CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4718 - Bijlage 13 bij TAM-Omgevingsplan Overgoo - Vervolgonderzoek soorten

Commissie Omgeving 23 juni 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen TAM-omgevingsplan "Overgoo"9.372 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Fleetpark te Leidschendam

G&G-rapport 2024-236

Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Fleetpark te Leidschendam Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving

C.A.M. Van der Heijde

2024

Opdrachtgever Impact Ontwikkeling IV B.V.

G&G-rapport 2024-236

Datum Versie

22 oktober 2024 V2

Gecontroleerd door: D. Overduin Titel:

Fleetpark te Leidschendam

Projectcode bureau

2024-236

Projectleiding:

Ir. R. de Beer

Veldwerk:

DO, JBr, CvH, AvM, FE

Opdracht:

Impact Ontwikkeling IV B.V.

Contactpersonen:

T. de Baare (Mees Ruimte & Milieu)

Akkoord voor uitgave:

Teamleider Van der Goes en Groot

Paraaf: De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot; opdrachtgever vrijwaart Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v.

druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Bovendijk 35-G 2295 RV Kwintsheul Hazenkoog 35A 1822 BS Alkmaar www.vandergoesengroot.nl

Fleetpark te Leidschendam

3

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

4

1.1

Aanleiding tot het onderzoek .................................................................................. 4

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Ligging van het plangebied ...................................................................................... 5

1.4

Geplande werkzaamheden ...................................................................................... 5

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 5

Methode 2.1

7

Vleermuizen ............................................................................................................. 7 2.1.1 Veldbezoeken ............................................................................................................ 7

3

4

Resultaten vleermuizen

12

3.1

Gewone dwergvleermuis ....................................................................................... 12

3.2

Ruige dwergvleermuis ........................................................................................... 14

3.3

Rosse vleermuis ..................................................................................................... 16

Effectbeoordeling en maatregelen

17

4.1

Vleermuizen ........................................................................................................... 17

4.2

Overige broedvogels .............................................................................................. 17

5

Zorgplicht

19

6

Conclusies en aanbevelingen

21

7

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

23

8

Bijlagen

24

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

4

1

Inleiding 1.1

Aanleiding tot het onderzoek Er bestaan plannen om bedrijventerrein (Fleetpark) te Leidschendam te herinrichten. Leidschendam ligt in de gemeente LeidschendamVoorburg in de provincie Zuid-Holland. Het is mogelijk dat vleermuizen verblijven binnen het plangebied. Ook is het mogelijk dat vleermuizen het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. De aanwezigheid van deze potentie is aangegeven in een eerder uitgevoerde ‘ecologische quickscan’ (VAN DER KNAAP, 2018). Om dit nader te onderzoeken heeft Impact Ontwikkeling IV B.V. opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode mei-oktober 2024. De inventarisatie is uitgevoerd door medewerkers van bureau Van der Goes en Groot. Het plangebied is eerder onderzocht op vleermuizen in 2021 (ZIMMERMAN, 2021, G&G-RAPPORT 2021-97). Onderliggend onderzoek betreft een actualisatie. Dit rapport doet verslag van het onderzoek in 2024.

De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

N14 ghhgh A4 ghhghj

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

1.2

5

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het voorkomen en de verspreiding van vleermuizen binnen het plangebied.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van de plaats Leidschendam. Het ligt in de oksel van de A4 en de N14 (de Noordelijke randweg van Den Haag). Het plangebied wordt grotendeels omgeven door dichte stedelijke bebouwing. Langs de A4 ten zuiden van het plangebied liggen groenstroken.

1.4

Geplande werkzaamheden De bebouwing binnen het plangebied zal worden gesloopt. Bij de sloop worden mogelijk bomen gekapt. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van bebouwing met zware destructiewerkzaamheden en bijbehorend hak-, breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatieve toplaag, het vergraven van de bodem, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van bomen en/of struiken. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan daarnaast door geluid, trillingen, licht, verandering van microklimaat en de belemmerende werking van steigers, verstoring optreden van (beschermde) soorten.

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de resultaten beschreven en wordt aangegeven welke soorten zijn aangetroffen binnen en eventueel nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden door de uit te voeren werkzaamheden welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn en of een vergunning in het kader van de Ow noodzakelijk is. In hoofdstuk 5 wordt aangegeven of soorten, waarvoor de specifieke zorgplicht van toepassing is, in het plangebied verwacht worden en wordt aangegeven welke passende maatregelen genomen moeten worden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

6

Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies met noodzakelijke vervolgstappen. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 tenslotte, geeft een overzicht van de gebruikte literatuur. In de bijlages is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunningsaanvraag. Eventueel zijn (indien relevant) verspreidingskaarten opgenomen.

Impressie van de bebouwing.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

2

7

Methode 2.1

Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn beschermd krachtens de Ow onder het regime van de Habitatrichtlijn. Het doel van het onderzoek is de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied in kaart te brengen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van richtlijnen uit het protocol voor vleermuisinventarisaties, opgesteld door het Vleermuisvakberaad (VLEERMUISVAKBERAAD, 2021). Voorafgaand aan het onderzoek is op grond van de eerder uitgevoerde ecologische quickscan en de aanwezige biotopen nagegaan welke soorten vleermuizen redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn binnen het onderzoeksgebied. Het onderzoek is op grond daarvan in dit geval met name gericht op de algemenere gebouwbewonende soorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Uiteraard is tijdens het onderzoek ook gelet op aanwezigheid van andere soorten vleermuizen in het plangebied. Bij het aantreffen van ‘bijzondere’ soorten zoals Meervleermuis, Watervleermuis, Baardvleermuis en Gewone grootoorvleermuis, welke mogelijk verblijvend aanwezig zijn binnen het plangebied, worden het aantal bezoekrondes en/of rondetijden aangepast op het protocol voor de desbetreffende soort.

2.1.1

Veldbezoeken Door middel van veldonderzoek zijn de aanwezigheid en verspreiding van vleermuizen in het plangebied onderzocht. Er zijn in totaal 6 rondes uitgevoerd in de periode mei tot en met september 2024. Het aantal rondes is op voorhand, op grond van potentie van verwachte soorten en gebruiksfuncties bepaald. Vanwege de grootte van het onderzoeksgebied is het plangebied tijdens de voorjaarsrondes opgedeeld in 3 deelgebieden. Ieder deelgebied wordt één keer per ronde bezocht. Tussen de rondes per deelgebied wordt altijd rekening gehouden met de voorgeschreven periodes conform het vleermuisprotocol (VLEERMUISVAKBERAAD, 2021). Het plangebied kan door vleermuizen op verschillende manieren worden gebruikt, bijvoorbeeld als verblijfplaats, als (onderdeel van) een vliegroute of als foerageergebied. Deze gebiedsfuncties zijn tijdens het veldwerk onderzocht. Tijdens de quickscan en de eerste ronde van het onderzoek zijn de relevante elementen, zoals (randen van) opgaande begroeiing, wateren, lijnvormige structuren en luwe en donkere terreindelen in

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

8

beeld gebracht. Daarnaast zijn de aanwezige gebouwen en bomen geïnspecteerd op aanwezigheid van gaten, holtes, kieren en spleten. In het Fleetpark is veel bebouwing ongeschikt of slecht geschikt voor verblijvende vleermuizen vanwege gladde en strakke beplating. Tijdens het onderzoek is bij mogelijke verblijfplaatsen gezocht naar gebruikssporen van vleermuizen, zoals keutels op verhardingen, poepstrepen bij gaten, vraatresten met behulp van een sterke zaklamp. Daarnaast is tijdens alle bezoeken van het onderzoek gekeken naar de aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebieden in het plangebied. Deze gebruiksfuncties zijn vooral te verwachten in luwe terreindelen van het plangebied en langs lijnvormige landschapselementen. Bij het bepalen en vaststellen van soorten, aantallen en terreingebruik van vleermuizen wordt gebruik gemaakt van batdetectors (beschikbare modellen Pettersson D240x en Echo Meter Touch Pro). Op de onderzoekslocatie was altijd visuele- en audioweergave van de opgevangen pulsen mogelijk en er was altijd de mogelijkheid geluiden en/of pulsen op te nemen met opnameapparatuur (Echo Meter Touch Pro). Tijdens het onderzoek werd tevens gebruik gemaakt van warmtebeeld-apparatuur (Lahoux Spotter Elite 35V en Lahoux spotter Pro V).

Hiermee kunnen vliegpatronen van baltsende en foeragerende dieren en eventuele vliegroutes van overvliegende vleermuizen beter in beeld gebracht worden. Ook kunnen de aanwezige aantallen vleermuizen nauwkeuriger worden ingeschat en kan in volledige donkere situaties (zoog)zwermactiviteit, late uitvliegers en terugvliegende dieren naar verblijfplaatsen worden opgemerkt zonder dat hier (kunst)licht voor nodig is. Hierdoor wordt onnodige verstoring van vleermuizen en omwonenden voorkomen. De eerste drie kraam- en zomerrondes (KZ1 t/m KZ3) aan het begin van de zomer, zijn met name gericht geweest op het in kaart brengen van zwermactiviteit bij kraam- of zomerverblijven en in- en uitvliegende dieren. Zwermactiviteit treedt met name op aan het einde van de nacht en wordt onderzocht door op kansrijke plekken te posten en/of door in een laag tempo door het plangebied te surveilleren. Bij een avondbezoek wordt gepost op kansrijke plekken (uitvlieglocaties). De avondrondes worden vooral ingezet om de aanwezigheid en terreingebruik van Laatvlieger vast te stellen. De middernachtzwermronde (MN) is ingezet vanwege de hoogte van de bebouwing en is gericht op het vaststellen van zwermactiviteit die een aanwijzing vormt voor de aanwezigheid van een winterverblijf in de bebouwing.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

9

De laatste twee rondes (P1 en P2) zijn vooral gericht geweest op het vaststellen van paarverblijven en baltsactiviteit. De P1 ronde (begin september) is om middernacht gelopen om baltsactiviteit van Ruige dwergvleermuis later in de nacht in beeld te brengen. De P1 ronde is tevens laat ingezet om middernachtelijke zwermactiviteit van Gewone dwergvleermuis vast te kunnen stellen. Deze zwermactiviteit vormt een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een winterverblijf. Vanwege de grootte van de bebouwing en het hoge aantal potentieel geschikte plekken en de positie daarvan voor met name verblijfsgebruik van vleermuizen, is het onderzoek in het voorjaar uitgevoerd door drie personen per deelgebied (totaal 9 personen). Door het plangebied op te delen in deelgebieden is het gemakkelijker om de rondes in plannen en wordt het plangebied meer verspreid door het seizoen bezocht. In het najaar is het niet noodzakelijk vanaf vaste punten het snelle uitvliegen van vleermuizen te volgen en is het onderzoek gericht op langduriger aanwezige sociaal roepende, uit (paar)verblijf roepende, baltsende of zwermende vleermuizen waarbij een minder hoge inspanning voldoet. In het najaar is het onderzoek daarom uitgevoerd zonder het plangebied op te delen in meerdere deelgebieden. De najaarsrondes zijn in totaal gelopen door vier personen.

Tijdens de veldbezoeken was geen sprake van substantiële neerslag en werd er niet geïnventariseerd bij een windkracht hoger dan 4 Bft of bij temperaturen lager dan 8 °C. Een overzicht met de datums, rondetijden, weersomstandigheden en de onderzoeksopzet van de uitgevoerde onderzoeksrondes wordt weergeven in Tabel 1.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

10

Overzicht van de veldbezoeken (per deelgebied) ten behoeve van het vleermuisonderzoek in het plangebied per ronde (“KZ” = kraamkolonie- en zomerverblijfronde, “MN” = middernachtzwermronde en “P” = paarverblijfronde).

Datums KZ1/ deelgebied

Tijd

Duur

Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)

deelgebied 1 10 juni

03:20-05:20

2 uur

NW 3 Bft, 11⁰C, 8/8

deelgebied 2 3 juni

03:20-05:20

2 uur

W 2 Bft, 14⁰C, 8/8

deelgebied 3 6 juni

22:00-00:00

2 uur

W 2 Bft, 13⁰C, 7/8

Datums KZ2/ deelgebied

Tijd

Duur

Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)

deelgebied 1 18 juni

22:00-00:00

2 uur

NO 2 Bft, 15⁰C, 8/8

deelgebied 2 12 juni

22:00-00:00

2 uur

NW 3 Bft, 11⁰C, 8/8

deelgebied 3 18 juni

03:20-05:20

2 uur

NO 2 Bft, 16⁰C, 8/8

Datums KZ3/ deelgebied

Tijd

Duur

Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)

deelgebied 1 11 juli

21:55-23:55

2 uur

W 3 Bft, 17⁰C, 7/8

deelgebied 2 18 juli

21:50-23:50

2 uur

NO 2 Bft, 20⁰C, 6/8

deelgebied 3 1 juli

22:00-00:00

2 uur

W 4 Bft, 16⁰C, 7/8

Datum MN

Tijd

Duur

Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)

Opzet

8 augustus

00:00-02:00

2 uur

ZW 3 Bft, 21⁰C, 6/8

middernachtbezoek zwermactiviteit, paarverblijven, terreingebruik

Datum P1/

Tijd

Duur

Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)

Opzet

3 september

00:00-02:00

2 uur

ZW 2 Bft, 20⁰C, 8/8

middernachtbezoek paarverblijven, zwermactiviteit, terreingebruik

Datum P2

Tijd

Duur

Weersomstandigheden (wind, temperatuur, bewolking)

Opzet

21:00-23:00

2 uur

Z 3 Bft, 17⁰C, 6/8

avondbezoek paarverblijven, terreingebruik

23 september

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Opzet ochtendbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik ochtendbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik Opzet avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik ochtendbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik Opzet avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik avondbezoek kraamkolonies, zomerverblijven, terreingebruik

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

2.1.2

11

Relatie met het vleermuisprotocol Het vleermuisprotocol is een richtlijn op grond waarvan het onderzoek zo goed mogelijk is uitgevoerd. Dit houdt in dat de uiteindelijke onderzoeksopzet is gebaseerd op grond van aanwezige biotopen en potenties in het onderzochte plangebied. In het geval van het betreffende plangebied zijn de hieronder genoemde keuzes gemaakt om de resultaten te optimaliseren. Omdat er bij het onderzoek naar vleermuizen gewerkt wordt met deelgebieden, wordt het onderzoeksgebied in totaal veel vaker bezocht. Hierdoor wordt de kans op het vinden van (grote) verblijven vergroot en is de kwaliteit van het onderzoek beter.

Vleermuisonderzoek in het Fleetpark.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

12

3

Resultaten vleermuizen In het plangebied zijn 3 soorten vleermuizen vastgesteld. In Tabel 2 worden de soorten en bijbehorende indicatie van de aantallen en gebruiksfuncties weergeven. Laatvlieger is niet vastgesteld. De relevante verspreidingskaarten van de aangetroffen vleermuizen staan in Bijlage 1.

Vastgestelde soorten vleermuizen met bijbehorende indicatie van de aantallen en gebruiksfuncties binnen het plangebied (pv = paarverblijf). Achter het type verblijf het aantal vleermuizen dat gebruik maakt van het verblijf).

Soort

Aantal (indicatie)

Aantal verblijven

Foeragerend

Vliegroute

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis

tientallen enkele enkele

geen 2 pv1 geen

ja ja nee

nee nee nee

Er werden overvliegende, foeragerende en baltsende vleermuizen waargenomen. Tevens werden twee paarverblijf gevonden van Ruige dwergvleermuis. De resultaten zijn redelijk consistent met de inventarisatie uit 2021 toen 1 paarverblijf werd gevonden van de Ruige dwergvleermuis maar ook een zomer- en een paarverblijf van de Gewone dwergvleermuis (ZIMMERMAN, 2021). Per soort wordt hieronder het voorkomen van de aangetroffen vleermuizen in het plangebied kort toegelicht en wordt de leefwijze van de waargenomen vleermuizen in Nederland geschetst.

3.1

Gewone dwergvleermuis In het plangebied werd Gewone dwergvleermuis in alle terreindelen verspreid aangetroffen. De dichtheden en aantallen vleermuizen lagen meestal laag. Tijdens de eerste ochtendronde werden in deelgebied 3, richting het einde van het bezoek, minimaal 15 vleermuizen waargenomen die in een rechte lijn vanaf de watergang (die oost -west midden in het plangebied ligt) uit het plangebied vlogen, dwars over de Noordelijke verbindingsweg naar het westen. Mogelijk was ergens in de wijk ten westen van het plangebied in de eerste ronde een kraamverblijf aanwezig waar de Gewone dwergvleermuizen naar toe vlogen. De andere rondes werden dergelijke vliegbewegingen niet waargenomen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

13

Tijdens de avondronde van 18 juli werd op ongeveer 100 meter ten oosten van het plangebied een kraamverblijf van Gewone dwergvleermuis waargenomen aan de achterzijde van de Nieuwstraat. Opvallende vliegbewegingen zijn, van of naar dat verblijf, vanuit het plangebied echter niet waargenomen. Het is wel mogelijk dat dit een verblijf van dezelfde kraamgroep betreft waarvan in de eerste ronde de langsvliegende vleermuizen werden gezien. De wateren en luwe terreindelen in de directe omgeving van het plangebied werden gedurende de onderzoeksperiode regelmatig gebruikt door foeragerende vleermuizen. Soms waren dieren langere tijd aanwezig, met name boven de watergang en in de luwte van boven rondom een veld. In een smalle strook ten (zuid) oosten van het plangebied waren tijdens iedere ronde altijd enkele vleermuizen aan het foerageren. Tijdens de avondronde op 12 juni werden naar schatting 20 Gewone dwergvleermuizen foeragerend waargenomen in de luwte rond de Sijtwendbrug, een burg over de Trekvliet, op ongeveer 150 meter ten (noord)westen van het plangebied. De hele lengte de Trekvliet werd op verschillende avonden regelmatig gebruikt door foeragerende vleermuizen, maar zulke hoge aantallen zijn niet meer waargenomen.

Watergangen nabij het Fleetpark die in de luwte van begroeiing of gebouwen liggen, werden regelmatig gebruikt door foeragerende vleermuizen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

14

Gedurende de latere rondes van het onderzoek werden soms Gewone dwergvleermuizen waargenomen die in de vlucht sociale geluiden lieten horen. De activiteit vond alleen plaats in de omgeving van de bebouwing van het plangebied. De vleermuizen vertoonden geen gebouwgericht gedrag zoals het aantikken rond potentieel geschikte verblijfplaatsen of herhaaldelijk in vast patroon rond bebouwing vliegen. Algemeen Gewone dwergvleermuis is veruit de meest verspreide en talrijkste vleermuissoort in Nederland. Deze soort verblijft hoofdzakelijk in gebouwen. Gedurende het hele jaar worden vooral van buiten toegankelijke spouwmuren en besloten ruimtes achter betimmeringen, daklijsten en dakpannen gebruikt. Nachtelijk zwermgedrag rond een verblijfplaats gedurende het voorjaar en zomer duidt op de aanwezigheid van kraamkolonie. Door de verborgen leefwijze gedurende de winterperiode zijn overwinterende dieren, die zich dan meestal in kleinere groepen ophouden, vaak onvindbaar. Een sterke aanwijzing voor dergelijke winterverblijven is het voorkomen van zogenaamde middernachtzwermactiviteit in de periode augustus tot medio september. Daarnaast is gedurende de baltsperiode in de nazomer en herfst sprake van paargezelschappen die rond paarverblijfplaatsen kunnen worden waargenomen.

Sociaal roepende vleermuizen worden ook vaak vliegend waargenomen verder weg van hun verblijfplaats en zijn in veel gevallen niet direct aan een paarverblijfplaats te koppelen. Foerageergebieden bevinden zich overwegend in besloten tot halfopen landschap binnen enkele kilometers van de verblijfplaatsen. Het foerageergebied wordt via vaste, veelal beschutte vliegroutes bereikt, zoals bomenlanen, watergangen of langs bebouwing.

3.2

Ruige dwergvleermuis Tijdens de vijfde onderzoeksronde (P1) werden twee baltsende Ruige dwergvleermuis aangetroffen in het gebouw in het midden van het plangebied. Het eerste verblijf bevindt zich aan de noordkant van het gebouw. De exacte locatie van het paarverblijf is niet ontdekt. De vleermuis werd ontdekt 30 minuten na zonsondergang en liet langere tijd achtereen zijn werfroep horen. Het betreft een solitair mannetje met een tijdelijk paarverblijf. In de latere ronde kon dit verblijf niet opnieuw worden vastgesteld. Het tweede verblijf bevindt zich aan de zuidkant van hetzelfde gebouw. Het dier verbleef hoogstwaarschijnlijk onder de kozijnen rond de 2de verdieping. De vleermuis werd ontdekt 60 minuten na zonsondergang en liet langere tijd achtereen zijn werfroep horen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

15

Het betreft een solitair mannetje met een tijdelijk paarverblijf. In de latere ronde (P2) werd dit verblijf opnieuw waargenomen. Algemeen De Ruige dwergvleermuis is een algemene soort in Nederland, met name ten noorden van de grote rivieren. De soort gebruikt zeer uiteenlopende (vaak tijdelijke) verblijfplaatsen, zoals boomholten, spleten tussen boomschors, nestkasten, spouwmuren en kelders. Hoewel de soort in Nederland jaarrond aanwezig is, bevinden kraamkolonies zich vooral in Noord- en Oost-Europa. In Nederland is slechts eenmaal een kraamkolonie aangetroffen. De hoogste aantallen worden waargenomen in het najaar en de herfst. Tussen augustus en september trekken de dieren uit Midden- en Oost Europa richting het zuidwesten om onder andere in Nederland te paren en overwinteren. Bij deze jaarlijkse migratie worden afstanden tot 2000 kilometer afgelegd. Foerageer- en leefgebied zijn zeer divers, maar de hoogste dichtheden bevinden zich in bossen en lommerrijke gebieden. Net als de Gewone dwergvleermuis maakt de Ruige dwergvleermuis gebruik van beschutte landschapslijnen als vliegroute tussen verblijven en foerageergebieden.

Grote centrale gebouw met aan weerszijden van het gebouw uit muren roepende Ruige dwergvleermuis.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

16

3.3

Rosse vleermuis In het plangebied werd de Rosse vleermuis één keer kort waargenomen. De soort werd alleen hoog langs vliegend waargenomen zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuizen binding hadden met bomen of begroeiing in het plangebied. Vanwege de lage aantallen waarnemingen wordt het plangebied niet gezien als (onderdeel van) een belangrijke vliegroute of essentieel foerageergebied voor de soort. Vanwege het beperkte gebruik en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijke binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Algemeen De Rosse vleermuis is in Nederland een uitgesproken boombewonende soort en komt algemeen voor in bosrijke gebieden en oudere stadsparken. De kraamkolonies, die regelmatig bestaan uit meer dan honderd vrouwtjes, gebruiken een netwerk van boomholten waar de dieren regelmatig tussen verplaatsen. In de zomerperiode verblijven de mannetjes in kleine groepen. De baltsperiode vindt in de nazomer plaats, waarbij de mannetjes een territorium bij een boomholte verdedigen. Hier worden dan met enkele vrouwtjes paargezelschappen gevormd. In het najaar worden ook wel alternatieve verblijfplaatsen zoals vleermuiskasten gebruikt. Winterverblijven kunnen zich in dikke bomen bevinden met diep uitgerotte holtes, maar worden in ons land niet vaak aangetroffen.

Rosse vleermuizen jagen bij voorkeur op grote hoogte boven open gebieden zoals bosranden, grasland, meren en moerassen. Foerageergebieden en verblijfplaatsen kunnen relatief ver uit elkaar liggen. Vliegroutes tussen deze gebieden lijken nauwelijks gebonden aan landschapselementen en worden op grote hoogte overbrugd.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

4

17

Effectbeoordeling en maatregelen De aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied of de directe omgeving daarvan kan van invloed zijn op de verdere procedure. De effecten die kunnen optreden bij de geplande werkzaamheden worden hieronder beschreven. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren.

4.1

Vleermuizen Verblijfplaatsen De aanwezige paarverblijven van Ruige dwergvleermuis binnen het plangebied zullen door de werkzaamheden aan de bebouwing beschadigd of vernield kunnen worden. Er is tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Met name luwtewerking, landschappelijke structuur en aanwezigheid van voedsel (insecten) door de begroeiing maakt bosschages geschikt als foerageergebied. Als luwte en begroeiing deels gehandhaafd kan worden, bijvoorbeeld met smalle bosstroken, is waarschijnlijk geen significant negatiefeffect aan de orde. Vliegroutes De watergang (oost-west) in het plangebied betreft mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van deze soort als vliegroute, vooral in samenhang met rondom het plangebied gelegen kraamverblijven. De Trekvliet, die ten noorden van het plangebied ligt, is waarschijnlijk ook in gebruik als vliegroute. Als grootschalig bosschages rondom de watergang in het plangebied gekapt worden, dan wordt het essentiële leefgebied mogelijk zodanig aangetast dat een vergunning in het kader van de Ow nodig is.

4.2

Overige broedvogels In het plangebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten te verwachten. In het plangebied kunnen wel ook vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden komen. Dergelijke vogelnesten kunnen worden verstoord of vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het slopen of renoveren van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden, het verwijderen van de vegetatieve toplaag en het kappen en rooien van bomen en struiken,

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

18

Men dient deze activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden daarom buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer toch in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk, voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels, het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.

In omliggende begroeiing kunnen veel verschillende vogelsoorten broeden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

5

19

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1). In het plangebied vastgestelde soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten worden besproken in hoofdstuk 3. Daarnaast kunnen mogelijk soorten in het plangebied voorkomen welke genoemd worden op de Rode Lijsten. Aangezien natuurlijke habitats en belangrijke leefgebieden voor deze soorten ook vallen onder de specifieke zorgplicht en deze onder de geplande werkzaamheden mogelijk worden aangetast, wordt hier ook rekening mee gehouden bij de hieronder beschreven maatregelen. Met behulp van passende preventieve maatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor soorten worden voorkomen of beperkt:  Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal moet gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.

 Groenvoorzieningen moeten tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen zoveel mogelijk worden ontzien. Bij het werk kunnen zo klein mogelijke werkbreedtes gebruikt worden. Tevens kan men steeds dezelfde bouwwegen en paden voor zowel vervoer, aanvoer en afvoer gebruiken.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden moet richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten. Om negatieve effecten voor grondgebonden fauna te verminderen kan de vegetatie eerst 10 centimeter worden afgemaaid waarna het perceel een nacht met rust gelaten wordt voordat de vegetatie volledig verwijderd wordt.  Het verwijderen van groenvoorzieningen kan zoveel mogelijk beperkt worden en na de werkzaamheden kan de vegetatie op vergelijkbare wijze met dezelfde soorten aangeplant worden, op dezelfde locaties als waar groenvoorzieningen verwijderd worden. Bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen moet een zo smal mogelijke werkbreedte aangehouden worden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

20

 Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk gebruikt worden om insporing en potentiële verstoring van dieren en planten te beperken.  Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig gewerkt worden dat de meest gevoelige periodes van te verwachten soorten (vooral voortplantings- en winterrustperiodes) vermeden worden.  Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt om verstoring van nachtactieve fauna te beperken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

6

21

Conclusies en aanbevelingen Tijdens de inventarisatie zijn drie soorten vleermuizen aangetroffen (zie Tabel 3). Laatvlieger is niet aangetroffen.

Aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties binnen het plangebied. Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis

Verblijf (aantal, type)

Foerageergebied

Essentieel foerageergebied

Vliegroute

Essentiële vliegroute

nee 2 pv1 nee

ja ja nee

nee nee nee

Ja nee ja

ja nee nee

 In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om Ruige dwergvleermuis. Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwdelen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een vergunningsaanvraag Ow. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een vergunning afgegeven. Zie ook Bijlage 2.4.1.  De watergang (oost-west) in het plangebied betreft mogelijk een essentieel deel van het leefgebied van deze soort als vliegroute, vooral in samenhang met rondom het plangebied gelegen kraamverblijven. Als grootschalig bosschages rondom de watergang in het plangebied gekapt worden, dan wordt het essentiële leefgebied mogelijk zodanig aangetast dat een vergunning in het kader van de Ow nodig is. Als grootschalig bosschages rondom de watergang in het plangebied gekapt worden, dan wordt het essentiële leefgebied mogelijk zodanig aangetast dat een vergunning in het kader van de Ow nodig is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

22

 Met name luwtewerking, landschappelijke structuur en aanwezigheid van voedsel (insecten) door de begroeiing maakt bosschages geschikt als foerageergebied. Als luwte en begroeiing deels gehandhaafd kan worden, bijvoorbeeld met smalle bosstroken, is waarschijnlijk geen significant negatiefeffect aan de orde.  Er zijn ook verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen buiten het plangebied. Tijdens de werkzaamheden moet worden voorkomen dat ’s nachts felle verlichting aan blijft staan, zodat eventueel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving van het plangebied niet worden verstoord.  Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen (zie hoofdstuk 5).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

7

23

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BARATAUD, M., Y. TUPINIER, H. LIMPENS & A C. BETAIN, 2015. Acoustic Ecology of European Bats. Biotope editions, Publications scientifiques du muséum. ISBN 9782366621440. BRIGGS, B. & D. KING, 1998. The Bat Detective. A fieldguide for bat detection. Stag Electronics, West Sussex. BROEKHUIZEN, S., B. HOEKSTRA, V. VAN LAAR, C. SMEENK & J.B.M. THISSEN (RED.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. 3e herziene druk. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., A. KIEFFER, 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij. Zeist. GRIMMBERGER, E., 2001. Gids van de Vleermuizen van Europa. Tirion uitgevers B.V., Baarn. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. KNAAP, F.N.M. VAN DER, 2018. Fleetpark te Leidschendam. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2018-087. Van der Goes en Groot, Kwintsheul. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING, 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021.

www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl. WISMEIJER, H., 2002. Zoogdieren van Europa. ANWB bv/ TIRION Uitgevers bv, Baarn. ZIMMERMAN, 2021.Fleetpark te Leidschendam, Inventarisatie vleermuizen in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport 2021-97, Van der Goes en Groot, Kwintsheul.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

24

8

Bijlagen

Bijlage 1 Bijlage 2

Verspreidingskaarten vleermuizen Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Bijlage 1 Verspreidingskaarten vleermuizen

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Bijlage 2 Huidige natuurwetgeving Bijlage 2.1 Omgevingswet (Ow) De Omgevingswet (Ow) is het nationale wettelijke kader waarin onder andere de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen. De Wnb op haar beurt is het nationale wettelijke kader waarin de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet destijds zijn samengevoegd. De Ow bundelt alle wetten die gaan over regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bouw, infrastructuur, natuur, milieu, lucht, water, bodem en cultureel erfgoed. In de Ow is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming, die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De basisregels zoals de doelen van de wet, de algemene zorgplicht, regels van zogenaamde kerninstrumenten, vergunningplicht, verantwoordelijkheden en taken van bevoegde gezagen, bevoegdheidsverdeling en overige instructieregels, staan allemaal in de Ow. De doelstellingen van de Ow baseren zich op de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur. Vanwege deze intrinsieke waarde is de wet gericht op het in stand houden en bereiken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een hoge omgevingskwaliteit.

Een andere doelstelling van de Ow is het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningsverlening en handhaving. Het stelsel Ow bestaat uit een algemene wettekst (de Ow zelf) dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), zogenaamde uitvoeringswetten, en de Omgevingsregeling. Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) In het stelsel Ow staat de regelgeving uitgewerkt in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze zijn:  Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); hierin staan de algemene regels voor Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten waaronder de vergunningplicht (voor overheden en initiatiefnemers) en de regels voor de aanwijzing van vergunningsvrije gevallen en mogelijkheden voor maatwerk.  Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); hierin staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken,

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Bbl is de vervanger van het Bouwbesluit.  Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening, zoals beoordelingsregels.  Omgevingsbesluit (Ob); hierin staan regels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. De Omgevingsregeling (Or) bestaat naast de AMvB’s voor de uitwerking van de administratieve en technische regels. Het invoeringsbesluit regelt het overgangsrecht, wijzigingen in bestaande besluiten en aanpassingen van de AMvB’s. Bijlage 2.1.1 Zorgplicht Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht in de Ow is een brede zorgplicht en geldt voor de gehele fysieke leefomgeving (afdeling 1.3 Ow & art. 1.6 en 1.7). ‘Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit of het nalaten ervan nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken dan wel de activiteit achterwege te laten.’ De algemene zorgplicht is in principe altijd van toepassing, tenzij een specifieke zorgplicht (art. 1.8 Ow en art. 11.6 Bal) is opgenomen voor een bepaalde activiteit in de Ow.

Specifieke zorgplicht flora en fauna De specifieke zorgplicht staat uitgewerkt in het Bal (art. 11.6) en onder diverse artikelen in het Bbl. De specifieke zorgplicht kent een andere reikwijdte dan de algemene zorgplicht. Alle activiteiten die door het verrichten, of juist nalaten hiervan, negatieve gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn verboden volgens de Ow (art. 1.7a, zie ook art. 11.27 Bal). De activiteiten waar het hier over gaat zijn nader begrensd, ook ter uitvoering van de richtlijn milieustrafrecht (art. 1.3 Ob). Hierin staat onder andere het verbod op het in lucht, bodem of water brengen van trillingen, geluid, stoffen of warmte die gevolgen voor natuur of landschappen kunnen hebben. Ook staat hierin het verbod om beschermde natuur of landschappen te verwaarlozen met aanzienlijke gevolgen. De specifieke zorgplicht is van toepassing wanneer er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van specifieke soorten, welke van nature in Nederland voorkomen, die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en soorten die opgenomen zijn op de (nationale) Rode lijsten. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor deze soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rust- of groeiplaatsen en hun eieren. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het aan bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (art. 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (art. 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift.

Bijlage 2.2 Soortbescherming Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Bijlage 2.2.1 Categorieën soortbescherming Onder de Ow worden bepaalde planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die Europees zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (Hrl) en soorten genoemd in de Vogelrichtlijn (Vrl). Naast deze Europees beschermde soorten is een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Deze soorten zijn op nationaal niveau beschermd. Per provincie geldt daarnaast een vierde categorie, de ‘vrijgestelde soorten’ (art. 3.11). Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van vergunningsplicht bij schadelijke handelingen (zie Bijlage 2.2.2), bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 4.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Vrijgestelde soorten per provincie (Rood niet vrijgesteld). DR

FL

FR

GL

GR

L

NB

NH

OV

UT

ZH

ZL

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + + + +

+ +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + + + + + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ +

+ + + + +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + +

+ + + +

+ + + + + +1 + + + + + + + + + +2 + + + +

+ + +

+ + +

+ + +

+ + + +

+ + + +

+ + + +

+

+

+

+

+

+

+ +

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ + +3 + +4 + +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

+ +

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis* Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis* Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Wild zwijn Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine Kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Levendbarende hagedis Meerkikker Bastaardkikker

Van der Goes en Groot

+ +

+ + + + +

+ +

+ + + + +

+ + + + + + + + +

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

+ +

+

+ +

Fleetpark te Leidschendam

Bijlage 2.2.2 Schadelijke handelingen De Ow bepaalt dat de volgende zaken verboden zijn (zie art. 3.1, 3.5 en 3.10):  Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren genoemd in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen.¹  Het is verboden dieren genoemd in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren.  Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen.  Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.  Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Omgevingsvergunning Daarnaast geldt er een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit of een Natura 2000-activiteit (zie Bijlage 2.3.1), tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Indien geen vrijstelling geldt van de vergunningplicht, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt in een enkelvoudige vergunningsaanvraag (voor één activiteit) en meervoudige aanvraag (voor meer dan één activiteit), in verband met een verschil in procedure. Een meervoudige aanvraag is van toepassing als sprake is van bijvoorbeeld een flora- en faunaactiviteit én een Natura 2000-activiteit. De initiatiefnemer kan zelf kiezen tussen los of gelijktijdig aanvragen (art. 5.7 Ow). Er is geen eis met betrekking tot een gelijktijdige aanvraag van onlosmakelijke activiteiten. Het bevoegd gezag heeft evenwel de verplichting om de aanvrager te informeren over andere vergunningplichtige activiteiten, voor zover in te schatten door het bevoegd gezag.

¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Bijlage 2.2.3 Vergunningsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals realisatie, sloop of renovatie van bebouwing, kappen van bomen, dempen van wateren of schonen van sloten, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan vergunning voor de Ow verkregen worden. Als beschermde soorten (zie Bijlage 2.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én sprake is van mogelijke schadelijke handelingen (zie Bijlage 2.2.2), dan is een omgevingsvergunning vereist, of moet, indien mogelijk, conform artikel 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of vergunning kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 2.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een vergunning belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen vergunning.

Als schade niet te voorkomen is, dan dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn  In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.  In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  Ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn  In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.  Ter bescherming van flora en fauna. Andere soorten  In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam  In het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan.  Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen.  Ter bescherming van flora en fauna. Bijlage 2.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen vergunning verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen vergunning noodzakelijk. Alleen vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). In de provincies Flevoland, Limburg en Overijssel zijn de lijsten recent aangepast. Soorten kunnen in deze provincies in andere categorieën vallen, of er zijn extra soorten toegevoegd aan de lijsten van deze provincies. Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan soms, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél een vergunning worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist.

Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een vergunningsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, kan de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Let op! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf kan het zijn dat zowel de verblijfplaats als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan moet worden betrokken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Kader: De algemeen geldende lijst van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie. Deze lijst geldt in de meeste provincies waaronder Noord- en Zuid-Holland. Per provincie kunnen de categorieën verschillen, of zijn soms extra soorten aan de lijst toegevoegd.

Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Categorie Toelichting codes 4 Vogelsoorten waarvan de nesten in 4 principe jaarrond zijn beschermd met 2 beschermingscategorie: 3 4 1 = soorten die ook buiten het 2 broedseizoen het nest gebruiken als vaste 3 rust- of verblijfplaats, 3 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen 3 op dezelfde plaats broeden en die daarin 4 zeer honkvast zijn of afhankelijk van 2 bebouwing of biotoop, 3 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats 4 broeden en die daarin zeer honkvast zijn of 1 afhankelijk van bebouwing, 4 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in 4 staat zijn een nest te maken.

Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5). Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’. Ook deze lijst kan per provincie verschillen, zie het kader hieronder voor soorten die in de meeste gevallen in deze categorie vallen.

Kader: Enkele vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in categorie 5. Per provincie kan het beschermingsniveau verschillen. Sommige soorten vallen alleen onder categorie 5 in bepaalde provincies.

Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eidereend Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Grutto Hop Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger

Van der Goes en Groot

Koolmees Kortsnavelboomkruiper Middelste bonte specht Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ringmus Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik Wulp Zeearend Zomertortel Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Bijlage 2.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10) geen vergunning te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (art. 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. De relevante soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld. Bijlage 2.2.7 Flora- en fauna-activiteit Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke nadelige gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ (art 1.1 Ow). Er is sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ wanneer sprake is van mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levend dieren of planten, ongeacht of deze soorten beschermd zijn krachtens de Ow. Deze regel geldt dus niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld.

Wanneer sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 2.1.1). Daarnaast zijn Huismuis, Bosmuis, Veldmuis, Bruine rat, Huisspitsmuis en Mol buiten beschermde gebieden in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden (art. 3.10).

Bijlage 2.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een Natura 2000-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit waarbij kans is op een significant gevolg voor een Natura 2000-gebied en is daarmee vergunningplichtig.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2024-236

Fleetpark te Leidschendam

Bijlage 2.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-lidstaten hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000gebieden is te vinden op: https://www.natura2000.nl/ Voortoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze Voortoets blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen. Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Voortoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, beoordeelt het bevoegd gezag of deze negatieve gevolgen in het licht van de instandhoudings-doelstellingen aanvaardbaar zijn.

Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. Specifieke zorgplicht Natura 2000 In de Ow is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). Ook moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant Van der Goes en Groot

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=c380814e-cfc5-40e5-80ae-26ba29503175