4718 - Bijlage 12 bij TAM-Omgevingsplan Overgoo - Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
G&G-advies QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Fleetpark te Leidschendam Toetsing in het kader van de natuurwetgeving
F.N.M. van der Knaap
2018
Opdrachtgever Impact Ontwikkeling IV BV
G&G-advies QS2018-87
Versie Concept Eindrapport
Datum 19 augustus 2018 7 september 2018
Gecontroleerd door: R. de Beer
De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn.
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Fleetpark te Leidschendam
3
Inhoudsopgave 1
2
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5
1.2
Doel van het onderzoek........................................................................................... 5
1.3
Het plangebied......................................................................................................... 6
1.4
Werkzaamheden...................................................................................................... 6
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................ 6
Methode
7
2.1
Soorten .................................................................................................................... 7
2.2
Gebieden.................................................................................................................. 8
Beschermde soorten Wnb
9
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen ............................................................................ 9
3.2
Beschermde soorten.............................................................................................. 15 3.2.1 Planten .................................................................................................................... 15 3.2.2 Vissen ...................................................................................................................... 15 3.2.3 Amfibieën ................................................................................................................ 15 3.2.4 Vogels ...................................................................................................................... 16 3.2.5 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................... 18 3.2.6 Vleermuizen ............................................................................................................ 19 3.2.7 Overige fauna .......................................................................................................... 21
3.3
4
5
Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 22
Effectbeoordeling en maatregelen
23
4.1
Vogels..................................................................................................................... 23
4.2
Vleermuizen ........................................................................................................... 24
4.3
Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 24
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving
25
5.1
Natura 2000 ........................................................................................................... 25
5.2
Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 26
5.3
Weidevogelgebieden ............................................................................................. 26
5.4
Houtopstanden ...................................................................................................... 26
5.5
Overige relevante wetgeving................................................................................. 26
5.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 26
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
4
6
Conclusies
27
6.1
Beschermde soorten Wnb .....................................................................................27
6.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................28
6.3
Zorgplicht ...............................................................................................................28
7
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur
29
8
Bijlagen
30
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
1
5
Inleiding 1.1
Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie te Leidschendam (Gemeente Leidschendam-Voorburg, Provincie Zuid-Holland) her in te richten. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. In opdracht van Impact Ontwikkeling IV BV heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek.
1.2
Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wnb. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten en omtrent de noodzaak ontheffing of vergunning aan te vragen.
De ligging van het plangebied Fleetpark.
Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.
N14
A4
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
6
1.3
Het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het onderzoeksgebied aangegeven. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van de plaats Leidschendam. Het ligt in de oksel van de A4 en de N14 (de Noordelijke randweg van Den Haag). Het plangebied wordt grotendeels omgeven door dichte stedelijke bebouwing. Langs de A4 ten zuiden van het plangebied liggen groenstroken.
1.4
Werkzaamheden Er zijn plannen om het plangebied her in te richten De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit het sloop van gebouwen en het verwijderen van de vegetatie-toplaag, het vergraven van de bodem of de oevers, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van struiken en bomen.
1.5
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen, die aanwezig zijn in het plangebied, beschreven en wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. Ten slotte bevat hoofdstuk 6 de conclusies. Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan. Hoofdstuk 7 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunnings- en/of ontheffingsaanvraag.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
2
7
Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of ontheffing moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.
2.1
Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF), is bekeken in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied is gelegen en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde soorten of soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen die niet zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar. Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld overvliegend of verblijvend, de onderzoeksinspanning en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is). Er is niet gezocht naar niet-jaarrond beschermde vogels, vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.
Potentiebeoordeling Het plangebied is op 11 augustus 2018 bezocht om enerzijds de aanwezige en aangrenzende biotopen te beschrijven en anderzijds eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Verwerking Met behulp van analyse en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
8
Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet zijn uit te sluiten wordt aangegeven of specifieke maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of ontheffing dient te worden aangevraagd.
2.2
Gebieden Op de gebiedendatabase van het Ministerie van Economische Zaken is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: Zuid Holland: https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM/ Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
3
9
Beschermde soorten Wnb In dit hoofdstuk worden eerst de biotopen beschreven die aanwezig zijn binnen het plangebied. Vervolgens worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van het NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veldbezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.
3.1
Beschrijving aanwezige biotopen In het plangebied staan meerdere gebouwen. De huizen staan langs twee wegen: de Vlietweg en de Overgoo. Het gaat hierbij om:
De ligging van de verschillende gebouwen binnen het plangebied Fleetpark.
♣ Vijf rijtjeshuizen (die onderdeel uitmaken van een rij huizen: Vlietweg 8-9, en Vlietweg 10-11-12; ♣ Eén vrijstaand woonhuis (Vlietweg 8a); ♣ Twee bedrijfsgebouwen (Vlietweg 3 en bedrijf bij Vlietweg 8a); ♣ Acht kantoorgebouwen aan de Overgoo en de Vlietweg; ♣ Twee parkeergarages (P in de kaart); ♣ Twee elektriciteitshuisjes (E in de kaart); ♣ Zes kleine bijgebouwtjes, zoals garages, schuurtjes (* in kaart).
8-9 10-11-12
** **bedrijf Vlietweg 15
bij 8a
E Vlietweg17
Vlietweg 3
* Overgoo 3
Vlietweg 8a
* Overgoo2 P-ijzer
Overgoo 5
Overgoo 6
E ** P-beton
Overgoo 11 Overgoo 13-15
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
10
Bedrijfsgebouw Vlietweg 3.
Bedrijfsgebouw bij Vlietweg 8a.
Woonhuis Vlietweg 8a.
schuur bij Vlietweg 8a.
Vlietweg 3 (bedrijfsgebouw) Het bedrijfsgebouw Vlietweg 3 heeft een dubbelpuntdak met dakleer zonder dakpannen. Aan de achterzijde van het pand staat een zeecontainer op het terrein. Vlietweg 8a (woonhuis en schuurtje) Het gaat hier om een vrijstaand woonhuis met omliggende tuin. Rechts van het huis staat een hoge populier een rijconiferen die doorloopt richting het bedrijfspand. Aan de achterzijde ligt het woonhuis aan het water. Het huis heeft een puntdak met dakpannen. De laatste rij dakpannen boven de goot zijn open en geven mogelijk toegang tot achterliggende ruimten. Bij het huis staat een schuurtje met ook een puntdak. De dakpannen liggen strak tegen elkaar zonder opvallende spleten of kieren. Aan de zijkant van de schuur is de muur voor de helft afgetimmerd met hout, aan de onderzijde van deze houten betimmering is zit een smalle kier. Bedrijfsgebouw bij Vlietweg 8a Op het terrein bij woonhuis Vlietweg 8a staat een bedrijfsgebouw. Het bedrijf heeft een puntdak, het dak is bekleed met dakleer zonder dakpannen. Tussen de houten daklijst en de muur loopt een smalle kier. Vlietweg 8 en 9 (‘rij’ woonhuizen’) Langs de Vlietweg zijn twee adressen die samen een ‘rij woningen’ vormen. Het gebouw heeft een puntdak met dakpannen. Tussen de Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
11
Woonhuizen Vietweg 8 en 9.
Woonhuizen Vlietweg 10, 11 en 12.
Vlietweg 15 kantoorgebouw.
Vlietweg 17 kantoorgebouw.
dakpannen zijn een aantal smalle kieren te zien. Aan de voorzijde is op een hoek de muur net onder de goot stuk. Dit gat geeft mogelijk ook toegang tot achterliggende ruimte. Achter het huis staat een laag schuurtje. Vlietweg 10-11-12 (rij woonhuizen) Een rij van drie woonhuizen met de adressen Vlietweg 10, Vlietweg 11, Vlietweg 12. Het woonhuis met huisnummer 10 heeft een aanbouw aan de achterzijde. Voor de deel heeft dit bijgebouw een zadeldak met dakpannen en voor een ander deel een platdak. Vlietweg 15 (kantoorgebouw) Dit kantoorgebouw heeft een dubbele muur, de spouwmuur heeft stootvoegen die toegang geven tot een spouw. Het gebouw heeft meerdere etages en een plat dak.
Vlietweg 15:stootvoegen in gemetselde muur.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
12
Overgoo 2.
Overgoo 3.
Overgoo 5.
Overgoo 6.
Vlietweg 17 (kantoorgebouw en bijgebouw) Het gebouw aan de Vlietweg 17 bestaat uit meerdere verdiepingen. De gevels zijn hoofzakelijk bekleed met platen en glas. Delen bij de bovenste verdieping zijn bekleed met golfplaten. Het gebouw heeft een plat dak. Aan de achterzijde staat een klein houten schuurtje. Overgoo 2 (kantoorgebouw) Het gebouw bestaat uit meerdere verdiepingen. De gevels zijn hoofzakelijk bekleed met platen en glas. Het gebouw heeft een plat dak. Overgoo 3 (kantoorgebouw) Het gebouw bestaat uit meerdere verdiepingen. De gevels zijn hoofzakelijk bekleed met platen, beton en glas. Het gebouw heeft een plat dak. Overgoo 5 (kantoorgebouw) Het gebouw bestaat uit meerdere verdiepingen. De gevels zijn hoofzakelijk bekleed met platen, beton en glas. Het gebouw heeft een plat dak. Overgoo 6 (kantoorgebouw) Het gebouw bestaat uit meerdere verdiepingen. De gevels zijn hoofzakelijk bekleed met platen en glas. Het gebouw heeft een plat dak. Overgoo 11 (kantoorgebouw) Het gebouw bestaat uit meerdere verdiepingen. De gevels bestaan uit beton. Het gebouw heeft een plat dak.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
13
Overgoo 13-15 (kantoorgebouw) Het gebouw bestaat uit meerdere verdiepingen. De gevels bestaan uit beton. Het gebouw heeft een plat dak. Aan de achterzijde staan twee parkeergarageboxen met een plat dak.
Overgoo 11 kantoorgebouw.
Overgoo 13-15 kantoorgebouw.
Parkeergarage van beton In deze parkeergarage zijn verschillende kieren te zien tussen de verschillende betonplaten. Verder zijn de verschillende zijden van de parkeergarage open voor een deel afgesloten met een hek en prikkeldraad. Parkeergarage van ijzer De parkeergarage is voornamelijk opgetrokken uit ijzer. De constructie is redelijk open daardoor er geen diepe holten aanwezig zijn met een stabiel klimaat en wind luw. Elektriciteitshuisjes De twee elektriciteitshuisjes in het plangebied zijn opgetrokken uit beton, er zijn metalen roosters aanwezig maar er zijn verder geen zichtbare kieren of spleten zichtbaar.
Parkeergarage van ijzer.
Parkeergagage van beton.
Electriciteitshuisje (achter Vlietweg 15).
Electriciteitshuisje (nabij Overgoo 11).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
14
Bosschages en groen Tegenover de betonen parkeergarage ligt een ruig veldje met grassen en kruiden. Rondom de kantoorgebouwen staan verschillende bomen (o.a. Berk, wilg, Zwarte els). Aan het eind van de Overgoo in de oksel van de A4 en N14 en een strook tussen de Overgoo en de aanliggende woonwijk is het gebied ingericht als een park dat extensief word gebruikt door bewoner van de aanliggende wijk. Er zijn bosschages van wilg. Aan het korte gras en de keutels is te zien dat het terrein recent nog begraast is door vee. In de verschillende bomen op het terrein zijn geen opvallende holten of spleten te zien. Naast de bosschages zijn er ook nog enkele heesters en braamstruiken aanwezig.
Parkachtige bossage in de oksel van de A14 en de N14..
Sloot met beschoeiing en kroos.
Van der Goes en Groot
Sloot met veel afgevallen blad.
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
15
Wateren en oevers Binnen het plangebied liggen verschillende sloten. Een brede sloot van ca. 4 a5 meter maar ook slootjes van 1 meter breed. Sommige sloten zijn dichtbegroeid met riet en lisdodde, waar andere veel afgevallen bad op de bodem hebben. Geen waterplanten en veel schaduw van overhangende bomen. Er zijn sloten aanwezig met een houten beschoeiing en sloten zonder beschoeiing. Sloten met een dicht kroosdek en sloten zonder kroos. De sloten staan niet allemaal in verbinding en hebben verschillende peilhoogtes.
3.2
Beschermde soorten
3.2.1
Planten Aangetroffen soorten Rond het plangebied is in het verleden de Kartuizer anjer waargenomen (niet wild) (NDFF 2008-2018 / verspreidingsatlas Vaatplanten FLORON). Tijdens het veldbezoek is geen beschermde flora waargenomen. Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht. Er is geen stikstofarme en kalkhoudende grond aanwezig waar Kartuizer anjer kan groeien.
3.2.2
Vissen Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20072018). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissoorten aanwezig. Omdat geen sprake is van goed ontwikkelde submerse vegetatie in combinatie met geïsoleerde, zuurstofloze, verlandende wateren in het plangebied, wordt het voorkomen van Grote modderkruiper uitgesloten.
3.2.3
Amfibieën Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden geen beschermde, niet vrijgestelde amfibieën waargenomen (NDFF 2008-2018). In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen. Potentie plangebied In het plangebied is geschikt voortplantingswater aanwezig voor algemene amfibieën. In het plangebied is ook geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
16
door algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine watersalamander en Bruine kikker. De dieren kunnen wegkruipen onder opgeslagen materialen, stronken en takken of in verlaten muizenholen e.d. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2. -Rugstreeppad Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, de benodigde levensvoorwaarden zijn niet aanwezig en de soort is nooit in nabijheid van het plangebied waargenomen.
3.2.4
Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Houtduif, Kauw, Gaai. Tevens waren aanwezig Ekster, Pimpelmees, Zwarte kraai, Huiszwaluw (cat. 5). Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen naast de waargenomen soorten enkele andere algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Merel, Winterkoning of Heggemus. In het water langs het plangebied broeden mogelijk water- en moerasvogels zoals Meerkoet en Wilde eend.
Uitwerpselen bij woonhuis van mogelijk een Spreeuw.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
17
Het is mogelijk dat in de bebouwing categorie 5-soorten broeden als Spreeuw, en in de bomen een soort als de Boomkruiper. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen (nesten) daarvan waargenomen. In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Huismussen (cat. 2) vastgesteld. De soort broedt op ongeveer 100 meter vanaf het plangebied in een nabije woonwijk (NDFF 2008-2018). Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat in de bebouwing Huismus broedt. Deze soort kan toegang verkrijgen tot geschikte holtes vanwege waargenomen gaten en spleten. Het gaat om de volgende objecten waar Huismussen zouden kunnen verblijven: -
Vlietweg 3 (bedrijfsgebouw Vlietweg 8a (vrijstaand woonhuis) Vlietweg 8-9 (woonhuizen) Vlietweg 10-11 en 12 (woonhuizen)
De Gierzwaluw nestelt graag op plekken in huizen waar ze vrije uitvalmogelijkheden hebben. Binnen het plangebied is deze soort niet te verwachten omdat er geen geschikte vestigingsplekken voor deze soort zijn waargenomen en geen sporen werden gezien zoals poepstrepen oid. Rond de huizen met dakpannen is tevens veel begroeiing aanwezig en deze huizen zijn tevens te laag voor de soort.
Openingen onder dakpannen geven toegang tot ruimten voor Huismus.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
18
In de bosschages binnen het plangebied zijn geen grote nesten waargenomen die door roofvogels en uilen gebruikt zouden kunnen worden als nestelplaats.
3.2.5
Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten Rond het plangebied zijn in het verleden Eekhoorn en Steenmarter waargenomen (NDFF 2008-2018). Bij de Steenmarter gaat het om een enkele waarneming van een doodgevonden dier. De Eekhoorn en Steenmarter zijn beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld. In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde, niet vrijgestelde zoogdieren waargenomen (NDFF 2008-2018). Tijdens het veldbezoek werden molshopen aangetroffen. Deze soort is niet beschermd onder Wnb.
Molshopen in het plangebied.
Potentie plangebied Er zijn geen bomen met opvallende nesten of diepe holtes aanwezig in de bomen. Het terrein is kleinschalig ingesloten door bebouwing en drukke wegen. Het plangebied is daarmee ongeschikt als leefgebied van Steenmarter of Eekhoorn. Ook zijn er geen opvallende voedselbronnen aanwezig voor deze soorten. De bekende waarnemingen van de Eekhoorn en de Steenmarter betreffen incidentele waarnemingen, er is niet vastgesteld dat deze soorten structureel in de omgeving voorkomen. De meest nabijgelegen bekende populatie Eekhoorns komt voor in het Haagse Bos. Er zijn geen waarnemingen van Eekhoorns aan de zuidzijde van De Vliet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
19
Het is wel mogelijk dat in het gebied enkele (kleine) zoogdieren voorkomen zoals de Egel en verschillende algemene soorten (spits)muizen. Al deze soorten zijn beschermd onder de Wnb maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2.1. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor de Noordse woelmuis en de Waterspitsmuis. De benodigde levensvoorwaarden zijn hiervoor niet aanwezig. Het terrein is te droog en een vochtige kruidenrijke oevervegetatie nabij schoon en helder water ontbreekt.
3.2.6
Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. Aangetroffen vleermuizen Er zijn in de omgeving van het plangebied acht soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2008-2018). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Watervleermuis, Gewone Grootoorvleermuis. De meeste waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. In het park ‘Vreugd en Rust’ zijn kraamkolonies gevonden van Gewone Grootoorvleermuis, Rosse vleermuis en Watervleermuis. Potentie verblijfplaatsen Precieze locaties van verblijfplaatsen zijn alleen vast te stellen met gericht nachtelijk onderzoek tenzij uit te sluiten is dat potentie hiervoor aanwezig is.
Stootvoegen geven mogelijk toegang tot ruimten voor vleermuizen (Vlietweg 15).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
20
Kier die mogelijk toegang geeft tot ruimten voor vleermuizen.
De waargenomen spleten in de muren en daken geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes. Te denken valt aan gebouwbewonende soorten zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis of de Laatvlieger. Het gaat om de objecten: ♣ Vlietweg 3 (bedrijfsgebouw) ♣ Vlietweg 8a (woonhuis en schuurtje) ♣ Bedrijfsgebouw bij Vlietweg 8a ♣ Vlietweg 8 en 9 (‘rij’ woonhuizen) ♣ Vlietweg 10-11-12 (rij woonhuizen) ♣ Vlietweg 15 (kantoorgebouw) ♣ Overgoo 3 (kantoorgebouw) ♣ Overgoo 5 (kantoorgebouw) ♣ Overgoo 11 (kantoorgebouw) ♣ Overgoo 13-15 (kantoorgebouw) ♣ Parkeergarage van beton. Er zij een aantal gebouwen waar geen spleten of kieren werden gezien en geen verblijvende vleermuizen zijn te verwachten, het betreft de volgende gebouwen: ♣ Vlietweg 17 (kantoorgebouw en bijgebouw) ♣ Overgoo 2 (kantoorgebouw) ♣ Overgoo 6 (kantoorgebouw) ♣ Parkeergarage van ijzer ♣ de beide elektriciteitshuisjes.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
21
In het plangebied kunnen geen boom bewonende vleermuizen verblijven omdat geen geschikte holtes of spleten werden waargenomen in de aanwezige bomen. Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Vanwege het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen of brede rietkragen binnen het plangebied kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.
3.2.7
Overige fauna Aangetroffen soorten Er zijn geen waarnemingen bekend van andere beschermde soorten in of rond het plangebied. Tijdens het veldbezoek werden dergelijke soorten ook niet waargenomen. Potentie plangebied Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor andere beschermde diersoorten in verband met het ontbreken van geschikt biotoop.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
22
3.3
Conclusie beschermde soorten Op grond van §3.2.1 t/m §3.2.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt onderzocht welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.
Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2) en verwachte voorkomen daarvan binnen het plangebied (kolom 3). *Vaste rust- en verblijfplaatsen.
Beschermde, niet vrijgestelde soorten
Planten Vissen Amfibieën Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen verblijfplaats foerageergebied vliegroute Overige beschermde fauna
Van der Goes en Groot
Aangetroffen nabij het plangebied
Potentieel aanwezig binnen het plangebied
(literatuur en veldbezoek) nee nee nee
nee nee nee
ja
ja
ja
ja*
nee
nee
ja ja ? nee
ja ja nee nee
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
4
23
Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).
4.1
Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien en kappen van struiken en bomen het slopen van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! ‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Spreeuw, Ekster, Huiszwaluw, Zwarte kraai, Pimpelmees) kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen.
Overigens geldt ook voor deze soorten dat
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
24
activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden.
4.2
Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop van de gebouwen zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soort(en). Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
4.3
Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soort(en) (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om Huismus, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek kan worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld.
Optimale periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.
Soort/Soortgroep
Optimale periode
Huismus
april – half mei Vleermuizen
Alle soorten
Gebiedsfunctie vliegroutes, foerageergebied Kraam/zomerverblijf
Periode april november Paarverblijven en zwermen augustusoktober
Gewone dwergvleermuis
half mei - half juli
Ruige dwergvleermuis
(juni - half juli-nvt)
augustus oktober
juni - half juli
nvt
Laatvlieger
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Aantal bezoeken 2 Aantal bezoeken 2* beide 2
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
5
25
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving In hoofdstuk 3 en 4 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Wet Natuurbescherming kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende wet- en regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3). Naast bepalingen uit de Wnb kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
5.1
Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan drie kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Meijendel & Berkheide. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Ligging van het plangebied (rood omrand) ten opzichte van beschermde Weidevogelleefgebieden en het NNNnetwerk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
26
5.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 3). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.
5.3
Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 3). Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.
5.4
Houtopstanden Er worden geen buiten de (volgens de Wnb bepaalde) bebouwde kom gelegen beplantingen gekapt, groter dan 1000 m². Daarnaast voorziet het plan niet in het kappen van meer dan 20 bomen in een rijbeplanting. Op grond hiervan wordt het plangebied niet beschermd als bijzondere houtopstand.
5.5
Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.
5.6
Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving dan die beschreven in hoofdstuk 3 en 4 aan de orde is bij uitvoering van de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
6
27
Conclusies 6.1
Beschermde soorten Wnb ♣ Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. ♣ Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig. ♣ In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. ♣ In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2).
Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. ♣ In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uitgesloten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. ♣ Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
28
6.2
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat andere natuurwetgeving aan de orde is dan die hierboven beschreven in §6.1.
6.3
Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: ♣ Alle aanwezige bebouwing, vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten; ♣ Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. ♣ Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering. ♣ Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving. ♣ Bij de sloop- en bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
7
29
Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED.), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. HERDER, J.E., J. KRANENBERG, D. HOOGENBOOM, J. HAMERS & K. DEKKER (RED), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting RAVON, Nijmegen. HOOGENBOOM, D.M., F. VISBEEN, J. WONDERGEM, W. RUITENBEEK (RED.), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zooddier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. KAPTEYN, K., 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap, Haarlem. LIMPENS, H., K.
MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. Utrecht. SCHARRINGA, C.J.G., W. RUITENBEEK & P.J. ZOMERDIJK, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland, Landschap Noord-Holland. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. TWISK, P., A. VAN DIEPENBEEK & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2017, 13 maart 2017.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
30
8
Bijlagen
Bijlage 1
Huidige natuurwetgeving
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Wet natuurbescherming (Wnb) De Wet natuurbescherming (Wnb) is het nationale wettelijke kader waarin de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn samengevoegd. In de Wnb is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Bijlage 1.1.1 Zorgplicht Een belangrijke bepaling van de Wnb is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”
Bijlage 1.2 Soortbescherming Bijlage 1.2.1 Categorieën Onder de Wnb wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de ‘vrijgestelde soorten’. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren en is te vinden in Tabel 3.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
Vrijgestelde soorten per provincie. Rood=niet vrijgesteld. Tabel 1. Vrijstellingen voor ontheffingsaanvragen voor soorten per provincie. + = vrijgesteld; rood = niet vrijgesteld. DR
FL
FR
GL
GR
L
NB
NH
OV
UT
ZL
ZH
Aardmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bosmuis*
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bunzing
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Dwergmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Dwergspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Zoogdieren
Eekhoorn
+1
Egel
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Gewone bosspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Haas
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Hermelijn
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Huisspitsmuis*
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Konijn
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ondergrondse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Ree
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Rosse woelmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Steenmarter
+2
Tweekleurige bosspitsmuis
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Veldmuis*
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Vos
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wezel
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Wild zwijn Woelrat
+ +
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bruine kikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Gewone pad
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Amfibieën en Reptielen
Hazelworm Kleine watersalamander
+3 +
+
+
+
+
Levendbarende hagedis
+ +4
Meerkikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Bastaardkikker
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
*: algemene vrijstelling wanneer soorten zich in/op gebouwen en bijhorende erven bevinden +1:geldt in de periode maart-april en juli t/m november +2:geldt in de periode 15 augustus t/m februari +3:geldt in de periode juli t/m september +4:geldt in de periode 15 augustus t/m 15 oktober
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
Bijlage 1.2.2 Verbodsbepalingen De Wnb bepaalt conform artikel 3.1, 3.5 & 3.10 dat de volgende zaken verboden zijn: 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen¹ 2. Het is verboden dieren voorkomend in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. 5. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Bijlage 1.2.3 Ontheffingsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de Wnb verkregen worden. Als er beschermde soorten (zie Bijlage 1.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet. Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan. Bijlage 1.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een ontheffing belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen ontheffing. Als schade niet te voorkomen is, dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn ♣ Ontheffing is nodig in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid. ♣ Ontheffing is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. ♣ Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Andere soorten ♣ Ontheffing is nodig ter bescherming van flora en fauna. ♣ Ontheffing is in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van (groot) openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
♣ Ontheffing is nodig in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Bijlage 1.2.5 Broedvogels Voor broedvogels wordt in principe geen ontheffing verleend. Als men verstorende activiteiten buiten het broedseizoen laat plaatsvinden worden de vogels geacht te kunnen uitwijken, treedt geen schade op en is geen ontheffing noodzakelijk. Er is een uitzondering, vogelnesten die buiten het broedseizoen in gebruik zijn vallen onder de definitie van ‘vaste rust- of verblijfplaatsen’ en zijn daarom jaarrond beschermd. Er zijn vier verschillende categorieën ‘broedvogels met jaarrond beschermde nesten’, categorie 1 t/m 4, zie kader volgende pagina. De lijst met vogelsoorten waarvan de nesten gedurende het hele jaar zijn beschermd is in 2009 aangepast (zie kader). Let wel! Bij de bescherming van een jaarrond beschermd nest of verblijf wordt zowel de verblijfplaats betrokken als de (directe) omgeving die nodig is voor het succesvol functioneren daarvan.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
Kader: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en bijbehorende categorie.
Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Categorie 4 4 2 3 4 2 3 3 3 4 2 3 4 1 4 4
Toelichting codes Vogelsoorten waarvan de nesten in principe jaarrond zijn beschermd met beschermingscategorie: 1 = soorten die ook buiten het broedseizoen het nest gebruiken als vaste rust- of verblijfplaats; 2 = koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop; 3 = soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing; 4 = soorten die niet of nauwelijks zelf in staat zijn een nest te maken.
Voor soorten met jaarrond beschermde nesten kan, meestal alleen buiten het broedseizoen, wél ontheffing worden aangevraagd. Een ‘omgevingscheck’ is dan vereist. Een deskundige moet in dat geval vaststellen of de desbetreffende soort zelfstandig een vervangend nest kan vinden in de omgeving, of dat met verzachtende en/of compenserende maatregelen de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rustplaats gegarandeerd kan worden. Om zeker te zijn dat geplande of genomen maatregelen hiertoe voldoende zijn, moeten deze middels een ontheffingsaanvraag worden voorgelegd aan de provincie. Als geen schade optreedt en de gunstig staat van instandhouding niet in gevaar komt, zal de aanvraag (positief) worden afgewezen. Het is uiteraard essentieel dat de (aan de provincie) voorgestelde maatregelen ook daadwerkelijk worden genomen. Categorie 5-soorten Er is nog een categorie met ‘bijzondere’ vogelsoorten (Categorie 5) Deze soorten keren (zoals ook soorten met jaarrond beschermde nesten) weliswaar vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Van deze soorten zijn de verblijfplaatsen alleen dan beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen’.
Bijlage 1.2.6 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van EZ goedgekeurde gedragscode hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (artikel 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5) en andere soorten (artikel 3.10) geen ontheffing te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (artikel 3.31). De Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. Te beïnvloeden soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld en er moet een belang zijn voor het project vergelijkbaar met genoemde belangen uit de VRL, HRL of de ‘andere soorten’.
Bijlage 1.3 Gebiedsbescherming De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Wnb (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Bijlage 1.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-landen hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000-gebieden is te vinden op: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx ?subj=n2k&groep=0 Habitattoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze toetsing (ook wel ‘Habitattoets’ genoemd) blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Habitattoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, vindt de vergunningaanvraag plaats via een verslechterings- en verstoringstoets. Bij deze toets wordt via een uitgebreide effectbeoordeling nagegaan of activiteiten een kans met zich meebrengen op verslechtering van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten. Het bevoegd gezag geeft een
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam
vergunning af als de verslechtering of verstoring in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen aanvaardbaar is. Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Om de mate van stikstofvervuiling te volgen en te reguleren is de zogenaamde ‘Programmatische Aanpak Stikstof’ (PAS) in werking getreden. Boven bepaalde ‘drempelwaardes’ kan een project vanwege neergeslagen stikstof meldings- of vergunning plichtig zijn.
Bijlage 1.4 Overige gebiedsbescherming Bijlage 1.4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ingrepen in gebieden die horen bij het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) worden in principe niet toegestaan, tenzij bijvoorbeeld uitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het netwerk of de ingreep een groot maatschappelijk belang dient. Getoetst wordt of een ingreep van invloed is op ‘wezenlijke kenmerken en waarden’, het NNN kent geen toetsing op ‘externe werking’. Als een ingreep wordt toegestaan, moeten eventuele nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Uitgangspunt bij het toestaan van ingrepen is dat netto sprake moet zijn van een versterking van het netwerk. Bijlage 1.4.2 Overige natuurwetgeving Naast de behandelde wetgeving zijn soms andere gebied beschermende bepalingen van kracht. Dit kunnen regionale of provinciale plannen of visies zijn die gebieden of soorten (extra) beschermen. Een voorbeeld hiervan zijn de ‘weidevogelleefgebieden’ van de Provincie Noord-Holland. Per plangebied zal op maat moeten worden nagegaan of dergelijke bepalingen aan de orde zijn. Bijlage 1.4.3 Houtopstanden Houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijen bestaand uit meer dan 20 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom, zijn beschermd.
Men dient vergunning of ontheffing te verkrijgen indien dergelijke houtopstanden moeten worden gekapt of gerooid. In sommige gevallen is een herplantplicht aan de orde.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
QS2018-87
Fleetpark te Leidschendam Stappenplan procedure ecologisch onderzoek en ontheffing
Zie Bijlage 1.2.1 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.2 Geen ontheffing nodig
Zie Bijlage 1.2.3
Zie Bijlage 1.2.3 Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing onder voorwaarden mogelijk
Bijlage 1.5 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig en dient het stroomschema uit Figuur 4 te worden gevolgd. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aangetroffen worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
Van der Goes en Groot