CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4487 - Raadsvoorstel Evaluatie en verbetervoorstellen BOPA's met bindend adviesrecht

Gecombineerde Commissie 21 januari 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen evaluatie en verbetervoorstellen proces BOPA's met bindend adviesrecht gemeenteraad4.112 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de raad van de gemeente LEIDSCHENDAM-VOORBURG

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Onderwerp Raadsvoorstel Evaluatie en verbetervoorstellen proces BOPA's met bindend adviesrecht

gemeenteraad. Portefeuillehouder Wethouder Van Veller

1. Voorgesteld raadsbesluit De raad besluit: a. In te stemmen met de ‘Evaluatie proces BOPA’s met bindend adviesrecht gemeenteraad’; b. In te stemmen met de verbetervoorstellen voor het proces rond de BOPA’s met bindend c.

adviesrecht voor de gemeenteraad; Het ‘Besluit adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg’ (besluit nr. 3196, d.d. 23 november 2023) te wijzigen door vaststelling van de bij dit voorstel gevoegde was-wordt lijst en deze wijziging in werking te laten treden met ingang van de dag na die van bekendmaking;

d. De ‘Procesafspraken voor besluitvorming bij BOPA’s met bindend adviesrecht van de gemeenteraad vast te stellen’.

2. Aanleiding De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft inmiddels ruim anderhalf jaar ervaring met de behandeling van vergunningaanvragen onder de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt voor de gemeente voor belangrijke wijzigingen in de wettelijke doorlooptijden van aanvragen om omgevingsvergunning en in samenhang daarmee voor de introductie van het bindend adviesrecht van de raad bij de zogenoemde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (hierna: BOPA’s). Dit voorstel heeft betrekking op: • •

een evaluatie van het proces rond de BOPA’s met bindend adviesrecht; verbetervoorstellen om een aantal knelpunten op te lossen, die uit deze evaluatie naar voren komen.

2.1

Invoering Omgevingswet

Na een lange en moeizame aanloop werd op 1 januari 2024 de nieuwe Omgevingswet (hierna: Ow) ingevoerd. Die wet bundelt “onder één dak” een groot aantal regels over het bouwen, gebruiken en beschermen van de fysieke leefomgeving die voorheen versnipperd in tal van losse wetten, regelingen en besluiten waren vastgelegd.

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 2/10

Naast deze bundeling moet de wet ervoor zorgen dat de regels over de fysieke leefomgeving beter en eenvoudiger worden. Om dat te bereiken is de wetgeving rond de fysieke leefomgeving ingrijpend gewijzigd. Ook zijn rollen, taken en bevoegdheden van bestuursorganen veranderd. En ten slotte zijn procedures en daarvoor geldende termijnen aangepast.

2.2

Omgevingsplan in plaats van bestemmingsplan

Een van de belangrijkste wijzigingen door de invoering van de Ow is het vervangen van de verschillende ‘losse’ bestemmingsplannen door één omgevingsplan dat voor de hele gemeente geldt. Niet slechts voor bepaalde specifieke percelen, straten of wijken. En waar het bestemmingsplan vooral een op sectoraal beleid gebaseerd plan was, is het omgevingsplan een dynamisch en integraal totaaldocument dat een breed scala aan onderwerpen, van bouwregels tot milieu- en natuurbeschermingsregels bestrijkt.

2.3

Uitgangspunt: reguliere in plaats van uitgebreide vergunningprocedure

Onder de oude wetgeving was er sprake van een duidelijke tweedeling in vergunningprocedures. Voor de meeste relatief eenvoudige aanvragen gold de reguliere voorbereidingsprocedure. Bij meer complexe, vaak ook van het bestemmingsplan afwijkende, aanvragen was de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. De wettelijke beslistermijn voor de reguliere procedure bedraagt maximaal 14 weken: 8 weken standaardtermijn, met een maximale verlenging met 6 weken. Voor de uitgebreide procedure is dat maximaal 32 weken: 26 weken standaard met eveneens maximaal 6 weken verlenging. Dat onderscheid heeft de wetgever met de Ow laten varen. De reguliere procedure is nu de norm en in bijna alle gevallen van toepassing. Alleen bij uitzondering is de uitgebreide procedure nog aan de orde. Dat betekent dat het college ook over meer complexe aanvragen in beginsel maximaal 14 weken mag doen. Dat is een forse uitdaging en dat is ook de reden dat nog meer dan voorheen wordt ingezet op vooroverleg tussen een aanvrager en de gemeente. Alle relevante vragen, beoordelingen en afwegingen kunnen dan al worden voorbereid voordat een formele aanvraag wordt ingediend. Hoe dan ook, op dit punt heeft de invoering van de Ow grote gevolgen gehad voor onze werk- en besluitvormingsprocessen.

2.4

Bindend adviesrecht raad bij BOPA’s

Het college is in alle gevallen als enige bevoegd gezag om te beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Dat is ook zo wanneer een initiatief in strijd is met het Omgevingsplan. De raad mag echter wel specifieke categorieën van BOPA’s aanwijzen waarvoor aan hem het bindend adviesrecht toekomt. Het college moet bij zijn beslissing op een aanvraag dat advies van de raad volgen. Dat bindend adviesrecht bij BOPA’s heeft de raad ingevuld met zijn besluit van 7 november 2023 (zie: Document lv - 3196 Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg - iBabs Publieksportaal). Daarbij heeft de raad ook een motie (zie: Document lv - 3196 Adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg - iBabs

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 3/10

Publieksportaal) aangenomen. In deze motie heeft de raad aangegeven dat hij van het college een lijst met niet rechtstreeks onder het aanwijzingsbesluit vallende aanvragen wil ontvangen. Met als bedoeling om naast het oordeel van het college zelf te kunnen constateren of er sprake is van initiatieven met grote maatschappelijke impact, grote maatschappelijke onrust en/of anderszins politiek gevoelige initiatieven waarover de raad toch gebruik wil maken van zijn bindend adviesrecht. Het college heeft de raad over de uitvoering van die motie geïnformeerd met de raadsbrief 3608 (zie: Document lv - 3608 Raadsbrief afdoen Motie 774 en proces informeren gemeenteraad bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten - iBabs Publieksportaal). Daarnaast heeft het college de raad in deze raadsbrief toegezegd, dat er een evaluatie komt van het proces van de BOPA’s met bindend adviesrecht. Hierna volgen deze evaluatie en een aantal verbetervoorstellen voor in de evaluatie gesignaleerde knelpunten.

3. Afwegingen 3.1

Evaluatie BOPA’s met bindend adviesrecht

De raad heeft op 7 november 2023 besloten (‘het aanwijzingsbesluit’) dat hij van zijn bindend adviesrecht gebruik wil maken bij de volgende soorten BOPA’s: a.

Het bouwen van woningen en/of het wijzigen van een bestaande functie naar wonen, al dan niet in combinatie met bedrijvigheid, van tien (10) of meer woningen binnen de bebouwde kom van Leidschendam en Voorburg en van vijf (5) of meer woningen buiten de bebouwde kom en de kern van Stompwijk (+ én waarbij een ontheffing op basis van de nota parkeernormen aan de orde is);

b.

Indien -naar oordeel van het college- sprake is van grote maatschappelijke impact, er grote maatschappelijke onrust is, en/of anderszins politiek gevoelige initiatieven;

De hierboven genoemde gevallen zijn niet van toepassing als een project in overeenstemming is met een door de gemeenteraad specifiek en op het plan gericht ruimtelijk kader (een ruimtelijk kader is een planfiguur waarin de voorwaarden en/of uitgangspunten op hoofdlijnen beschreven staan om de desbetreffende ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken waarna de planologische procedure kan worden opgestart). Een termijn van vijf (5) jaar na vaststelling van dat kader wordt gehanteerd.

Met de motie 774 heeft de raad, in aanvulling op dit besluit, voor zichzelf nog een extra positie gecreëerd bij initiatieven die het college niet maar de raad wel ‘gevoelig’ acht. Door middel van een ‘lus’ kan de raad alsnog aan het college kenbaar maken, dat hij het bindend adviesrecht over een BOPA-aanvraag wil kunnen uitoefenen. Maar ook is het meer overkoepelende doel van de raad met deze motie geweest om de vinger aan de pols te houden bij de aard en afhandeling van binnenkomende BOPA-aanvragen. In de raadsbrief 3608 heeft het college, zoals hierboven ook al aangegeven, aangekondigd dat er (bij voldoende relevante aanvragen) in het eerste kwartaal van 2025 een evaluatie zou plaatsvinden van het werkproces rond de BOPA’s met bindend adviesrecht van de raad. Echter, tot

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 4/10

en met februari 2025 waren er nog geen BOPA-aanvragen voor bindend advies voorgelegd aan de raad en was een zinvolle evaluatie nog niet mogelijk. Daarom is de evaluatieperiode verlengd tot en met 30 juni 2025. Inmiddels is er enige ervaring opgedaan met het functioneren van de werkafspraken rond het proces van de BOPA’s met bindend adviesrecht en kunnen op basis daarvan uitspraken worden gedaan over wat goed verloopt en waar bijstelling van het proces wenselijk of noodzakelijk is. Deze evaluatie is als Bijlage 1 bij dit voorstel gevoegd.

3.2

Verbetervoorstellen naar aanleiding van de evaluatie

Naar aanleiding van de onder 3.1 beschreven evaluatie en de aan de hand daarvan gesignaleerde aandachts- of knelpunten, heeft het college per aandachtspunt een verbetervoorstel uitgewerkt. Die verbetervoorstellen worden hier na (gemotiveerd) beschreven. 3.2.1

Verbetervoorstel aandachtspunt 1: Maak een fundamentele keuze tussen handhaven van de huidige ‘lus’ of uitbreiden van het aanwijzingsbesluit De nu bestaande ‘lus’ is ingevoerd vanuit de gedachte dat college en raad anders kunnen aankijken tegen de mogelijke gevoeligheid van een initiatief. De raad heeft door middel van de ‘lus’ de mogelijkheid om bij een niet rechtstreeks onder het aanwijzingsbesluit vallende, door het college niet als gevoelig aangemerkte, BOPA toch het bindend adviesrecht te kunnen uitoefenen. Deze behoefte van de raad is begrijpelijk en legitiem. Echter, het werken met de ‘lus’ leidt tot onduidelijkheid, vertraging en rechtsonzekerheid. De praktijk laat zien dat Leidschendam-Voorburg voor zover bekend de enige gemeente in Nederland is waar deze ‘lus-constructie’ is gekozen. De griffie heeft bij het voorbereiden van de BOPA-evaluatie gewezen op een aantal knelpunten bij het werken met de ‘lus’, die het college ook onderschrijft. De nadelen van de ‘lus’ zijn zodanig dat er een beter, goed objectiveerbaar, alternatief moet komen waarmee enerzijds tegemoet wordt gekomen aan de wens van de raad om bij gevoelige initiatieven gehoord te blijven worden en anderzijds de negatieve kanten van de ‘lus’ worden opgelost. Het grootste probleem daarbij is dat ‘gevoelig’ een open en subjectieve norm is.

Het formuleren van heldere en objectief toetsbare (rechtszekere) criteria waarmee de mate van gevoeligheid van een initiatief gemeten kan worden is bijna ondoenlijk. Daarom is de enige werkbare en ook juridisch houdbare optie het uitbreiden van de lijst met concrete, helder gedefinieerde gevallen die onder het bindend adviesrecht van de raad vallen. Het college stelt voor om aan het aanwijzingsbesluit van de raad een beperkt aantal categorieën toe te voegen, waarvan zonder meer duidelijk is dat die impact hebben op de fysieke leefomgeving en daarmee ook maatschappelijke impact kunnen hebben. Het college stelt de volgende nieuwe categorieën voor: •

het bouwen van en/of het wijzigen van een bestaande functie naar voorzieningen voor

•

de opvang (reguliere opvang, noodopvang of crisisopvang) van asielzoekers; het bouwen van en/of het wijzigen van een bestaande functie naar voorzieningen voor de huisvesting en/of opvang van doelgroepen met een intensieve hulpvraag;

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 5/10

•

het bouwen van en/of het wijzigen van een bestaande functie naar voorzieningen voor de vestiging en exploitatie van milieubelastende activiteiten (hieronder worden verstaan activiteiten die naar aard, omvang en milieueffect vergelijkbaar zijn met inrichtingen vanaf categorie 3 als bedoeld in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’);

•

het bouwen van windmolens, zonneparken en daarmee vergelijkbare voorzieningen.

Het uitbreiden van het aanwijzingsbesluit met deze 3 categorieën borgt dat de raad altijd bindend advies wordt gevraagd bij initiatieven die hieronder vallen en die zonder meer, ook objectief, als gevoelig in relatie tot de fysieke leefomgeving gezien kunnen worden. Verder blijft, los van het bindend advies bij BOPA’s, het college natuurlijk altijd verantwoordelijk voor en gecommitteerd aan het tijdig en adequaat betrekken van de raad bij mogelijk gevoelige ruimtelijke ingrepen. Daar zijn, zowel wettelijk als ook anderszins, voldoende waarborgen maar ook passende instrumenten voor in de verhouding tussen college en raad. 3.2.2

Verbetervoorstel aandachtspunt 2: Schep duidelijkheid over maatschappelijk of politiek gevoelige oude planologische kruimelgevallen Zoals geschetst heeft de raad er door middel van de motie 774 voor willen zorgen dat BOPA-aanvragen, die voor 1 januari 2024 onder de oude ‘planologische kruimelgevallen’ vielen niet voor bindend advies zouden worden voorgelegd. Het moet volgens de raad gaan om aanvragen die er toe doen. Dat blijkt uit punt 2 van het dictum van de motie. En categorie A van het aanwijzingsbesluit gaat over bouwplannen, die door hun aard en omvang hoe dan ook niet onder de oude kruimelgevallen vielen. De praktijk laat echter zien dat het vaak juist initiatieven, die voorheen als kruimelgeval werden aangemerkt, zijn die voor maatschappelijke impact en politieke discussie zorgen. Denk aan het gedeeltelijk verbouwen van een bestaand hotel tot een AZC. Onder het oude recht zou zo’n functiewijziging een planologisch kruimelgeval zijn en dus volgens de motie 774 niet voor bindend advies bij de raad moeten komen. Maar vanzelfsprekend wil (en moet) de raad juist over dit soort ingrepen in de fysieke leefomgeving een oordeel kunnen geven. Er zijn dan echter wel betere criteria nodig om te bepalen wanneer zo’n type initiatief zicht voordoet.

3.2.3

Verbetervoorstel aandachtspunt 3: Verduidelijk en concretiseer het criterium ‘maatschappelijke impact/onrust of politieke gevoeligheid’ en neem de rechtsonzekerheid weg Ook hier geldt dat het verduidelijken en concretiseren van het criterium zonder in het aanwijzingsbesluit concrete categorieën van gevallen, die op voorhand als ‘gevoelig’ worden gedefinieerd, te benoemen niet op een houdbare manier uitvoerbaar is. Het begrip ‘gevoelig’ is naar zijn aard subjectief, iedereen heeft daar zijn eigen uitleg en invulling bij. Dat staat op gespannen voet met het juridische karakter van en de wettelijke beoordelingsruimte bij de BOPA.

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 6/10

3.2.4

Verbetervoorstel aandachtspunt 4: Stel een helder werkproces vast, gericht op het halen van wettelijke beslistermijnen Zoals al aangegeven, is het ontbreken van een helder beschreven en vastgelegd werkproces een van de knelpunten als het gaat om het binnen de wettelijke termijnen afronden van de BOPA-procedure met bindend adviesrecht. Hoewel het overschrijden van de beslistermijn niet meer, zoals voorheen, leidt tot een van rechtswege verleende vergunning zijn er wel juridische en financiële gevolgen. De aanvrager kan na een ingebrekestelling een dwangsom vragen (maximaal circa € 1.500) van de gemeente. Ook kan de aanvrager vervolgens tegen het niet op tijd besluiten beroep instellen bij de bestuursrechter. Zo’n beroep verliest de gemeente altijd en dat betekent dat de proceskosten in zo’n geval voor rekening van de gemeente komen. Overigens kan ook de rechter een dwangsom aan de gemeente opleggen om alsnog tot een besluit te komen. Die dwangsom is meestal aanzienlijk hoger dan het bedrag dat de aanvrager op basis van een ingebrekestelling kan krijgen, namelijk tot enkele tienduizenden euro’s. Bovendien zijn langere procedures in strijd met de bedoeling van de wetgever. Die heeft namelijk juist beoogd de vergunningprocedures veel korter te maken.

Dat betekent dat, wanneer sprake is van een BOPA waarbij de raad gebruik moet/wil maken van het bindende adviesrecht, ten opzichte van het reguliere proces afwijkende termijnen en processtappen nodig zijn. Hiervoor kunnen in voorkomende gevallen ook extra vergaderingen van de commissie en de raad noodzakelijk zijn. Het college stelt voor onderstaand proces vast te stellen als werkproces bij BOPA-aanvragen met bindend adviesrecht. Hierbij is, omdat ook de Ow daarvan uitgaat, de reguliere vergunningprocedure als uitgangspunt genomen. Stap Actie

Weken in vergunningprocedure Week 1

1.

KCC ontvangt de aanvraag en informeert de griffie met een bericht, waarin het onderwerp van de aanvraag en een korte toelichting zijn opgenomen. De griffie deelt deze informatie met de raadsleden en plant de behandeling in commissie en raad in, rekening houden met de wettelijke beslistermijnen.

2.

De conceptvergunning plus het raadsvoorstel met conceptadvies wordt via versnelde portefeuillehoudersoverleg en collegebehandeling ter besluitvorming aan de raad voorgelegd

3.

Bespreking in agendacommissie

Week 6 of 7

4.

Behandeling in commissie Omgeving met voorstel voor behandeling in raad

Week 7 of 8

5.

Besluitvorming over bindend advies in raad

Week 9 t/m11

N.B.: Het college moet een gemotiveerd besluit nemen op de aanvraag om omgevingsvergunning en daar het advies van de raad bij betrekken. Bij een

Week 6

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 7/10

negatief advies van de raad (waarbij de raad dus niet conform het raadsvoorstel van het college beslist), ontvangt het college een gemotiveerd besluit tot negatief advies van de raad. De raad is zelf verantwoordelijk voor het formuleren van deze motivering. Het negatieve bindend advies van de raad moet bekend gemaakt worden in het Gemeenteblad (artikel 3:42 Awb in samenhang met artikel 6 van de Bekendmakingswet). 6.

Besluitvorming in college over aanvraag omgevingsvergunning en bekendmaking collegebesluit

Week 10 t/m 12

Hoewel dit proces het meest aansluit bij de huidige werkwijze zijn er ook duidelijke nadelen. Die zijn zowel praktisch als meer fundamenteel van aard. Het gaat dan om de volgende punten: 1. Het college moet een deugdelijk onderbouwd voorstel voorleggen aan de raad. Dat betekent eigenlijk dat alle relevante omgevingsaspecten van de aanvraag aan de hand van het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL) beoordeeld moeten zijn. N.B.: het criterium ETFAL is een voortzetting van het criterium van een ‘goede ruimtelijke ordening’ uit de Wet ruimtelijke ordening, maar dan in een bredere strekking van de fysieke leefomgeving. De kern van ETFAL is dat er een balans moet bestaan tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Die inhoudelijke beoordeling moet, gezien de hierboven geschetste stappen, plaatsvinden in de eerste zes weken na ontvangst van de aanvraag. Maar ook moet het college, voordat het aan een inhoudelijke beoordeling toekomt, eerst de volledigheid van de aanvraag toetsen. Zeker bij grotere ruimtelijke ingrepen kan het daarbij gaan om duizenden pagina’s aan formulieren, tekeningen, rapporten, etc. Pas na die volledigheidstoets kan de inhoudelijke beoordeling in gang worden gezet.

En na afloop van de inhoudelijke beoordeling moet, op basis van de uitkomsten daarvan, de conceptvergunning worden geschreven. Beide ‘administratieve’ stappen kosten tijd, dit betekent dat van de eerste zes weken (stap 1 en 2) netto maximaal vier weken overblijft voor het inhoudelijk beoordelen van de aanvraag. Dat is erg kort, want van die beoordeling maken ook onderwerpen deel uit waar het college advies of een toets door een externe partij, zoals bijvoorbeeld de Omgevingsdienst, de waterbeheerder, leidingbeheerders, e.d. nodig heeft. Die partijen zijn in veel gevallen niet in staat om binnen vier weken inhoudelijk advies of een oordeel te geven. Het is dan ook de vraag of de strakke planning, die dit werkproces vergt, in de praktijk uitvoerbaar zal blijken te zijn. En nu er ten opzichte van de wettelijke beslistermijn geen enkele extra speling in het proces kan worden ingebouwd, betekent elke vertraging in een van de te doorlopen stappen dat de termijn wordt overschreden. Ook het strikt werken volgens het hierboven beschreven proces biedt dus geen garantie op het halen van termijnen en neemt daarom de financiële en juridische risico’s niet volledig weg.

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 8/10

2. De fundamentele vraag is ook of en in hoeverre werken volgens dit proces in overeenstemming is met hoe de wetgever bij de invoering van de Ow de toepassing van het bindend adviesrecht voor ogen heeft gehad. De wetgever ziet namelijk het bindend adviesrecht als een instrument om de raad (pro)actief positie te geven bij door middel van een BOPA voorgenomen ruimtelijke ingrepen. De raad moet op voorhand zelf nadenken in welke gevallen hij het bindend adviesrecht wil inzetten, dat wordt vertaald in het aanwijzingsbesluit. Vervolgens moet de raad aan de hand van het ETFAL-criterium per concrete ingreep zelf afwegen of hij die ingreep al of niet aanvaardbaar vindt en of hij daarover al of niet een positief advies kan/wil afgeven. De wetgever gaat uit van het uitgangspunt dat de afweging over de wenselijkheid van (zwaardere) afwijkingen van het omgevingsplan thuishoort bij het bestuursorgaan dat ook bevoegd is het omgevingsplan vast te stellen en te wijzigen. Die opvatting past bij de wettelijke verdeling van taken en bevoegdheden ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Maar ook bij het duale stelsel waarbij college en raad hun eigen, van elkaar gescheiden taken en rollen hebben en daarbij ook kunnen beschikken over hun eigen ambtelijke ondersteuning.

Een optimale invulling volgens dit uitgangspunt vraagt eigenlijk van de raad dat die eigenstandig (en ondersteund door de griffie) aan de hand van het ETFAL-criterium en een inhoudelijke belangenafweging tot een gemotiveerd bindend advies komt. Niet op basis van een raadsvoorstel, waarin het oordeel van het college leidend is en de raad in praktijk eerder een standpunt bepaalt over dat raadsvoorstel dan over de BOPA zelf. Voor dit moment is het voorgestelde aangescherpte werkproces de snelst te realiseren stap om in elk geval beter dan nu te kunnen sturen op het halen van wettelijke termijnen. Verdere verbeteringen in zowel het werkproces als de manier waarop college en raad zich positioneren in het ruimtelijk debat zijn echter zeker denkbaar. Het college geeft de raad dan ook in overweging om, misschien na de verkiezingen van maart 2026, nog een keer het gesprek aan te gaan over de beste invulling van het bindend adviesrecht. 3.2.5

Verbetervoorstel aandachtspunt 5: Verbeter de redactie van het aanwijzingsbesluit en verwerk daarin ook de verbetervoorstellen voor aandachtspunt 1 tot en met 3 Om de knelpunten, die samenhangen met de redactie van het huidige aanwijzingsbesluit, weg te nemen maar ook de oplossing van de aandachtspunten 1 tot en met 3 uit de evaluatie te verwerken stelt het college voor de tekst van artikel 1 van het aanwijzingsbesluit als volgt te wijzigen: Artikel 1Aanwijzing van gevallen waarvoor een bindend advies is vereist 1.

De volgende gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangewezen als gevallen waarbij de gemeenteraad een bindend advies, gebaseerd op artikel 16.15a, onder b, van de Omgevingswet, geeft aan het college van burgemeester en wethouders: a.

het bouwen van woningen en/of het wijzigen van een bestaande functie naar wonen, al dan niet in combinatie met bedrijvigheid, bij:

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 9/10

1.

tien (10) of meer woningen binnen de bebouwde kom van de kernen Leidschendam en Voorburg;

b.

2.

vijf (5) of meer woningen binnen de bebouwde kom van de kern Stompwijk;

3.

vijf (5) of meer woningen buiten de bebouwde kom.

Het bouwen van voorzieningen en/of het wijzigen van een bestaande functie voor: 1.

de collectieve opvang (reguliere opvang, noodopvang en/of crisisopvang) van asielzoekers;

2.

de collectieve opvang en/of huisvesting van bijzondere doelgroepen met een intensieve hulpvraag;

3.

de vestiging en exploitatie van milieubelastende activiteiten (hieronder worden verstaan activiteiten die naar aard, omvang en milieueffect vergelijkbaar zijn met inrichtingen vanaf milieucategorie 3 als bedoeld in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’).

c.

Het bouwen van windmolens, zonneparken en naar aard en impact op de fysieke leefomgeving daarmee vergelijkbare voorzieningen.

2.

Van het bepaalde onder 1, sub a. tot en met c. zijn uitgezonderd buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die in overeenstemming zijn met: a.

een door de raad, naar aanleiding van een bij het college ingediend verzoek om vooroverleg over die activiteit, genomen principebesluit tot het verlenen van medewerking aan die activiteit;

b.

een door de raad vastgesteld ruimtelijke kader of daarmee vergelijkbaar kaderstellend en/of randvoorwaardelijk document;

mits de formele aanvraag om omgevingsvergunning voor de betreffende buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt ingediend binnen maximaal vijf jaar na het nemen van dat principebesluit of het vaststellen van dat ruimtelijk kader. 3.

Van het bepaalde onder 1, sub a. tot en met c., zijn eveneens uitgezonderd buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor het college voornemens is de aanvraag om omgevingsvergunning te weigeren.

Met deze aanpassingen worden zowel de knelpunten in de oorspronkelijke formulering van het aanwijzingsbesluit weggenomen als de verbetervoorstellen voor de aandachtspunten 1 tot en met 3 geïmplementeerd.

4. De financiële gevolgen van het besluit Het gevraagde raadsbesluit heeft op zichzelf geen financiële gevolgen. Wel kan het niet binnen de wettelijke termijnen afhandelen van aanvragen om omgevingsvergunning voor een BOPA financiële consequenties hebben. Enerzijds in de vorm van op grond van de Wet dwangsom verbeurde dwangsommen, proceskostenveroordelingen bij beroepen wegens niet tijdig beslissen, etc. Anderzijds doordat mogelijk extra ambtelijke capaciteit moet worden ingezet om overschrijding van beslistermijnen zoveel mogelijk te beperken.

Datum 18 november 2025 Nummer 4487 Pagina 10/10

5. Hoe zijn inwoners / belanghebbenden betrokken Het gevraagde raadsbesluit gaat over de manier waarop de bevoegdheidsverdeling tussen de raad en het college is geregeld onder de Omgevingswet en hoe in de praktijk het werken met die bevoegdheidsverdeling sinds de invoering van de Omgevingswet heeft uitgepakt. De evaluatie en daaruit volgende verbetervoorstellen van het werkproces rond deze bevoegdheidsverdeling lenen zich niet voor participatie. De manier waarop de bevoegdheidsverdeling onder de Omgevingswet is vastgelegd en in de praktijk is uitgewerkt sluit zoveel als mogelijk is aan bij de bevoegdheidsverdeling en uitvoering daarvan onder de oude Wet ruimtelijke ordening. Ook met de aan de raad voorgelegde verbetervoorstellen wordt dat niet anders.

burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,

R.J. den Haan secretaris

M.W. Vroom burgemeester

Documenten behorende bij dit raadvoorstel: 4487

Evaluatie proces BOPA’s met bindend adviesrecht gemeenteraad

4487

Concept raadbesluit Evaluatie en verbetervoorstellen proces BOPA’s met bindend adviesrecht gemeenteraad

4487

Was-wordt lijst wijziging ‘Besluit adviesrecht gemeenteraad en participatie bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten gemeente Leidschendam-Voorburg’

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=2a80bfd7-c3cc-4cde-bcbf-e2ecd2924905