CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1947-32 Bijlage 19 toelichting Archeologisch veldonderzoek d.d. 15 augustus 2019

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: vaststellen bestemmingsplan "Schakenbosch" (1947).25.462 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Transect-rapport 2333 Leidschendam, Schakenbosch - Voorlei Gemeente Leidschendam-Voorburg (ZH) Een Inventariserend Veldonderzoek (verkennende fase)

Auteur

Drs. T. Nales

Versie

Conceptversie

Projectcode

19050063

Datum

15-08-2019

Opdrachtgever

Schakenbosch b.v. Mariahoek 4 3511 LD Utrecht

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

4731764100

Bevoegde overheid

Gemeente Leidschendam-Voorburg

Adviseur namens gemeente

Mw. L. van de Geijn

Beheer documentatie

Transect b.v., Nieuwegein

Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven (Senior archeoloog)

Datum

Paraaf

20-08-2019

ISSN: 2211-7067

© Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl

Samenvatting In opdracht van Schakenbosch b.v. heeft Transect in de periode juli-augustus 2019 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied Voorlei (het terrein van zorglocatie Schakenbosch) in Leidschendam (gemeente Leidschendam-Voorburg). De aanleiding voor het onderzoek vormt het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het gebied, die de realisatie van maximaal 325 woningen mogelijk moet maken. Bij de voorgenomen herinrichting zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Om voor het gebied een nieuw bestemmingsplan te kunnen opstellen, is op grond van het gemeentelijk beleid eerst archeologisch onderzoek nodig. Volgens het gemeentelijk beleid maakt het plangebied immers deel uit van een zone waarbinnen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn. Aan de hand van het onderzoek kan vervolgens het effect van de nieuwe plannen op eventueel aanwezige resten inzichtelijk worden gemaakt. Onderhavig rapport beschrijft de resultaten van dit onderzoek. •

•

•

Op basis van het veldonderzoek is een kustlandschap in beeld gebracht dat uit meerdere aaneengeschakelde strandwallen bestaat, waartussen in het noordwesten van het plangebied strandvlaktes aanwezig zijn. Deze vlaktes zijn opgevuld met veen, dat zich vermoedelijk sinds de Bronstijd heeft kunnen vormen. De grote strandwal in het zuidoosten van het plangebied lijkt op grond van het onderzoek te bestaan uit meerdere kleine strandwallen. De laagtes die hiertussen aanwezig zijn, zijn opgevuld geraakt met duinzand. Tegenwoordig is het reliëf in het plangebied niet meer te zien. Uit het veldonderzoek is namelijk gebleken dat de hogere toppen van de strandwallen zijn geëgaliseerd, aangezien hier strandafzettingen direct onder de bouwvoor aanwezig zijn. Tevens is geconstateerd dat archeologische resten in het plangebied aanwezig kunnen zijn, mits de top van de duinafzettingen intact is gebleven. Deze mogelijkheid bestaat wanneer de top van het duinzand zich op een diepte vanaf 0,6 m -NAP bevindt. Vanaf 0,8 m -NAP ligt het duinzand onder veen begraven. Hierbij is veen met name in het noordwesten van het plangebied aangetroffen. In het zuidoosten van het plangebied zijn ook laagtes in de strandafzettingen aanwezig, maar deze zijn opgevuld met dikke pakketten duinzand (>125 cm).

Het is niet uitgesloten dat binnen deze pakketten archeologische resten begraven liggen, ondanks op enkele vegetatieresten geen duidelijke bodemniveaus zijn onderscheiden. In bijlage 11 is een archeologische verwachtingskaart gemaakt op basis van de onderzoeksgegevens en de hierboven beschreven afwegingen. De zones die hierbij een hoge archeologische verwachting hebben gekregen vertegenwoordigen de gebieden die op grond van hun intactheid en ligging binnen het voormalige kustlandschap waarbinnen nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Dit geldt zowel voor resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen als voor resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Aan de overige gebieden is een lage archeologische verwachting toegekend op grond van een beperkte mate van intactheid van de bodem.

Advies In het kader van de bestemmingsplanwijziging in het plangebied, adviseren wij om in de hoge verwachtingszones in bijlage 11 aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren (IVO, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden met behulp van

proefsleuven (IVO-P), mogelijk aangevuld met karterende boringen op moeilijk te bereiken locaties. Een uitgebreide motivering en afweging van een te volgen strategie staat op pagina 15 van dit rapport toegelicht. Aan de hand van dit onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid, aard, omvang en datering van archeologische resten in het plangebied worden vastgesteld. Het onderzoek zou kunnen leiden tot de archeologische afwaardering van (delen van) het terrein, wanneer (op die plekken) nauwelijks of geen sprake zou zijn van een waardevolle vindplaats, maar zou ook juist inzicht kunnen geven in de aanwezigheid van waardevolle resten waarmee in de verdere planvorming rekening mee moet worden gehouden. Voor de lage verwachtingszones wordt geen vervolgonderzoek voorgesteld. Voor dergelijk onderzoek dient de werkwijze te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat door de gemeente Leidschendam-Voorburg dient te worden beoordeeld en goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Leidschendam-Voorburg) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied..

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3.

Afbakening van het plangebied

3

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

4

5.

Achtergrondinformatie en archeologische verwachtingen

5

6.

Werkwijze

8

7.

Resultaten veldonderzoek

9

8.

Landschappelijke interpretatie en archeologische verwachting

12

9.

Beantwoording onderzoeksvragen

15

10. Conclusie en Advies

17

11. Geraadpleegde bronnen

18

Bijlage 1: Boorpuntenkaart

19

Bijlage 2: Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek

20

Bijlage 3: Top van de strandafzettingen (kaart)

21

Bijlage 4: Zanddieptekaart

22

Bijlage 5: Dikte van het duinzand (kaart)

23

Bijlage 6: Lithologisch profiel (boring 61-79)

24

Bijlage 7: Veen-verbreidingskaart

25

Bijlage 8: Verstoringskaart

26

Bijlage 9: Bodemniveaus (kaart)

27

Bijlage 10: Dikke-duinzandenkaart

28

Bijlage 11: Archeologische verwachtingskaart

29

Bijlage 12: Boorbeschrijvingen

30

1. Aanleiding In opdracht van Schakenbosch b.v. heeft Transect1 in de periode juli-augustus 2019 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied Voorlei (het terrein van zorglocatie Schakenbosch) in Leidschendam (gemeente Leidschendam-Voorburg). De aanleiding voor het onderzoek vormt het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het gebied, die de realisatie van maximaal 325 woningen mogelijk moet maken. Bij de voorgenomen herinrichting zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. Om voor het gebied een nieuw bestemmingsplan te kunnen opstellen, is op grond van het gemeentelijk beleid eerst archeologisch onderzoek nodig. Volgens het gemeentelijk beleid maakt het plangebied immers deel uit van een zone waarbinnen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn. Aan de hand van het onderzoek kan vervolgens het effect van de nieuwe plannen op eventueel aanwezige resten inzichtelijk worden gemaakt. In het plangebied heeft reeds binnen dit kader een archeologisch bureauonderzoek plaatsgevonden (Nales, 2019a). Op grond van dit onderzoek bestond een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten in de onverstoorde gebiedsdelen binnen het plangebied. Dit omvat relatief nog een groot deel van het plangebied.

Hierbij zijn zowel resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen te verwachten als resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Daarom stelt Nales (2019a) een verkennend onderzoek voor om meer inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de mate van intactheid ervan in het plangebied (Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase). Op basis hiervan is een inschatting te maken van de archeologische potentie van het gebied en kan het archeologisch verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden verfijnd. Onderhavig rapport beschrijft de resultaten van dit onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met het voor dit onderzoek opgestelde Plan van Aanpak (PvA; Nales, 2019b) en de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1.

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het huidige onderzoek betreft uitsluitend een verkennende fase. Tijdens de verkennende fase worden de bodemopbouw, bodemintactheid en bodemreliëf in kaart gebracht. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen (Nales, 2019b): 1.

Wat is de bodemopbouw in het plangebied?

2.

Wat is er te zeggen van de genese van het plangebied gebaseerd op de aangetroffen lithologische lagen?

3.

Wat is de relatie tussen de bodemopbouw en de aanwezigheid van eventuele archeologische resten? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

4.

In hoeverre is de ondergrond van het plangebied archeologisch intact te beschouwen?

5.

Is de archeologische verwachting van het plangebied op basis van de resultaten van het veldonderzoek bij te stellen dan wel verder te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

6.

Is vervolgonderzoek noodzakelijk en wat is hierbij de aanbevolen onderzoeksmethode voor de verschillende gespecificeerde verwachtingszones binnen het plangebied?

Het resultaat van het Inventariserend Veldonderzoek is een rapport met een conclusie omtrent de mogelijke aan- of afwezigheid van archeologische waarden in het plangebied en het risico dat deze worden verstoord als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen. Op basis van het rapport kan de bevoegde overheid een beslissing nemen in het kader van de planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden.

2

3. Afbakening van het plangebied Gemeente

Leidschendam-Voorburg

Plaats

Leidschendam

Toponiemen

Schakenbos, Frekeweg, Veursestraatweg

Kaartblad

30G

Centrum-coördinaten

88.037 / 457.422

Het plangebied bevindt zich ten noordoosten van de bebouwde kom van Leidschendam en ligt ruwweg ingeklemd tussen de Veursestraatweg in het zuiden, de Frekehof (met erlangs de Dobbewatering) in het zuidwesten en de Bouwlustweg in het noordwesten. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal omvat het plangebied perceel VEU00 Sectie A nummers 567, 985, 1216, 1554, 1562 en 1579. Naast de eerder genoemde gebiedsgrenzen, wordt de overige begrenzingen gevormd door de perceelsgrenzen met de aanliggende kavels. Het plangebied staat bekend als Park Schakenbos, waarbinnen gebouwen, tuinen en infrastructuur aanwezig is ten behoeve van een zorginstelling. Een deel hiervan is echter ten tijde van het onderzoek al gesloopt. In totaal beslaat het plangebied een oppervlakte van 29 ha.

Figuur 1: Ligging van het plangebied (bron: PDOK)

3

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Bestemmingsplanwijziging

Planvorming

Nieuwbouw van circa 325 woningen

Bodemverstorende werkzaamheden

Graaf- en heiwerkzaamheden

In Park Schakenbos (omgedoopt tot projectgebied Voorlei) bestaat het voornemen om in de nabije toekomst maximaal 325 woningen te bouwen. Hiervan zal 10% van de woningen een zorgwoning zijn. Tevens is in het ontwerp aandacht voor het groene karakter en de cultuurhistorische waarde van het gebied. Het gebied behoudt namelijk een open karakter en waardevolle, oude gebouwen zullen waar mogelijk opnieuw worden gebruikt. Om de toekomstige ontwikkelingen in het plangebied juridischplanologisch mogelijk te maken, zal eerst het huidige bestemmingsplan moeten worden gewijzigd, zodat wonen er daadwerkelijk mogelijk is. De verbeelding van het toekomstig bestemmingsplan is weergegeven in figuur 2. Hierop is aan de hand van de geelgekleurde en zalmroze vakken te zien, waar woningbouw zal worden gerealiseerd. Ook zullen nieuwe wegen worden aangelegd (grijs), enkele waterpartijen gegraven (blauw) en zullen enkele huidig aanwezige zorggebouwen worden gesloopt. De verwachting is dat de herontwikkeling van het plangebied impact zal hebben op de huidige archeologische waarde van het gebied. Hiermee vormt een archeologisch (voor)onderzoek onderdeel van de ruimtelijke procedure.

Hoe diep voor de herinrichting van het gebied zal worden ontgraven is vooralsnog niet bekend, maar vast staat dat deze werkzaamheden een bedreiging zullen vormen voor het potentieel aanwezige archeologische bodemarchief in het gebied.

Figuur 2: Verbeelding van het bestemmingsplan

4

5. Achtergrondinformatie en archeologische verwachtingen In het plangebied is reeds een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Nales, 2019a). Op grond dit onderzoek is geconstateerd dat vanwege de genese van het natuurlijk en huidig cultuurlandschap de archeologische verwachting in drie onderdelen op te splitsen is. 1. Archeologische verwachting: resten uit het Neolithicum-Midden-Bronstijd op de oude duin en strand(wal)afzettingen (hoog); Het plangebied ligt oorspronkelijk in een oud kustlandschap, dat is opgebouwd uit oude duinen, strandwallen en strandvlakten. Nales (2019a) heeft in combinatie met beschikbare lithologische gegevens uit de directe omgeving van het gebied een reconstructie van dit kustlandschap gemaakt met behulp van een zanddieptekaart (figuur 2). Op de kaart is te zien dat in het plangebied twee strandwallen aanwezig zijn. In het noordwesten bevindt zich een smalle strandwal, terwijl in het zuidoosten van het plangebied, ruwweg in het gebied tussen de Lijtweg en de Veursestraatweg sprake is van een brede strandwal. Deze laatste bestaat volgens Nales (2019a) waarschijnlijk uit een serie kleinere strandwallen die kort na elkaar tot stand zijn gekomen. Volgens Pruissers en De Gans (1988) zijn beide strandwallen in het midden van het Neolithicum tot stand gekomen. Tussen de strandwallen in ligt een lager gelegen gebied met veen.

Dit veen is waarschijnlijk gevormd sinds de Midden-Bronstijd, toen het westelijk kustgebied als gevolg van een algehele grondwaterstijging sterk vernatte (Nales, 2019a). De strandwallen zijn bepalend voor de bewoningsmogelijkheden in het kustlandschap. Ze vormden namelijk de relatief hoger gelegen gebieden, hetgeen ze als plekken voor nederzetting, landgebruik en andere activiteiten geschikt maakten. Dit blijkt onder meer uit archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied, zoals Nales (2019a) reeds heeft benoemd. Maar ook de strandvlaktes werden benut. Dit bleek uit een onderzoek van de Archeologische Werkgroep Leidschendam Voorburg (AWLV) aan de Frekeweg direct ten zuidwesten van het plangebied. Daar zijn in een laagte tussen twee strandwallen resten van een afvaldump uit het Neolithicum in veen en organoklastisch meersediment waargenomen (Van der Valk en Hirschel, 2010). De vondst van een dump wijst hoogstwaarschijnlijk op de nabijheid van een nederzettingsterrein nabij of mogelijk zelfs in het plangebied. Het vondstmateriaal is toe te schrijven aan de Vlaardingen-cultuur, een prehistorische cultuur uit het Midden- en LaatNeolithicum (4200 – 2000 v. Chr.).

Vanwege deze informatie is door Nales (2019a) geconcludeerd dat de toppen van het strandzand in het plangebied een hoge verwachting had op de aanwezigheid van resten in de periode vanaf het Neolithicum, de lage delen totdat ze met veen bedekt raakten. 2. Archeologische verwachting: resten uit de Midden Bronstijd-Vroege Middeleeuwen op de duinafzettingen op de strandwallen en in verdroogde trajecten in het veen (hoog); Na de vorming van veen (vanaf de Midden-Bronstijd) zijn op die plaatsen geen nederzettingsresten sinds die tijd te verwachten. Het veen zelf is namelijk te drassig voor bewoning. Wel zijn veenwegen bekend, die erop wijzen dat het veen wel benut werd (zoals bij Voorschoten, Starrenburg; Mol, 2019). De nederzettingen in die tijd hebben zich vermoedelijk hoger op de strandwallen gevormd, die als langwerpige, hoge ruggen enige tijd als relatieve hoogten boven het veen uitstaken. Alleen wanneer het veengebied lokaal ontwaterd werd, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een geul, vielen delen van het moeras droog, waardoor er bewoningsmogelijkheden bestonden. Voorbeelden hiervan zijn tijdens archeologisch onderzoek in het projectgebied Vlietvoorde ontdekt, ten oosten van het plangebied (Molthof, in prep.). Hier zijn nederzettingsresten zowel op de top van een geïsoleerd duin aangetroffen als in het omliggende veen.

De resultaten van dit onderzoek leiden ertoe dat zelfs tot in de Vroege Middeleeuwen archeologische resten aanwezig kunnen zijn in het plangebied, zowel in het veen als op de strandwallen. 5

3. Archeologische verwachting: nederzettingen uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd; wonen in een cultuurlandschap. Vanaf de Vroege Middeleeuwen vernat het gebied echter verder 2. Daardoor vernatten ook oudere, lager gelegen strandwallen en duinen, zoals ook die ter hoogte van het plangebied. Zonder menselijk ingrijpen in het landschap (zoals het verlagen van de waterstanden door het aanleggen van greppels) zou het natuurlijk landschap niet zonder meer bewoonbaar zijn. Dit leidde in de Late Middeleeuwen tot de ontginning van het gebied, waarbij met behulp van greppels en sloten de waterstanden werden verlaagd. Ook de Vliet werd aangelegd (in de 12e of 13e eeuw). Het verlagen van de waterstand zou ertoe leiden dat de toppen van de strandwallen nog als bouwland gebruikt kunnen worden. De nederzettingen zouden dan op de lagere flanken worden gesticht. Op basis van historisch kaartmateriaal uit de 17e eeuw valt af te leiden dat langs de flanken van de strandwallen binnen het plangebied op een viertal plaatsen boerderijen aanwezig zijn. Hier zijn in ieder geval resten te verwachten die met deze boerderijen samenhangen (uit de Nieuwe tijd). Gezien de ligging van de boerderijen, op de randen van de strandwal nabij een oude weg, is het tevens niet uitgesloten dat deze boerderijen gesticht zijn op plaatsen, waar in de Late Middeleeuwen voorgangers hebben gestaan.

De kans op nederzettingsresten uit de periode Late-MiddeleeuwenNieuwe tijd is dus op die plekken groot. In hoeverre sprake is van het hierboven beschreven archeologisch verwachtingspatroon is in sterke mate afhankelijk van de mate van intactheid van de bodemopbouw. De kans dat de oorspronkelijke bodemopbouw in het plangebied aangetast is, is zeker aanwezig. Nales (2019a) benoemt binnen het plangebied plekken waar in het verleden sloten zijn gegraven, diepe leidingen zijn aangelegd, waar onderkelderde gebouwen zijn gerealiseerd en waar bebouwing is gesloopt. Daar zal geen archeologische verwachting meer gelden, omdat daar naar verwachting het archeologisch bodemarchief is aangetast. Dit geldt eveneens voor de gebiedsdelen binnen het plangebied, die reeds in het verleden met behulp van proefsleuven zijn onderzocht (Ilson, 2010, Van Campenhout, 2012). Daar zijn geen archeologische resten aangetoond. Uit de rest van het plangebied is weinig tot geen informatie beschikbaar is omtrent de bodemopbouw en -intactheid. De inventarisatie van de bodemverstoringen door Nales (2019a) is eveneens niet uitputtend, omdat hoogstwaarschijnlijk ook veel ingrepen in het plangebied zonder enige registratie hebben plaatsgevonden.

Hierom is in dit gebied een verkennend onderzoek uitgevoerd om aan de hand van de resultaten de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen gerichter te kunnen voorspellen en eventueel vervolgonderzoek ernaar gerichter te kunnen laten plaatsvinden.

2

De Oude Rijn bij Katwijk slibt geleidelijk dicht, mede als gevolg van sterke duinvorming sinds de Vroege Middeleeuwen. Dit belemmert de afvoer van grondwater uit het veengebied via de rivier, waardoor stagnatie optreedt (Parlevliet, 2000).

6

Figuur 3: Zanddieptekaart uit Nales (2019a). De hoge zandvoorkomens (binnen 0,75 m NAP) wijzen op het voorkomen van hogere strand en duinafzettingen

7

6. Werkwijze Methode

Verkennend booronderzoek

Boorafstand

Circa 40 bij 40 m

Aantal boringen

214

Techniek

Edelmanboor 7 cm Gutsboor 3 cm Zuigerboor 4 cm

Boordiepte

300 cm –Mv

Dataverwerking

Conform NEN5104 en PvA

Het onderhavig veldonderzoek bestond uitsluitend uit een verkennend booronderzoek. De boringen zijn daarbij zowel gebruikt om de lithologische opbouw van de ondergrond als de mate van intactheid van de bodem te bepalen. In totaal zijn in het plangebied 214 boringen gezet tot een diepte tot maximaal 300 cm –Mv. De boringen zijn verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. Met behulp van deze boren is de diepteligging van de top van het zand zo nauwkeurig mogelijk bepaald evenals de lithologische opbouw van de bodemlagen erboven. Vervolgens is, indien mogelijk, met behulp van een zuigerboor met een diameter van 4 cm de boring verdiept om meer inzicht in de aard van het zand (duinzand, strand(wal)zand) te krijgen. De beschrijvingen en verrichtingen zijn uitgevoerd conform de NEN5104 (bijlage 12). Verder is de opgeboorde grond handmatig doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals bot, aardewerk, baksteen en houtskool). De boringen zijn in een gelijkbenig grid van 40 bij 40 m verdeeld in de zones waarbinnen de mate van intactheid van de bodemopbouw op basis van het bureauonderzoek niet bekend was. De locaties van de boorpunten zijn opgenomen in bijlage 1.

De coördinaten en hoogteligging ten opzichte van NAP van de punten zijn bepaald met behulp van een dGPS, ingemeten na afloop van de veldwerkzaamheden. Alleen op enkele dichtbegroeide (bos)locaties was het als gevolg van de dichtheid van de begroeiing niet mogelijk een meting te verrichten. Op die plaatsen zijn de locaties van de boringen met behulp van een meetlint en de hoogte aan de hand van een zo nauwkeurig mogelijke schatting op het Actueel Hoogtebestand Nederland bepaald (AHN3, bron: www.ahn.nl).

8

7. Resultaten veldonderzoek Veldwaarnemingen Het plangebied is ten tijde van dit onderzoek ingericht als parktuin met hierbinnen diverse gebouwen van een zorginstelling. Het grootste deel van het plangebied is begroeid met gras en bomen (circa 85%). De gebouwen in het plangebied zijn grotendeels verlaten en sommige vervallen. Daaromheen liggen paden en verhardingen als onderdeel van de parkeerplaatsen rondom de bebouwing (circa 10%). Verder zijn verspreid in het terrein waterpartijen en -gangen aanwezig (5%). Vanwege de relatief dichte begroeiing in het gebied was het niet goed mogelijk reliëf aan het maaiveld waar te nemen op grond waarvan uitspraken te doen zijn over het begraven kustlandschap in het terrein. Wel zijn lokaal laagtes aanwezig, die als gevolg van vergravingen in het terrein mogelijk als gevolg van de sloop zijn ontstaan3. Een overzicht van het huidig grondgebruik is terug te zien in een actuele luchtfoto van het plangebied (figuur 4) en enkele foto’s ten tijde van het onderzoek in bijlage 2.

Figuur 4: Actuele luchtfoto van het plangebied.

Lithologie en bodemopbouw In de boringen is vanaf een diepte tussen 15 en 250 cm –Mv, zand waargenomen (0,0 tot -2,3 m NAP). Het meeste zand hiervan is goed gesorteerd en heeft een mediane korrelgrootte van 150-210 μm (“matig fijn”). Het zand is van oorsprong vermoedelijk als duinzand afgezet. Dit blijkt mede uit de blonde (lichtgeelgrijze tot lichtgrijze) kleur van het zand en de ontkalking van het pakket. Alleen aan weerszijden van de Lijtweg-Frekeweg en enkele geïsoleerde stroken is in de boringen matig fijn tot matig grof zand waargenomen, dat grijs en kalkhoudend is. Hierin zijn eveneens schelpresten aanwezig. Dit zand is geïnterpreteerd als strandafzettingen en is van dieptes vanaf 30 cm -Mv tot

3

De ligging van deze waargenomen vergravingen is opgenomen in de boorpuntenkaart in bijlage 1.

9

beneden 300 cm -Mv in de ondergrond van het plangebied aanwezig. Zowel van de top van zand als van de top van het als strandafzetting geïnterpreteerde zand zijn dieptekaarten gemaakt. Deze zijn weergegeven in respectievelijk bijlage 3 en 4. Op basis van deze kaarten valt af te leiden dat ten eerste de ligging van de verschillende strandwallen binnen het plangebied te zien is. Daarbij valt te constateren dat de door Nales (2019a) benoemde zuidelijke strandwal (inderdaad) uit meerdere samengevoegde strandwallen bestaat, waarbij de centrale wal parallel aan de Lijtweg-Frekeweg de meest omvangrijke is. Ook liggen er twee smalle strandwallen in het noordelijk deel en één onder de Veursestraatweg. Op basis van de zanddieptekaart (die inzicht geeft in het voorkomen van duinzand binnen het plangebied) valt af te leiden dat duinzand verbreid in het terrein aanwezig is. In vergelijking met de ligging van de strandwallen is het oorspronkelijke strandreliëf sterk door duinzand gemaskeerd. Op basis van de boringen varieert de dikte van de waargenomen duinafzettingen tussen 10 en 280 cm. Waar dikke pakketten duinzand zich bevinden, is weergegeven in bijlage 5. De variatie in het voorkomen van duin- en strandzand is eveneens te zien in het lithologisch profiel in bijlage 6.

Er zijn tijdens het booronderzoek met uitzondering van enkele lagen duinzand met resten hout geen begraven bodemniveaus binnen het duinzand waargenomen. Op het duinzand bevindt zich in de lage delen tussen de strandwallen en geïsoleerde laagten binnen het duinzand een laag mineraalarm veen. Het voorkomen van veen binnen het plangebied is weergegeven in bijlage 7 (geprojecteerd op de zanddieptekaart). De laag varieert in dikte tussen circa 10-140 cm, is matig tot soms sterk verteerd en donkerbruin van kleur. Vanwege de mate van vertering zijn niet altijd goed plantenresten in het veen te herkennen (matig tot sterk amorf), maar er lijken zowel riet- als houtresten aanwezig. Tevens kenmerkt het veen zich op plekken waar de veenlaag relatief dun is door een verhoogd zandgehalte (boringen 6, 20, 26, 27, 47, 48, 61, 78, 95, 131, 167 en 169). Vermoedelijk is dit verhoogde zandgehalte het gevolg van het instuiven van duinzand vlakbij. Binnen het veen zijn verder geen lokaal verteerde of veraarde niveaus aanwezig, die te duiden zijn als een tred- of bewoningsniveau. De top van het bodemprofiel in het plangebied wordt gevormd door een verstoringspakket dat bestaat uit een gemiddeld 60 cm dik zwak tot matig humeus pakket zwak siltig zand, waarin wortelresten, modern baksteenpuin en zand, en soms veen- en kleibrokken vermengd zijn (gemiddeld tot -0,6 m NAP).

Vermoedelijk is het pakket het resultaat van omwerking als gevolg van het landgebruik in het plangebied (als landbouwgrond) en de stichting van Park Schakenbos. Lokaal is wel sprake van enkele diepreikende verstoringen, die zelfs tot 240 cm -Mv reiken. Deze hangen mogelijk samen met ontgravingen ten behoeve van het verwijderen van obstakels in het gebied. De waargenomen verstoringsdieptes per boring zijn weergegeven in bijlage 8. Naast de verstoringen als gevolg van de ingebruikname van het terrein, hebben in het verleden eveneens graafwerkzaamheden plaatsgevonden waarbij het oorspronkelijk strandwal-reliëf is verdwenen. Net als in de rest van het kustlandschap zijn hierbij de toppen van de strandwallen afgegraven of afgeschoven. Het effect hiervan is schematisch weergegeven in figuur 5. Dit is in het plangebied ook het geval. Doordat op de hoge delen van de strandwal de duinafzettingen verdwenen zijn, liggen hier strandafzettingen direct onder het verstoringspakket. Voor die plaatsen geldt dat archeologisch gezien deze plekken verstoord zijn, aangezien al het duinzand (waarop en –in archeologische resten aanwezig kunnen zijn, zijn verdwenen. Een overzicht van de plaatsen waar strandafzettingen direct onder de verstoringslaag liggen, is weergegeven in bijlage 8 (met ‘*’).

Hier valt direct de relatie tussen de mate van verstoring en de ligging van de strandwallen in het gebied op.

10

Figuur 5: Schematisch overzicht van de opbouw van een (geëgaliseerd) strandwallenlandschap (uit: Schute, 2007).

Bodems en cultuurlagen in (de top van) het duinzand Er zijn tijdens het veldonderzoek op slechts twee plekken sporen van bodemvorming in de top van het duinzand aangetroffen (boring 171 en 202). Deze kenmerken zich door een zwak humeuze aanrijking van de top van het duinzand. In beide gevallen liggen deze niveaus aan de rand van een strandwal, al dan niet begraven in duinzand. In de rest van het plangebied zijn geen duidelijke sporen van bodemvorming in de top van het duinzand herkend. Dit kan enerzijds het gevolg zijn dat de bodemvorming nooit heeft kunnen optreden, maar ook dat sporen van bodemvorming deels opgenomen zijn in het erboven gelegen verstoringspakket. Ook in het duinzand ontbreken sporen van bodemvorming. Wel zijn op enkele locaties in het duinzand niveaus met vegetatieresten aangetroffen (op circa -0,4 tot -0,8 m NAP). De verbreiding van deze plekken, allemaal gelegen langs de flank van een strandwal, is weergegeven in bijlage 9. Duidelijke cultuurlagen, zoals deze tijdens andere onderzoeken in de omgeving van het plangebied zijn aangetroffen, zijn in het gebied tijdens het booronderzoek niet als zodanig herkend in de top van het duinzand (Nales, 2018). Alleen in boring 43 kenmerkt de top van het duinzand zich door een ‘vuil-‘ tot donkergrijze kleur, maar of dit het gevolg is van antropogene activiteit is onzeker.

11

8. Landschappelijke interpretatie en archeologische verwachting Op basis van het veldonderzoek is een kustlandschap in beeld gebracht dat uit meerdere aaneengeschakelde strandwallen bestaat, waartussen strandvlaktes aanwezig zijn. Deze vlaktes zijn opgevuld met veen, maar met name ten zuidoosten van de Frekeweg-Lijtweg ook met duinzand. Hierdoor zijn ook de meest zuidoostelijk gelegen strandwallen niet goed meer van elkaar te onderscheiden, doordat ze bedekt zijn met duinzand. De ligging van de verschillende landschappelijke elementen is reeds beschreven en weergegeven in bijlages 2 tot en met 9. Resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen in het strandwallenlandschap De archeologische verwachting van het kustlandschap wordt bepaald door het reliëf en de mate van intactheid van de bodemopbouw. Hierin is op basis van het veldonderzoek meer inzicht verkregen. De resultaten van het veldonderzoek zijn zodoende met de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek vergeleken en aangevuld (Nales, 2019a). • Uit het veldonderzoek blijkt dat de hoge toppen van de strandwallen zijn verdwenen, vermoedelijk door afgraving. Langs de flanken zijn delen van het duinzand ook verdwenen, terwijl centraal op de strandwallen zelfs strandzand weggegraven is. Hier ligt strandzand direct onder de bouwvoor.

Voor die plekken geldt dat archeologisch gezien alle relevante lagen verdwenen zijn. Dit geldt ook voor de plekken, waar tijdens het veldonderzoek dieper ontgraven terreindelen zijn waargenomen en waar (lokaal) verstoringen dieper dan 140 cm -Mv zijn waargenomen. • Omdat de flanken en laagtes tussen de strandwallen in lager in het landschap lagen, zijn hier delen van het landschap juist bewaard gebleven. Hoe dit eruit ziet, is schematisch weergegeven in figuur 6. De aanwezigheid van veen, ook al betreft het een laag van enkele centimeters, vormt hierbij een goede indicator van een intacte top van het duinzand. Uit de resultaten van het onderzoek valt af te leiden dat veen aanwezig is op plaatsen waarde top van het duinzand zich op -0,8 m NAP of dieper aanwezig is. Hierboven ontbreekt veen en zijn delen van de oorspronkelijke top van het duinzand vervangen door een verstoringspakket. Bepalend voor de archeologische verwachting van het gebied is in hoeverre de top van het duinzand archeologisch intact te beschouwen is. Bij zanddiepten vanaf 0,8 m -NAP is de top van het duinzand in ieder geval nog intact.

Om tot een archeologisch verwachtingsmodel te kunnen komen is daarom binnen dit onderzoek ervoor gekozen met inbegrip van een marge van 20 cm aan de top van het duinzand vanaf een diepte van 0,6 m -NAP een hoge archeologische verwachting toe te kennen op het voorkomen van archeologische resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen4. Binnen deze diepte is de bodem archeologisch gezien verstoord te beschouwen. Het resterende duinzand bevat naar verwachting hier geen intacte archeologische sporen meer van bewoning. Hiervoor is het resterende dek te dun. Dit bleek reeds ook uit de reeds in het plangebied uitgevoerde proefsleuven onderzoeken (Ilson, 2010 en Van Campenhout, 2012). • Tijdens het onderzoek is tevens vastgesteld dat in het gebied soms dikke pakketten duinzand aanwezig zijn. Deze bevinden zich met name langs de strandwallen en in de depressies tussen de strandwallen, zoals deze in bijlage 3 zijn gereconstrueerd. Met name in het zuidoosten van het plangebied, waar sprake is een sterk wisselend reliëf in de strandafzettingen zijn in laagtes dikke lagen duinzand aanwezig. Binnen dit duinzand bestaat de mogelijkheid op het voorkomen van overstoven niveaus. Deze zijn niet perse te herkennen aan sporen van bodemvorming, zoals ook blijkt uit het ontbreken van duidelijke aanwijzingen hiervoor tijdens het onderzoek.

Wel zijn op plekken vegetatieresten in het duinzand vastgesteld die op een overstoven (oud) oppervlak kunnen wijzen. Hiermee is tevens niet uitgesloten dat binnen dergelijk dikke pakketten ook archeologische resten begraven liggen.

4

Deze waarde komt overeen met de gemiddeld waargenomen verstoringsdiepte in het plangebied.

12

Om deze gebieden te kunnen vertalen in een archeologisch verwachtingsmodel zijn enkele aannames gedaan. Als de strandwallenkaart vergeleken wordt met de dikte-duinzandkaart valt af te leiden dat deze ruwweg gelijk lopen met een duinzandpakket van 125 cm dik. Met een dergelijke minimale dikte is het ook nog enigszins aannemelijk dat hierbinnen goed geconserveerde begraven niveaus aanwezig kunnen zijn. De zones waarbinnen pakket met minimaal deze dikte binnen het plangebied voorkomen, is weergegeven in bijlage 10. Resten uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd in het strandwallenlandschap Binnen het plangebied zijn vier zones met een hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. De boringen op die plaatsen laten niet een mate van verstoring zien op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat er geen archeologische resten van deze bebouwing meer aanwezig zijn. Op de plaatsen is de ondergrond tot een diepte van circa 80-90 cm verstoord, maar getuige de aanwezigheid van baksteenpuin en mortel kan hier juist sprake zijn van oud bouwmateriaal als onderdeel van de voormalige bebouwing. Moderne indicatoren (zoals plastic en duidelijke zandbrokken) ontbreken, zodat het niet uit te sluiten is dat de verstoring samenhangt met sporen van de vroegere boerenerven op die plek.

Vlakbij één van deze plaatsen, ten noorden van boring 30, is zelfs aan het maaiveld een fragment handgevormd aardewerk aangetroffen, zeer waarschijnlijk kogelpot aardewerk (bijlage 1, figuur 7). Dergelijk aardewerk dateert in de 12e-14e eeuw, waarmee niet uit te sluiten is dat het aardewerk te koppelen zou zijn aan resten van een nederzetting op die plek. Daarom blijft de hoge verwachting op resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd binnen de vier zones in het plangebied gehandhaafd (conform Nales, 2019a). Tabel 1: Vondstmateriaal tijdens het veldonderzoek

Een archeologische verwachtingskaart In bijlage 11 is een archeologische verwachtingskaart gemaakt op basis van de onderzoeksgegevens en de hierboven beschreven afwegingen. De zones die hierbij een hoge archeologische verwachting hebben gekregen vertegenwoordigen de gebieden die op grond van hun intactheid en ligging binnen het voormalige kustlandschap waarbinnen nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Dit geldt zowel voor resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen als voor resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd.

13

Figuur 6: Schematisch model van het voorkomen van het archeologisch relevant niveau binnen het strandwallenlandschap in Schakenbos.

Figuur 7: Foto van het kogelpot aardewerk nabij boring 30.

14

9. Beantwoording onderzoeksvragen Wat is de bodemopbouw in het plangebied? In bijlage 6 is een lithologisch profiel weergegeven ter illustratie van de bodemopbouw in het plangebied. Deze bestaat in de basis uit strand(wal)afzettingen (kalkhoudend, schelphoudend zand), die begraven liggen onder duinzand (kalkloos geelgrijs zand). In de oorspronkelijk lagere terreindelen is tevens sprake van de aanwezigheid van veen. De top van het bodemprofiel bestaat uit een verstoringspakket, die gemiddeld 60 cm dik is. Op een enkele plek reiken verstoringen echter soms beneden 140 cm -Mv. Wat is er te zeggen van de genese van het plangebied gebaseerd op de aangetroffen lithologische lagen? De natuurlijke ondergrond is ontstaan door een samenspel van zee (strandafzettingen) en wind (duinafzettingen). Dit heeft in het plangebied voor een met duinzand afgedekt strandwallenlandschap. In de lagere delen in het noordwesten van het plangebied heeft zich tussen de strandwallen veen kunnen vormen. De grote strandwal in het zuidoosten van het plangebied lijkt op grond van het onderzoek te bestaan uit meerdere kleine strandwallen. De laagtes die hiertussen aanwezig zijn, zijn opgevuld geraakt met duinzand. Tegenwoordig is het reliëf in het plangebied niet meer te zien.

Uit het veldonderzoek is namelijk gebleken dat de hogere toppen van de strandwallen zijn geëgaliseerd, aangezien hier strandafzettingen direct onder de bouwvoor aanwezig zijn. Er zijn verschillende verbeeldingen gemaakt van de ruimtelijke opbouw van het landschap in bijlages 2 tot en met 9. Wat is de relatie tussen de bodemopbouw en de aanwezigheid van eventuele archeologische resten? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Op basis van het veldonderzoek is geconstateerd dat archeologische resten zich in ieder geval in de top van de duinafzettingen zullen bevinden, mits deze intact zijn gebleven. Dit is het geval, wanneer de top van het duinzand zich op een diepte vanaf 0,6 m -NAP bevindt. Vanaf 0,8 m -NAP ligt het duinzand onder veen begraven. Aangenomen wordt dat het duinzand binnen het plangebied voor de Bronstijd wel bewoonbaar of bruikbaar kon zijn geweest. Ook zijn tijdens het onderzoek in het zuidoosten van het plangebied laagtes vastgesteld, waarbinnen sprake is van dikke pakketten duinzand (>125 cm). In deze laagtes ontbreekt juist veen. Het is niet uitgesloten dat binnen deze pakketten archeologische resten begraven liggen, ondanks op enkele vegetatieresten geen duidelijke bodemniveaus zijn onderscheiden.

In hoeverre is de ondergrond van het plangebied archeologisch intact te beschouwen? Zie het antwoord op de vorige vraag. De top van het duinzand vanaf -0,6 m NAP is ongeroerd en zodoende archeologisch intact. Dit geldt eveneens voor de plekken waar op basis van het veldonderzoek minimaal 125 cm duinzand is vastgesteld. Ter plaatse van de vier boerderijplaatsen vormt bodemintactheid geen goede graadmeter om de aan- of afwezigheid van resten vast te stellen, aangezien als gevolg van historische bouw en sloop van de boerderijen ook bodemverstoringen hebben plaatsgevonden (Nales, 2019a). Is de archeologische verwachting van het plangebied op basis van de resultaten van het veldonderzoek bij te stellen dan wel verder te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? In bijlage 11 is een verwachtingskaart weergegeven waarop de zones van hoge archeologische verwachting op resten uit het Neolithicum-Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd staan weergegeven. Deze vormt een aanpassing op de verwachtingskaart uit het bureauonderzoek

15

(Nales, 2019a). Aan de overige gebieden is een lage archeologische verwachting toegekend op grond van een beperkte mate van intactheid van de bodem. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en wat is hierbij de aanbevolen onderzoeksmethode voor de verschillende gespecificeerde verwachtingszones binnen het plangebied? Indien in het plangebied grootschalige herontwikkelingen gepland worden, verdient het de aanbeveling de gebieden met een hoge verwachting vervolgonderzoek uit te voeren. Dit betreft dan een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Hiertoe bestaan in principe twee technieken, een karterend booronderzoek of een karterend proefsleuvenonderzoek 5. Het verdient in principe de voorkeur in het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Ten eerste zijn binnen het plangebied op verschillende plekken archeologische resten te verwachten binnen duinzandpakketten en zijn er resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd aanwezig. Deze beide laten zich onmogelijk door het uitvoeren van boringen opsporen, aangezien de archeologische resten zich uitsluitend kenmerken door sporen en niet door bodemlagen. Ook zijn met behulp van boringen geen uitspraken te doen over de aanwezigheid van bebouwingsresten, omdat muurresten met boringen ook niet (goed) op te sporen zijn. Ten tweede is er sprake van enige planologische druk op het project.

Het graven van proefsleuven biedt hierin het voordeel dat er gelijk sprake is van een waardering van eventuele archeologische resten in het gebied, hetgeen in het kader van de planologische procedure gevraagd wordt. Een volledige waardering is met uitsluitend boringen absoluut niet mogelijk. Karterend booronderzoek zou wel uitkomst kunnen bieden in de niet-toegankelijke terreindelen, met name waar nu nog bos staat. Proefsleuven zijn in die delen van het plangebied lastig uit te voeren. Booronderzoek biedt hier juist een uitkomst aangezien vanwege het voorkomen van een veenlaag op de duinafzettingen een eventuele vondstlaag in principe nog volledig intact is. Met een opsporingsgerichte aanpak op de flanken van de strandwal zouden boringen op die plekken inzicht wel inzicht kunnen geven of er eventueel resten aanwezig zouden zijn, zeker in combinatie met de aanwezigheid van proefsleuven nabij. Voor het graven van proefsleuven zal er rekening mee gehouden moeten worden, dat er mogelijk met bemaling zal moeten worden gewerkt, met name in het noordelijk deel van het plangebied. Hier kan namelijk sprake zijn van relatief hoge grondwaterstanden.

Voor het uitvoeren van een proefsleuven onderzoek dient de werkwijze te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat door de gemeente Leidschendam-Voorburg dient te worden beoordeeld en goedgekeurd alvorens met de werkzaamheden kunnen worden begonnen.

5

Een derde techniek betreft geofysisch onderzoek, maar deze werkt uitsluitend ter ondersteuning/in combinatie van de eerder genoemde technieken. Ook zijn er in de bodem (kabels, wortels) en aan het maaiveld (bos) dusdanig veel obstakels aanwezig, dat de goede uitvoering van een dergelijk onderzoek in de weg staat.

16

10. Conclusie en Advies Conclusie • Op basis van het veldonderzoek is een kustlandschap in beeld gebracht dat uit meerdere aaneengeschakelde strandwallen bestaat, waartussen in het noordwesten van het plangebied strandvlaktes aanwezig zijn. Deze vlaktes zijn opgevuld met veen, dat zich vermoedelijk sinds de Bronstijd heeft kunnen vormen. De grote strandwal in het zuidoosten van het plangebied lijkt op grond van het onderzoek te bestaan uit meerdere kleine strandwallen. De laagtes die hiertussen aanwezig zijn, zijn opgevuld geraakt met duinzand. Tegenwoordig is het reliëf in het plangebied niet meer te zien. Uit het veldonderzoek is namelijk gebleken dat de hogere toppen van de strandwallen zijn geëgaliseerd, aangezien hier strandafzettingen direct onder de bouwvoor aanwezig zijn. • Tevens is geconstateerd dat archeologische resten in het plangebied aanwezig kunnen zijn, mits de top van de duinafzettingen intact is gebleven. Deze mogelijkheid bestaat wanneer de top van het duinzand zich op een diepte vanaf 0,6 m -NAP bevindt. Vanaf 0,8 m -NAP ligt het duinzand onder veen begraven. Hierbij is veen met name in het noordwesten van het plangebied aangetroffen. In het zuidoosten van het plangebied zijn ook laagtes in de strandafzettingen aanwezig, maar deze zijn opgevuld met dikke pakketten duinzand (>125 cm).

Het is niet uitgesloten dat binnen deze pakketten archeologische resten begraven liggen, ondanks op enkele vegetatieresten geen duidelijke bodemniveaus zijn onderscheiden. • In bijlage 11 is een archeologische verwachtingskaart gemaakt op basis van de onderzoeksgegevens en de hierboven beschreven afwegingen. De zones die hierbij een hoge archeologische verwachting hebben gekregen vertegenwoordigen de gebieden die op grond van hun intactheid en ligging binnen het voormalige kustlandschap waarbinnen nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Dit geldt zowel voor resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen als voor resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Aan de overige gebieden is een lage archeologische verwachting toegekend op grond van een beperkte mate van intactheid van de bodem. Advies In het kader van de bestemmingsplanwijziging in het plangebied, adviseren wij om in de hoge verwachtingszones in bijlage 11 aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren (IVO, karterende/waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden met behulp van proefsleuven (IVO-P), mogelijk aangevuld met karterende boringen op moeilijk te bereiken locaties. Een uitgebreide motivering en afweging van een te volgen strategie staat op pagina 16 van dit rapport toegelicht.

Aan de hand van dit onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid, aard, omvang en datering van archeologische resten in het plangebied worden vastgesteld. Het onderzoek zou kunnen leiden tot de archeologische afwaardering van (delen van) het terrein, wanneer (op die plekken) nauwelijks of geen sprake zou zijn van een waardevolle vindplaats, maar zou ook juist inzicht kunnen geven in de aanwezigheid van waardevolle resten waarmee in de verdere planvorming rekening mee moet worden gehouden. Voor de lage verwachtingszones wordt geen vervolgonderzoek voorgesteld. Voor dergelijk onderzoek dient de werkwijze te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE), dat door de gemeente Leidschendam-Voorburg dient te worden beoordeeld en goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Leidschendam-Voorburg) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

17

11. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.dinoloket.nl • www.ahn.nl Literatuur: • De Groot, R., 2007. Plangebied Lijtweg 18 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg. Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP notitie 2262. Weesp. • Ilson, P.J., 2010. Plangebied Schakenbos, deelgebied Zuid t.h.v. de kinderboerderij. Gemeente Leidschendam-Voorburg. Archeologisch Vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven). RAAP-rapport 2095, Weesp • Molthof, H., in prep., de uitwerking van het archeologisch proefsleuvenonderzoek in het plangebied Vlietvoorde. RAAP-rapport, Weesp. • Mulder, E.F.J., M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. • Nales, T., 2017. Leidschendam, Vlietvoorde. Een inventariserend veldonderzoek, aanvullende verkennende fase – Neolithicum. Transect-rapport, Nieuwegein • Pruissers, A.P./W. de Gans, 1988: De bodem van Leidschendam, in Daams, F.H.C.M./J.D. de Kort (red.): Over, door en om de Leytsche Dam, Leidschendam. • Van Campenhout, K. 2012. Op de strandwallen in Leidschendam, Plangebied Schakenbos. Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. ADC Rapport 2637, Amersfoort • Van der Valk, L. en R. Hirschel, 2010.

Een noodopgraving van een vroege Vlaardingen vindplaats aan de Frekeweg, gemeente Leidschendam-Voorburg: lessen geleerd (?). Westerheem 2010. pp 120-133

18

Bijlage 1: Boorpuntenkaart

19

Bijlage 2: Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek

Foto ter hoogte van boring 28, in noordoostelijke richting

Foto ter hoogte van boring 50, ingemeten laagte.

Foto ter hoogte van 163 in oostelijke richting

Foto ter hoogte van boring 94 in noordelijke richting

20

Bijlage 3: Top van de strandafzettingen (kaart)

21

Bijlage 4: Zanddieptekaart

22

Bijlage 5: Dikte van het duinzand (kaart)

23

Bijlage 6: Lithologisch profiel (boring 61-79)

24

Bijlage 7: Veen-verbreidingskaart

25

Bijlage 8: Verstoringskaart

26

Bijlage 9: Bodemniveaus (kaart)

27

Bijlage 10: Dikke-duinzandenkaart

28

Bijlage 11: Archeologische verwachtingskaart

29

Bijlage 12: Boorbeschrijvingen

30

boring: 19563-1 beschrijver: LJOL, datum: 23-7-2019, X: 88.242, Y: 456.928, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 30G, hoogte: 0,68, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Leidschendam-Voorburg, plaatsnaam: Leidschendam, opdrachtgever: Schakenbosch B.V., uitvoerder: Transect

0 cm -Mv / 0,68 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, lichtbruingrijs, zeer fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Opmerking: Gevlekt

60 cm -Mv / 0,08 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtbruin, zandbrokken, zeer fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord

130 cm -Mv / 0,62 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen

150 cm -Mv / 0,82 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn, spoor plantenresten, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen Opmerking: Goed gesorteerd

190 cm -Mv / 1,22 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, zeer fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen Opmerking: Goed gesorteerd

Einde boring op 300 cm -Mv / 2,32 m -NAP

1

boring: 19563-2 beschrijver: LJOL, datum: 23-7-2019, X: 88.112, Y: 457.097, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 30G, hoogte: 0,14, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Leidschendam-Voorburg, plaatsnaam: Leidschendam, opdrachtgever: Schakenbosch B.V., uitvoerder: Transect

0 cm -Mv / 0,14 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsbruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord

60 cm -Mv / 0,46 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, zeer fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: Goed gesorteerd

90 cm -Mv / 0,76 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, zeer fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen Opmerking: Goed gesorteerd

110 cm -Mv / 0,96 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, matig fijn, schelpengruis, spoor plantenresten, kalkrijk, interpretatie: strand(vlakte)afzettingen

220 cm -Mv / 2,06 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, matig fijn, schelpengruis, kalkrijk, interpretatie: strand(vlakte)afzettingen

Einde boring op 300 cm -Mv / 2,86 m -NAP

2

boring: 19563-3 beschrijver: LJOL, datum: 23-7-2019, X: 88.135, Y: 457.057, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 30G, hoogte: 0,18, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Leidschendam-Voorburg, plaatsnaam: Leidschendam, opdrachtgever: Schakenbosch B.V., uitvoerder: Transect

0 cm -Mv / 0,18 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsbruin, zeer fijn, kalkloos Bodemkundig: enkele Fe-vlekken, interpretatie: verstoord

70 cm -Mv / 0,52 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, zeer fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen

120 cm -Mv / 1,02 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijsbruin, zeer fijn, spoor plantenresten, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen

170 cm -Mv / 1,52 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, grijs, zeer fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen

260 cm -Mv / 2,42 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, zeer fijn, spoor plantenresten, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen

Einde boring op 300 cm -Mv / 2,82 m -NAP

3

boring: 19563-4 beschrijver: LJOL, datum: 23-7-2019, X: 88.267, Y: 456.959, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 30G, hoogte: 0,45, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: grasland, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Leidschendam-Voorburg, plaatsnaam: Leidschendam, opdrachtgever: Schakenbosch B.V., uitvoerder: Transect, opmerking: Viermaal gestaakt op puin in boorgat (zuigerboor)

0 cm -Mv / 0,45 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, matig grindig, grijsbruin, zeer fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Modern rood baksteenpuin

50 cm -Mv / 0,05 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, grijsbruin, zeer fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: Gevlekt, modern rood baksteenpuin

90 cm -Mv / 0,45 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeelgrijs, zeer fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen Opmerking: Goed gesorteerd

Einde boring op 150 cm -Mv / 1,05 m -NAP

boring: 19563-5 beschrijver: LJOL, datum: 17-7-2019, X: 87.752, Y: 457.452, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 30G, hoogte: -0,35, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: plantsoen, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Leidschendam-Voorburg, plaatsnaam: Leidschendam, opdrachtgever: Schakenbosch B.V., uitvoerder: Transect

0 cm -Mv / 0,35 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, bruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord

40 cm -Mv / 0,75 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtbruingrijs, zandbrokken, matig fijn Bodemkundig: enkele Fe-vlekken, interpretatie: verstoord Opmerking: Gevlekt

70 cm -Mv / 1,05 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: veen, mineraalarm, bruin, veen (niet gedifferentieerd), normaal (alleen zand en veen)

110 cm -Mv / 1,45 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, matig fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen Opmerking: Goed gesorteerd

150 cm -Mv / 1,85 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, matig fijn, schelpengruis, spoor plantenresten, kalkrijk, interpretatie: strand(vlakte)afzettingen Opmerking: Matig gesorteerd

Einde boring op 220 cm -Mv / 2,55 m -NAP

4

boring: 19563-6 beschrijver: LJOL, datum: 17-7-2019, X: 87.783, Y: 457.423, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 30G, hoogte: -0,15, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: plantsoen, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Leidschendam-Voorburg, plaatsnaam: Leidschendam, opdrachtgever: Schakenbosch B.V., uitvoerder: Transect, opmerking: Zuigerboor loopt meermaals leeg

0 cm -Mv / 0,15 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtbruingrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord

30 cm -Mv / 0,45 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijsbruin, zandbrokken, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Opmerking: Gevlekt

70 cm -Mv / 0,85 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: veen, sterk zandig, grijsbruin, zandbrokken, veen (niet gedifferentieerd), normaal (alleen zand en veen) Bodemkundig: enkele Fe-vlekken, interpretatie: verstoord

90 cm -Mv / 1,05 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgeelgrijs, matig fijn, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen Bodemkundig: enkele Fe-vlekken Opmerking: Goedd gezorreerd

120 cm -Mv / 1,35 m -NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, lichtgrijs, matig fijn, spoor plantenresten, kalkloos, interpretatie: duinafzettingen

Einde boring op 200 cm -Mv / 2,15 m -NAP

5

boring: 19563-7 beschrijver: LJOL, datum: 17-7-2019, X: 87.813, Y: 457.397, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 30G, hoogte: -0,04, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 en guts-3 cm, doel boring: archeologie - verkenning, landgebruik: plantsoen, provincie: Zuid-Holland, gemeente: Leidschendam-Voorburg, plaatsnaam: Leidschendam, opdrachtgever: Schakenbosch B.V., uitvoerder: Transect

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=5ff346f9-1417-4a69-b604-cc601470c86e