CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4718 - Regels TAM-omgevingsplan Overgoo

Commissie Omgeving 23 juni 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen TAM-omgevingsplan "Overgoo"12.255 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

15.5.2 Voorwaarden De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover: de werken of werkzaamheden integraal onderdeel uitmaken van een bouwplan waarbij de voorwaarden als genoemd in artikel 15.4 in acht zijn genomen; a. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; b. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; c. aan de omgevingsvergunning kunnen één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden ten behoeve van het voorkomen van mogelijke schade aan archeologische waarden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradar- en weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4.

doen van opgravingen waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen; 5. begeleiding van de activiteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 34

Artikel 16

Water

16.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Water'. 16.2 Functieomschrijving 16.2.1 Algemeen Een als 'Water' aangewezen locatie heeft de volgende functies: d. e. f. g.

water en waterhuishoudkundige voorzieningen; waterkeringen; water- en oeverrecreatie; voorzieningen ten behoeve ondergrondse warmte- en koudeopslag, mede ten behoeve van aangrenzende terreinen;

alsmede voor: h. aanlegsteigers; i. bruggen; j. groenvoorzieningen; k. nutsvoorzieningen; l. objecten van beeldende kunst; m. oevers; n. oeververbindingen; o. overige voorzieningen ten behoeve van de functie zoals duikers en inlaatwerken, dukdalven, oeverbeschoeiingen, remmingswerken en stuwen; p. vijvers; mede bestemd voor: q. overhangende balkons, luifels en daarmee vergelijkbare bouwwerken respectievelijk voorzieningen ten behoeve van aangrenzende gronden en/of bebouwing;

16.3 Beoordelingsregels 16.3.1 Algemeen Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van 'Water' uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 16.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, als bedoeld in artikel 9.2.1, sub a, gelden de volgende bouwregels: de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 meter, gemeten vanaf het gemiddelde waterpeil ter plaatse; b. voor het bouwen van bruggen geldt, in aanvulling op het bepaalde onder a, dat de minimaal benodigde doorvaarthoogte van elke nieuw te bouwen dan wel te vervangen brug in overleg met de vaarweg- en/of waterbeheerder dient te worden bepaald.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 35

16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 16.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in artikel 16.1zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen; b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; c. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren. 16.4.2 Uitzonderingen Het in artikel 9.3.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale beheer en/of onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; d. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers.

16.4.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover: a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun functie; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de historisch-ruimtelijke, cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein. 16.4.4 Advies Alvorens omtrent een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te beslissen, winnen burgemeester en wethouders, indien nodig, advies in bij de met betrekking tot het betreffende terrein meest aangewezen instantie.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 36

Artikel 17

Waterstaat - Waterkering

17.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat - Waterkering'. 17.2 Functieomschrijving 17.2.1 Algemeen Een als 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen locatie heeft, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), de volgende functie: a. waterkering, met de daarbij behorende bouwwerken.

17.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 12.1 is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: b. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; d. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen; e. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; f. het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging tot gevolg hebben of kunnen hebben, met uitzondering van het vellen, rooien of beschadigen van fruitbomen en het periodiek afzetten van hakhout; g. diepploegen, d.w.z. het extra diep omploegen van de gronden waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd (0,4 meter of meer diep); h. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren; i.

het bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder tevens begrepen het telen en kweken van bomen, heesters (inclusief fruitbomen en boomgaarden), alsmede het beplanten met c.q. de teelt van maïs; j. het (chemisch) scheuren van grasland, anders dan voor graslandverbetering; k. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking; l. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem. 17.3.2 Uitzonderingen Het in artikel 17.2.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: m. het normale beheer en/of onderhoud betreffen; n. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht verkrijgt; o. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een daarvoor verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; p. betrekking hebben op het aanbrengen van verhardingen ten behoeve van in- en/of uitritten, tot een oppervlakte van ten hoogste 10 m²;

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 37

q. betrekking hebben op de aanleg van natuurvriendelijke oevers. 17.3.3 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van bouwwerken De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover: a. de werken en werkzaamheden, waarop de vergunning betrekking heeft, noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van de gronden overeenkomstig hun functie; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de ruimtelijke kwaliteiten van het terrein; c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterhuishoudkundige situatie met betrekking tot de waterkwaliteit en -kwantiteit; d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de historisch-ruimtelijke, cultuurhistorische- en/of archeologische waarden van het terrein. 17.3.4 Advies Alvorens te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 17.2.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de waterkering met de vraag of door de voorgenomen werken of werkzaamheden de belangen van de waterkering niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld om eventuele schade te voorkomen. 17.4 Beoordelingsregels In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

17.4.1 Algemeen Op, dan wel in, deze gronden mogen ten behoeve van 'Waterstaat - Waterkering' uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. 17.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de waterkering, met een maximale hoogte van 5 meter, en b. ten behoeve van de andere, daar voorkomende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functies geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

17.5 Vergunningplicht voor afwijken Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 12.3.2 onder b, indien de bij de betrokken functie behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de waterkering door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad. Alvorens toepassing te geven aan deze afwijking dient schriftelijk advies te worden gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 38

Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 18

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 39

Artikel 19

Algemene bouwregels

19.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De toelaatbare bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag - tenzij in de regels anders is bepaald - ten hoogste bedragen: Bouwwerken, geen gebouwen zijnde erf- en perceelafscheidingen op ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn overige erf- en perceelafscheidingen vlaggenmasten lantaarnpalen lichtmasten vrijstaande antenne-installaties ten behoeve van telecommunicatie, niet zijnde schotelantennes en zonder techniekkast vrijstaande antenne-installaties, niet zijnde schotelantennes ten behoeve van mobiele telecommunicatie antenne-installaties die op bouwwerken worden geplaatst, niet zijnde schotelantennes schotelantennes straatmeubilair speeltoestellen objecten van beeldende kunst overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 meter

1 meter 6 meter 6 meter 9 meter 15 meter

5 meter

5 meter

3 meter 2 meter 5 meter 6 meter 3 meter

3 meter

19.2 Bestaande maten 19.2.1 Afwijkende hogere maten De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven én niet in strijd zijn met het voorheen geldend plan, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden. 19.2.2 Afwijkende lagere maten De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven én niet in strijd zijn met het voorheen geldend plan, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. 19.2.3 Herbouw In geval van herbouw is het bepaalde in artikel 14.1.1 en 14.1.2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. 19.3 Parkeernormen a. een omgevingsvergunning voor het bouwen, wordt, voor zover niet elders in de regels Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 40

wordt verwezen naar dit artikel, alleen verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid wordt rekening gehouden met de ‘Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg 2023’ of diens rechtsopvolger. b. het bepaalde onder a is niet van toepassing, indien op basis van het advies van verkeerskundige blijkt dat er op andere wijze is/wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, of het voldoen aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

19.4 Woningsplitsing 19.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een bestaande woning te veranderen in en/of te vergroten tot twee of meer zelfstandige woningen. 19.4.2 Uitzondering Het verbod als genoemd in artikel 19.4.1 is niet van toepassing als het gaat om het realiseren van een mantelzorgwoning waarbij splitsing van de oorspronkelijke woonruimte plaatsvindt in enerzijds een zogenaamde mantelzorgwoning, waarin de zorgvrager woont en anderzijds een andere zelfstandige woning, welke door de zorggever wordt bewoond. Indien de mantelzorg beëindigd wordt, herleeft het verbod als bedoeld in artikel 19.4.1. 19.4.3 Beoordelingsregel omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.4.1 wordt slechts verleend indien en voor zover de aanvraag door het bevoegd gezag is getoetst aan: a. de algemene leefbaarheidstoets; b. de Nota parkeernormen Leidschendam - Voorburg.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 41

Artikel 20

Algemene gebruiksregels

20.1 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functie(s). 20.2 Strijdig gebruik Tot gebruik, strijdig met dit plan, wordt in ieder geval gerekend: c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor de opslag en/of stalling van (motor)voertuigen, vaartuigen, caravans en/of overige zaken, anders dan ten dienste van de functie en mits de regels van de betreffende functie zich tegen dit gebruik niet verzetten; d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan ten dienste van de functie en mits de regels van de betreffende functie zich tegen dit gebruik niet verzetten; e. het gebruiken of laten gebruiken van (vrijstaande) bijbehorend bouwwerken ten behoeve van (permanente) bewoning; f. het niet in stand laten van een parkeervoorziening op eigen terrein welke is opgenomen in een verleende omgevingsvergunning t.b.v. van het realiseren van het op hetzelfde terrein gelegen hoofdgebouw; g. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor de opslag van vuurwerk, mits de regels van de betreffende functie zich tegen dit gebruik niet verzetten; h. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

20.3 Woningsplitsing en kamerverhuur 20.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen a. Het is verboden om een bestaande woning te gebruiken voor twee of meer zelfstandige woningen; b. Het is verboden om een bestaande woning te gebruiken of voor gebruik aan te bieden voor 3 of meer onzelfstandige woningen; 20.3.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 20.3.1 is niet van toepassing op het gebruik van een mantelzorgwoning waarbij splitsing van de oorspronkelijke woonruimte plaatsvindt in enerzijds een zogenaamde mantelzorgwoning, waarin de zorgvrager woont en anderzijds een andere zelfstandige woning, welke door de zorggever wordt bewoond. Indien de mantelzorg beëindigd wordt, herleeft het verbod als bedoeld in artikel 20.3.1. 20.3.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.3.1 wordt slechts verleend indien en voor zover de aanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het betreft een aanvraag voor het omzetten van een woning voor kamerbewoning met drie of maximaal vier kamers; b. de beoogde woonruimte beschikt na omzetting in onzelfstandige woonruimten over een gebruiksoppervlakte (GBO) van minimaal 24 m² per bewoner; c. de te splitsen woonruimte beschikt bij woningsplitsing over een gebruiksoppervlakte (GBO) van minimaal 140 m²; d.

de beoogde zelfstandige woonruimte van splitsing beschikt over een gebruiksoppervlakte (GBO) van minimaal 55 m²; e. de hoofdbewoner bij inwoning bewoont ten minste 50% van het totale

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 42

f.

gebruiksoppervlakte (GBO) van het gebouw; de bestaande woonruimte beschikt bij inwoning over een gebruiksoppervlakte (GBO) van minimaal 55 m².

20.3.4 Nadere toetsing leefbaarheid en parkeren Alvorens te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 20.3.3, toetst het bevoegd gezag de aanvraag aan: a. de algemene leefbaarheidstoets; b. de Nota Parkeernormen Leidschendam-Voorburg.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 43

Artikel 21

Algemene beoordelingsregels

21.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden om zonder omgevingsvergunning: a. de op de verbeelding aangegeven maten ten aanzien van goot- en/of bouwhoogten te overschrijden; b. de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen te overschrijden.

21.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken De omgevingsvergunning als bedoeld in 21.1 wordt slechts verleend indien en voor zover: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, alsmede de elders in dit hoofdstuk beschreven ruimtelijke-, cultuurhistorische-, landschappelijke- en natuurwaarden, en b. voor zover sprake is van een algemeen belang dan wel van een verbetering van het straat- en bebouwingsbeeld, en c. de op de verbeelding aangegeven maten ten aanzien van goot- en bouwhoogte met ten hoogste 10% worden overschreden, mits dit in verband met het realiseren van de functie noodzakelijk is of indien door de afwijking een betere bouwkundige en/of stedenbouwkundige aansluiting ontstaat met direct aangrenzende percelen en/of bouwwerken: deze afwijking mag niet cumulatief worden gebruikt ten opzichte van eerder met een omgevingsvergunning mogelijk gemaakte afwijkingen: uitgangspunt voor de afwijking is de normstelling zoals opgenomen in de bouwregels van artikel 7 van dit hoofdstuk; d. een meetverschil aanleiding geeft om de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen met ten hoogste 10% te overschrijden; e.

de aanvraag betrekking heeft op het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling en het verloop daarvan in geringe mate wordt aangepast omdat de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; f. de aanvraag betrekking heeft op de bouwhoogte van objecten van beeldende kunst, zend-, ontvang- en sirenemasten tot ten hoogste 40,00 meter.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 44

Artikel 22

Overige regels

22.1 Aanvraagvereisten De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 45

Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 4 Overgangsregels Artikel 23

Artikel 18 Overgangsrecht

23.1 Bouwwerken 23.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan; 23.1.2 Uitzonderingen Artikel 23.1.1is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 23.2 Gebruik 23.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 23.2.2 Verandering gebruik Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 23.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

23.2.3 Voorwaarde Indien het gebruik, bedoeld in artikel Uitzonderingen, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 23.2.4 Uitzondering Artikel 23.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Mees Ruimte & Milieu | TAM-Omgevingsplan Overgoo

Pagina | 46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=ec0e9479-640a-41e8-abf9-5ea257de20de