CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanscherping Sociaal Kompas (in nette opmaak).pdf

Raadsvergadering 7 december 2021, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel: Aanscherping Sociaal Kompas (2217).17.663 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

23

Aanscherping Sociaal kompas

Bijlage II. Technisch memo financiële en juridische consequenties De gemeenteraad van Leidschendam-Voorburg heeft zich in de “Leidraad Aanscherping Sociaal Kompas” (vastgesteld op 11 mei 2021) uitgesproken op een aantal (gedeelde) politieke uitgangspunten. Deze uitgangspunten geven richting aan het aanscherpen van het Sociaal Kompas. Deze aanscherping gaat de uitvoering helpen om de juiste steun bij de juiste inwoners te krijgen. Deze aanscherping kan financiële en juridische consequenties hebben. In dit technisch memo worden deze nader uitgewerkt. Ieder kopje begint met één of meerdere uitgangspunt(en) uit de “Leidraad Aanscherping Sociaal Kompas”, met daarbij de financiële en juridische consequenties samengevat in het kader. Oplopende kosten Uitgangspunten: ‘We zetten erop in dat onze ondersteuning zoveel als mogelijk terecht komt bij hen die dat het hardst nodig hebben.’ ‘Preventieve hulp en zorg heeft de voorkeur boven curatieve hulp en zorg. We houden onze ambitie om te werken naar autonomie en preventie ook vast, wanneer de kosten hiervoor hoger zijn dan wanneer we in zouden zetten op overname van de zorg en minder versterking van de zelfredzaamheid. Op de lange termijn is dat het best voor zowel de inwoner als de gemeentelijke portemonnee.’ Langdurige zorg Voor bepaalde doelgroepen zullen de kosten, ondanks sturing, de komende jaren oplopen.

Bijvoorbeeld bij de inzet op dementerende ouderen. De zorg voor deze doelgroep zal niet minder worden, omdat het om een progressieve, chronische ziekte gaat. Door de dubbele vergrijzing10 in LV zal ook het aantal mensen dat hiermee te maken krijgt toenemen. Daarbij zijn de mogelijkheden voor intramurale zorg sterk verminderd, waardoor inwoners langer zelfstandig thuis moeten wonen met onder andere ondersteuning van gemeenten. Voor meer groepen in de samenleving geldt dat zorg niet zal afnemen, omdat het bevorderen van zelfredzaamheid bij deze groepen nauwelijks leidt tot afname van zorginzet.11 Het gaat om chronisch zieken, ouderen boven de 75, alleenstaande ouderen, ouders met een licht verstandelijke beperking en psychiatrische patiënten. Hooguit kan het stimuleren van samenredzaamheid, door onder andere de inzet van mantelzorgers, tot (enige) afname van zorginzet leiden. Voor chronisch zieken (waaronder dementerende ouderen), ouderen boven de 75, alleenstaande ouderen, ouders met een licht verstandelijke beperking en psychiatrische patiënten zal er qua zorg weinig veranderen. De kosten van deze zorginzet zullen niet dalen. De juridische consequenties zijn laag.

Extra, tijdelijke impuls Dan is er een groep inwoners die een periode intensiever kan worden geholpen, waarna de inzet kan worden afgebouwd en op den duur gestopt. Het gaat dan om inwoners waarbij we in plaats van het overnemen van zorg, toe gaan werken naar (meer) onafhankelijkheid. Het gaat hierbij om groepen als laaggeletterden, statushouders met een inburgeringsachterstand, jongeren met een (lichtere) aandoening en eenzame mensen. De kosten zullen door de extra impuls eerst oplopen, maar na een tijdje afnemen. Het is belangrijk te monitoren hoe het deze inwoners vergaat. Als de kosten tegen de verwachting in blijven oplopen, is bijsturing nodig.

10

Het aantal ouderen dat in LV woont groeit en wordt ook steeds ouder.

11

Afname van zorginzet is wel mogelijk door bijvoorbeeld een eigen kracht toets in te voeren voor huishoudelijke ondersteuning.

24

Aanscherping Sociaal kompas

Voor laaggeletterden, statushouders met een inburgeringsachterstand, jongeren met een (lichtere) aandoening en eenzame mensen wordt actief extra ingezet op zelfredzaamheid, samenredzaamheid en zelfregie, waarna de zorginzet kan worden afgebouwd en op den duur gestopt. De kosten voor het individu zullen door de extra tijdelijke impuls eerst oplopen, maar na een tijdje afnemen. De juridische consequenties zijn laag, omdat geen rechten worden aangetast.

Meer inzet op preventieve hulp Onderzocht kan worden voor welke groepen inwoners de stap kan worden gemaakt van geïndiceerde zorg (curatief) naar preventieve hulp. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld Schoolmaatschappelijk Werk Plus12 in plaats van de inzet van zwaardere jeugdhulp. Het toewerken van een curatieve benadering naar een preventieve benadering13 zal (in eerste instantie) meer menskracht kosten. Dit vraagt een investering in menskracht en weerbaarheid. Na een periode van investeren wordt verwacht dat de kosten van curatieve zorg zullen dalen. Om ervoor te zorgen dat meer preventie niet leidt tot alleen maar een grotere doelgroep die bediend wordt, maar dat nu juist de doelgroep wordt bereikt waar erger kan worden voorkomen, zal extra preventie alleen ingezet worden als dit leidt tot meer zelfredzaamheid. De extra preventieve hulp kan worden belegd op de subsidietafels. Afhankelijk van de hulpvraag kunnen geschikte partners worden gezocht. Het toewerken naar een preventievere benadering zal in eerste instantie een investering vragen. Na een periode van investeren is de verwachting dat de kosten van curatieve zorg zullen dalen. Bij nieuwe hulpvragen waarvoor preventieve hulp wordt ingezet in plaats van curatieve zorg, zijn de juridische consequenties laag, omdat dit niet afdoet aan gevestigde rechten.

Het risico wordt groter als inwoners met een bestaande indicatie van curatief naar preventieve hulp overgaan, dan wordt er namelijk aan bestaande rechten getornd.

‘ We kijken realistisch naar de netwerken van mensen.’ ‘ We forceren mensen daarom niet om hun netwerk te versterken of te overvragen, wanneer we redelijkerwijs kunnen voorspellen dat dit vruchteloos zal zijn, of dat dit de hulpvrager in gewetensnood, grote schaamte of grote verlegenheid brengt.’ ‘ We verwachten wel van mensen dat zij, mogelijk geholpen door de gemeente, eraan werken hun netwerk te versterken. We werken dus toe naar een ‘tussenvorm’ waarin de gemeente respect toont voor de onmogelijkheden van iemands netwerk, maar ook probeert samen toe te werken naar een versterking van dat zwakke netwerken.’ Het versterken van iemands netwerk kan in eerste instantie extra inzet vragen, maar zorgt er wel voor dat deze inwoner zich daarna, samen met zijn netwerk, beter kan redden. Afname van kosten ‘De hulp die de gemeente biedt is niet automatisch eindeloos, maar werkt bij voorkeur toe naar een afbouw, waarin de cliënt met versterkte zelfredzaamheid de eigen boontjes kan doppen.’ Loslaten of korter bedienen Andere inwoners zullen vaker worden losgelaten, door deze niet of slechts kort te bedienen. Uiteraard wordt niet aan de zorgplicht getornd, maar er zit ruimte in tot waar de rol als gemeente gaat. Inwoners kunnen er bijvoorbeeld op worden gewezen dat ze zelf in staat zijn bepaalde knelpunten op te lossen (bijvoorbeeld

12

De schoolmaatschappelijk werker op school voert meer dan de gebruikelijke 5 gesprekken met een leerling, om deze uit een vicieuze cirkel te krijgen.

13

Gekoppeld aan het principe van matched care (i.p.v. stepped care), om onnodige zorgcarrières te voorkomen, met daarbij precies zoveel hulp als nodig.

25

Aanscherping Sociaal kompas

door zelf een huishoudelijke hulp in te schakelen). Daarnaast kan duidelijker worden omschreven wat wel en niet onder de Jeugdwet, Participatiewet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning valt. Het omschrijven van waar onze verantwoordelijkheid als gemeente stopt kan helpen om zorg/hulp eerder te kunnen loslaten. Hieraan zijn wel maatschappelijke risico’s verbonden. Zo is het bijvoorbeeld maar de vraag in hoeverre de gemeente verantwoordelijk is voor het bekostigen van overbruggingszorg als een kind wacht op een plaats in het speciaal onderwijs14. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor jeugdhulp, maar scholen hebben zorgplicht en samenwerkingsverbanden passend onderwijs zijn verantwoordelijk voor het bieden van een dekkend aanbod als het gaat om passende onderwijsplekken in de regio. Is deze passende plek er niet dan kan een kind thuiskomen te zitten, zonder onderwijs en dagbesteding. Dit gaat ten koste van de ontwikkelingsmogelijkheden van een kind. Om dit risico te verkleinen, rollen te verhelderen en kosten te beperken worden goede afspraken gemaakt met de samenwerkingsverbanden. Een voorbeeld van zorg die niet onder de zorgplicht valt is het aangepast vervoer onder het leerlingenvervoer. Dit type vervoer is ook geen doel, maar een middel om kinderen onderwijs te kunnen laten volgen.

In het licht van de unaniem aangenomen motie van CU in 2018 wordt gekeken of er binnen de kaders van deze motie verschillende varianten aangeboden kunnen worden aan kinderen die gebruik willen maken van het leerlingenvervoer, zoals onder begeleiding zelf met het openbaar vervoer leren gaan, waarbij de zelfredzaamheid van deze kinderen kan worden vergroot. Het loslaten of korter bedienen van inwoners zal een afname van kosten tot gevolg hebben. Onderzocht zal moeten worden op welke beleidsterreinen het effect van loslaten of korter bedienen het meeste effect zal hebben. Bij het mogelijk aanbieden van verschillende varianten van leerlingenvervoer staat het vergroten van zelfredzaamheid voorop. Hier is dan ook geen besparingsdoel aan verbonden, maar wel een besparingsverwachting. Doordat de varianten bij nieuwe aanvragen worden aangeboden, is het juridisch risico laag.

Normaliseren ‘We spreken ons uit tegen doorgeslagen problematisering en medicalisering. We leven in een diverse samenleving, waarin mensen soms tegenslagen te verwerken krijgen. We willen wegblijven van mensen al te snel te labelen als ‘ziek’. Mensen moeten elkaar helpen om tegenslagen te overwinnen, en de gemeente kan daarin een rol spelen.’ Door het uitwerken van het begrip normalisering uit de regiovisie Jeugd kan beter de grens worden bepaald wat onder normale tegenslagen wordt verstaan en wanneer de gemeente de verantwoordelijkheid kan laten bij het gezin of de omgeving van het kind. Wel kan worden gekeken wat nodig is om een vicieuze cirkel te doorbreken. Bij voorkeur door laagdrempelige inzet (bijvoorbeeld extra inzet door School Maatschappelijk Werk). Op doorverwijzingen door de jeugdconsulenten van de gemeente zelf hebben we maximale sturing. De gemeente wijst ongeveer 20% door. De overige verwijzingen gaan via onder andere huisartsen, rechters en jeugdbeschermers. De gemeente overlegt met huisartsen. Hierin zit enige mogelijkheid tot beïnvloeding, maar direct sturen op verwijzingen van huisartsen is niet mogelijk vanuit de gemeente. Door de inzet van praktijkondersteuners jeugd (POH’ers) bij huisartsen wordt deze sturing wel vergroot.

14

Hier wordt al aan gewerkt in het afwegingskader jeugd en routeboeken verzuim.

26

Aanscherping Sociaal kompas

De sturing op de overige verwijzers bij jeugd (zoals rechtbank of jeugdbeschermers) is nihil. Door meer zorgvragen onder het begrip normalisering te laten vallen, zal de zorginzet hierop verlagen en zullen de kosten hiermee dalen. Aangeven dat bepaalde problemen behoren tot normale tegenslagen in het leven kan weerstand oproepen. Dit vraagt om een goede weerslag in het beleid en politieke steun om deze beweging te kunnen maken. Als deze norm alleen voor nieuwe verzoeken gaat gelden, dan is het juridisch afbreukrisico laag.

Eigen kracht ‘Bij zelfredzaamheid wordt ook de financiële zelfredzaamheid van mensen meegewogen, zoals bijvoorbeeld bij leerlingenvervoer en huishoudelijke hulp. Dit uitgangspunt geldt voor ondersteunend beleid, en dus nadrukkelijk niet voor hulp die onder de zorgplicht valt (zoals behandelingen onder Jeugdzorg).’ Voor maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo is in 2019 een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage van € 19,- per maand en sinds 2020 voor algemene voorzieningen ingevoerd (abonnementstarief). Uit recent verschenen onafhankelijk landelijk onderzoek van Significant naar de gevolgen van de invoering van het abonnementstarief over 2019, bleek onder meer dat het beroep op huishoudelijke hulp bij mensen met een inkomen van € 100.000,- of meer met bijna 80 procent is gestegen. Over de hele linie is het aantal cliënten voor hulp bij het huishouden in 2019 gestegen met 12,7 procent. Ook het CBS meldde eerder een flinke toename van het aantal mensen met een midden- en hoger inkomen dat een beroep doet op vooral de huishoudelijke hulp. Gemeente Krimpen aan den IJssel heeft per 1 juli al een eigen kracht toets ingevoerd voor huishoudelijke ondersteuning. Het inkomen wordt meegewogen bij het bepalen van de eigen kracht. Dit voorbeeld is tijdens de Raadswerkgroep van 17 juni jl. door gemeente Krimpen aan den IJssel toegelicht.

Wanneer zij de uitgaven voor huishoudelijke hulp van 2020 vergeleken met die van 2018, was sprake van een toename van ongeveer € 980.000. Een toename van ruim 50% in twee jaar. Gemeente Krimpen aan den IJssel verwacht 3,5 tot 4 ton te kunnen besparen op het volume, door mensen met een hoger inkomen de huishoudelijke hulp zelf te laten betalen. In LV is het aantal huishoudens met huishoudelijke ondersteuning in 2019 met ruim 20% gestegen ten opzichte van 2018. En in 2020 is het percentage met 16% gestegen ten opzichte van 2019. In 2019 waren er ruim 140 huishoudens met huishoudelijke ondersteuning die een verzamelinkomen hadden boven de € 50.000. De kosten om deze inwoners te ondersteunen bedragen jaarlijks ongeveer € 420.000. De kosten zijn in 2020 hoogstwaarschijnlijk verder opgelopen, maar data zijn hierover niet bekend. Ook de VNG riep gemeenten eind vorig jaar al op de grenzen van de Wmo op te zoeken, door onder meer het inkomen te laten meetellen bij de beoordeling van een aanvraag voor huishoudelijke hulp: ‘Inwoners met een goed gevulde portemonnee moeten, als zij een aanvraag doen voor huishoudelijke ondersteuning via de Wmo, door gemeenten met geldtekorten op een wachtlijst worden geplaatst. Echt zorgbehoevenden krijgen voorrang.’ Naast wachtlijsten adviseert de VNG gemeenten ook met plafonds te werken.

‘Stel het budget vast wat je als gemeente aan de huishoudelijke hulp wilt uitgeven en help alleen de schrijnende gevallen’, licht de Rotterdamse wethouder Sven de Langen (ouderen, en tevens voorzitter van de VNG-commissies Zorg, Jeugd en Onderwijs) toe. Het Ministerie van VWS is op de hoogte van de discussie over de (eventuele) invoering van een inkomenstoets/eigen kracht toets bij aanvragen voor huishoudelijke ondersteuning en beraadt zich over mogelijk te nemen stappen.

27

Aanscherping Sociaal kompas

Door bij een zorgvraag meer te kijken naar de eigen kracht van de inwoner kunnen de kosten worden verlaagd. De juristen van het ministerie van VWS menen dat de werkwijze van gemeente Krimpen aan den IJssel niet is toegestaan. Juristen van de VNG hebben meegekeken met de plannen van Krimpen aan den IJssel en menen dat de juridische ruimte er wel is. Op basis hiervan kan ook LV inkomen bij een eigen krachttoets meewegen. Zolang er echter nog geen gerechtelijke uitspraken zijn1, zit hier wel een redelijk groot juridisch risico in. Gevolg kan zijn dat als een rechter bepaalt dat het inkomen niet mag worden meegewogen, alles na zo’n uitspraak moet worden teruggedraaid. Zijn alleen nieuwe aanvragen op deze manier getoetst, dan is het risico te overzien. Is ook het hele bestaande bestand doorgenomen en aangepast op de eigen krachttoets mét inkomen, dan kunnen de gevolgen groot zijn omdat alle mensen dan opnieuw moeten worden geïndiceerd. Mogelijk komt in een nieuw Regeerakkoord een einde aan het abonnementstarief. Als de eigen bijdrage weer wordt ingevoerd voor huishoudelijke ondersteuning, dan zal dit gelden voor nieuwe aanvragen. Voor deze nieuwe aanvragen is er dan geen juridisch risico. Een financieel risico kan wel zijn dat inwoners voor het ingaan van de nieuwe regeling nog een groot beroep gaan doen op de bestaande regeling.

Dat financiële zelfredzaamheid niet geldt voor hulp die onder de zorgplicht valt sluit aan op de recentelijke uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in een zaak tegen gemeente Zwijndrecht. Hierin is bepaald dat gemeenten het inkomen van ouders niet mogen laten meewegen bij de beoordeling van een aanvraag voor jeugdhulp. De knop waaraan gedraaid kan worden is de omschrijving wat er wel en niet onder jeugdhulp valt. Dit kan door meer onder normalisering te plaatsen, te omschrijven waar de rol van de gemeente ophoudt in o.a. het onderwijs (bijvoorbeeld bij overbruggingszorg) en kinderen die vallen onder de Wet Langdurige Zorg (Wlz) niet meer te helpen als gemeente. Risico’s hiervan kunnen zijn dat kinderen tussen wal en schip belanden. Bij de uitwerking van de Regiovisie Jeugd kunnen hierin door de Raad keuzes worden gemaakt.

1 Er zijn wel eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), maar deze zijn van voor de invoering van het inkomensonafhankelijke Wmo-abonnementstarief.)

Informatie uitwisseling bij multiprobleemgezinnen ‘Waar mogelijk bundelen we hulpverlening aan multiprobleemgezinnen.’ ‘Waar mogelijk verkleinen we voor multiprobleemgezinnen het aantal aanspreekpunten waar cliënten mee van doen hebben.’ ‘We zetten ons in om de administratieve last van de hulpverleners te verlichten en hechten eraan dat ons beleid ruimte en vertrouwen geeft aan de hulpverleners en cliënten om samen tot maatwerk te komen.’ Om hulp te kunnen bundelen bij gezinnen met multiproblematiek is het uitwisselen van informatie tussen verschillende domeinen (jeugd, Wmo, Werk en Inkomen) mogelijk nodig. Dat kan niet zondermeer. Deze domeinen hebben allemaal een eigen wettelijke grondslag en een eigen doel. Het is belangrijk dat steeds voor ogen te houden, omdat het uitwisselen van informatie raakt aan het recht op privacy van de inwoner. Het recht op privacy is een grondrecht en weegt daarmee zwaar. De zorgplicht van de gemeente, het mogelijk maken van de juiste ondersteuning, één gezin, één plan, één regisseur en het recht op privacy van diezelfde inwoner kunnen hier gaan schuren.

28

Aanscherping Sociaal kompas

Zorgvuldigheid kan hierin worden gewaarborgd door het doel waarmee we informatie uitwisselen helder en scherp te formuleren; dat we als gemeente weten tot waar onze rol gaat (we verwijzen door, helpen bij het vinden van de juiste weg en zorgen ervoor dat onze partners inwoners zo goed mogelijk de ondersteuning kunnen bieden die zij nodig hebben), ons hieraan houden en dat we alleen die informatie verzamelen en uitwisselen, die nodig is om dit doel te bereiken. Het verzamelen van de juiste informatie (alleen dat wat nodig is om het doel te bereiken, bijvoorbeeld om een goede doorverwijzing te kunnen doen) helpt ook in het verlagen van de administratieve lasten bij onze partners. De borging van deze zorgvuldige afweging zit in het meenemen van deze aspecten in beleidsplannen. Naast het omschrijven van het doel en welke informatie hiervoor noodzakelijk is, is het wenselijk al van tevoren na te denken over informatiestromen. Omdat casussen anoniem worden besproken (informatie kan niet zomaar tussen domeinen worden uitgewisseld) en hulpvragen niet binnenkomen bij de gemeente via één loket, komen multiprobleem gezinnen niet zomaar in beeld. Dit betekent niet dat geen hulp in deze gezinnen wordt ingezet. Wel is het mogelijk dat (soortgelijke) hulp vanuit meerdere domeinen wordt ingezet en deze niet (voldoende) op elkaar is afgestemd.

Ook komt het voor dat een casus niet wordt herkend als multiprobleem casus en daardoor als enkelvoudige casus wordt behandeld. Doordat niet integraal kan worden gesignaleerd, is het uitvoeren van één gezin, één plan, één regisseur nu alleen in uitzonderingsgevallen mogelijk. Door de inzet op multiprobleem gezinnen integraal op te pakken, kan er meer maatwerk worden geleverd en kunnen mogelijk ook de kosten worden teruggedrongen.

Uitgangspunt is dat een multiprobleem casus anoniem wordt besproken, tenzij de veiligheid (van kinderen) in het geding is. In dat geval is uitzondering mogelijk. Minimale, of waar mogelijk géén, uitwisseling van informatie is hierbij het uitgangspunt. Hiermee zijn juridische risico’s op schending van het recht op privacy laag. Het risico wordt groter als er meer informatie wordt uitgewisseld tussen de verschillende domeinen. Dit kan nodig zijn om meer maatwerk te kunnen leveren en om met minder aanspreekpunten te werken. Dit wordt daarom alleen overwogen bij multiprobleem gezinnen, waarbij de balans tussen passende zorg aanbieden en het recht op privacy van de inwoner moet worden gewaarborgd. Verkend zal moeten worden wat hierin mogelijk is.

29

Aanscherping Sociaal kompas

Bijlage III. Technisch memo inkoop en subsidies Dit technisch memo geeft inzicht in de (financiële) relaties die we als gemeente onderhouden met de partners die onze inwoners zorg/ondersteuning bieden. Het memo begint met de verschillende uitgangspunten uit de ‘Leidraad Aanscherping Sociaal Kompas’ die betrekking hebben op dit onderwerp. Benoemd wordt wat ervoor nodig is om de lijn uit de Leidraad te realiseren. Daarna volgt een toelichting op de verschillen tussen subsidie en inkoop, alsook de mate van invloed die de raad hierop kan uitoefenen. Leidraad: de beweging naar meer zelfredzaamheid, autonomie en integraliteit ‘We zetten erop in dat het beleid in ons Sociaal Kompas, en dus onze steun aan mensen die de hulp van de gemeente hard nodig hebben, de zelfredzaamheid en autonomie van onze inwoners versterkt.’ ‘In plaats van de zorg over te nemen (zorgen voor), werken we toe naar onafhankelijkheid van de cliënt (helpen zorgen dat).’ ‘Preventieve hulp en zorg heeft de voorkeur boven curatieve hulp en zorg. Wanneer toch wordt ingezet op curatieve hulp en/of zorg, dan is dat in principe tijdelijk, indien alsnog kan worden overgegaan op preventieve hulp en/of zorg.’ ‘We houden onze ambitie om te werken naar autonomie en preventie ook vast, wanneer de kosten hiervoor hoger zijn dan wanneer we in zouden zetten op overname van de zorg en minder versterking van de zelfredzaamheid.

Op de lange termijn is dat het best voor zowel de inwoner als de gemeentelijke portemonnee.’ ‘We zetten zoveel als mogelijk in op ontschotting van beleid en beschikbare middelen, om een integrale benadering van ons Sociaal Domein te versterken.’ ‘Waar mogelijk bundelen we hulpverlening aan multiprobleemgezinnen.’ ‘Waar mogelijk verkleinen we voor multiprobleemgezinnen het aantal aanspreekpunten waar cliënten mee van doen hebben.’

30

Aanscherping Sociaal kompas

Instrumenten De volgende instrumenten kunnen het best worden ingezet om de beweging naar het vergroten van de zelfredzaamheid en autonomie van onze inwoners te maken en te komen tot een integrale benadering: • • • •

Meer inzetten op gesubsidieerde ondersteuning en preventieve zorg, minder op inkoop; Een betere verbinding tussen subsidiepartners- en inkooppartners stimuleren; Terugdringen van het aantal inkooppartners; Geen individuele trajecten inzetten voor ondersteuning die breed beschikbaar is.

Verschillen tussen subsidie- en inkooppartners De gemeente betaalt de zorg/ondersteuning in het sociaal domein voor onze inwoners voor zover deze voortvloeit uit een wettelijke verplichting (Jeugdwet, Participatiewet, Wmo) of vanuit een maatschappelijke behoefte, die bestuurlijk wordt gesteund. De gemeente voert deze zorg/ondersteuning dus niet zelf uit, maar verstrekt subsidies of koopt de zorg in. De subsidiepartners (inclusief vrijwilligers) of de partners van ingekochte zorg voeren de hulp, ondersteuning en zorg vervolgens uit. Subsidies Het verstrekken van een subsidie is het bekostigen van activiteiten uit de samenleving. Deze activiteiten kunnen alleen worden bekostigd als ze aansluiten op vooraf geformuleerd beleid. In gemeente Leidschendam-Voorburg wordt dat voor het sociaal domein beschreven in de initiatiefvragen van de subsidietafels. De activiteiten worden in kaart gebracht door de subsidiepartners en met elkaar afgestemd vastgelegd in het uitvoeringsplan. Subsidies versterken hiermee de sociale infrastructuur vanuit de voelsprieten van de partners. Subsidies worden verstrekt voor vrij toegankelijke ondersteuning en initiatieven op het gebied van cultuur en sport. De vrij toegankelijke ondersteuning wordt ook wel het voorliggend veld genoemd15. Hiervoor hoeft geen indicatie te worden afgegeven.

Het overgrote deel van de preventieve ondersteuning wordt door subsidiepartners verstrekt, vaak ook met inzet van vrijwilligers. Belangrijke subsidiepartners voor de gemeente op dit moment zijn onder andere WOEJ, MEE, Kwadraad, Sport en Welzijn en de bibliotheek. Inkoop Zorg waarvoor een indicatie nodig is (en daarmee niet vrij toegankelijk), zoals individuele begeleiding, heeft een wettelijke basis en wordt ingekocht. De indicatie geeft de inwoner een recht op zorg, voor een bepaalde tijd. Door zorg in te kopen kunnen we de prestatie afdwingen bij de zorgaanbieder. Deze geïndiceerde zorg wordt deels regionaal, bovenregionaal en soms landelijk ingekocht en deels lokaal. De gemeente is met name in de jeugdzorg verplicht om bepaalde zorg regionaal, bovenregionaal of landelijk in te kopen. Er is daardoor beperkte ruimte om deze lokaal in te kopen. Belangrijke inkooppartners voor de gemeente op dit moment zijn onder andere Florence, Ipse de Bruggen, Jeugdformaat, Parnassia en Leger des Heils. Subsidietafels en inkooptrajecten Subsidietafels De subsidies in het sociaal domein zijn voor het merendeel belegd op de subsidietafels. Op de tafels is in totaal ongeveer 12 mln. aan subsidiegeld belegd16. De subsidiepartners nemen deel aan deze tafels en vormen daarmee een netwerk. Er kunnen eens per 2 jaar nieuwe partners toetreden tot de tafels.

In de gekozen systematiek is het uitgangspunt dat alle partners gelijkwaardig zijn aan de tafels.

15 Uitzondering hierop is de subsidie voor bemoeizorg en het Veilig Verder Team. Beide zijn vormen van zorg voor zware problematiek. Niet vrij toegankelijk, maar wel gesubsidieerd. 16 Dit bedrag omvat ook de enkele subsidies op het gebied van cultuur en sport, die bijdragen aan de doelen van de tafels.

31

Aanscherping Sociaal kompas

In totaal is ongeveer 8 ton aan subsidies waarmee we ondersteuning/zorg bieden aan onze inwoners, niet op de subsidietafels belegd. Het gaat hierbij om subsidies voor onder andere verslavingszorg, praktijkondersteuner jeugd (POH-jeugd) en openbare geestelijke gezondheidszorg/bemoeizorg (OGGZ). Inkooptrajecten Voor jeugd verloopt de inkoop via het servicebureau H10 (regionaal), bovenregionaal of zelfs landelijk. Voor de Wmo begeleiding verloopt de inkoop via de H6. Bij de inkoop via de H10 en H6 gaat het in beide gevallen om een vorm van ‘open house’ contracten. Aanbieders kunnen, zolang ze voldoen aan de voorwaarden, ongelimiteerd toetreden tot deze contracten. Ook voor huishoudelijke ondersteuning wordt gebruik gemaakt van een ‘open house’- contract maar dan lokaal, dat geldt ook voor de re-integratietrajecten17. Schuldhulpverlening, hulpmiddelen Wmo en medische advisering gaan via de klassieke (soms Europese) aanbestedingsprocedures. In totaal gaat er in de inkoop van zorg en inkomens- en bijstandsvoorzieningen (incl. armoedebestrijding) tegen de € 85 mln. om.18 •

Bij jeugd is ongeveer € 22,5 mln. geraamd voor hulp die via H10 is ingekocht. Daarnaast is er ruim € 1 mln. geraamd voor PGB en enkele tonnen voor jeugdhulp buiten de H10 om.

•

Binnen Zorg gaat ongeveer 13,5 mln. in de inkoop om, waarvan 12,5 mln. voor Wmo en 1 mln. voor leerlingenvervoer.

•

Bij Werk en Inkomen gaat het meeste budget naar inkomens- en bijstandsvoorzieningen (incl. armoedebestrijding, Schoolspullenpas en Ooievaarspas)19. Er wordt daarnaast rond € 3 mln. aan bijzondere bijstand verstrekt, ongeveer € 1,3 mln. aan participatie- en re-integratietrajecten en rond 7 ton voor curatieve schuldhulpverlening.

Doordat aanbieders, zolang ze voldoen aan de voorwaarden, ongelimiteerd kunnen toetreden tot de verschillende ‘open house’- contracten, is er bij de inkoop sprake van veel aanbieders/partners. ‘Open house’ versus strategische partners In de praktijk zit in Leidschendam-Voorburg 80 tot 90% van de kinderen in de jeugdzorg bij de 12 tot 15 grootste aanbieders (van de 60 aanbieders waarmee we een resultaatovereenkomst hebben afgesloten20), bij Wmo zit 90% van de cliënten bij 7 à 8 aanbieders (van de 150 aanbieders). Ondanks dat er door de ‘open house’-contracten veel keuzemogelijkheden zijn, kiezen onze inwoners dus voor een beperkt aantal aanbieders. In de H10 wordt besproken of het werken met strategische partners of een andere vorm van contracteren mogelijk is om het aantal aanbieders te verminderen. Minder keuzevrijheid zal voor een groot deel van onze inwoners weinig verschil maken. Invloed op het behalen van resultaten Subsidietafels De gemeente voert de regie op de subsidietafels. Zij stuurt op basis van de initiatiefvragen. Deze zijn afgeleid van de doelen uit het Sociaal Kompas/doelenboom en maatschappelijke ontwikkelingen. In de initiatiefvraag staat beschreven wat de subsidiepartners dienen te bereiken, in het uitvoeringsplan van de partners beschrijven zij vervolgens hoe zij die doelen verwachten te kunnen bereiken.

Naast de doelen worden in de initiatiefvragen ook minimale eisen, randvoorwaarden en kaders meegegeven. Ook wordt in de initiatiefvraag vastgelegd waarop dient te worden gemonitord. In de uitvoeringsplannen worden vervolgens de daadwerkelijke KPI’s afgesproken.

17 Bij re-integratietrajecten wordt gesproken over het inkoopkader of ‘het mandje’. 18

Waarvan € 27 mln. aan inkomens- en bijstandsvoorzieningen

19

Het verstrekken van uitkeringen valt niet onder de inkoop.

20

Regionaal zijn 150 jeugdaanbieders actief

32

Aanscherping Sociaal kompas

Aan tafel sturen de beleidsmedewerkers vooral op de kwaliteit van het uitvoeringsplan en op de lopende uitvoering. Het gaat daarbij om vragen zoals: op welke wijze draagt deze aanpak optimaal bij aan het doel? Hoe hangt de aanpak van partner één samen met de aanpak van partner twee, of het aanbod dat beschreven wordt op een andere subsidietafel? Hoe sluit deze aanpak aan bij geïndiceerde zorg? Wat maakt dat deze aanpak echt nodig is? Wat zou er gebeuren als dit er niet was? Er wordt gestuurd op samenwerking en optimale aandacht voor de vraag van de inwoner en uiteraard op de financiën zodat alles binnen het vastgestelde plafond blijft. Gedurende de uitvoering van een plan wordt periodiek gemonitord of de gestelde doelen en KPI’s worden gehaald en wordt besproken wat er anders kan als uitvoering niet zo gaat als werd verwacht of als er nieuwe ontwikkelingen zijn die een andere aanpak vereisen. Bij het subsidieproces hoort de jaarlijkse cyclus van aanvragen, beschikken, verantwoorden en vaststellen. De jaarlijkse cyclus en de mogelijkheid tot tussentijds bijsturen op de subsidietafels geeft veel flexibiliteit, vergeleken met inkoop- en aanbestedingsprocedures. De invloed van de raad zit in het vaststellen van de beleidsdoelen in het Sociaal Kompas en in onderliggende beleidsnota’s. Via de kadernota en de begroting gaat de raad over de subsidieplafonds per subsidietafel.

Het college informeert de raad over de initiatiefvragen en de uitvoeringsplannen. Inkoop De gemeente legt na een aanbestedingsprocedure de beleidsdoelen en voorwaarden vast in contracten. Sturing op deze contracten gebeurt door het voeren van contractmanagement. Bij jeugd kunnen de contracten jaarlijks via herzieningsvoorstellen worden bijgesteld via het proces van ontwikkeltafels (regionaal). Daarnaast is in de regiovisie aangegeven dat er lokale mogelijkheden tot sturing zijn binnen de contracten. Ook het gebruik van het Richting gevend kader en de maximale bestedingsruimte zijn instrumenten om lokaal mee te sturen. Voor jeugd wordt het contractmanagement regionaal uitgevoerd door Servicebureau H10 en lokaal door onze eigen contractmanagers. Voor Wmo wordt het contractmanagement deels uitgevoerd door de H6 en grotendeels door onze eigen contractmanagers. Voor Werk en Inkomen wordt, op een paar kleine uitzonderingen na, het contractmanagement uitgevoerd door onze eigen contractmanagers. Contractmanagement wordt gevoerd op basis van de inkoopvoorwaarden. De invloed van de raad zit in het vaststellen van inkoopstrategieën, met daarin de wijze van bekostiging en de uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld ‘zorg dicht bij het kind.’ Dit is de basis van de inkoop. Marktinstrumenten: aanbesteden, subsidie of open house

33

Aanscherping Sociaal kompas

Een aanbesteding geeft de gemeente de meeste sturing. Dit beperkt wel de keuzevrijheid van onze inwoners, omdat alleen de gekozen aanbieder(s) zorg leveren. Ook is een aanbestedingsprocedure arbeidsintensief voor de gemeente en niet flexibel. Een aanbesteding geeft wel veel (financiële) zekerheid voor de zorgaanbieder, waardoor er ruimte ontstaat om te investeren in innovatie. Het werkt echter ook in de hand dat er monopolisten op de markt ontstaan, wat de mate van sturing door de gemeente kan beperken. Bij een ‘open house’- contract is de keuzevrijheid van de inwoner voor geïndiceerde zorg het grootst. Doordat er veel aanbieders zijn, is de sturing op integraliteit en kwaliteit vanuit de gemeente moeilijk. Bij inkoop jeugd zijn aanvullende sturingsmogelijkheden ingebouwd. Onderzocht kan worden waar we meer kunnen doen dan we nu al doen. Bij een subsidie kunnen resultaten het minst worden afgedwongen. De invulling van het hoe in welke activiteit ligt ook niet bij de gemeente. Gesubsidieerde activiteiten versterken de sociale infrastructuur vanuit de voelsprieten van de partners wel het meest. Het bijsturen binnen het systeem van subsidieverlening is gemakkelijker dan bij inkoop- en aanbestedingsprocedures. Onderzocht kan worden hoe we dit kunnen versterken. Deze flexibiliteit vraagt wel wat van de subsidiepartners.

Mogelijkheden in inzet van instrumenten Zelfredzaamheid en autonomie In de Leidraad is de richting aangegeven naar het vergroten van de zelfredzaamheid en autonomie van onze inwoners en het bieden van preventieve boven curatieve hulp. Inzetten op het aanbod in het voorliggend veld (preventief, laagdrempelig, via de subsidiepartners) sluit het meest aan bij de richting van de Leidraad. Vangnet Belangrijk is dan wel om te monitoren of de juiste doelgroepen worden bereikt, omdat anders het vangnet eerder groter wordt dan kleiner. Aan de voorkant zou dit meer richting vragen vanuit de initiatiefvragen naar de subsidietafels. Ook zou dit meer vragen van de regie op subsidietafels, omdat gesubsidieerde activiteiten vaak vrijblijvender zijn. 21 Kosten Daarnaast is meer kennis van de kosten nodig. Een maatschappelijk werker in het voorliggend veld is duurder dan begeleiding vanuit de Wmo, terwijl de indruk bestaat dat het voorliggend veld altijd goedkoper is dan de geïndiceerde zorg. Vooral bij langdurige zorg is het zaak om naar de best passende oplossing te zoeken, ook financieel. Tijdelijke dure inzet kan wel een korter, effectiever traject opleveren en daarmee lagere kosten. Inzicht in de kosten maakt sturen op de soort ondersteuning/zorg gemakkelijker. Integraliteit Er zit nu nog weinig verbinding tussen gesubsidieerde activiteiten en ingekochte zorgproducten.

De subsidietafels werken eraan om deze tot stand te brengen. Deze verbinding is nodig voor het innoveren van het aanbod, het laten aansluiten van producten, het sneller kunnen op- en afschalen, maar vooral ook om te kunnen komen tot een integrale benadering van de zorgvraag van onze inwoners.

21 Het ‘vrijblijvender’ zit erin dat niet bepaald kan worden wie het product levert (als men voldoet aan de voorwaarden mag men het product leveren) en welk product er exact geleverd wordt (alleen de richting wordt aangegeven in de initiatiefvraag). Heeft een partij een subsidie ontvangen, dan is een subsidie niet vrijblijvend. Het vraagt wel om goede afspraken aan de voorkant, aan de hand waarvan meetbaar kan worden gemaakt wat producten daadwerkelijk opleveren.

34

Aanscherping Sociaal kompas

Samenwerking Op de subsidietafels is de samenwerking tussen subsidiepartners al in gang gezet. Eerst per tafel en nu over de tafels heen. Het is wenselijk dit verder uit te breiden naar de inkoop, door het meer bij elkaar brengen van aanbieders gesubsidieerde- en ingekochte zorg. Dit is wel lastig als er heel veel inkooppartners zijn. Zoals de ontwikkeling op de subsidietafels laat zien, kost het bij elkaar brengen van partners wel tijd en regie vanuit de gemeente. Schuiven tussen inkoop en subsidie Sommige producten geïndiceerde zorg zijn geschikt om vrij toegankelijk te maken, omdat er vermoedelijk geen sprake is van een aanzuigende werking/extra toestroom. Een voorbeeld hiervan is dagbesteding. Dit scheelt veel capaciteit, omdat er dan geen indicaties hoeven te worden afgegeven. Dit betekent minder administratie en minder bureaucratie. Het betekent ook een andere vorm van sturen. Onderzocht kan worden hoe we dit kunnen realiseren. Hierbij is de afbakening van de wetgeving van belang (bijvoorbeeld tussen Wmo en Wlz). Dit vraagt ook iets anders van de subsidiepartners. Zij zullen dan controle op volumetoename moeten doen. Zou ondersteuning bij de huidige subsidiepartners worden ingekocht, dan zouden deze partners niet meer aansluiten bij de subsidietafels en hierdoor geen (direct) onderdeel meer uitmaken van dit netwerk.

Een tweede voorbeeld is dat in de geïndiceerde zorg vaak een preventieve component zit. Er wordt vaak een nazorg- waakvlamtraject aan begeleiding verbonden. Door deze onderdelen uit de geïndiceerde zorg te halen en te beleggen op een subsidietafel, kunnen geïndiceerde zorgtrajecten minder lang en intensief worden. Dit kan een kostenbesparing opleveren. Deze “waakvlam” afspraken zijn vaak regionaal gemaakt. Onderzocht kan worden in hoeverre deze optie in de regio kan worden besproken. Vervolg In de matrix, die bij het eindproduct wordt opgeleverd, kan per thema/onderwerp worden opgenomen: • Het effect/resultaat dat we willen bereiken; • De mate van afdwingbaarheid; • De omvang van de doelgroep; • De vrijblijvendheid van de ondersteuning; • De scherpte in de toegang; • De flexibiliteit van de inzet; • De mate van invloed op de te behalen resultaten. Daarna kan een goede combinatie worden gemaakt tussen gesubsidieerde- en ingekochte ondersteuning/ zorg. De balans kan per thema/onderwerp anders zijn.

35

Bijlage IV. De wegwijzer en bijbehorende schema’s

H we oe v he er w tv il op ang len e r n pre ekke et v n ku ve n n ers nne ntie aa ch n ve r he uive ge Wa n, ve ld? t ï a hu ndi r k c u lp ee n te rd ne ru e n gd , c we rin ura d ge tie e n? ve

•

Omvang vangnet

op r ko te in be ? we eld len en d v pe nn en kop ku g e rlig aar Ho voo elk en aan

g

rin nito mo we tie in? ten zet valua Hoe en e

Hoe ruim ver w te o illen we pz d dit e AVG oeken vra in ags bij tuk ?

Preventief Loslaten

Wa vo ar or zit ve de ra nd ruim er ing te ?

en hoe kunn Waar en ve nistratie we admi dringen? ug lasten ter

de

Curatief

voor Hoe zorgen we als curatief aanbod bod preventief aan r is? niet beschikbaa

Welke partner vorm van sc we nu vo hap hebben ornameli jk?

Partners

de

Figuur 1. De Wegwijzer.

•

e?

Kwetsbare inwoners

Informatie stromen

e w i ? n lt n le u ne de n m zin n a e bu p a g oe ul m H h lee ob pr

dig no e or vo ntiev de er is reve ggen ? t n Wa et p oorli rke h /v te om bod vers e n aa eld t v

Ho

e en w le werk Hoe n integra ? ee aan adering ben

Waarom do en hebben we dit aa nbod nu zo ingere geld?

Wa t

we t en eik me ber ers Hoe inwon od? e nb dez it aa d t ze he e e is r d ik t ? er voo ru od ne jk geb anb an li a W ake om et z s h od er an no won n v in ake m

Welk aanbod bieden we nu?

zie We n lke ee we ris op n v bij ico kw erh inw fac et oo on tor sb gd er en aa ri s m me Voor rh sic e t w ei o t kw een v elke d? ets erh inw he baa oog one ta an rheid d ris rs ic bo d in wille o op n zet ten we ? Welke inwone rs maken nu geb ruik van het aanbod?

’s n we risico n Waar zie reiken va bij het be oners? deze inw

?

Wegwijzer

Kwetsbare inwoners

Informatie stromen

H we oe v he er w tv i op ang llen e r n pre ekke et v n ku ve n n ers nne c nti ev aar h huiv n ev en ge Wa eld et , ïn a ? r d hu i k c u lp ee n n te rd e ru e n gd , c we rin ura d ge tie e n? ve

r

voo Hoe zorgen we od als curatief aanb nbod preventief aa ar is? niet beschikba

Welke partners vorm van ch we nu vo ap hebben ornamel ijk?

Partners

Wa vo ar or zit ve de ra nd ruim er ing te ?

op r ko te in be ? we eld len en d v pe nn en kop ku g e rlig aar Ho voo elk en aan

ring

de

•

nito mo we tie in? ten zet valua Hoe en e

Figuur 2. De Wegwijzer, het vragenwiel.

Omvang vangnet

en hoe kunn Waar en istratieve in we adm n? rugdringe lasten te

de e w lti ? en u nen l e m n nd an ezi bu p a g oe hul eem H l ob pr

dig no e or vo ntiev de r e n e t is prev ligge n? a W et oor rke h /v te om bod vers e n aa eld t v

•

Hoe ruim ver w te o illen we pz d dit e AVG oeken vra in ags bij tuk ?

e en w le werk Hoe n integra e ? e aan adering ben

s we risico’ Waar zien iken van re bij het be oners? deze inw

we t en eik me ber ers Hoe won d? e in anbo a dez t i d t ze he e e is r d ik t ? er oo ru od v ne jk geb anb an li a W ake om et z s h od er an no won n v in ake m

zie We n lke ee we ris op n v bij ico kw erh inw fac et oo on tor sb gd er en aa ri s m rh sic e me Voor w ei o t t ee elke d? kwe n ve in w rho tsb one o a het g r a aan rheid d risic s bod wille o op inze n w tten e ? Welke inwone rs maken nu geb ruik van het aanbod?

Waarom do en hebben we dit aa nbod nu zo ingere geld?

Verdiepende vragen

ERE

SO C

N

IAA

LN

ET

W

ER

K

id

Ma te

ATIE ITU

zelfredzaa n m va

he

DAG BE

NS

ST E

OO

DI

W

NG

FU

N T IO C N

N

HU N

F

DE

CIË I NA

ISHO U

A

LL

GS AA ED

EV

ERR

ICHTIN

GEN

MO

BIL IT

EI T Figuur 3. Aanvullende figuur Cirkel van zelfredzaamheid.

Voor wie doen we het?

Inwoners met verhoogd risico op kwetsbaarheid

Risicofactoren

Figuur 4. Aanvullende matrix verhoogd risico op kwetsbaarheid versus risicofactoren.

Mogelijkheden verschuiving van curatief naar preventief Zelfredzaam/samenredzaam jk

h

af

On

Curatief/zorgen voor

li ke an

Preventief/helpen zorgen dat

jk

li ke an

h Af

Niet zelfredzaam/niet samenredzaam Figuur 5. Aanvullende matrix verschuiving van curatief naar preventief.

Bouwsteen 1 en 2 Kwetsbare inwoners en omvang van het vangnet Randvoorwaarden

• Een afwegingkader is beschikbaar om per beleidsdossier/activiteit af te kunnen wegen wat de consequenties zijn van de beweging die het kompas maakt op het huidige beleid en de huidige uitvoering. Per beleidsdossier/ activiteit wordt bepaald: - Op welke inwoners met verhoogd risico op kwetsbaarheid wordt ingezet. - Hoe zelfredzaamheid en onafhankelijkheid van inwoners wordt versterkt. - Hoe zwakke netwerken worden versterkt. - Hoe zorgmijders en inwoners die zelf niet/slecht kunnen bereiken hulp/zorg te vinden worden bereikt. • Vragen/spelregels worden opgesteld voor de uitvoering om de juiste vragen te kunnen stellen waarbij de richting van het aangescherpte kompas wordt gevolgd. • Bij een hulpvraag weegt de uitvoering af in hoeverre een inwoner zelfredzaam is, hoe groot het (actieve) netwerk is en in hoeverre in een inwoner eventuele hulp zelf kan bekostigen als het gaat om ondersteunend beleid[1]. Heeft een inwoner een klein netwerk of een krappe beurs, dan komt iemand eerder in aanmerking voor hulp. • We helpen mensen tegenslagen te overwinnen en zetten in op normalisering. Niet iedereen met een verhoogd risico op kwetsbaarheid is daadwerkelijk kwetsbaar. Maatwerk blijft noodzakelijk om te bepalen wat inwoners nodig hebben. Dit hangt af van de individuele situatie van een inwoner. • Hulp is in principe tijdelijk.

Gewerkt wordt naar een afbouw van hulp en het zelfredzamer maken van de inwoner. In hoeverre dit mogelijk is, is afhankelijk van de hulpvraag van de inwoner. • De uitvoering is op de hoogte van het aanbod in het preventieve veld en kan adequaat verwijzen. • Op de subsidietafels is het curatieve aanbod bekend, zodat snel kan worden opgeschaald als dat nodig is.

Figuur 6. Keuzes bouwsteen 1 en 2: kwetsbare inwoners en omvang van het vangnet.

Welke knoppen hebben we?

Knoppen waaraan we kunnen draaien Dilemma’s bij meer inzetten op gesubsidieerde ondersteuning/preventie

Dilemma’s bij betere verbinding inkoop- en subsidiepartners

Levert op: inwoners worden meer zelfredzaam, behouden zoveel mogelijk autonomie, versterking sociale infrastructuur vanuit de voelsprieten van de partners, op termijn minder instroom in geïndiceerde zorg

Levert op: betere verbinding tussen gesubsidieerde activiteiten en ingekochte zorgproducten, mogelijkheid tot op- en afschalen en uitwisseling van kennis en expertise

Preventie – vrij toegankelijk Consequenties: • Voor subsidiepartners die werken met (veel) vrijwilligers vraagt het veel om ook te verbinden met inkooppartners • Aansturing is anders dan bij inkooppartners (subsidietafels versus contractmanagement), maakt belangen anders en daardoor verbinding lastig

Curatief – Geïndiceerd Consequenties: • Er zijn nu al financiële tekorten in de inkoop, door verschuiven budget worden deze eerst groter • Meeste invloed zit bij inkoop in de toegang • Het grootste deel van de toegang bij jeugd zit bij de huisartsen

Subsidiepartners Consequenties: • Vraagt investering op meer preventieve zorg door extra inzet op subsidietafels • Waar kan investering vandaan komen? - Keuzes maken binnen subsidiebudget - doet iets af aan sociale infrastructuur - Budget van inkoop naar subsidiesverschuiven- kan wachtlijsten vergroten en kan ten kostegaan van kwaliteit zorg; causaliteit is moeilijk aan te tonen.

Inkooppartners Consequenties: • Verbinden met subsidiepartners kan veel opleveren voor inkooppartners, zeker als er veel vrijwilligers worden ingezet • Kost veel tijd om te investeren in lokale partijen • Meer informatiestromen

Inwoners Consequenties: • Bij op- en afschalen meer contactpersonen

Dilemma’s bij terugdringen aantal inkooppartners

Dilemma’s bij geen individuele trajecten waar brede ondersteuning beschikbaar is

Levert op: gemakkelijkere verbinding met subsidiepartners, minder contractmanagement

Levert op: minder administratie, minder bureaucratie, op termijn minder instroom in geïndiceerde zorg

Inkooppartners Consequenties: • Kleinere aanbieders zijn vaak meer lokaal verankerd en hebben vaak innovatiekracht en zijn daarom waardevol om te behouden • Met grote partners kun je doorontwikkelen (Rivierduinen, Parnassia enz.). Doorontwikkelen is meestal op regionale ontwikkeltafels. Dan moet eerst tussen de haaglanden gemeenten overeenstemming bestaan

• Minder aanbieders leidt vaak tot veel onderaanbieders, die je moeilijk kunt monitoren (en mist in cijfers) • Een andere manier van inkopen vraagt een flinke investering, terwijl niet vaststaat dat daardoor de instroom in dure zorg lager wordt

Inwoners Consequenties: • Minder keuzevrijheid

Figuur 7. Aanvullende figuur knoppen waaraan we kunnen draaien.

Subsidiepartners

Inwoners

Consequenties: • Andere manier van sturen • Monitoring op resultaat op groepsbegeleiding geeft een algemeen beeld, geen zicht op resultaten per individu • Subsidiepartners moet gaan sturen op de toestroom

Consequenties: • Risico dat te lichte zorg wordt ingezet, waardoor problemen verergeren • Inwoner krijgt geen indicatie en daarmee niet een afdwingbaar recht op zorg Inwoners Consequenties: • Minder werk/inkomsten

Bouwsteen 3 Partners Randvoorwaarden

• Goede monitoring, evaluatie en verantwoording, waarbij rekening wordt gehouden met in hoeverre we te maken hebben met professionele partners dan wel vrijwilligersorganisaties. • Bewezen effectieve interventies (Movisie, NJI) moeten wel bestaan, te raadplegen zijn door de gemeente dan wel partners en door hen kunnen worden ingezet. Dit is nu vaak niet het geval (vaak zijn bewezen effectieve methoden bijvoorbeeld meetinstrumenten/vragenlijsten die tegen betaling kunnen worden ingezet). • Er blijft voldoende ruimte beschikbaar voor innovatieve ondersteuning/ ontwikkeling het van aanbod. • Kosten lopen in eerste instantie op, omdat niet direct minder gebruik wordt gemaakt van curatief aanbod. Dit kost tijd. • Korte termijn: middelen hiervoor halen uit keuzes aan de subsidietafels of extra budget vanuit rijksoverheid indien mogelijk. • Lange termijn: besparingen op curatieve zorg investeren in preventief aanbod. Geld vanuit inkoop vloeit naar subsidietafels. • Om het aantal partners te beperken, verbinding maken met voor LV de meest relevante partners. Anders is het aantal partners waarmee we moeten samenwerken te groot. • Afwegingskader hiervoor wordt opgesteld (bv. op basis van aantal cliënten, hoeveel geld erin omgaat, in hoeverre lokaal geworteld enz.).

Figuur 8. Keuzes bouwsteen 3: partners.

Welke knoppen hebben we?

Bouwsteen 4 Informatiestromen Randvoorwaarden

• Per beleidsdossier/activiteit zal moeten worden onderzocht hoe we meer kunnen doen dan we nu al doen. • Een afwegingskader is nodig om per beleidsdossier/activiteit te kunnen bepalen voor welk doel het noodzakelijk is om welke informatie uit te wisselen en met wie. • Het ontschotten van middelen is alleen mogelijk als middelen dit toelaten (niet alle middelen kunnen zomaar voor alles worden ingezet).

Figuur 9. Keuzes bouwsteen 4: informatiestromen.

Welke knoppen hebben we?

Alle Keuzes op een rij als input voor beleid/uitvoering Conclusies op bouwsteen 1

Conclusies op bouwsteen 2

Conclusies op bouwsteen 3

Conclusies op bouwsteen 4

Figuur 10. Alle keuzes op een rij als input voor beleid/uitvoering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=3892754b-15f4-4f7d-ad9d-9a8f35f7c96b