Bijlage 1947-24 Bijlage 11 toelichting Aanvullend vleermuizenonderzoek bomenkap
Tekst van het document
Nader onderzoek vleermuizen tweede kapronde Voorlei
Primum Podium 9, 3826 PA Amersfoort Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 186 99 00 www.primum.nl
Rapport project projectnummer projectverantwoordelijke
opdrachtgever postadres
Ecologie Schakenbosch Leidschendam 17020005 Patrick Dassen Schakenbosch bv Mariahoek 4, 3511 LD UTRECHT
contactpersoon
A. Mulder
status
Definitief
auteur
Dieuwertje Boonstra MSc.
paraaf gecontroleerd
ing. Esmée Schutgens
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding Doel Leeswijzer
3 3 3 3
2 2.1 2.2
Het Project Huidige situatie Beoogde ontwikkeling
4 4 4
3 3.1 3.2
Onderzoeksmethode Vleermuizen Overige soorten
6 6 8
4 4.1 4.2
Resultaten Vleermuizen Overige soorten
9 9 12
5 5.1 5.2
Effectenbeoordeling Effecten Toetsing Wet natuurbescherming
13 13 13
6
Conclusies
15
Bronnen
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
16
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Schakenbosch b.v. is voornemens het perceel aan de Veursestraatweg 185 te Leidschendam (provincie Zuid-Holland) te herontwikkelen. Voor de herontwikkeling zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd, waaronder een quickscan (Debruyne, 2017) en enkele nader onderzoeken aan bebouwing (Koorevaar, 2017). Onderdeel van de herontwikkeling betreft noodzakelijke kapwerkzaamheden binnen het terrein. De te kappen bomen zijn in een eerdere stadium gecontroleerd op mogelijke aanwezigheid van natuurwaarden, zoals holtes en jaarrond beschermde nesten (Debruyne, 2020). Hieruit bleek dat er geen jaarrond beschermde nesten aanwezig waren, maar wel 30 bomen met mogelijk voor vleermuis geschikte holtes. Hieruit blijkt dat met de voorgenomen kapwerkzaamheden effecten op jaarrond beschermde vaste rust- verblijfplaatsen van vleermuizen niet op voorhand zijn uit te sluiten. Door middel van een nader onderzoek naar vleermuizen kan vastgesteld worden of de eerder genoemde strikt beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn en of deze aangetast worden door de werkzaamheden. Pas als het exacte gebruik van het plangebied door deze soorten bekend is, kan worden bepaald of sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming.
Deze rapportage beschrijft de methode en de resultaten van het nader onderzoek naar de beschermde soorten vleermuizen en verwoord of met de kapwerkzaamheden sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming. 1.2 Doel Door middel van het nader onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: • Zijn er vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig? • Hebben de voorgenomen werkzaamheden effect op bovengenoemde vaste rust- en verblijfplaatsen? • Zijn deze effecten in strijd met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming? • Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk? 1.3 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied en de geplande ingrepen. In hoofdstuk 3 wordt de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd. In hoofdstuk 5 zijn de mogelijke effecten van de ingreep gerelateerd aan de aanwezige soorten en getoetst aan de Wet natuurbescherming. In hoofdstuk 6 volgt de conclusie. Ten slotte is een korte literatuurlijst opgenomen.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
2
Het Project
2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van de bebouwde kom van Leidschendam en bestaat uit een terrein van ruim 30 hectare. Het terrein werd voorheen gebruikt als zorginstelling. Verschillende gebouwen uit deze periode zijn nog aanwezig in het plangebied. Het terrein wordt gekenmerkt door grote bomen, groene ruimten en waterpartijen met een parkachtig karakter. Het plangebied wordt in hoofdzaak ontsloten via de Veursestraatweg (N447) en via de Gravin Marialaan. Het plangebied wordt aan de zuidwest zijde begrensd door een woonwijk. Onderstaande afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.
Afbeelding 1: Plangebied ‘De Voorlei’ te Leidschendam.
2.2 Beoogde ontwikkeling Het beoogde plan betreft de herontwikkeling van het gehele terrein, inclusief bebouwing. Onderdeel van de herontwikkeling is de kap van een groot aantal bomen verspreid over het terrein. Afbeelding 2 geeft een overzicht van de te kappen bomen en welke bomen hiervan mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Afbeelding 2. Ligging te kappen bomen en geschiktheid als verblijfplaats voor vleermuizen (Boomtotaalzorg, 2020).
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
3
Onderzoeksmethode
Dit hoofdstuk beschrijft de onderzoeksmethode van het uitgevoerde nader onderzoek. Beschreven wordt voor welke soorten nader onderzoek is uitgevoerd, welke onderzoeksprotocollen gehanteerd zijn en welke dagen en onder welke weersomstandigheden het onderzoek is uitgevoerd. 3.1 Vleermuizen Het nader onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureau’s, 2017). Op basis van de aanwezige potenties voor boombewonende vleermuizen is het onderzoek afgestemd op algemeen voorkomende boombewonende soorten zoals de gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis. Om de gebruiksfuncties van het plangebied als kraam-, zomer-, paar-, en winterverblijfplaats vast te stellen dan wel uit te sluiten zijn verschillende veldbezoeken uitgevoerd in de periode van mei tot oktober. Het inventariseren van vliegroutes en foerageergebieden is gelijktijdig met de overige inventarisaties uitgevoerd. Voor een volledig beeld is hierbij zowel een ochtendronde als een avondronde uitgevoerd. Binnen het plangebied zijn de te kappen bomen met mogelijk geschikte holtes in een eerdere fase op kaart gezet. In totaal betrof het 29 holtebomen (zie afbeelding 2). Van deze holtebomen is als eerste bepaald of ze geschikt zijn als vleermuisverblijfplaats (holte van voldoende grootte en diepte) en welke holtes middels endoscoopcamera volledig visueel te inspecteren zijn.
Hieruit kwam naar voren dat 19 bomen geschikt zijn als mogelijke verblijfplaats. Hiervan zijn 9 bomen niet volledig te inspecteren met endoscoop camera. Op basis hiervan is een werkwijze opgesteld om een zo dekkend mogelijk onderzoek uit te voeren. Hierbij is gekozen om 4 bomen (overdag) met endoscoop camera te onderzoeken. De overige 15 bomen zijn onderzocht met een batdetector en warmtebeeldcamera. In afbeelding 3 worden geschikte boomholtes weergegeven en aangegeven welke bomen met behulp van een endoscoop camera zijn onderzocht.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Afbeelding 3. Geschikte holtebomen als verblijfplaats voor vleermuizen (blauwe en geel). Met endoscoop onderzochte bomen (geel) en met batdetector onderzochte bomen (blauw) (bron: Boomtotaalzorg, 2020; bewerkt).
Tijdens de inventarisaties van 10 bomen is op grond van geluid en zicht geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Batlogger M) is de echolocatie die vleermuizen uitzenden, hoorbaar gemaakt voor mensen. Gedurende de bezoeken zijn continue opnamen gemaakt. Door daarnaast zoveel mogelijk visueel waar te nemen (met onder andere een warmtebeeld camera type Pulsar Helion XP28), is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. De inventarisaties naar vleermuizen zijn uitgevoerd tussen zonsondergang en zonsopkomst. In deze periode is per inventarisatie minimaal twee uur geïnventariseerd. De bezoeken zijn uitgevoerd door twee personen. De overige vier bomen zijn onderzocht middels endoscoopcamera (Ridgid Micro CA-350). De inspecties hebben plaatsgevonden door het beklimmen van de boom en volgens de holte visueel te inspecteren. In tabel 1 is een overzicht weergeven van de uitgevoerde inventarisaties. De onderzoeken met endoscoop zijn uitgevoerd door ir. M. Debruyne (MDE) van Boomtotaalzorg. Overige vleermuisinventarisaties zijn uitgevoerd door twee personen van Stichting Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland (SZZH).
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Tabel 1. Overzicht van de uitgevoerde inventarisaties en de bijhorende gegevens. Datum
Tijd
Onderzoek
Omstandigheden
Onderzoeker(s)
2-6-2020
Overdag
Vleermuisinspectie met endoscoop (kraam- en zomerverblijfplaats)
20 ºC, windkracht 2, bewolkt, MDE geen neerslag
5-6-2020
2.20 uur 5.20 uur
Vleermuisronde met batdetector 11 ºC, windkracht 3, bewolkt, SZZH (kraam- en zomerverblijfplaats) geen neerslag
18-7-2020 21.50 uur – 00.20 uur
Vleermuisronde met batdetector 11 ºC, windkracht 3, helder, (kraam- en zomerverblijfplaats) geen neerslag
SZZH
22-7-2020 Overdag
Vleermuis inspectie met endoscoop (kraam- en zomerverblijfplaats)
MDE
21-8-2020 20.50 uur – 23.50 uur
Vleermuisronde met batdetector 22 ºC, windkracht 3, bewolkt, SZZH (paar- en winterverblijfplaats) geen neerslag
2-9-2020
Overdag
Vleermuis inspectie met endoscoop (najaarsronde)
4-9-2020
20.19 uur – 23.19 uur
Vleermuisronde met batdetector 16 ºC, windkracht 3, bewolkt, SZZH (paar- en winterverblijfplaats) geen neerslag
14-9-2020 Overdag
Vleermuis inspectie met endoscoop (najaarsronde)
18 ºC, windkracht 2, half bewolkt, geen neerslag
15 ºC, windkracht 1, licht bewolkt, geen neerslag
17 ºC, windkracht 1, mistig, geen neerslag
MDE
MDE
3.2 Overige soorten Tijdens de veldronden is tevens gelet op overige aanwezige beschermde soorten. Waarnemingen van deze soorten worden, indien relevant voor de beoogde ontwikkelingen en het projectgebied besproken.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
4
Resultaten
Dit hoofdstuk beschrijft de resultaten van het uitgevoerde nader onderzoek naar. Per gebruiksfunctie worden de resultaten besproken. In dit hoofdstuk wordt de eerste vraag van de doelstelling beantwoord: • Zijn in het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten aanwezig? 4.1 Vleermuizen Algemene inspectie met endoscoop Op 2 juni 2020 zijn alle holtebomen geïnspecteerd op geschiktheid voor vleermuizen. Hierbij zijn tevens alle toegankelijk holtebomen met endoscoop onderzocht. Resultaten van dit onderzoek worden weergegeven in tabel 2. Ter indicatie worden in afbeelding 4 enkele boomholtes weergegeven. Tabel 2: Resultaten inspectie holtebomen van 2 juni 2020 (uitgevoerd door Boomtotaalzorg).
datum referentie
Boom ID nr.
Boomsoort
Object
Geschikt als verblijfplaats
Vleermuis (sporen) aangetroffen
Opmerking
370
Treurwilg
Holte
Ja
Nee
Holte 50 cm horizontaal ingerot. Nest halsbandparkiet aangetroffen.
415
Hartbladige Els
Holte
Nee
-
Holte te ondiep.
486
Europese linde
Holte
Ja
Nee
30 cm naar boven ingerot.
517
Europese linde
Holte
Nee
-
2 holtes, te ondiep
614
Treurwilg
Holte/ schors
Ja
Niet helemaal te controleren
Meerdere holtes. 1 holte 30 cm naar boven ingerot, geen vleermuis aangetroffen. Loshangend schors niet geheel te controleren
829
Amerikaanse eik
Schors
Mogelijk
Niet te controleren
865
Zoete kers
Holte
Nee
-
Holte te ondiep
951
Treurwilg
Holte
Nee
-
4 holtes, te ondiep. Vogelnestje aangetroffen
971
Kaukasische vleugelnoot
Holte
Ja
Nee
Grote holte, 1 meter naar boven ingerot. Vogelnestje aangetroffen.
1024
Treurwilg
Schors
Mogelijk
Niet te controleren
1079
Witte els
Holte
Ja
Nee
Holte naar boven ingerot. Nest van halsbandparkiet aangetroffen.
1249
Canadese populier
Schors / scheur
Mogelijk
Niet te controleren
Scheur is geschikt, geen vleermuis aangetroffen. Holte dood uiteinde is niet te controleren.
1257
Canadese populier
Schors
Mogelijk
Niet te controleren
1259
Canadese populier
Holte
Mogelijk
Niet te controleren
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Holte in dood uiteinde
Boom ID nr.
Boomsoort
Object
Geschikt als verblijfplaats
Vleermuis (sporen) aangetroffen
Opmerking
1264
Canadese populier
Holte
Ja
Nee
1268
Europese linde
Holte
Ja
Nee
Holte 40 cm horizontaal ingerot
1294
Schietwilg
Holte
Ja
Nee
Holte 50 cm naar boven ingerot
20.1
Tamme kastanje
Holte
Nee
-
Ondiepe holte
31.1
Canadese populier
Holte
Nee
-
Niet naar boven ingerot
35.1
Ruwe berk
Holte
Nee
-
Boom is omgevallen
36.1
Canadese populier
Holte
Ja
Nee. Niet helemaal te controleren
Grote holte >1 meter naar boven ingerot
41.1
Hartbladige Els
Holte
Ja
Nee
Holte 10 cm ingerot naar boven
59.1
Canadese populier
Holte
Nee
-
Boom reeds gekapt i.v.m. veiligheid (noodkapvergunning)
59.2
Canadese populier
Holte
Ja
Nee
Dode boom met stambreuk, geschikt. Andere boom met 2 holtes niet geschikt, te ondiep ingerot.
67.1
Esdoorn
Holte/ scheur
Ja
Nee
3 kleine holtes te ondiep ingerot, Spechtenhol is opengescheurd van boven, scheur is geschikt.
68.1
Canadese populier
Holte
Nee
-
Boom is omgevallen
68.2
Canadese populier
Holte
Mogelijk
Niet te controleren
68.3
Canadese populier
Holte/ schors
Mogelijk
Niet te controleren
68.4
Gewone es
Holte
Nee
-
Holte van boven opengescheurd, niet naar boven ingerot.
Afbeelding 4. Enkele aanwezige boomholtes binnen plangebied ‘De Voorlei’ (Boomtotaalzorg, 2020).
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Kraam- en zomerverblijfplaats Binnen het plangebied zijn geen kraam- of zomerverblijfplaatsen aangetroffen. In de met endoscoop onderzochte holtes zijn geen (sporen van) vleermuizen aangetroffen. Tijdens het onderzoek met batedetector zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger waargenomen. Deze werden echter alleen passerend of foeragerend waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen dat de holtebomen gebruikt worden door vleermuizen. Paar- en winterverblijfplaatsen Tijdens de veldbezoek met batdetector voor paar- en winterverblijfplaatsen zijn geen baltsende of zwermende vleermuizen aangetroffen. Ook in de met endoscoop onderzochte bomen zijn geen (sporen van) vleermuizen aangetroffen. Aanwezigheid van een winter- of paarverblijfplaats wordt daarom uitgesloten. Tijdens de rondes met batdetector zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger foeragerend en overvliegend waargenomen. Vliegrouten en foerageergebieden In het plangebied zijn de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus), watervleermuis (Myotis daubentonii), rosse vleermuis (Nyctalus noctulus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus) foeragerend en passerend waargenomen.
De meeste waarnemingen betroffen gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis, respectievelijk 674 en 72 keer. Overige soorten zijn minder dan 25 keer waargenomen. Alle waarnemingen worden weergegeven in afbeelding 5.
Afbeelding 5. Overzicht van alle waarnemingen per soort (bron: Stichting Zoogdierwerkgroep ZuidHolland).
Bosranden en boomkronen binnen het plangebied worden gebruikt om te foerageren. Het aanwezige foerageergebied is daardoor van belang voor verschillende soorten. Binnen het datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
plangebied is in de bebouwing (Hoofdgebouw) een kraamverblijf van gewone dwergvleermuis aanwezig (Koorevaar, 2017). Hierdoor is in het kraamseizoen mogelijk sprake van essentieel foerageergebied. Binnen het plangebied zijn verschillende passerende vleermuizen waargenomen. De passerende vleermuizen gebruikten echter verschillende routes om het plangebied uit verschillende richtingen te doorkruizen. Binnen het plangebied zijn geen duidelijke vliegroutes aangetroffen. Doordat er in de omgeving veel alternatie lijnvormige water- en groenelementen aanwezig zijn, is van een essentiële vliegroute geen sprake. 4.2 Overige soorten Tijdens de veldbezoeken zijn enkele vogelnesten aangetroffen in de te kappen bomen. Van jaarrond beschermde nesten is geen sprake. Overige beschermde soorten zijn niet waargenomen.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
5
Effectenbeoordeling
Dit hoofdstuk beschrijft of de ingreep zoals beschreven in hoofdstuk 2 leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De resultaten van het nader onderzoek (hoofdstuk 4) worden getoetst aan de verboden zoals genoemd in de Wet natuurbescherming. In dit hoofdstuk worden de tweede, derde en vierde vraag van de doelstelling beantwoord; • Hebben de voorgenomen werkzaamheden effect op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen? • Zijn deze effecten in strijd met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming? • Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk? 5.1 Effecten Het plangebied vormt een belangrijk foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. In het plangebied is in de aanwezige bebouwing in eerder onderzoek o.a. een kraamverblijf van gewone dwergvleermuis aangetroffen (Koorevaar, 2017). Kraamverblijven zijn essentieel voor de instandhouding van vleermuispopulaties. Tijdens het kraamseizoen is beschikbaarheid van dichtbij gelegen foerageergebied essentieel. Om die reden worden kraamverblijfplaatsen vaak aan de buitenrand van grote steden aangetroffen. In de omgeving (< 1 kilometer) van het plangebied zijn verschillende alternatieve bosrijke en waterrijke gebieden aanwezig. Waardoor voor overige in het plangebied gelegen verblijfsfuncties voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig is.
Daarnaast worden grote delen van de bospercelen behouden en vinden geen werkzaamheden aan de watergangen plaats. Hierdoor gaat foerageergebied niet permanent verloren. Tevens zal na de kapronde herplant plaatsvinden, waardoor de functie als foerageergebied ook op de lange termijn wordt gegarandeerd. In het kraamseizoen is indirecte verstoring van de kraamverblijfplaats door kapwerkzaamheden niet uit te sluiten. Om indirecte (tijdelijke) verstoring van de kraamverblijfplaats tijdens het kraamseizoen te voorkomen, dienen de kapwerkzaamheden buiten het kwetsbare kraamseizoen van gewone dwergvleermuis plaatsvinden, dit betreft de periode van half mei t/m juli. 5.2 Toetsing Wet natuurbescherming De gewone dwergvleermuis is opgenomen in het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn, waardoor de verbodsbepalingen uit artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (tabel 3) van toepassing zijn op de in de bebouwing aanwezige kraamverblijfplaats en daaraan gerelateerd foerageergebied. Het kappen van bomen in het kwetsbare voortplantingsseizoen kan indirect tot verstoring zorgen van de bekende kraamverblijfplaats. Dit is in strijd met artikel 3.5, lid 2 uit de Wet natuurbescherming. Het opzettelijk verstoren van de kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis (artikel 3.5 lid 2) kan voorkomen worden door te werken buiten de voor deze verblijfsfunctie gestelde kwetsbare periode.
Dit betekent dat kapwerkzaamheden niet plaats mogen vinden in de periode van half mei tot en met juli. Wanneer deze maatregelen getroffen worden, is een ontheffing in het kader van artikel 3.5 lid 2 niet noodzakelijk.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Tabel 3. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
§ 3.2 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn art 3.5
lid
1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2.
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
3.
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4.
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
6
Conclusies
Schakenbosch b.v. is voornemens kapwerkzaamheden uit te voeren binnen het perceel aan de Veursestraatweg 185 te Leidschendam (provincie Zuid-Holland). Op voorhand kon de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet worden uitgesloten. Op basis van het uitgevoerde nader onderzoek naar vleermuizen kunnen de volgende conclusies worden getrokken ten behoeve van de geplande ingreep (zie ook tabel 6.1): • In de te kappen bomen zijn geen verblijfsplaatsen van vleermuizen aanwezig; • Op basis van de hoeveelheid waarnemingen van gewone dwergvleermuis en de reeds bekende kraamverblijfplaats binnen het plangebied is een essentiële functie als foerageergebied tijdens het kraamseizoen niet uit te sluiten; • In de omgeving is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig, ook blijft het grootste deel van het foerageergebied binnen het plangebied behouden; • Het uitvoeren van kapwerkzaamheden tijdens het kwetsbare kraamseizoen van gewone dwergvleermuis kan indirect verstorend werken op het aanwezige kraamverblijf; • Het verstoren van een kraamverblijf en hieraan gerelateerd foerageergebied van gewone dwergvleermuis is in strijd met artikel 3.5, lid 2 uit de Wet natuurbescherming; • Door kapwerkzaamheden buiten het kraamseizoen (lopend van half mei tot en met juli) uit te voeren, wordt verstoring van deze functie uitgesloten; • Door verstoring te voorkomen, is een
ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk.
Tabel 6.1. Conclusie nader onderzoek tweede kapronde De Voorlei. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 5 gelezen te worden.
datum referentie
Soort
Functie
Gewone dwergvleermuis
Kraamverblijfplaats in Mogelijk bebouwing (uit eerder onderzoek, Koorevaar, 2017) met daaraan gekoppeld essentieel foerageergebied
Artikel 3.5 lid 1, 2 Kapwerkzaamheden en 4 uitvoeren buiten het kwetsbare kraamseizoen (lopend van half mei tot en met juli).
Ruige dwergvleermuis
Foerageergebied
Geen
-
-
Kleine dwergvleermuis
Foerageergebied
Geen
-
-
Watervleermuis
Foerageergebied
Geen
-
-
Rosse vleermuis
Foerageergebied
Geen
-
-
Laatvlieger
Foerageergebied
Geen
-
-
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736
Effect n.a.v. geplande werkzaamheden
Verbodsbepaling Maatregelen/ Wnb vervolgstappen
Bronnen Debruyne, M., 2017. Quickscan flora en fauna Schakenbosch Leidschendam. Aveco de Bondt, Amersfoort. Debruyne, M., 2020. Memo Holte inventarisatie 2e kapronde. Boomtotaalzorg, Schalwijk. Koorevaar, J., 2017. Natuuronderzoek Schakenbosch te Leidschendam – vleermuizen. Adviesbureau E.C.O.Logisch, Nieuwekerk a/d IJssel. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Vleermuisprotocol 2017. Netwerk Groene Bureaus, Odijk. Stichting Zoogdierwerkgroep Zuid-Holland. Mailwisseling. contactpersoon Bart Noort.
datum referentie
2 december 2020 17020005_R_DBA1_0736