140319-hertellinggemraadsverk-bzk2014-0000116196.pdf). ‘).’ wordt verwijderd zodat de snelkoppeling werkt In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt

Evidente fout

WAS

WORDT

OVERWEGINGEN

tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling. Vierde en vijfde lid Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vierde lid). Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd. Artikel 5. Benoeming wethouders 1. De commissie als bedoeld in artikel 4, lid 1 onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet en kan van de kandidaat-wethouder een verklaring omtrent het gedrag vragen als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 2. De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. 3.

De burgemeester kan voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht geven om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad. De risicoanalyse en de eindconclusie zijn niet openbaar.

Artikel 5. Benoeming wethouders 1. De commissie als bedoeld in artikel 4, lid 1 onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet. 2. De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. 3. De burgemeester kan voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht geven om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad.

Overgenomen uit modelreglement VNG n.a.v. Wet Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur.

TOELICHTING Artikel 5. Benoeming wethouders Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover

TOELICHTING Artikel 5. Benoeming wethouders Artikel 5 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover

Overgenomen uit modelreglement VNG n.a.v. Wet Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur.

De verklaring omtrent het gedrag is voortaan verplicht voor kandidaatwethouders.

WAS

WORDT

OVERWEGINGEN

niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden.

niets in de Kieswet geregeld. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment De verklaring omtrent het deze getoetst worden. gedrag is voortaan verplicht voor kandidaatHet ligt voor de hand om de commissie voor het onderzoek naar de Het ligt voor de hand om de commissie voor het onderzoek naar de wethouders. geloofsbrieven (artikel 4, lid 1) te belasten met deze toets. De formele geloofsbrieven (artikel 4, lid 1) te belasten met deze toets. De eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen van de wet). Bij de benoeming van een wethouder zal er een 36a, 36b, 41b en 41c van de Gemeentewet). Voor wethouders is er integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode integriteit speelt hierbij de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag een rol (zie Model Gedragscode Integriteit volksvertegenwoordigers in (hierna: VOG) te kunnen overleggen (artikel 36a, tweede lid, van de gemeenten, provincies en waterschappen 2015). Daarnaast wordt een Gemeentewet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) gevraagd (eerste lid). De ambtsdragers.

VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit Bij de benoeming van een wethouder kan een integriteitstoets profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is plaatsvinden. De gedragscode integriteit speelt hierbij een rol (zie mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren. Model Gedragscode Integriteit volksvertegenwoordigers in Na het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder (tweede lid). gemeenten, provincies en waterschappen 2015). Na het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, brengt de commissie advies uit aan de raad De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester over de benoeming tot wethouder (tweede lid). voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester brengt over de uitkomsten daarvan verslag uit aan de raad. De uitkomsten van het onderzoek en De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester het verslag zijn niet openbaar (derde lid). voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse.

Zo heeft hij een goed beeld van de Het artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten kandidaat en kan hij met de kandidaat een gesprek voeren over de maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden. en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad. Met de Wet Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (artikel 87 totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel derde lid van de wet) is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd 36b, tweede lid, van de wet). gemaakt. Artikel 5 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet).

WAS

WORDT

Artikel 6. Fracties 1. Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd. 2. Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren. 3. De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter. 4. Als een of meer raadsleden van een of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. 5. Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging. TOELICHTING Artikel 6. Fracties Eerste en tweede lid De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning).

Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid).

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid het lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij/zij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem/haar rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen.

De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: -kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet; -personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; -als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerraadsleden. Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).

Vijfde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde; als een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren gebeurt dit ook. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

OVERWEGINGEN

die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam. HOOFDSTUK 2. RAADSVERGADERINGEN PARAGRAAF 1. VOORBEREIDING Artikel 7. Oproep en agenda 1. De voorzitter zendt ten minste elf werkdagen voor een ‘elf werkdagen’ wordt ‘tien dagen’. raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken. ‘voorlopige agenda’ wordt ‘agenda’ 2. In spoedeisende gevallen kan het Presidium na het verzenden van ‘kan het presidium’ wordt ‘kunnen de voorzitter en plaatsvervangend een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen. Zo voorzitter’ spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de raadsvergadering wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden. 3. Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 8, derde lid, van toepassing. 4. De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld. 5. Op basis van art. 17 tweede lid Gemeentewet kan de raad een debat aanvragen als tenminste 1/5 deel van de raad daarom verzoekt. De voorzitter zendt in dit geval ten minste 5 werkdagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken. In lid 5 ‘voorlopige agenda’ wordt ‘agenda’ 6.

Op basis van art 17 tweede lid Gemeentewet kan, indien de burgemeester het nodig oordeelt, hij de raad bijeen roepen. Ingeval van grote spoedeisendheid, ter beoordeling aan de burgemeester, vindt deze raadsvergadering plaats op de dag en tijdstip dat de burgemeester noodzakelijk acht, ongeacht de oproeptermijn uit het eerste en vijfde lid van dit artikel; 7. De voorlopige agenda van een debat op grond van het vijfde of In lid 7 vervalt ‘en stukken ter bekrachtiging van geheimhouding’. zesde lid van dit artikel bevat alleen het onderwerp met spoedeisend karakter, aangevuld eventueel met het spreekrecht van inwoners en stukken ter bekrachtiging van geheimhouding. TOELICHTING

Keuze: Tien dagen Keuze: De agenda voor de raad wordt opgesteld door de griffie op basis van de uitkomsten van de commissievergaderingen. Deze wordt vastgesteld door de voorzitter en plv. voorzitter van de raad.

Aanpassing van de Gemeentewet: het begrip ‘bekrachtiging van geheimhouding’ is geschrapt.

WAS

WORDT

OVERWEGINGEN

Artikel 7. Oproep en agenda In artikel 19, eerste lid, van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. Het presidium bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het eerste ‘Het presidium’ wordt ‘ De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter’ lid stelt verplicht dat de voorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór en ‘voorlopige agenda’ wordt ‘agenda’ een vergadering de leden een schriftelijke oproep, waarin de ‘voorlopige agenda’ wordt ‘agenda’ vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. De oproep en stukken worden in beginsel elektronisch verstuurd. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid).

‘voorlopige agenda’ wordt ‘agenda’

Keuze: De agenda voor de raad wordt opgesteld door de griffie op basis van de uitkomsten van de commissievergaderingen. Deze wordt vastgesteld door de voorzitter en plv. voorzitter van de raad.

Overgenomen uit modelreglement VNG Als omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van De vierde alinea wordt vervangen door: ‘Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur n.a.v. Wet Bevorderen de wet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier en verleent is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren. integriteit en functioneren decentraal bestuur. Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte deze de raadsleden op verzoek inzage (derde lid juncto artikel 8, informatie op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is derde lid). In de praktijk van Leidschendam-Voorburg gebeurt dit opgelegd, blijft deze informatie in afwijking van het eerste en tweede elektronisch. Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de lid onder berusting van de griffier. Raadsleden kunnen deze stukken. informatie inzien (derde lid juncto artikel 8, derde lid). In de praktijk van Leidschendam-Voorburg gebeurt dit elektronisch. Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken.

Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schriftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar Het vierde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet).’ de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor ‘presidium’ wordt ‘agendacommissie’ de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

WAS

WORDT

OVERWEGINGEN

Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet. Artikel 8. Ter inzage leggen van stukken 1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep elektronisch in Huize Swaensteyn in Voorburg en het stadskantoor in Leidschendam ter inzage gelegd. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 2. Elektronisch beschikbare stukken worden op de website van de gemeente geplaatst. 3. Stukken waaromtrent op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de wet geheimhouding is opgelegd, blijven in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden inzage.

Artikel 8. Publiceren van stukken 1. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de oproep gepubliceerd. Als na het verzenden van de oproep stukken worden gepubliceerd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 2. Elektronisch beschikbare stukken worden op de website van de gemeente geplaatst. 3. Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier.

Overgenomen uit modelreglement VNG n.a.v. Wet Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur.

TOELICHTING Artikel 8. Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden (eerste lid).

TOELICHTING Artikel 8. Publiceren van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep gepubliceerd.

Overgenomen uit modelreglement VNG n.a.v. Wet Bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur.

De stukken worden doorgaans op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een digitaal raadsinformatiesysteem en door plaatsing op de gemeentesite. De terinzagelegging op het stadskantoor en in Huize Swaensteyn gebeurt eveneens elektronisch. Daar kunnen inwoners de stukken raadplegen via een personal computer waarbij zonodig ondersteuning door een ambtenaar van de griffie of het servicecentrum wordt verleend. Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder

De stukken worden op elektronische wijze aangeboden. Dit gaat via een digitaal raadsinformatiesysteem of door plaatsing op de gemeentesite. Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals

In artikel 8, derde lid, is artikel 25 van de Gemeentewet omgezet naar nieuwe geheimhoudingsbepalingen in hoofdstuk Va (artikelen 87 tot en met 89) van de Gemeentewet.

In artikel 8, derde lid, is artikel 25 van de Gemeentewet omgezet naar nieuwe geheimhoudingsbepalingen in hoofdstuk Va (artikelen 87 tot en met 89) van de Gemeentewet.

WAS

documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Woo.

WORDT

OVERWEGINGEN

agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Woo.

Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad Onder de ‘stukken’ als bedoeld in het derde lid worden verstaan: de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, geheime stukken, waaronder de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken van de wet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet). waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) en ten aanzien waarvan Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: geheimhouding is opgelegd. Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige geheimhouding is opgelegd informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd. De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad.

Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij geheimhouding is gelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn hem ter inzage gelegd. Ook dit gebeurt in de praktijk elektronisch. aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet). De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd voor raadsleden (derde lid) Artikel 9. Openbare kennisgeving 1. Raadsvergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging in lokale media en op de website van de gemeente. 2. In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend langs elektronische weg plaatsvinden. TOELICHTING Artikel 9. Openbare kennisgeving

WAS

WORDT

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de wet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In dit artikel wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd. Er is voor gekozen om dit zowel via de lokale media te doen als elektronisch. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dient er een grondslag in de verordening te zijn, zie artikel 3:42, tweede lid, juncto 2:14 van de Awb. In het tweede lid wordt deze grondslag gecreëerd voor spoedeisende gevallen. PARAGRAAF 2. TER VERGADERING Artikel 10. Presentielijst 1. De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen. 2. Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de voorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld. TOELICHTING Artikel 10. Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de wet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de wet.

De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hi/zij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij/zij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze (tweede lid). Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. Artikel 11. Duur bespreking raadsvoorstellen, moties en amendementen en spreektijden 1. De beraadslaging in de gemeenteraad beperkt zich per agendapunt tot onderwerpen die door de raadscommissies zijn aangedragen, tenzij de voorzitter anders bepaalt.

OVERWEGINGEN

Tekst wordt vervangen door: Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de wet. In dit artikel wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd. Er is voor gekozen om dit zowel via de lokale media te doen als elektronisch.

Toelichting aangepast n.a.v. de Wet elektronische publicaties, die artikel 3:42 Awb gewijzigd heeft.

WAS

WORDT

2. Bespreking van raadsvoorstellen, inclusief betreffende amendementen en moties duurt tien minuten, tenzij de raad, gelet op het advies van de raadscommissies, hier anders over beslist. 3. Bespreking van raadsbrieven, of moties zonder collegestuk duren tien minuten, tenzij de raad, gelet op het advies van de raadscommissies, hier anders over beslist. 4. Iedere fractie en het college krijgt spreektijden toegewezen. Het presidium stelt de spreektijden vast. 5. Als bij een 10-minutendebat in de raadsvergadering in de dagen voorafgaand aan die vergadering of op de avond zelf meerdere moties en amendementen worden ingediend, wordt bij vaststelling van de voorlopige agenda in de raadsvergadering het besluit genomen van dit agendapunt een bespreekpunt te maken. In dat geval wijzigen de spreektijden

Lid 2 komt te vervallen.

Keuze: 10-minutendebat komt te vervallen

Lid 3 komt te vervallen. ‘het presidium’ wordt vervangen door ‘de agendacommissie’ Lid 5 komt te vervallen.

TOELICHTING Artikel 11. Duur bespreking raadsvoorstellen, moties, Toelichting artikel 11 komt te vervallen. amendementen en spreektijden Dit artikel is toegevoegd en specifiek voor Leidschendam-Voorburg. Het beoogt een handvat te bieden om herhaling van debatten die al in de raadscommissies zijn gevoerd tegen te gaan of te beperken. Hiervoor wordt een ‘tien-minuten debat’ geïntroduceerd. Daarnaast wordt beoogd om de totale vergadertijd te reguleren door middel van een spreektijdverdeling die door het presidium wordt bepaald. Artikel 12. Spreektermijnen en spreektijden 1. Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2. Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten. 3. Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel. 4. Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend ten aanzien van de beraadslaging daarover. 5. Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

OVERWEGINGEN

Keuze: 10-minutendebat komt te vervallen Keuze: 10-minutendebat komt te vervallen

Keuze: 10-minutendebat komt te vervallen

WAS

WORDT

6. Iedere fractie krijgt in de vergadering een vooraf door het Presidium ‘het presidium’ wordt ‘de agendacommissie’ vastgestelde spreektijd, aangevuld met een vooraf vastgestelde De tekst ‘aangevuld met een vooraf vastgesteld interruptietijd die interruptietijd die voor iedere fractie gelijk is. De beantwoording van voor iedere fractie gelijk is. De beantwoording van interrupties telt niet mee.’ komt te vervallen. interrupties telt niet mee. De verdeling van de spreektijd tussen raad en college is 75% en 25%. Interrumperen tijdens een interpellatiedebat is mogelijk in de tweede termijn. Interpellant voert niet vaker dan twee maal het woord, ieder ander raadslid of collegelid niet vaker dan eenmaal. TOELICHTING Artikel 12. Aantal spreektermijnen Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid). Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.

De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van de wet). Artikel 13. Deelname aan de beraadslaging door anderen Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging. TOELICHTING Artikel 13. Deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de wet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.

OVERWEGINGEN

Keuze: Uitgaan van één bundel aan spreektijd zodat de spreektijd automatisch kan worden bijgehouden

WAS

WORDT

De raad kan op grond van artikel 3, derde lid, bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet. Artikel 14. Voorstellen van orde Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over. TOELICHTING Artikel 14. Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de wet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30 van de wet). PARAGRAAF 3. STEMMINGEN Artikel 15. Stemverklaring Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag toelichten. TOELICHTING Artikel 15.

Stemverklaring Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

Artikel 16. Beslissing 1. De voorzitter sluit de beraadslaging als hij/zij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. 2. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing. TOELICHTING Artikel 16. Beslissing De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij/zij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist (eerste lid). De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing (tweede lid). Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de wet. Artikel 17. Stemming; procedure hoofdelijke stemming 1. De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen. 2. Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich overeenkomstig artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden. 3. Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad. 4. Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen.

De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid en verloopt verder op alfabetische volgorde. De voorzitter kan hiervan afwijken. 5. Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door zich 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging. 6. Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming. 7. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit. TOELICHTING Artikel 17. Stemming; procedure hoofdelijke stemming Indien een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden (eerste lid). De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen (tweede lid). Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de wet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de wet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol.

Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. In de Winsumuitspraak (ABRvS, 7 augustus 2002, uitspraak 200200897/1) is het hoger beroep op artikel 28 van de wet afgewezen, maar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden. In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 van de Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

wet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseerde de toenmalige minister van BZK het volgende: "de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 van de Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijvoorbeeld opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk." Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar: - In ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9710, AB 2010/310 oordeelde de Afdeling dat in het midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan met de grootst mogelijke meerderheid door de raad was vastgesteld.

Zelfs indien zou worden vastgesteld dat de twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling, hebben zij geen beslissende stem in de uitkomst gehad; - In ABRvS 22 juni 2011, LJN BQ8863, AB 2011/261 overwoog de Afdeling dat een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook indien van de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt. Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel, omdat gelet op het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming; - In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796 preciseert de Afdeling haar hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De Afdeling overwoog dat, in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, het in de rede ligt voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in artikel 2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de wet.

Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij/zij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de wet. In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.

In het vijfde lid is de term ‘uitspreken’ vervangen door de term ‘verklaren’, waarmee buiten twijfel staat dat dit artikellid ook van toepassing is op digitale stemmingen. Artikel 18. Volgorde stemming over amendementen en moties 1.Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel. 2.Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft. 3.Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt,

OVERWEGINGEN

WAS

WORDT

onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. 4.Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken. TOELICHTING Artikel 18. Volgorde stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde. Artikel 19. Stemming over personen 1.Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter drie raadsleden tot stembureau. 2.Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=cf5248af-b73f-421e-b7df-c4c4f5196a14