CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1947-22 Bijlage 9 toelichting Aanvullend vleermuizenonderzoek 24 november 2017

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: vaststellen bestemmingsplan "Schakenbosch" (1947).2.291 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NATUURONDERZOEK SCHAKENBOSCH TE LEIDSCHENDAM Vleermuizen Conceptrapport

Adviesbureau E.C.O. Logisch Nieuwerkerk a/d IJssel, 24-11-2017

VERANTWOORDING

Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:

Uitvoering: Adres:

Aveco de Bondt Dhr. M. de Buyne Postbus 2674 3800 GE Amersfoort +31 6 1585 5165 mdebruyne@avecodebondt.nl

Tel: E-mail:

Adviesbureau E.C.O. Logisch Postbus 38 2910 AA Nieuwerkerk a/d IJssel 's-Gravenweg 318-D 2911 BK Nieuwerkerk a/d IJssel 0180 322840 algemeen@eco-logisch.com

Auteur: Kwaliteitscontrole:

Ing. J. Koorevaar Ing. C.J.M. Groeneveld

Projectcode: Status: Datum:

AVVL1712 Concept 24-11-2017

Bezoekadres:

Adviesbureau E.C.O. Logisch werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Economische Zaken gestelde eisen.

Adviesbureau E.C.O Logisch is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2

INHOUDSOPGAVE

1 1.1 1.2

Inleiding............................................................................................................................................. 4 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ............................................................................................................................... 4

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Onderzoeksmethodiek ..................................................................................................................... 5 Vleermuizen ................................................................................................................................... 5 Zomer- en kraamverblijfplaatsen.................................................................................................... 5 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen ......................................................................................... 5 Winterverblijfplaatsen ..................................................................................................................... 5 Vliegroutes en foerageergebieden ................................................................................................. 5 Overzicht inventarisaties ................................................................................................................ 5

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Resultaten ......................................................................................................................................... 6 Algemeen ....................................................................................................................................... 6 Zomer- en kraamverblijfplaatsen.................................................................................................... 6 Paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen ......................................................................................... 6 Winterverblijfplaatsen ..................................................................................................................... 6 Vliegroutes en foerageergebieden ................................................................................................. 6 Belang projectgebied ..................................................................................................................... 6

4 Conclusie en aanbevelingen ........................................................................................................... 8 4.1 Conclusie ....................................................................................................................................... 8 4.2 Aanbevelingen t.o.v. de Wet natuurbescherming........................................................................... 8 Bijlage 1: Kaart resultaten vleermuisonderzoek ......................................................................................... 9 Bijlage 2: Foto's verblijfplaatsen vleermuizen ........................................................................................... 12

3

1

INLEIDING

1.1

AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens werkzaamheden uit te voeren. De geplande ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. In opdracht van Aveco de Bondt is derhalve een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd naar het gebruik van het projectgebied door gebouwbewonende vleermuizen. Dit rapport bevat de resultaten van het vleermuisonderzoek en aanbevelingen ten opzichte van de Wet natuurbescherming.

1.2

WETTELIJK KADER Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. Wanneer er door uitvoering van werkzaamheden sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten. De huidige gedragscodes zijn nog niet afgestemd op dan wel goedgekeurd door de Minister van Economische Zaken voor handelingen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen met effecten op Europees beschermde soorten.

Alle vleermuizen zijn op Europees niveau beschermd. De verbodsbepalingen voor Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.1 (vogels) en 3.5 (overige soortgroepen) van de Wet natuurbescherming. Europees beschermde soorten – Vogels (Artikel 3.1 Wet natuurbescherming) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen (Artikel 3.5 Wet natuurbescherming) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2.

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

4

2

ONDERZOEKSMETHODIEK

2.1

VLEERMUIZEN Onderzoek naar vleermuizen is te verdelen in het inventariseren van zomer- en kraamverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen, winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Per mogelijke functie is er onderzoek verricht conform het Vleermuisprotocol 20171. De inventarisaties met betrekking tot vleermuizen zijn met behulp van een zogenaamde batdetector uitgevoerd. Adviesbureau E.C.O. Logisch werkt standaard met de Petersson D240X of een vergelijkbare detector. Dit apparaat vangt de ultrasone geluiden van vleermuizen op en maakt deze hoorbaar voor het menselijk gehoor. Daarnaast biedt het apparaat de mogelijkheid geluiden op te nemen voor analyse achteraf. Enkele soorten zijn namelijk zeer moeilijk te determineren in het veld en vereisen een controle met behulp van analyse-software. In paragraaf 2.6 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde inventarisaties en de weersomstandigheden. De toegepaste methodiek wordt hier per functie nader toegelicht.

2.2

ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN In de periode 15 mei - 15 juli is het projectgebied onderzocht op de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze inventarisatie bestaat uit drie rondes, waarvan er één in de vroege ochtend vanaf circa twee uur voor zonsopkomst is uitgevoerd. De overige twee rondes hebben 's avonds plaatsgevonden vanaf zonsondergang. 2.3

PAARVERBLIJFPLAATSEN EN ZWERMPLAATSEN In de periode 15 augustus - 15 september zijn twee inventarisaties van twee uur uitgevoerd, teneinde paarverblijfplaatsen en zwermplaatsen vast te stellen dan wel uit te sluiten. De inventarisaties zijn afgestemd op zwermgedrag van de te verwachten soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. 2.4

WINTERVERBLIJFPLAATSEN Ten behoeve van het onderzoek naar winterverblijfplaatsen van vleermuizen is er tijdens de inventarisaties in het paarseizoen aandacht besteed aan het middernachtzwermen van vleermuizen bij potentiële winterverblijven. 2.5

VLIEGROUTES EN FOERAGEERGEBIEDEN De inventarisaties naar vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn simultaan met de overige vleermuisinventarisaties uitgevoerd. Hierbij zijn de aanwezige vliegroutes en/of foerageergebieden op kaart ingetekend. 2.6

OVERZICHT INVENTARISATIES In tabel 1 is een overzicht gegeven van de data en weersomstandigheden van het vleermuisonderzoek. De inventarisaties zijn uitgevoerd door ing. C.J.M. Groeneveld, ing. B. Dijk en ing. J. Koorevaar. Tabel 1: Overzicht inventarisaties Datum Tijd Hoofdgroep Activiteit

Weersomstandigheden

12-06-2017 22:00 – 00:30 Vleermuizen Zomer- en kraamverblijven

Bewolkt, windkracht 4, 16 °C

10-07-2017 22:00 – 00:30 Vleermuizen Zomer- en kraamverblijven

Bewolkt, windkracht 2, 17 °C

11-07-2017 03:00 – 05:35 Vleermuizen Zomer- en kraamverblijven

Bewolkt, windkracht 3, 17 °C

17-08-2017 04:00 – 06:30 Vleermuizen Paarverblijven en zwermplaatsen

Half bewolkt, windkracht 3, 15 °C

06-09-2017 23:00 – 01:00 Vleermuizen Paarverblijven en zwermplaatsen

Half bewolkt, windkracht 4, 17 °C

1

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017). Vleermuisprotocol 2017, maart 2017

5

3

RESULTATEN

3.1

ALGEMEEN Binnen het projectgebied zijn de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis waargenomen. Per onderzochte functie wordt het gebruik van het projectgebied nader toegelicht. In bijlage 1 zijn de resultaten van het onderzoek op kaart weergegeven. Foto’s van de aangetroffen verblijfplaatsen zijn in bijlage 2 weergegeven. 3.2

ZOMER- EN KRAAMVERBLIJFPLAATSEN Binnen het projectgebied is een kraamverblijf aangetroffen van ten minste dertig individuen van de gewone dwergvleermuis. Dit kraamverblijf bevindt zich in het hoofdgebouw met huisnummer 185 in de spouwmuur. Naast het kraamverblijf zijn er in totaal zeven zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. Deze bevinden zich in de gebouwen met huisnummer 185, 185k, 185n en 185h. De meeste zomerverblijfplaatsen werden door een enkel individu van de gewone dwergvleermuis gebruikt. Het zomerverblijf in 185h werd gebruikt door twee individuen van de gewone dwergvleermuis. De zomerverblijven in gebouwen 185n, 185k en 185k bevinden zich in ruimtes onder dakpannen of daklijsten. Het zomerverblijf in gebouw 185 bevindt zich in de spouwmuur. Van de andere waargenomen soorten vleermuizen zijn geen zomer- of kraamverblijven vastgesteld. 3.3

PAARVERBLIJFPLAATSEN EN ZWERMPLAATSEN In het projectgebied zijn dertien verblijfplaatsen aangetroffen tijdens het onderzoek naar paarverblijven en zwermplaatsen. Twee van deze verblijfplaatsen zijn zomerverblijven die in het paarseizoen door mannelijke individuen van de gewone dwergvleermuis worden gebruikt als paarverblijf. De paarverblijven bevinden zich in de gebouwen met huisnummers 185, 185n, 185k en 185h. Van de andere waargenomen soorten vleermuizen zijn geen paarverblijven vastgesteld. 3.4

WINTERVERBLIJFPLAATSEN Middernachtzwermen bij potentiële winterverblijfplaatsen is gedurende de onderzoeksperiode niet waargenomen. Van de aangetroffen verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, kan echter niet worden uitgesloten dat deze ook worden gebruikt als winterverblijf door één of enkele individuen van de gewone dwergvleermuis. In het bijzonder zouden de verblijfplaatsen in de spouwmuur van gebouw 185 hiervoor geschikt kunnen zijn. 3.5

VLIEGROUTES EN FOERAGEERGEBIEDEN Binnen het projectgebied zijn foeragerende vleermuizen waargenomen. Het betreft individuen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en de watervleermuis. De gewone dwergvleermuis maakt hierbij gebruik van de groenstructuren in het projectgebied. De laatvlieger en de rosse vleermuis zijn incidenteel foeragerend waargenomen in het projectgebied. Hierbij is geen binding met het projectgebied vastgesteld. De watervleermuis is foeragerend boven het water naast gebouw 185h waargenomen. Naast foeragerende vleermuizen, zijn de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis ook passerend waargenomen. De rosse vleermuis is passerend op grotere hoogte waargenomen, waarbij geen binding met het projectgebied duidelijk was. De overige vleermuissoorten maken gebruik van de laanvormige structuren in het projectgebied om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebied in en rondom het projectgebied.

3.6

BELANG PROJECTGEBIED Het projectgebied bevat elementen welke worden benut door beschermde soorten. De bebouwing is van belang voor vleermuizen, in het bijzonder voor de gewone dwergvleermuis. In totaal zijn er 17 verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in de bebouwing in het projectgebied. In tabel 2 is per gebouw weergegeven welke verblijfplaatsen zijn aangetroffen.

6

Tabel 2: Verblijfplaatsen per gebouw Gebouw Soort 185 Gewone dwergvleermuis

185n

Gewone dwergvleermuis

185k

Gewone dwergvleermuis

185h

Gewone dwergvleermuis

Type verblijfplaats Kraamverblijf Zomerverblijf Paarverblijf Zomerverblijf Paarverblijf Zomerverblijf Paarverblijf Zomerverblijf Paarverblijf

Aantal verblijven / individuen 1 (ca 30 individuen) 1 (1 individu) 4 (4 individuen) 2 (3 individuen) 2 (2 individuen) 3 (2 individuen) 1 (1 individu) 1 (2 individuen) 2 (2 individuen)

In tabel 3 is het belang van het projectgebied is voor de gunstige staat van instandhouding van de lokale populatie van de aangetroffen soorten vleermuizen weergegeven. Tabel 3: Beschermde functies vleermuizen Wet natuurbescherming Nederlandse naam Artikel 3.5, HR IV Gewone dwergvleermuis

Wetenschappelijke naam Pipistrellus pipistrellus

Artikel 3.5, HR IV Artikel 3.5, HR IV Artikel 3.5, HR IV

Laatvlieger Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis

Eptesicus serotinus Pipistrellus nathusii Nyctalus noctula

Artikel 3.5, HR IV

Watervleermuis

Myotis daubentonii

Functie kraamverblijf zomerverblijf baltsterritorium paarverblijf foerageergebied (winterverblijf) foerageergebied vliegroute foerageergebied vliegroute foerageergebied vliegroute

Belang groot groot gering redelijk groot (groot) gering gering gering gering gering gering

Voor de gewone dwergvleermuis is projectgebied van groot belang. Alle voor de soort belangrijke verblijfplaatsen zijn verspreid over een netwerk van verblijfplaatsen in het projectgebied aanwezig. Het aangetroffen foerageergebied is, in het bijzonder in de kraamperiode, van groot belang voor de gewone dwergvleermuis. Mogelijk worden de aangetroffen verblijfplaatsen tevens gebruikt als winterverblijfplaats waarmee het projectgebied alle functies biedt voor de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis. Voor de overige waargenomen soorten is het projectgebied van gering belang. Deze soorten hebben geen verblijfplaatsen in het projectgebied. Daarnaast wordt het projectgebied slechts door enkele individuen gebrukt als vliegroute en / of foerageergebied.

7

4

CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN

4.1

CONCLUSIE Binnen het projectgebied zijn 17 verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het betreft een kraamverblijf, zeven zomerverblijven en negen paarverblijven. Deze verblijfplaatsen kunnen ook door de gewone dwergvleermuis worden gebruikt als winterverblijf. Daarnaast maakt de gewone dwergvleermuis gebruik van het projectgebied als baltsterritorium en foerageergebied. Hiermee is het projectgebied van groot belang voor de gewone dwergvleermuis. Voor de overige aangetroffen vleermuizen is het projectgebied van gering belang. Deze hebben geen verblijfplaatsen in het projectgebied, zijn slechts incidenteel waargenomen en toonden geen binding met het projectgebied.

4.2

AANBEVELINGEN T.O.V. DE WET NATUURBESCHERMING Om vast te stellen in welke mate de gewone dwergvleermuis gebruik maakt van de aangetroffen verblijfplaatsen als winterverblijf, is het aan te bevelen dit nader te onderzoeken. Dit kan worden uitgevoerd door het projectgebied in de winterperiode onder juiste weersomstandigheden te onderzoeken en door het plaatsen van een batlogger, welke activiteit van vleermuizen nabij potentiële winterverblijven registreert.

8

Bijlage 1:

Kaart resultaten vleermuisonderzoek

9

10

11

Bijlage 2:

Foto's verblijfplaatsen vleermuizen

Foto 1: Zomer- en paarverblijf gebouw 185n

Foto 2: Zomerverblijf gebouw 185k

Foto 3: Zomerverblijf gebouw 185k

Foto 4: Kraamverblijf gebouw 185

Foto 6: Zomerverblijf gebouw 185

Foto 7: Paarverblijf gebouw 185

Foto 8: Paarverblijf gebouw 185

Foto 9: Paarverblijf gebouw 185

12

Foto 10: Zomer- en paarverblijf gebouw 185h

Foto 11: Zomerverblijf gebouw 185k

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=f73dd7fb-13a9-4b2b-b9af-7d7f7ed404f5