Bijlage 1947-4 Second opinion milieu BP Schakenbosch
Tekst van het document
Second opinion milieuonderzoek bestemmingsplan Schakenbosch Opgesteld door: Willie Fikken (www.williefikken.nl) 27 oktober 2020
Inleiding De gemeente Leidschendam-Voorburg is bezig met de voorbereiding van een bestemmingsplan voor de transformatie van het voormalige GGZ-terrein Schakenbosch tot een aantrekkelijke groene woonomgeving met ruimte voor maatschappelijke – en overige functies. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 15 november tot en met 27 december 2019 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een aantal zienswijzen ingediend. Daarin zijn twijfels geuit over de uitkomsten van de uitgevoerde milieuonderzoeken. Het college van B&W van Leidschendam-Voorburg vindt het belangrijk om elke mogelijke twijfel over de juistheid, volledigheid en betrouwbaarheid van de uitgevoerde milieuonderzoeken weg te nemen. Daarom heeft het college besloten tot een second opinion van een onafhankelijke partij. In deze notitie wordt verslag gedaan van de uitgevoerde beoordeling van de milieuonderzoeken.
Afbakening en werkwijze Conform het verzoek van de gemeente (offerteverzoek d.d. 6 oktober 2020) heeft de second opinion betrekking op ‘alle omgevingsgerelateerde milieuparagrafen in het ontwerp-bestemmingsplan en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken en rapporten’. De focus ligt op de onderwerpen geluid, luchtkwaliteit, flora en fauna (incl. stikstofdepositie) en de wijze waarop is omgegaan met de bepalingen t.a.v. milieueffectrapportage (Besluit m.e.r., aanmeldnotitie en m.e.r.beoordelingsbesluit).
Werkwijze Als eerste is nagegaan of de keuze voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling terecht is. Vervolgens zijn de afzonderlijke onderzoeken/rapporten aan een beoordeling onderworpen. Hiervoor is het volgende toetsingskader gebruikt: Wettelijke bepalingen: welke wettelijke bepalingen zijn van kracht en zijn deze nageleefd? Onderzoeksmethode: welke onderzoeksmethode is gehanteerd en is deze gebruikelijk of in elk geval geschikt voor het vraagstuk dat voor ligt? Volledigheid en juistheid van het onderzoek: is het onderzoek correct uitgevoerd en zijn de uitkomsten aannemelijk? Conclusies: zijn de conclusies herleidbaar naar het uitgevoerde onderzoek? Doorwerking: is het onderzoek op een juiste wijze vertaald naar het bestemmingsplan?
1
Resultaten en conclusie Bijlage 1 gaat in op de m.e.r.-plichtigheid van de plannen voor Schakenbosch. Uitgaande van een nog te bevestigen stikstofdepositiebijdrage van 0,00 mol/ha/jaar kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wel is nadrukkelijk aandacht voor cumulatieve effecten van andere bouwplannen in de omgeving nodig. In bijlage 2 wordt per relevant onderzoek verslag gedaan van de beoordeling. Conclusie daarvan is: Geluid Het onderzoek is op een navolgbare wijze met de juiste rekenmethode uitgevoerd. Bij de verkeersberekeningen die ten grondslag liggen aan de geluidberekeningen is ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In het onderzoek en bij het hogere waardenbesluit is de optie om binnen de bouwkavel afstand aan te houden ten onrechte niet behandeld. De verplichting om bij nieuwe woningen tenminste een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte te hebben is niet verankerd in de regels van het ontwerp-bestemmingsplan. Luchtkwaliteit Met een kanttekening t.a.v. PM2,5 (zie bijlage) is de uitgevoerde luchtkwaliteitstoets van voldoende kwaliteit om een besluit (de vaststelling van het bestemmingsplan) op te baseren. Flora en fauna (incl. stikstofdepositie) Het onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten is op een gebruikelijke wijze uitgevoerd.
Voor broedvogels is nog aanvullend onderzoek (in het broedseizoen) nodig. Voor vleermuizen dient voor de vervolgfase (na fase 1) nog een ontheffing aangevraagd te worden. Bij de stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase is alleen gerekend met het verkeer binnen het plangebied. Het verkeer op de Veursestraatweg is ten onrechte niet meegenomen in de berekening. Voor stikstofdepositie is sowieso nog een herberekening nodig met de nieuwe versie van AERIUS Calculator. Milieueffectrapportage Conform de bepalingen in de Wet milieubeheer wordt in de aanmeldnotitie ingegaan op de kenmerken, locatie en effecten van het plan. Hierbij kunnen de volgende kanttekeningen worden geplaatst: De beoordeling t.a.v. verontreiniging en hinder is uitsluitend gericht op hinder vanwege bedrijven. Een verwijzing naar de paragraaf over effecten, waarin ook wordt ingegaan op hinder van verkeer zou op zijn plaats zijn Aandacht voor de ligging ten opzichte van hoge bevolkingsdichtheden ontbreekt. Met vermelding van de ligging t.o.v. het naastgelegen woongebied aan de rand van de Haagse agglomeratie zou een verwijzing naar de paragraaf over effecten afdoende zijn. Daarin wordt namelijk ondermeer ingegaan op de milieugevolgen voor de omgeving van het plangebied De aandacht voor cumulatie blijft beperkt tot een verkeerskundige beoordeling.
De milieukundige effecten van de toename van verkeer en de cumulatieve effecten van de bouwplannen in de directe omgeving op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van o.a. de Duivenoordecorridor ontbreken Referenties (verwijzing naar uitgevoerde onderzoeken) ontbreken.
2
Bijlage 1: m.e.r.-plicht Is het correct om te volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling? Voor de beantwoording van deze vraag is een toetsing aan de C- en D-lijsten uit het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Tevens is de vraag van belang of een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Toetsing aan drempelwaarden C- en D-lijsten Voor stedelijk ontwikkelingsprojecten gelden de volgende drempelwaarden: Een oppervlakte van 100 ha of meer Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer De drempelwaarden zijn opgenomen in de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplicht). Stedelijk ontwikkelingsprojecten zijn niet opgenomen in de C-lijst. Dat betekent dat er voor dit soort projecten nooit een directe m.e.r.-plicht geldt (tenzij een passende beoordeling nodig is, zie hierna). Uitgaande van 325 woningen, ca. 30.000 m2 bedrijfvloeroppervlakte voor met name maatschappelijke voorzieningen en horeca en een terrein van ca. 30 ha lijkt het, bij toetsing aan de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., correct om uit te gaan van een vormvrije m.e.r.beoordeling. Ook wanneer rekening wordt gehouden met andere ontwikkelingen in de nabije omgeving is het terecht: Voor The Mall of the Netherlands is in 2016 het bestemmingsplan Leidsenhage onherroepelijk geworden.
Deze ontwikkeling hoeft niet meegenomen te worden bij de beoordeling van de m.e.r.-plichtigheid van de plannen in de omgeving van Schakenbosch Hetzelfde geldt ook voor de locatie Vliethaven met 80 woningen. Hiervoor is recent een bestemmingsplan vastgesteld Voor de overige plannen in de omgeving geldt dat de planologische verankering nog in voorbereiding is. Deze plannen moeten wel worden betrokken bij de beoordeling van de m.e.r.plichtigheid van de ontwikkelingen in het gebied. Uitgaande van tabel 1 uit de verkeersstudie gaat het om ca. 300 woningen. Ook wanneer met deze woningen rekening wordt gehouden blijft het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r..
Passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming? In de aanmeldnotitie wordt in 2.2.1 zonder nadere toelichting gesteld dat een passende beoordeling niet nodig is1. In paragraaf 3.3.1 is een beschouwing opgenomen over de mogelijke effecten op Natura2000. Directe en indirecte effecten worden niet verwacht. Om de mogelijke effecten van stikstofdepositie in beeld te brengen zijn berekeningen uitgevoerd. Conclusie daarvan is dat de stikstofdepositie kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Daarvan uitgaande is de conclusie terecht dat geen passende beoordeling nodig is. Bij deze conclusie moeten wel drie kanttekeningen worden geplaatst: Bij de verkeersberekeningen die ten grondslag liggen aan de stikstofdepositieberekeningen is ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt Bij de stikstofdepositieberekeningen voor de gebruiksfase is het verkeer van en naar het plangebied niet verdisconteerd
1
Gerefereerd wordt aan de Natuurbeschermingswet 1998. Deze is op 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming.
3
Bij de stikstofdepositieberekeningen is gewerkt met een ten tijde van de berekening actuele, maar inmiddels verouderde versie van AERIUS Calculator (zie tabel Flora en fauna in bijlage 2).
Een herberekening met de juiste gegevens (zie bovengenoemde kanttekeningen) en de nieuwe versie van AERIUS Calculator zal definitief duidelijkheid moeten verschaffen over de te verwachten verandering in stikstofdepositie2. Conclusie t.a.v. m.e.r.-plicht Uitgaande van een stikstofdepositie van 0,00 mol/h/jaar kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De beste invulling daarvan zou een integrale beoordeling van alle (bouw-) initiatieven in de omgeving zijn. Naar verwachting is een invulling waarbij de m.e.r.-beoordeling uitsluitend betrekking heeft op de herontwikkeling van Schakenbosch ook acceptabel, mits daarin de cumulatieve effecten van de andere ontwikkelingen nadrukkelijk mede in beschouwing worden genomen. In het bijzonder gaat het om de cumulatieve milieueffecten van verkeer en de cumulatieve effecten op landschap en cultuurhistorie (Duivenvoordecorridor). Aandachtspunt bij de m.e.r.-beoordeling is de definitie van de referentiesituatie. Dit is de situatie die ontstaat uitgaande van de plannen waarover inmiddels besluiten zijn genomen (o.a. The Mall en Vliethaven). In de verkeersstudie is voor de referentiesituatie ten onrechte ook rekening gehouden met plannen waarover nog geen besluiten zijn genomen.
Hierdoor wordt een onjuist beeld geschetst van de absolute en relatieve effecten van zowel de transformatie van Schakenbosch op zichzelf, als van de transformatie van Schakenbosch in samenhang met andere plannen in de nabije omgeving (cumulatieve effecten).
2
Over de gevolgen van het gebruik van de nieuwe versie van AERIUS Calculator is door elkaar tegenwerkende veranderingen niet op voorhand uitsluitsel te geven.
4
Bijlage 2: beoordeling onderzoeken
Geluid Relevante documenten
Wettelijke bepalingen
Onderzoeksmethode
Volledigheid/juistheid
Conclusies
Akoestisch onderzoek d.d. 23 januari 2020, opgesteld door Aveco de Bondt (referentie: Rng/0120/17.0200) Besluit Hogere Grenswaarden wet Geluidhinder d.d. 24 maart 2020, Gemeente Leidschendam-Voorburg Paragraaf 5.4 van het ontwerpbestemmingsplan Schakenbosch Relevant voor het bestemmingsplan Schakenbosch is het geluid van wegen railverkeer. De wettelijke bepalingen hiervoor zijn opgenomen in de Wet geluidhinder en het bijbehorende Besluit geluidhinder. Hoofdstuk 11 Geluid van de Wet milieubeheer heeft ook betrekking op weg- en spoorweglawaai, maar is niet van toepassing op de bouw van geluidsgevoelige objecten langs wegen en spoorwegen. Voor de uitvoeringen van berekeningen is het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 van kracht. In de Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder LeidschendamVoorburg heeft de gemeente vastgelegd hoe zij invulling geeft aan de bevoegdheid om op grond van art. 110a van de Wet geluidhinder hogere waarden vast te stellen. Ook de verantwoordelijkheid van het Bevoegd Gezag voor een ‘goede ruimtelijke ordening’, zoals opgenomen in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening is van belang. Dit geldt o.a. voor wegen op een woonerf en wegen met een maximum rijsnelheid van 30 km/uur. De geluidberekeningen zijn uitgevoerd met het programma GeoMilieu, versie 4.41. In de tussentijd zijn er nieuwere versies van dit programma beschikbaar gekomen.
Telefonisch contact met de productmanager van de leverancier van het programma (Theo Verheij van DGMR) heeft geleerd dat versie 4.41 nog gebruikt mag worden en voldoet aan de bepalingen uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Gerekend is met Rekenmethode 2. Dit is voor de betreffende situatie de geëigende methode. In het akoestisch rapport van Aveco de Bondt wordt verslag gedaan van de gehanteerde invoergegevens (verkeersintensiteiten, rijsnelheden, wegdekverharding, bodemdemping enz.). Ook is aangegeven op welke punten en op welke waarneemhoogtes de geluidbelastingen zijn bepaald. De invoergegevens zijn voldoende gespecificeerd. De verkeersgegevens zijn echter gebaseerd op onderzoek waarbij ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Hierdoor kan een onderschatting van de te verwachten geluidbelastingen ontstaan. Bij de maatregelen ontbreekt bij de geluidgevoelige bebouwing langs de Veursestraatweg de optie om binnen de bouwkavel afstand te houden. Bij de niet-zoneplichtige wegen wordt deze optie wel genoemd. In 4.4 wordt ingegaan op de geluidbelasting bij bestaande woningen. Ten onrechte wordt gesteld dat er formeel geen wettelijk kader is voor de beoordeling van de geluideffecten vanwege een ontwikkeling op bestaande woningen. In de m.e.r.-beoordeling dient hieraan aandacht te worden besteed.
Zie hiervoor de betreffende tabel. De conclusies zijn te herleiden naar het uitgevoerde onderzoek en de 5
Doorwerking
rapportage daarover. De mogelijkheid om binnen de bouwkavel afstand aan te houden om lagere geluidbelastingen te bereiken ontbreekt in de conclusie. De conclusies uit het akoestisch onderzoek zijn op een navolgbare wijze verwerkt in het Besluit Hogere Waarden Wet Geluidhinder. Ook de toelichting op het bestemmingsplan bevat een paragraaf waarin akoestisch onderzoek en het Besluit Hogere Waarden zijn verwerkt. In de regels en de verbeelding zijn de aangenomen bouwvlakken en bouwhoogtes terug te vinden. De verplichting om bij nieuwe woningen tenminste een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte te hebben ontbreekt.
6
Luchtkwaliteit Relevante documenten Wettelijke bepalingen
Onderzoeksmethode
Volledigheid/juistheid
Conclusies
Doorwerking
Paragraaf 5.5 van het ontwerpbestemmingsplan Schakenbosch Het wettelijk kader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer, ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd. Art. 5.16 lid 1 Wm geeft aan dat een project o.a. toelaatbaar is wanneer het project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor de beoordeling daarvan is de ministeriele regeling NIBM relevant. Hierin wordt ondermeer gesteld dat woningbouwlocaties met maximaal 1500 woningen per definitie NIBM zijn. Hetzelfde geldt voor kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 b.v.o. Naast de Wet milieubeheer is de Wet ruimtelijke ordening van belang. Op grond van art. 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Onderdeel daarvan is de zorg voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De mate waarin bepaalde groepen mensen worden blootgesteld aan luchtverontreiniging dient hierbij te worden meegewogen. Het ruimtelijk programma van het bestemmingsplan is vergeleken met de drempelwaarden uit de regeling NIBM. Met oog op een goede ruimtelijke ordening is op basis van beschikbaar materiaal (Atlas van de Leefomgeving en NSL-monintoringstool) een toetsing aan de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide uitgevoerd.
Relevant voor het bestemmingsplan Schakenbosch zijn de concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). De verwijzing naar de NIBM-bepalingen is correct. Aan de Wet Luchtkwaliteit wordt voldaan. De voorspelling dat de concentraties fijnstof en stikstofdioxide nu en in 2030 ruimschoots onder grenswaarden liggen is aannemelijk. Daarmee is voor het aspect luchtkwaliteit sprake van een goede ruimtelijke ordening. Kanttekening die hierbij gemaakt kan worden is dat niet expliciet aandacht is besteed aan PM2,5. Op basis van ervaringsgegevens kan echter worden aangenomen dat wanneer in deze situatie ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde voor PM10 ook (ruimschoots) wordt voldaan aan de norm voor PM2,5. De conclusie dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het uitvoeren van het plan, is herleidbaar naar de voorafgaande beoordeling. Er is geen afzonderlijk onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd. Van ‘doorwerking’ is geen sprake.
7
Flora en fauna incl. stikstofdepositie Relevante documenten
Wettelijke bepalingen
Onderzoeksmethode
Volledigheid/juistheid
Quickscan flora en fauna - Schakenbosch Leidschedam d.d. 17 mei 2019, opgesteld door Aveco de Bondt Natuuronderzoek Schakenbosch te Leidschendam – Vleermuizen, conceptrapport d.d. 24 november 2017, opgesteld door Adviesbureau E.C.O. Logisch Beschikking Wet natuurbescherming – Soortenbescherming d.d. 18 oktober 2018, Omgevingsdienst Haaglanden Memo Stand van zaken ecologische onderzoeken d.d. 20 september 2019, opgesteld door Aveco de Bondt Memo Aerius Calculatie Landgoed Schakenbosch te Leidschendam (stikstofdepositie gebruiksfase) d.d. 7 oktober 2019, opgesteld door Aveco de Bondt Onderzoek stikstofdepositie realisatiefase d.d. 5 maart 2020, opgesteld door Aveco de Bondt Paragraaf 5.7 van het ontwerpbestemmingsplan Schakenbosch Wet natuurbescherming (soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming houtopstanden) Omgevingsverordening Zuid-Holland3 (Natuurnetwerk Nederland) Besluit bebouwde kom Wet natuurbescherming – besluit van de gemeente Leidschendam-Voorburg d.d. 12 december 2017 Beschikking Wet natuurbescherming – Soortenbescherming, besluit van Omgevingsdienst Haaglanden d.d.
18 oktober 2018 In een quick scan is op basis van bureau- en veldonderzoek vastgesteld of zich beschermde soorten in het plangebied (kunnen) bevinden, of aanvullend onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van beschermde soorten, welke effecten van de voornemens te verwachten zijn op beschermde soorten en gebieden, of onderzoek nodig is naar de effecten op houtopstanden en welke vervolgstappen (ontheffing, vergunning) eventueel nodig zijn. Vervolgens heeft voor vleermuizen aanvullend veldonderzoek plaatsgevonden. Met behulp van de AERIUS Calculator, versie 2019, is de stikstofdepositie in Natura2000-gebieden berekend. Onderscheid is gemaakt in de aanlegfase en de gebruiksfase. De onderzoeksmethodes zijn gebruikelijk en geschikt voor de onderbouwing van een bestemmingsplan. Op 15 oktober jl. is versie 2020 van Aerius verschenen. Aangezien nog geen toestemmingsbesluit is genomen, dient een herberekening plaats te vinden. De quick scan is grotendeels in 2017 en voor een klein deel van het plangebied in 2019 uitgevoerd. Ervan uitgaande dat zich in het plangebied geen wezenlijke veranderingen hebben voorgedaan zijn de resultaten van de quick scan nog bruikbaar (geldigheidsduur 3 tot 5 jaar). Alle relevante soortgroepen zijn onderzocht. Voor broedvogels is nog aanvullend onderzoek (in het broedseizoen) nodig.
De relevante gebieden (Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland) zijn in beschouwing genomen.
3
In de toelichting op het ontwerp-bestemmingsplan wordt ten onrechte nog gesproken over de Provinciale Verordening Ruimte 2014.
8
Conclusies
Doorwerking
Op basis van het uitgevoerde onderzoek is inmiddels voor fase 1 van het project onder voorwaarden een ontheffing van de bepalingen uit de Wet natuurbescherming verkregen (gericht op vleermuizen). De geldigheidsduur van deze ontheffing is inmiddels verlopen. Voor het vervolg dient nog een ontheffing aangevraagd te worden. Het plangebied maakt onderdeel uit van de ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ waardoor de houtopstanden niet onder de bepalingen van de Wet natuurbescherming vallen. Wel is een bomeninventarisatie uitgevoerd. Bij de stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase is alleen gerekend met het verkeer binnen het plangebied. Het verkeer op de Veursestraatweg is niet verdisconteerd in de berekening met als argument dat het verkeer van en naar het plan wordt ‘opgenomen in het heersende verkeersbeeld, aangezien het verkeer niet meer onderscheidend is op de Veursestraatweg.’ Uit het verkeersrapport blijkt dat het verkeer van en naar het plan wel degelijk tot een toename van het verkeer op de Veursestraatweg leidt. Bij de berekening voor de aanlegfase wordt het transport over de Veursestraatweg meegenomen tot de kruising met de Noordsingel. De conclusies in de quick scan en het aanvullend vleermuizenonderzoek zijn te herleiden tot het uitgevoerde onderzoek. De conclusie t.a.v. stikstofdepositie kan nog veranderen wanneer een herberekening wordt uitgevoerd.
De toelichting van het ontwerp-bestemmingsplan bevat een paragraaf waarin op een adequate wijze verslag wordt gedaan van de uitgevoerde onderzoeken.
9
Milieueffectrapportage Relevante documenten
Wettelijke bepalingen
Onderzoeksmethode
Volledigheid/juistheid
Aanmeldnotitie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Landgoed Schakenbosch d.d. 9 oktober 2019, opgesteld door Aveco de Bondt M.e.r.-beoordelingsbesluit bestemmingsplan Schakenbosch d.d. 29 oktober 2019, B&W Leidschendam-Voorburg Paragraaf 5.10 van het ontwerpbestemmingsplan Schakenbosch Het wettelijk kader wordt gevormd door hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.. De m.e.r.-beoordeling vindt plaats aan de hand van de criteria die in bijlage III van de EU-richtlijn 2014/52/EU4 (hierna m.e.r.-richtlijn) worden genoemd. Deze criteria betreffen 1. kenmerken van het project, 2. locatie van het project en 3. soort en kenmerken van de potentiële effecten. Een m.e.r.-beoordeling is vormvrij. In dit geval is namens de initiatiefnemer een zogenaamde aanmeldingsnotitie opgesteld. Hierin komen de diverse onderwerpen aan bod, veelal met een verwijzing naar andere documenten. Deze werkwijze is gebruikelijk en toegestaan.
Zoals in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn staat aangegeven moeten de volgende kenmerken van het project in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang en het ontwerp van het project de cumulatie met andere projecten het gebruik van natuurlijke hulpbronnen de productie van afvalstoffen verontreiniging en hinder risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering de risico’s voor de menselijke gezondheid
In de aanmeldingsnotitie worden deze kenmerken successievelijk in beschouwing genomen. Omvang: uitsluitend een beschrijving, geen beoordeling, geen halszaak Cumulatie: verkeerskundige beoordeling, geen milieukundige, probleem Natuurlijke hulpbronnen: aandacht voor energie, groen en water met een beoordeling Afvalstoffen: aandacht voor bouwafvalstoffen en huishoudelijk afval tijdens gebruik. Gemotiveerd waarom geen m.e.r. Verontreiniging en hinder: beoordeling gericht op hinder vanwege bedrijven. Mager. Verwijzing naar paragraaf effecten zou goed zijn. Risico’s: aandacht voor externe veiligheid en klimaatadaptatie. Prima. Gezondheid: geen relevante emissies + verwijzing naar paragraaf over effecten van het project. Daarin geen expliciete aandacht voor gezondheid. Zoals in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn staat aangegeven moeten ten aanzien van de locatie van het project in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande en goedgekeurde landgebruik, de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en
4
Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU
betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.
10
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a. wetlands b. kustgebieden c. berg- en bosgebieden d. natuurreservaten en -parken e. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura2000-gebieden f. gebieden waar Europese milieukwaliteitsnormen al worden overschreden g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid h. landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang
In de aanmeldingsnotitie worden deze aspecten successievelijk in beschouwing genomen. Bestaand grondgebruik: uitsluitend een beschrijving, geen beoordeling, geen halszaak. Natuurlijke bronnen: beschrijving + gedeeltelijke beoordeling (versterking watergangen) + verwijzing naar paragraaf effecten (biodiversiteit). Gebieden: ten onrechte wordt gesteld dat zich in de omgeving van het plangebied geen waardevolle gebieden bevinden (Natura2000 en NNN, deze worden overigens wel behandeld in volgende paragraaf), de ligging naast een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid is niet behandeld (een verwijzing naar de paragraaf effecten zou voldoende zijn). Voor archeologie en cultuurhistorie verwijzing naar paragraaf effecten.
Zoals in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn staat aangegeven moeten bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project, in samenhang met de kenmerken en locatie van het project, in het bijzonder in overweging worden genomen: de orde van grootte en het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), de aard van het effect, het grensoverschrijdende karakter van het effect, de intensiteit en de complexiteit van het effect de waarschijnlijkheid van het effect, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
In de aanmeldingsnotitie worden de effecten voor een aantal aspecten successievelijk in beschouwing genomen. Flora en fauna/soortenbescherming: onvolledig
-
gesproken wordt over fase 1, onduidelijk waar op gedoeld wordt aanvullend onderzoek naar nesten en zoogdieren moet nog uitgevoerd worden
Flora en fauna/gebiedsbescherming: geen onderdeel NNN, Natura2000 op 4 km, stikstofdepositie onder de norm. Genoemde norm (0,005 mol/ha/jr) is niet actueel. Zie ook opmerkingen bij stikstofberekeningen in voorgaande tabel. 11
Conclusies
Doorwerking
Geluid: geen onaanvaardbare geluidtoename bestaande woningen. Kanttekening hierbij: hangt af van gehanteerde referentiesituatie en verondersteld ruimtelijk programma (zie ook bijlage 1). Luchtkwaliteit: gemotiveerd dat er geen belangrijke effecten te verwachten zijn. Externe veiligheid: geen risicovolle bronnen Bodem: bodem is geschikt, geen verontreiniging door nieuwe functies te verwachten. Archeologie: uitgebreide beschrijving – onder voorwaarden geen gevolgen Cultuurhistorie: klein gedeelte in beschermd stads- en dorpsgezicht (cultuurhistorische en landschappelijke waarden Duivenoordecorridor) – onder voorwaarden geen gevolgen Water: verwijzing naar waterstructuurplan en watertoets – geen negatieve gevolgen Cumulatieparagraaf ontbreekt: milieukundige effecten verkeer en landschappelijke en cultuurhistorische effecten van o.a. Duivenoordecorridor Referenties (verwijzing naar uitgevoerde onderzoeken) ontbreken. In een afsluitende paragraaf zijn de effecten beoordeeld. Conclusie is dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden en dat er geen milieueffectrapportage hoeft te worden doorlopen. Deze conclusie is voorbarig (en dus niet herleidbaar naar de voorafgaande hoofdstukken) aangezien een deel van het soortenonderzoek (flora en fauna) nog niet is uitgevoerd. De aanmeldingsnotitie is de basis geweest voor het m.e.r.beoordelingsbesluit d.d. 29 oktober 2019.
Notitie en besluit zijn verwerkt in paragraaf 5.10 van het ontwerp-bestemmingsplan. NB. Hier wordt gesproken over ‘bijzondere omstandigheden’. Dit is niet het relevante criterium: het gaat om ‘belangrijke milieugevolgen’. Verder wordt gesproken over een besluit van 13 november 2019.
12