CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1947-21 Bijlage 8 toelichting Quickscan flora en fauna d.d. 17 mei 2019

Raadsvergadering 9 maart 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: vaststellen bestemmingsplan "Schakenbosch" (1947).46.599 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Quickscan flora en fauna

Aveco de Bondt bezoekadres

Schakenbosch Leidschendam

postbus

2674

postcode

3800 GE Amersfoort

telefoon

(0)88 18 66 010

telefax

(0)343 52 31 96

e-mail

amersfoort@avecodebondt.nl

internet

projectnaam projectnummer

Quickscan flora en fauna Schakenbosch Leidschendam 170200

projectleider

dhr. P. Dassen

referentie

MDE/170200

opdrachtgever Postadres

Schakenbosch BV Diependaalsedijk 17 3601 Maarssen

status

Definitief

versie

2.0

aantal pagina's

36

datum

17 mei 2019

auteur

ir. M. Debruyne & I. van Veen MSc

paraaf

gecontroleerd

ing. S. Verhaegh

Podium 9

www.avecodebondt.nl

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

5

6

INLEIDING

3

1.1

Doel

4

1.2

Leeswijzer

4

WETTELIJK KADER: WET NATUURBESCHERMING

6

2.1

Soortbescherming

6

2.2

Gebiedsbescherming

8

2.3

Houtopstanden

9

HET PLANGEBIED

10

3.1

Huidige situatie

10

3.2

Toekomstige situatie en voorgenomen ingreep

13

ONDERZOEKSRESULTATEN EN EFFECTEN

15

4.1

Onderzoeksmethode

15

4.2

Soortbescherming

15

4.3

Gebiedsbescherming

27

4.4

Houtopstanden

27

TOETSING WET NATUURBESCHERMING

28

5.1

Soortbescherming

28

5.2

Gebiedsbescherming

31

5.3

Houtopstanden

31

5.4

Zorgplicht

31

SAMENVATTING

32

6.1

Soortbescherming

32

6.2

Gebiedsbescherming

33

6.3

Houtopstanden

33

6.4

Zorgplicht

33

7 AANBEVELINGEN BIJLAGE 1 BRONNEN BIJLAGE 2 BOMENINVENTARISATIE BOOMTOTAALZORG

34 35 36

1

INLEIDING

In opdracht van Schakenbosch BV heeft Aveco de Bondt in 2017 een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de herontwikkeling van het perceel aan de Veursestraatweg 185 te Leidschendam (afbeelding 1). In 2019 is voor een aanvullend gedeelte ook een quickscan uitgevoerd (afbeelding 2), de toevoegging van dit plangebied is verwerkt in voorliggende rapportage.

Afbeelding 1: Topografische ligging perceel Schakenbosch te Leidschendam (kaart: Aveco de Bondt, 2017).

Afbeelding 2: Topografische ligging aanvullend gedeelte plangebied 2019 (kaart: Aveco de Bondt, 2019).

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

3 van 36

Voorafgaand aan de realisatie van een beoogde ontwikkeling dient te worden nagegaan of binnen en in de nabijheid van het plangebied streng beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. Deze eerste stap om de aanwezigheid te bepalen is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna. In het verleden zijn reeds verschillende natuuronderzoek uitgevoerd in opdracht van Bureau Waardenburg (De Boer & Van Straalen, 2011) op deze locatie. In 2009 heeft de Stichting Zoogdierwerkgroep Zuid-Holland een najaarsgebruik door vleermuizen onderzocht. In 2010 is het vervolgonderzoek uitgevoerd. In 2010 zijn de kelderruimtes onderzocht op overwinterende vleermuizen. Tevens is in 2010 een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermd nest. Omdat deze onderzoeken reeds gedateerd zijn is in 2017 een nieuwe quickscan uitgevoerd om de voorgenomen ontwikkeling te toetsen aan de Wet natuurbescherming. Tevens is in 2019 voor het aanvullende deel een toets aan de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Voorliggende quickscan flora en fauna beschrijft in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de effecten van de ingreep op soortenbescherming, gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en houtopstanden.

Uit deze quickscan blijkt of de plannen (mogelijk) leiden tot aantasting van beschermde soorten, gebieden en/of houtopstanden en of vervolgstappen noodzakelijk zijn, zoals nader onderzoek, een ontheffing en/of een vergunning.

1.1

Doel

De quickscan flora en fauna heeft meerdere doelen: •

vaststellen van (mogelijk aanwezige) beschermde flora en fauna;

•

vaststellen of er nader onderzoek uitgevoerd moet worden naar beschermde flora en fauna;

•

bepalen wat de effecten zijn van de ingreep op beschermde flora en fauna;

•

vaststellen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de effecten op beschermde gebieden;

•

vaststellen of er nader onderzoek gedaan moet worden naar de effecten op beschermde houtopstanden;

•

indien negatieve effecten op beschermde flora en fauna en/of beschermde gebieden te verwachten zijn, dient te worden bepaald of in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffing (soortbescherming) of vergunning (gebiedsbescherming) nodig is.

1.2

Leeswijzer

De quickscan flora en fauna bestaat uit 7 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk beschrijft de inleiding en leeswijzer. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijke kader en de relevante regelgeving besproken voor het beoordelingskader waarbinnen de effecten van de ruimtelijke ingreep op de mogelijk aanwezige beschermde flora en fauna worden getoetst. Hoofdstuk 3 beschrijft het plangebied met de huidige ligging en de toekomstige ingrepen. Hoofdstuk 4 bestaat uit de onderzoeksmethode, de resultaten en de effectenbeoordeling van de voorgenomen activiteit.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

4 van 36

Ook is onder de paragraaf betreffende houtopstanden een korte samenvatting gegeven van de uitgevoerde bomeninventarisatie. Hoofdstuk 5 vormt de toetsing van de ingreep aan de vigerende wetgeving. Een samenvatting van de toetsing en de noodzakelijke vervolgstappen wordt beschreven in hoofdstuk 6. Afsluitend geven we in hoofdstuk 7 enkele vrijblijvende adviezen.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

5 van 36

2

WETTELIJK KADER: WET NATUURBESCHERMING

De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Deze wet beoogt de bescherming van in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving waarbij onderscheidt wordt gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. In onderstaande paragrafen wordt een globale toelichting gegeven op de achtergrond van deze nationale wetgeving waaraan voorgenomen ruimtelijk plannen en ingrepen worden getoetst.

2.1

Soortbescherming

Zorgplicht De Wet natuurbescherming gaat uit van de ‘zorgplicht’ (art 1.11 Wnb). De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Indien specifieke maatregelen dienen te worden uitgevoerd, zal dit in onderhavig rapport worden toegelicht. Tabel 1. Zorgplicht Wet natuurbescherming § 1.3. Beschermingsmaatregelen algemeen 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

2.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:

art 1.11

lid

a.

dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,

b.

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of

c.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Verbodsbepalingen Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te beschadigen of te plukken. Beschermde inheemse dieren mogen niet worden gedood, verstoord, verwond, gevangen en bemachtigd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden (zie tabel 2). Voor

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

6 van 36

de nationaal beschermde soorten heeft elke provincie een lijst opgesteld met soorten die in desbetreffende provincie zijn vrijgesteld. Tabel 2. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming § 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2. art 3.1

lid

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4.

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

5.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

§ 3.2 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

art 3.5

2.

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

3.

Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te

lid

rapen. 4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

§ 3.3 Beschermingsregime andere soorten 1.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

art 3.10

lid

b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of

c.

vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Vogels Alle broedvogels in Nederland zijn gedurende het broedseizoen beschermd (art 3.1 en 3.5 Wnb) en in sommige gevallen ook buiten die periode. Hierbij wordt door het bevoegd gezag1 onderscheid gemaakt tussen soorten uit de beschermingscategorie 1 t/m 4: jaarrond beschermde 1

Uitleg Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet 2009 en Bijlage Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

7 van 36

nesten (verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken), categorie 5: niet-jaarrond beschermde vogelnesten (verblijfplaatsen van vogels die regelmatig naar hun verblijf terugkeren en over voldoende flexibiliteit beschikken en ‘overige soorten’ (vogels die jaarlijks een nieuw nest maken dat alleen in het broedseizoen beschermd is). Naar gelang de beschermingsstatus van het nest dienen maatregelen te worden getroffen om de functie van de nestlocatie te behouden. Tabel 3. Bescherming categorieën broedvogels Categorie

Jaarrond beschermd

1

ja

Omschrijving Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer

2

ja

honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en

3

ja

die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).

4

ja ja, indien zwaarwegende

5

feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen

‘overige soorten’

Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (voorbeeld: spreeuw, oeverzwaluw, boerenzwaluw, ijsvogel).

nee, alleen gedurende het

Soorten die jaarlijks gebruik maken van een nieuw nest (voorbeeld: merel, ringmus, houtduif).

broedseizoen

Gedragscode Binnen de Wnb bestaat de mogelijkheid om voor de voorgenomen activiteit en de ter plaatse aanwezige soorten, door middel van een goedgekeurde gedragscode een vrijstelling te verkrijgen van de verbodsbepalingen uit art 3.1, 3.5 en 3.10 Wnb. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk. Wel dient aantoonbaar te worden gewerkt conform de betreffende gedragscode en is te allen tijde de zorgplicht van kracht.

2.2

Gebiedsbescherming

Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

8 van 36

realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status van het NNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (Provincies). Voor NNN-gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de natuurdoelen. Voor ruimtelijke ingrepen in of nabij het NNN geldt het ‘’nee, tenzij’’ principe. Dit houdt in dat ingrepen waarbij de oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN significant worden aangetast, in principe niet zijn toegestaan, tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten het gebied dat deel uitmaakt van de NNN. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht.

2.3

Houtopstanden

Houtopstanden, hout en houtproducten worden beschermd onder de Wet natuurbescherming met het doel om bossen te beschermen. Samenvattend stelt de Wet natuurbescherming dat wanneer bos wordt gekapt, dit binnen drie jaar na de kap dient te worden herplant. Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan dient dat elders (compensatie) plaats te vinden. Houtopstanden, hout en houtproducten die beschermd worden onder de Wet natuurbescherming betreffen: -

alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen, maar die niet op erven of in tuinen staan;

-

alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are;

-

bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat, uitgezonderd populieren en wilgen.

Voordat een perceel bos dat onder de Wet natuurbescherming valt wordt gekapt, dient een kapmelding te worden gedaan. Een kapmelding moet minstens één maand voor de kap worden gedaan. Binnen één jaar na melding moet de kap worden uitgevoerd. In sommige gemeenten volstaat een kapmelding niet altijd en is een kapvergunning vereist, die door de gemeente wordt afgegeven. Gemeenten leggen in de bomenverordening vast welke bomen zonder vergunning mogen worden gekapt en voor welke bomen een meldings- of vergunningsplicht geldt. Verder worden de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vastgesteld.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

9 van 36

3

HET PLANGEBIED

3.1

Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Veursestraatweg 185 te Leidschendam (provincie Zuid-Holland). Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van de bebouwde kom van Leidschendam en bestaat uit een ruim 30 hectare terrein wat voordien gebruikt werd als zorginstelling. Onderstaande afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 3: Luchtfoto met globale begrenzing Schakenbosch (Aveco de Bondt, 2019).

Verschillende gebouwen uit deze periode zijn nog aanwezig in het plangebied. De gebouwen worden momenteel niet meer gebruik als zorginstelling. De gebouwen worden nu beheerd door een anti-kraak instelling. Het terrein wordt gekenmerkt door grote bomen, groene ruimten en waterpartijen met een parkachtig karakter. Het plangebied wordt in hoofdzaak ontsloten via de Veursestraatweg (N447) en via de Gravin Marialaan. Het plangebied wordt aan de zuidwestzijde begrensd door een woonwijk. Om een globale indruk te geven van het plangebied zijn onderstaand in afbeelding 4 enkele impressiefoto’s opgenomen en in afbeelding 6 een luchtfoto met de bestaande bebouwing. Aanvullend plangebied 2019 Het aanvullend plangebied lijkt wat habitat betreft op het plangebied uit 2017 maar is wel kleinschaliger. Het betreft een weideveld omsloten door watergangen, oudere bebouwing, opgaande vegetatie, struweel, een bomenlaan met grotere bomen en aan aantal solitaire grotere

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

10 van 36

bomen. Onderstaand in afbeelding 5 zijn impressiefoto’s opgenomen. In afbeelding 7 is een luchtfoto van het plangebied opgenomen.

Afbeelding 4: Impressiefoto’s Schakenbosch (Aveco de Bondt, 2017).

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

11 van 36

Afbeelding 5: Impressiefoto’s aanvullend plangebied (Aveco de Bondt, 2019).

Afbeelding 6: Gebouwen Schakenbosch (Aveco de Bondt, 2017).

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

12 van 36

Afbeelding 7: Aanvullend plangebied 2019 met woning welke onderdeel is van de plannen (Aveco de Bondt, 2019).

3.2

Toekomstige situatie en voorgenomen ingreep

In de toekomstige situatie (afbeelding 8) wordt het terrein herontwikkeld tot een uniek woongebied in een gevarieerd park. Er worden in totaal zo’n 300 woningen en een zorgfunctie gerealiseerd, in zowel bestaande als nieuw te realiseren panden. Uitgangspunt is dat verschillende bomen binnen het plangebied verdwijnen ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Tevens zullen verschillende (onderdelen van) gebouwen worden gesloopt en/of grondig worden gerenoveerd. Hieronder wordt een overzicht weergegeven van de te slopen en/of de te renoveren gebouwen. Onderstaande afbeelding 8 geeft een indruk van de toekomstige situatie van het plangebied. Aanvullend plangebied 2019 Met betrekking tot het gedeelte van het plangebied dat in 2019 onderzocht is zal in de toekomst enkel de woning aan de zuidwestzijde gesloopt gaan worden (zie afbeelding 7) en zullen rond de te slopen woning twee nieuwe woningen gebouwd worden (zie afbeelding 8). Overige ingrepen zullen hier niet plaatsvinden.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

13 van 36

Afbeelding 8: Impressiefoto toekomstige situatie Schakenbosch (bron: West8, 2019).

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

14 van 36

4

ONDERZOEKSRESULTATEN EN EFFECTEN

Dit hoofdstuk beschrijft de methode en resultaten van de quickscan flora en fauna. Uit dit hoofdstuk blijkt welke potenties het plangebied heeft als leefgebied voor strikt beschermde soorten. Verder maakt dit hoofdstuk duidelijk of er beschermde natuurgebieden of houtopstanden aanwezig zijn.

4.1

Onderzoeksmethode

Bij het opstellen van de quickscan flora en fauna is gebruik gemaakt van de meest recente landelijke en provinciale archief- en verspreidingsgegevens. In de bijlage zijn de geraadpleegde bronnen weergegeven. Door middel van een literatuuronderzoek is bepaald welke beschermde gebieden en soorten er in de omgeving van het plangebied voorkomen en welke flora en fauna mogelijk in het plangebied aanwezig is. De aanwezigheid van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten is door middel van een veldbezoek op locatie onderzocht. Op 20 april 2017 hebben ir. M. Debruyne en ir. J. Mos, ecologen van Aveco de Bondt, het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van het aanwezige habitat en de geschiktheid ervan te beoordelen voor de mogelijk voorkomende beschermde soorten. Het eenmalige veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie. Niet alle soortgroepen zijn gedurende het hele jaar actief of aanwezig. Bovendien zijn meerdere veldbezoeken noodzakelijk voor een volledig onderzoek naar bepaalde soortgroepen, zoals vleermuizen. De quickscan is de eerste stap in het proces om de haalbaarheid van het plan op het gebied van flora en fauna te onderzoeken. Bij aanwezigheid van specifieke habitatkenmerken is hier extra aandacht aan besteedt tijdens het veldbezoek (zie kader voor standaard werkwijze).

Aanvullend plangebied 2019 Voor het aanvullend plangebied heeft in 2019 een vergelijkbare inventarisatie plaatsgevonden. Op 14 mei 2019 heeft I. van Veen MSc, een ecoloog van Aveco de Bondt, het aanvullende plangebied onderzocht om de potentie van het aanvullend plangebied voor zwaarder beschermde soorten te bepalen.

4.2

4.2.1

Soortbescherming

Vaatplanten

Het habitat binnen de projectlocatie bestaat grotendeels uit een parkachtig terrein en bomen en bosschages met algemeen voorkomende soorten, zoals grassen, riet en grote brandnetel. Deze soorten zijn kenmerkend voor een voedselrijk biotoop. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Op basis van de habitat kenmerken kan het voorkomen van beschermde vaatplanten worden uitgesloten.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

15 van 36

Aanvullend plangebied 2019 Ook tijdens het veldbezoek in het aanvullende plangebied zijn geen onder de Wet natuurbescherming beschermde plantsoorten aangetroffen die een natuurlijke verspreiding binnen het plangebied kennen. Voornamelijk algemeen opgaande vegetatie als grassen, fluitenkruid en brandnetel waren aanwezig welke ook in het plangebied uit 2017 aangetroffen zijn. Dit duidt op voedselrijke omstandigheden. Beschermde plantensoorten stellen doorgaans specifieke eisen aan de standplaats, voedselarme en/of kalkrijke situaties, kwelsystemen, enz. Geschikte groeiomstandigheden zijn binnen het plangebied niet aanwezig waardoor de aanwezigheid van beschermde vaatplanten wordt uitgesloten.

4.2.2

Vleermuizen

Volgens literatuurgegevens blijkt dat er verschillende soorten vleermuizen voorkomen in Leidschendam (De Boer & Van Straalen, 2011). Soorten zoals de gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied. De waarnemingen uit de eerdere onderzoeken lijken aan te geven dat de randen van het aanwezige groen gebruikt worden als jachtgebied door de beide dwergsoorten. Ook langs gebouwen werd door de gewone dwergvleermuizen gejaagd. De open plekken werden vermeden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor zomerverblijfplaatsen (waaronder kraamverblijven). De gevonden gebruikssporen duiden wel op het incidenteel gebruik van een zolder door bijvoorbeeld de gewone grootoorvleermuis. Specifieke vliegroutes zijn destijds niet vastgesteld. Alleen van de watervleermuis is een waarschijnlijke trekroute waargenomen aan de watergang/vaart aan de zuidwestkant van het gebied. Alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming. Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen in gebouwen en in bomen. Daarnaast gebruiken vleermuizen open water en opgaande beplanting als foerageergebied en worden lijnvormige landschapselementen, zoals watergangen en bomenrijen, gebruikt als vliegroute.

De mogelijke aanwezigheid van deze leefgebiedsfuncties worden in het kader van de voorgenomen ingreep binnen het plangebied nader toegelicht. Verblijfplaatsen in bebouwing binnen het plangebied De aanwezige bebouwing binnen het plangebied is potentieel geschikt voor vleermuizen om in te verblijven. De gebouwen zijn voorzien van open stootvoegen en/of openingen in de gevel die een soort als gewone dwergvleermuis toegang kan verschaffen tot de achtergelegen spouwmuur en andere verborgen ruimtes. Het kerkgebouw bezit tevens betonnen plaatelementen waartussen vleermuizen kunnen kruipen om te verblijven (afbeelding 9, linksonder). Bij verschillende gebouwen is een open zolder aanwezig waar tijdens het veldbezoek een kleine hoeveelheid uitwerpselen en vlindervleugels zijn aangetroffen. Open zolders kunnen worden gebruikt door verschillende soorten als verblijfplaats en ook als foerageergebied. Een soort als de grootoorvleermuis eet vaak vlinders op maar laat de vleugels liggen. Aangetroffen vleugels kunnen dus mogelijk duiden op de aanwezigheid van deze soort. kunnen mogelijk In tabel 4 is

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

16 van 36

een overzicht weergegeven van de geschiktheid per gebouw en van de aangetroffen sporen van vleermuizen. Op basis van de geschiktheid van de bebouwing en het aantreffen van sporen van vleermuizen is de aanwezigheid van een kraam-, zomer-, paar- en of winterverblijf voor soorten als de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en grootoorvleermuis niet uit te sluiten. Aanvullend plangebied 2019 Ook binnen het aanvullende plangebied is de bebouwing in potentie geschikt voor vleermuizen om in te verblijven. Ondanks dat er geen spouw aanwezig is zijn er wel gaten en kieren, bijvoorbeeld bij de boeiborden, waar verschillende functies voor vleermuizen niet uitgesloten kunnen worden (zie afbeelding 11). Omdat de bebouwing laagbouw betreft en er geen spouw aanwezig is, wordt een massa-winterverblijfplaats wel uitgesloten.

Afbeelding 9: Gebouwen met potentiele toegangsmogelijkheden voor vleermuizen (Aveco de Bondt, 2017).

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

17 van 36

Afbeelding 10: Tijdens het veldbezoek aangetroffen sporen (vlindervleugels) van vleermuizen (Aveco de Bondt, 2017).

Afbeelding 11: verweerde boeiboorden waar openruimtes niet uitgesloten kunnen worden (Aveco de Bondt, 2019). Tabel 4. Overzicht geschiktheid gebouwen.

datum

Gebouw

Geschikt

Verblijf- en toegangsmogelijkheden

Aangetroffen sporen vleermuizen

Ursula

Nee

-

-

Toegankelijke spouw en betonnen

Kerk

Ja

Restaurant

Ja

dakpannen dak, zolder

-

Keuken

Ja

dakpannen dak, zolder

-

Kantoorgebouw

Ja

dakpannen dak, zolder

Uitwerpselen

Economiegebouw

Ja

dakpannen dak, zolder

Uitwerpselen + vleugels gaasvliegjes

Hoofdgebouw

Ja

dakpannen dak, zolder

-

Vlietzicht

Ja

dakpannen dak, zolder

Vlindervleugels

Stookgebouw

Ja

toegankelijke spouw en zolder

Vlindervleugels + uitwerpselen

17 mei 2019

plaat elementen buitengevel

referentie

MDE/170200

-

pagina

18 van 36

Verblijfplaatsen in bomen binnen het plangebied Binnen het plangebied zijn een groot aantal bomen aanwezig (afbeelding 12). De aanwezige bomen binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd. Er zijn verschillende boomholtes, scheuren of loshangende schorsdelen aangetroffen, die geschikt zijn voor vleermuizen om in of achter te verblijven. Op basis van de fysieke eigenschappen van de bomen kan de aanwezigheid van een verblijfsfunctie van boombewonende vleermuizen zoals baardvleermuis, watervleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis niet worden uitgesloten. Aanvullend plangebied 2019 Tijdens de veldinspectie in 2019 stonden de bomen reeds volledig in blad. Het was daarom niet mogelijk de bomen geheel te controleren op de aanwezigheid van holtes en kieren welke in potentie voor vleermuizen kunnen dienen als verblijfplaats. Wel werd er door bewoners aangegeven dat bijvoorbeeld de staat van de aanwezige populieren niet optimaal was. Als uitgangspunt wordt genomen, omdat verblijfplaatsen niet uitgesloten kunnen worden, dat deze bomen in potentie geschikte holtes en kieren hebben.

Afbeelding 12: Bomen met potentiele toegangsmogelijkheden voor vleermuizen (Aveco de Bondt, 2017). Verblijfplaatsen buiten het plangebied

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

19 van 36

Mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in bebouwing en bomen in de omgeving van zowel het plangebied uit 2017 als het plangebied uit 2019 kunnen in theorie verstoord worden door de werkzaamheden. In de omgeving van het gehele plangebied (2017 en 2019) is aan de zuidwestzijde een woonwijk aanwezig. De bebouwing in de woonwijk is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Verstoring op verblijfplaatsen in de naastgelegen bebouwing wordt op basis van de afstand daarvan niet verwacht. Foerageergebied Opgaande beplanting en waterrijke delen zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Foerageergebieden zijn beschermd als door het (tijdelijke) verlies ervan verblijfplaatsen in de directe omgeving worden aangetast. In zowel het plangebied uit 2017 als 2019 zijn verschillende bomen, watergangen en grasland aanwezig. Samen vormen deze een parkachtig karakter met een afwisseling van een gesloten en open habitat, lanen, waterpartijen en sloten. Deze kenmerken kunnen mogelijk fungeren als foerageergebied. Het verlies ervan kan leiden tot aantasting van dit foerageergebied. Vliegroutes Landschappelijke structuren zoals watergangen, boomsingels en lanen worden door vleermuizen veelal gebruikt om zich binnen het landschap te oriënteren op weg van verblijfplaats naar belangrijk foerageergebied en terug.

Ook worden deze elementen gebruikt als migratieroute van zomerverblijven naar winterverblijven. Vliegroutes zijn beschermd, wanneer bij verstoring van een dergelijke route dit een indirect gevolg heeft voor een verblijfplaats in de omgeving. De mate van belangrijkheid van een vliegroute houdt verband met de aanwezigheid van alternatieve routes, afstand tot (belangrijk) foerageergebied, het seizoen, weersomstandigheden en lokaal voedselaanbod. In zowel het plangebied uit 2017 als het plangebied uit 2019 zijn enkele (grotere) lanen en watergangen met scherpe randen tussen bos en open ruimte die het gebied doorkruisen. Deze lijnvormige structuren in het plangebied kunnen theoretisch dienstdoen als verbinding om naar foerageergebieden te vliegen ten zuiden of noorden van het plangebied.

4.2.3

Grondgebonden zoogdieren

Volgens verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 2016) komt in de directe omgeving van het plangebied van de beschermde soorten grondgebonden zoogdieren alleen de eekhoorn voor. Dit komt ook naar voren uit de data van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2019). Eekhoorn De aanwezige bomen binnen het plangebied en in de direct omgeving zijn tijdens het veldbezoek globaal gecontroleerd op aanwezige eekhoornnesten. Deze zijn niet aangetroffen. Er is wel een eekhoorn aangetroffen in een boom. Mogelijk zijn tijdens het veldbezoek nesten over het hoofd

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

20 van 36

gezien. Opzettelijke verstoring of aantasting van een eekhoornnest door de voorgenomen ingreep kan niet worden uitgesloten. Aanvullend plangebied 2019 Doordat de bomen reeds volledig in blad stonden konden deze niet geheel geïnspecteerd worden op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Deze kunnen derhalve ook niet uitgesloten worden. Overige grondgebonden zoogdieren Andere beschermde grondgebonden zoogdieren komen op basis van bekende verspreidingsgegevens zowel in het gebied uit 2017 als uit 2019 niet voor binnen het plangebied of in de directe omgeving. Daarnaast gelden voor deze soorten doorgaans specifieke habitateisen, die binnen het plangebied ontbreken. Het voorkomen van overige beschermde soorten grondgebonden zoogdieren in het plangebied kan daarmee met voldoende zekerheid worden uitgesloten.

4.2.4

Broedvogels

Algemeen voorkomende broedvogels kunnen overal tot broeden komen, van een open akker (kievit), naar een slootkant (meerkoet), in een klein struikje (winterkoninkje), tot bomen (houtduif) en gebouwen (spreeuw). Deze soorten zijn alleen beschermd op het moment waarop ze een nest hebben met eieren en/of jongen. Van enkele vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd. Deze jaarrond beschermde soorten broeden doorgaans in bomen (o.a. ransuil, buizerd) en in gebouwen (huismus, gierzwaluw). Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Jaarrond beschermde nesten van vogels kunnen aangetroffen worden in bebouwing (bijvoorbeeld gierzwaluw en huismus) of bomen (bijvoorbeeld buizerd en sperwer). Roofvogels Uit de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen bekend van buizerd, havik en sperwer. Het is niet uit te sluiten dat roofvogels een nestlocatie hebben in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen (plukplaatsen, braakballen, mestsporen en ruiveren) van deze soorten aangetroffen. Het uitgevoerde onderzoek is echter slechts een indicatief onderzoek waardoor mogelijk waarnemingen worden gemist. Tijdens het veldbezoek is in een aanwezige boom ten zuidwesten van het hoofdgebouw, ten zuidoosten van de kerk en ten noordoosten van het economiegebouw grote nesten aangetroffen. Daardoor zijn mogelijk vogels met jaarrond beschermd nest aanwezig.

Tevens is niet uit te sluiten dat een soort als de ransuil een verblijfsfunctie heeft in het plangebied. Aanvullend plangebied 2019 Tijdens de veldinspectie in 2019 zijn in het aanvullende plangebied geen jaarrond beschermde nesten van roofvogels aangetroffen. Echter, doordat de bomen al geheel in blad stonden is het niet mogelijk de aanwezigheid van dergelijke nesten volledig uit te sluiten. Door de bewoner

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

21 van 36

werd daarnaast melding gemaakt van de aanwezigheid van een buizerd in één van de solitaire grote bomen. Dit kan duiden op een aanwezig nest, maar dit was niet vast te stellen. Huismus en gierzwaluw Uit recente broedvogelgegevens is het voorkomen van huismus en gierzwaluw in de omgeving van het plangebied bekend. De aanwezige bebouwing heeft een pannendak waarbij er voor de huismus toegangsmogelijkheden zijn tot onder de eerste rijen dakpannen. De dakranden beschikken niet over een rand tussen de dakrand en de muur waardoor de bebouwing niet geschikt is als verblijfplaats voor gierzwaluwen. Op basis van de verspreidingsgegevens en de potentie van de bebouwing is de aanwezigheid van een vast- rust of verblijfplaats van huismus niet uit te sluiten.

Afbeelding 13: Potentiële toegangsmogelijkheden voor huismus (Aveco de Bondt, 2017). Volgens eerder onderzoek (De Boer & Van Straalen, 2011) is echter het voorkomen van de huismus en de gierzwaluw in het plangebied uitgesloten. Gedurende het veldbezoek zijn ook geen huismussen op en rondom de bebouwing binnen het plangebied waargenomen. In verschillende dakgoten van de bebouwing is tevens een gootdrain aangetroffen tegen bladeren waardoor de bebouwing niet meer geschikt is als nestlocatie voor de huismus. Het is niet zeker of deze gootdrains bij alle gebouwen is toegepast in de dakgoot. De weersomstandigheden waren uitermate gunstig voor het waarnemen van deze soort. Gedurende de gehele dag zijn geen huismussen gehoord of gezien binnen het plangebied waardoor met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt verwacht dat de soort geen gebruik maakt van het plangebied als functioneel leefgebied. Aanvullend plangebied 2019 De te slopen woning in het aanvullend plangebied heeft een pannendak dat geschikt lijkt voor de huismus door ruimte onder de dakpannen. Door bewoners werd aangegeven dat er een gootdrain aanwezig is, maar of deze het geheel afsluit was niet bekend. Daarnaast werd er door de bewoners wel melding gemaakt van de aanwezigheid van huismus. Tijdens de locatie inspectie zijn ook huismussen waargenomen en aan het huis waren meerdere vogelkasten geplaatst.

In de aanwezige vuurdoorn tegen het huis zijn daarnaast nesten van vogels aangetroffen, het is niet duidelijk van welke soort deze nesten zijn. Ook bij de bebouwing binnen het aanvullende plangebied beschikken de dakranden niet over een rand tussen de dakrand en de muur waardoor ook deze bebouwing niet geschikt is als

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

22 van 36

verblijfplaats voor gierzwaluwen. Er zijn verder ook er geen sporen van gierzwaluw langs de gevel aangetroffen. Steenuil Volgens verspreidingsgegevens komt steenuil niet in de omgeving van het plangebied voor. Het habitat van steenuil bestaat doorgaans uit kleinschalige landbouwgebieden met veel ruigtestroken, takkenrillen, paardenweides, uitkijkplekken, vervallen gebouwtjes en holle bomen. Door het ontbreken van geschikte bebouwing en de afwezigheid van voor steenuil geschikte bomen zijn nest- en foerageermogelijkheden voor deze soort binnen het plangebied uitgesloten. Op basis van verspreidingsgegevens, de geschiktheid van het plangebied en het ontbreken van duidelijke gebruikssporen wordt de functie van het plangebied als vast rust- of verblijfplaats en functioneel foerageergebied niet verwacht. Aanvullend plangebied 2019 Ook in de verspreidingsgegevens uit 2019 zijn geen waarnemingen van steenuil in de omgeving van het plangebied bekend. Wel is het aanvullend plangebied in potentie geschikt als leefgebied voor steenuil. Het betreft kleinschalig landschap met aanwezigheid van wilgen en ruigtestroken. Ooievaar In het plangebied is een nest van een ooievaar aangetroffen op de kloktoren van de in het zuiden aanwezige kerk.

Afbeelding 14: Aangetroffen ooievaarsnest op kloktoren (Aveco de Bondt, 2017). Niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5 en overige soorten) Soorten waarvan het nest valt onder beschermingscategorie 5 betreffen voor een groot deel holtebroeders zoals koolmees, grote bonte specht, pimpelmees, spreeuw, bosuil en boomkruiper maar ook ekster en ijsvogel. De aanwezige bebouwing en bomen zijn potentieel geschikt als nestplaats voor dergelijke soorten. Nesten uit categorie 5 kunnen wel een jaarrond beschermde status hebben wanneer sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

23 van 36

rechtvaardigen. In onderhavige situatie is dit niet aan de orde aangezien in de omgeving van het plangebied voldoende alternatieven aanwezig zijn waar de soort gebruik van kan maken bij het (tijdelijk) verdwijnen van de betreffende nestlocatie. Het plangebied en de directe omgeving is tevens geschikt als broedlocatie voor algemene soorten zoals de houtduif en merel. Deze kunnen broeden in de bomen of in de struiken. In de bomen in het plangebied zijn verschillende vogelsoorten waargenomen zoals vink, merel, nijlgans, kauw, ekster, grote bonte specht en tjiftjaf. Tijdens het veldbezoek zijn ook enkele nesten waargenomen in de bomen vermoedelijk van kraaiachtigen of ekster en houtduif. Broedende vogels mogen niet opzettelijk verstoord worden tijdens het broeden. Het bouwrijp maken van het plangebied zal dan ook buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd, tenzij een ecologische vrijgave is opgemaakt door een ecoloog, waaruit blijkt dat er voor de start van de werkzaamheden geen broedende vogels aanwezig zijn. IJsvogel Volgens verspreidingsgegevens (sovon.nl) komt de ijsvogel voor in de omgeving van het plangebied. IJsvogels komen voor in gebieden met langzaam stromende beken en broeden in wanden en tussen wortels van bomen.

In het plangebied zijn dergelijke kenmerken aanwezig en is tevens een omgevallen boom aangetroffen met enkele openingen die mogelijk geschikt zijn voor ijsvogels. Om te foerageren zijn in het plangebied tevens verschillende beken aanwezig die mogelijk geschikt zijn.

Afbeelding 15: Potentiële nestlocatie voor ijsvogel en stromende beek als foerageermogelijkheid (Aveco de Bondt, 2017).

Aanvullend plangebied 2019 Soorten waarvan het nest valt onder beschermingscategorie 5 betreffen voor een groot deel holtebroeders zoals koolmees, pimpelmees, spreeuw en boomkruiper. De aanwezige bebouwing is potentieel geschikt als nestplaats voor soorten zoals koolmees en pimpelmees. Echter betreft het in dit geval nestlocaties die zijn ontstaan door het ophangen van nestkasten. Nesten uit categorie 5 kunnen een jaarrond beschermde status hebben wanneer sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen. Koolmees en pimpelmees zijn beide vrij algemeen voorkomende soorten die graag gebruik maken van holtes om in te broeden. In de omgeving zijn diverse oude bomen en gebouwen die potentieel geschikt zijn als nestlocatie. In

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

24 van 36

het aanvullend plangebied 2019 zijn geen categorie 5 soorten aanwezig waarvoor een jaarrond beschermde neststatus is gerechtvaardigd. Door de aanwezigheid van opgaande begroeiing zijn er broedmogelijkheden voor ‘algemene’ soorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd en niet valt onder beschermingscategorie 5.

4.2.5

Amfibieën

Volgens landelijke verspreidingsgegevens komen alleen soorten zoals de gewone pad en de bruine kikker voor in het plangebied. Voor soorten geldt een vrijstelling bij werkzaamheden. Andere beschermde soorten zoals de rugstreeppad, de heikikker en de poelkikker en andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt komen volgens de verspreidingsgegevens niet voor in het plangebied. In het gebied ontbreken ook kenmerken zoals rietkragen en houtwallen en wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie voor de kamsalamander; open, droge warme terreinen in een pioniersstadium zoals duinen en ruderale terreinen voor de rugstreeppad; en voortplantingswater in de vorm van ondiepe zonbeschenen water met voldoende beschutting van vegetatie voor de heikikker en de poelkikker. Op basis van de verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat kunnen strikter beschermde soorten worden uitgesloten. Aanvullend plangebied 2019 Ook voor het aanvullende plangebied 2019 geldt dat enkel algemene soorten te verwachten zijn, zoals bruine kikker en gewone pad. In de verspreidingsgegevens uit 2019 zijn binnen het plangebied en de wijdere omgeving geen waarnemingen opgenomen van strikt beschermde amfibiesoorten. Daarnaast betreft het aanwezige habitat niet het voorkeurshabitat voor strikt beschermde amfibieën.

Er zijn weliswaar watergangen aanwezig, maar deze beschikken niet over een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie. Daarnaast zijn er vissen aanwezig in de watergang Ook betreffen het geen losstaande poelen die snel op kunnen warmen. Op basis van de verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat kunnen strikter beschermde soorten ook in het aanvullende plangebied worden uitgesloten.

4.2.6

Reptielen

Volgens landelijke verspreidingsgegevens komen geen beschermde reptielen zoals hazelworm, levendbarende hagedis, ringslang, zandhagedis en gladde slang in de omgeving van het plangebied voor. Tevens ontbreken kenmerkende habitateisen in het plangebied waardoor het voorkomen van deze soorten kan worden uitgesloten. Zo zijn er geen dichtbegroeide, enigszins vochtige terreinen, zoals heideterreinen en houtwallen aanwezig in het plangebied waar hazelwormen gebruik van maken; er zijn geen droge gebieden zoals duinen en droge heide met spoorlijnen en wegbermen aanwezige waar kale plekken met zand aanwezig zijn waar de zandhagedis eieren

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

25 van 36

kan leggen; voor de levendbarende hagedis ontbreken vochtige terreindelen en half natuurlijke graslanden, spoorlijnen, wegbermen en delen met veel pijpenstrootje en opslag; terreinen met overjarig riet en graspollen zoals pijpenstrootje en pitrus, en terreinen zoals laagveen en heideterreinen ontbreken voor de ringslang. Aanvullend plangebied 2019 Voor reptielen geldt in het aanvullende plangebied uit 2019 ook dat er in het geheel in de wijdere omgeving geen waarnemingen van zwaarder beschermde reptielen gedaan zijn. Weliswaar is het landschap kleinschaliger met takkenhopen en opgaande vegetatie waar een soort als ringslang normaliter gebruik van kan maken, maar ook deze soort is geheel niet bekend uit de omgeving. Voor overige strikt beschermde soorten reptielen ontbreekt geschikt habitat geheel. Zo ontbreken heideterreinen en droge duingebieden. Het voorkomen van beschermde reptielen wordt derhalve uitgesloten binnen het plangebied.

4.2.7

Vissen

Volgens landelijke verspreidingsgegevens (vissenatlas.nl) komen in de omgeving van zowel het plangebied uit 2017 als het plangebied uit 2019 geen beschermde vissoorten voor. Beschermde soorten stellen doorgaans ook specifieke eisen aan het habitat. Het aanwezige habitat voldoet niet aan de habitatseisen van streng beschermde soorten.

4.2.8

Vlinders en libellen

Beschermde soorten vlinders en libellen stellen specifieke eisen aan het habitat waaronder de aanwezigheid van waardplanten en komen doorgaans alleen voor in natuurterreinen. In het plangebied uit 2017 en 2019 is dergelijk habitat niet aanwezig en ontbreken waardplanten van beschermde vlinders en libellen. Ook zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde vlinders en libellen in de directe omgeving. Het is daardoor niet aannemelijk dat dergelijke soorten voorkomen in het plangebied. De plannen leiden niet tot aantasting van leefgebieden van beschermde vlinders en libellen.

4.2.9

Overige soorten

Beschermde insecten, slakken en weekdieren worden gezien de verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat niet verwacht in de plangebieden van 2017 en 2019. Gezien het ontbreken van geschikt habitat is het onwaarschijnlijk dat beschermde ongewervelden voorkomen in het plangebied. De plannen leiden niet tot aantasting van leefgebieden van beschermde ongewervelde soorten.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

26 van 36

4.3

Gebiedsbescherming

Het plangebied (2017 en 2019) ligt niet in een gebied dat beschermd is in het kader van de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabijgelegen beschermde natuurgebied ligt op minder dan een kilometer en betreft een onderdeel van het NNN (afbeelding 16). Op ruim 4 kilometer ligt het Natura 2000-gebied de Meijendel & Berkheide (afbeelding 16).

Afbeelding 16: Ligging plangebied Schakenbosch ten opzichte van beschermde natuurgebieden (kaart: Aveco de Bondt, 2019).

4.4

Houtopstanden

Het plangebied (2017 en 2019) ligt binnen de ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ van de Gemeente Leidschendam-Voorburg waardoor de aanwezige boomopstand geen deel uitmaakt van de Wet natuurbescherming. Nadere toetsing in dit kader is niet noodzakelijk. Meldings- of ontheffingsplicht voor het verwijderen van de aanwezige boomopstand in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Bomeninventarisatie Los van de toetsing aan de Wet natuurbescherming is er in het gebied ten behoeve van de aanwezige houtopstanden wel een volledige bomeninventarisatie uitgevoerd door Boomtotaalzorg (DeBruyne, 2018). De inventarisatie is vlakdekkend uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie zijn 825 bomen geïnventariseerd waarbij 78 verschillende soorten aangetroffen zijn. Ook zijn er 52 bosvlakken beoordeeld bij de inventarisatie. Hierbij is gekeken naar de soortensamenstelling en/of de diameterklasseindeling. In bijlage 2 is de volledige bomeninventarisatie opgenomen.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

27 van 36

5

TOETSING WET NATUURBESCHERMING

In dit hoofdstuk wordt bepaald of de plannen mogelijk leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, zoals genoemd in hoofdstuk 2. Hierbij worden de resultaten van de quickscan (hoofdstuk 4) getoetst aan de ingrepen die gepland zijn (hoofdstuk 3). Uit dit hoofdstuk volgt de conclusie of er al dan niet vervolgwerkzaamheden nodig zijn. Denk daarbij aan een nader onderzoek om de daadwerkelijke aanwezigheid van beschermde soorten aan te tonen, een voortoets om effecten op beschermde natuurgebieden te onderzoeken of het aanvragen van een ontheffing / vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.1

Soortbescherming

5.1.1

Vleermuizen

Binnen het plangebied worden beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes verwacht. Verblijfplaatsen in bebouwing binnen het plangebied Op basis van de geschiktheid van de bebouwing is de aanwezigheid van een kraam-, zomer-, paar- en of winterverblijf voor soorten als de gewone dwergvleermuis, grootoorvleermuis en laatvlieger niet uit te sluiten. Een aanvullend onderzoek dient hieromtrent uitsluitsel te geven. Door de voorgenomen sloop/renovatie zal sprake zijn van een mogelijk verlies van een verblijffunctie. Om de omvang van het effect van de sloop inzichtelijk te maken (verblijfsfunctie en aantal dieren) dient een nader onderzoek plaats te vinden voor alle gebouwen uitgezonderd het Ursula gebouw. Op basis van de resultaten van dit onderzoek dienen maatregelen te worden getroffen om de functie van de verblijfplaats te behouden. Deze maatregelen dienen in een activiteitenplan te worden vastgelegd en middels een ontheffingsaanvraag aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Aanvullend plangebied 2019 Ook binnen het aanvullende plangebied kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten niet uitgesloten worden.

Omdat enkel de sloop van één woning gepland staat dient voor deze woning voorafgaand aan de sloop een onderzoek naar verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen) van gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger) uitgevoerd te worden. Verblijfplaatsen in bomen binnen het plangebied Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen binnen het plangebied dient plaats te vinden om het effect van de voorgenomen ingreep volledig te kunnen beoordelen.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

28 van 36

Aanvullend plangebied 2019 Binnen het aanvullend plangebied zullen geen bomen aangetast worden. Een nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen in dit gedeelte is derhalve niet nodig. Foerageergebied De geplande herinrichting van het terrein leidt mogelijk tot een afname in beschikbaar foerageergebied. In het plangebied blijven verschillende bomen, waterpartijen en lantaarnpalen behouden, waardoor mogelijk wel foerageergebied behouden blijft. Aantasting van essentieel foerageergebied kan echter op dit moment door het ontbreken van een specifieke uitvoeringsplanning niet worden uitgesloten. Een nader onderzoek naar het effect op foerageergebieden zal hierover uitsluitsel moeten geven. Aanvullend plangebied 2019 Binnen het aanvullende plangebied zullen de groenstructuren onaangetast blijven. Een nader onderzoek naar de foerageergebieden is derhalve niet nodig. Vliegroute In het kader van de voorgenomen ingreep zullen verschillende aanwezige bomen en/of bosschages binnen het plangebied worden gekapt. De bomen en bosschages in het plangebied kunnen theoretisch dienstdoen als verbinding tussen de bebouwde kom, waar zich verblijfplaatsen kunnen bevinden, en het buitengebied om te foerageren. Het uitgangspunt is echter om zo veel mogelijk bomen en bosschages te behouden.

Om het effect van de kapwerkzaamheden en de ruimtelijke eindsituatie op een mogelijke vliegroutefunctie volledig te kunnen beoordelen, dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. Aanvullend plangebied 2019 Binnen het aanvullende plangebied zullen de groenstructuren onaangetast blijven. Een nader onderzoek naar de vliegroutes is derhalve niet nodig.

5.1.2

Grondgebonden zoogdieren

Eekhoorn Voorafgaand aan de kap dient door een ter zake kundige een controle plaats te vinden op eventueel aanwezige nesten. Nesten van eenhoorn zijn alleen beschermd gedurende de voortplantings- en winterperiode. De werkzaamheden kunnen onder een goedgekeurde gedragscode, zonder ontheffing van de Wet natuurbescherming, aantoonbaar worden uitgevoerd. Indien niet conform een gedragscode kan worden gewerkt, dienen maatregelen te worden getroffen om de functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaats van eekhoorn te garanderen.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

29 van 36

Aanvullend plangebied 2019 Binnen het aanvullende plangebied zullen de groenstructuren onaangetast blijven. Van aantasting van eekhoornnesten zal derhalve geen sprake zijn.

5.1.3

Broedvogels

Jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Jaarrond beschermde nestlocaties van vogels binnen het plangebied zijn niet uit te sluiten. Het is niet bekend of het aangetroffen nest ten zuidwesten van het hoofdgebouw een jaarrond beschermde status heeft. Een aanvullend onderzoek in het broedseizoen zal hieromtrent uitsluitsel moeten geven. Het aangetroffen ooievaarsnest heeft een jaarrond beschermde status. Wanneer dit gebouw wordt gesloopt dient hiervoor een ontheffing te worden aangevraagd. Aangezien niet kan worden uitgesloten dat de ransuil een verblijfslocatie heeft in het plangebied dient een nader onderzoek naar deze soort te worden uitgevoerd. Aanvullend plangebied 2019 In het aanvullend plangebied kan het voorkomen van huismus niet uitgesloten worden. Het slopen van de woning kan leiden tot potentieel aanwezige jaarrond beschermde verblijfplaatsen. Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van huismus dient uitgevoerd te worden. Niet-jaarrond beschermde nesten (categorie 5 en overige soorten) Algemene broedvogels zoals houtduif, ekster, ijsvogel en merel kunnen tot broeden komen binnen het plangebied in de bomen of struiken. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Er wordt geen standaardperiode voor het broedseizoen gehanteerd; ongeacht het seizoen mogen nesten van vogels die in gebruik zijn, niet worden aangetast of verstoord. Het broedseizoen loopt van globaal medio maart – augustus, maar is afhankelijk van de betreffende soort en buitentemperatuur. Het bouwrijp maken van het terrein dient buiten het broedseizoen te gebeuren, tenzij voor het broedseizoen maatregelen genomen worden om het terrein broedvrij te houden. Aanvullend plangebied 2019 Met betrekking tot algemene broedvogels en categorie 5 soorten geldt dat vastgesteld is dat deze tot broeden kunnen komen binnen het plangebied. Omdat er in de omgeving voldoende alternatieve broedlocaties zijn, is een jaarrond beschermde status van categorie 5 soorten hier niet aan de orde. Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Er wordt geen standaardperiode voor het broedseizoen gehanteerd; ongeacht het seizoen mogen nesten van vogels die in gebruik zijn, niet worden aangetast of verstoord. Het broedseizoen loopt van globaal medio maart – augustus, maar is afhankelijk van de betreffende soort en buitentemperatuur. Het bouwrijp maken van het terrein dient buiten het broedseizoen te

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

30 van 36

gebeuren, tenzij voor het broedseizoen maatregelen genomen worden om het terrein broedvrij te houden.

5.2

Gebiedsbescherming

Voor het NNN is geen externe werking van toepassing binnen de provincie Zuid-Holland. Gezien de afstand tot het NNN en het plangebied niet binnen de grenzen van de NNN valt zijn negatieve effecten niet te verwachten en een aanvullende toetsingen aan de kernkwaliteiten van het NNN niet noodzakelijk. Door de beperkte impact van de voorgenomen ontwikkelingen en de afstand van circa 4 kilometer tot Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide worden directe effecten uitgesloten. Indirecte effecten van de werkzaamheden op Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide worden niet verwacht op basis van de afstand, tussenliggende elementen en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling.

5.3

Houtopstanden

Beschermde houtopstanden volgens de Wet natuurbescherming zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

5.4

Zorgplicht

In het kader van de zorgplicht geldt voor onderhavige situatie bij werkzaamheden aan bijvoorbeeld de diverse watergangen dat er (soort)specifieke maatregelen moeten worden getroffen, naast de ‘algemene’ aandacht voor eventueel aanwezige individuen bij de uitvoering van het werk.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

31 van 36

6

SAMENVATTING

In opdracht van Schakenbosch BV heeft Aveco de Bondt een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de ontwikkelingen aan de Veursestraatweg 185 te Leidschendam (Provincie Zuid-Holland). Een gedeelte van het plangebed is in 2017 onderzocht, en een aanvullend gedeelte in 2019. Schakenbosch BV is voornemens het plangebied her in te richten naar een woonbestemming. Om vast te stellen of de ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden en/of beschermde houtopstanden, is als eerste stap een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten van de quickscan samengevat.

6.1

Soortbescherming

In tabel 5 zijn de resultaten van de quickscan opgenomen met de te verwachten effecten, te treffen maatregelen en te nemen vervolgstappen. Tabel 5. Samenvatting quickscan flora en fauna Schakenbosch te Leidschendam. Waargenomen / Soort(groep)

te verwachten

Functie

Verstoring

soorten

Verbodsbepaling Wnb

Verblijfplaats Diverse soorten

aanvullend onderzoek bebouwing

(gebouwen en

mogelijk

Artikel 3.5

(plangebied 2017 + 2019) en

holtebomen) Vleermuizen

Diverse soorten

Maatregelen/vervolgstappen

bomen (plangebied 2017)

Vliegroute

mogelijk

aanvullend onderzoek vliegroutes

Artikel 3.5

(plangebied 2017) aanvullend onderzoek

Diverse soorten

Foerageergebied

mogelijk

Artikel 3.5

foerageergebied (plangebied 2017) aanvullend onderzoek nestlocaties

categorie 1 t/m 4:

nestlocatie,

buizerd, ooievaar

foerageergebied

mogelijk

roofvogel en ransuil (plangebied

Artikel 3.1

2017) en nestlocaties huismus (plangebied 2019)

Broedvogels

categorie 5: ekster, ijsvogel

nestlocatie

ja

Artikel 3.1

(kap)werkzaamheden (starten) buiten broedseizoen (15 maart tot

overige soorten: wilde eend, vink,

nestlocatie

ja

1 augustus) (plangebied 2017 en

Artikel 3.1

2019)

houtduif ed.

Inspectie verblijfplaatsen Grondgebonden zoogdieren

Eekhoorn

Nestlocatie

Mogelijk

voorafgaand aan

Artikel 3.1

kapwerkzaamheden (plangebied 2017)

Amfibieën

datum

17 mei 2019

algemene soorten

leefgebied

referentie

nee

MDE/170200

-

-

pagina

32 van 36

*Afhankelijk van de uitkomst van de nader onderzoek dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen om de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats te garanderen. Deze maatregelen dienen te worden vastgelegd in een activiteitenplan en door middel van een ontheffingsaanvraag ter toetsing bij het bevoegd gezag te worden voorgelegd.

6.2

Gebiedsbescherming

Doordat het plangebied is gelegen op een grote afstand van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide ligt, worden directe en indirecte effecten uitgesloten. Het plangebied ligt buiten de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland. Nadere toetsingen aan de instandhoudingsdoelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde gebieden zijn niet noodzakelijk.

6.3

Houtopstanden

Beschermde houtopstanden volgens de Wet natuurbescherming zijn niet aanwezig binnen het plangebied.

6.4

Zorgplicht

Het merendeel van de soorten die in het plangebied kunnen voorkomen, zijn niet beschermd door de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten geldt dat als het plan leidt tot aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebieden er geen ontheffing noodzakelijk is. Wel is het noodzakelijk dat men rekening houdt met de zorgplicht.

datum

17 mei 2019

referentie

MDE/170200

pagina

33 van 36

7

AANBEVELINGEN

Zowel de streng beschermde stadsvogels huismus en gierzwaluw als diverse soorten vleermuizen komen de laatste jaren meer en meer onder druk te staan door de toename in ruimtelijke ontwikkeling, (grootschalige) renovatie en na-isolatie. Vrijblijvend doen wij dan ook graag enkele aanbevelingen om de toekomstige situatie voor onder andere bovenstaande soorten te verduurzamen. -

De nieuwbouw kan eenvoudig geschikt gemaakt worden voor vleermuizen door openingen en ruimte in de spouwmuur te creëren, kasten in te metselen, of ruimte achter gevelbetimmering te creëren;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=806c741d-af96-4357-a865-3b43a0b80b9e