4324 Bijlage 2 Omgevingseffectrapport Leidschendam-Voorburg
Tekst van het document
Wat betreft arbeidsplaatsen worden er ten opzichte van de referentiesituatie in totaal 1.800 arbeidsplaatsen extra toegevoegd rondom de OV-knooppunten en 1.200 arbeidsplaatsen worden verspreid toegevoegd. Het gaat dan bijvoorbeeld om toevoegingen op de bestaande bedrijventerreinen, bij de kernwinkelgebieden en bij the Mall of The Netherlands of in bestaand bebouwd gebied.
48 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
In het noordwesten van Stompwijk wordt bij de Meeslouwerpolder ingezet op een locatie voor glastuinbouw en een lichte bedrijfslocatie. Deze locatie is in de huidige situatie ook aanwezig en daarmee gelijk aan de referentiesituatie. Rondom Vlietland en de Nieuwe Driemanspolder wordt ingezet op de profilering van recreatie en toerisme, hoe dit concreet wordt vormgegeven is echter onduidelijk. Ten slotte wordt er in alternatief 1 net als in de referentiesituatie geen ruimte geboden aan zon- en windenergie in het buitengebied vanwege het behoud van het landschap. Het aspect landschap wordt voor alternatief 1 neutraal beoordeeld, omdat dit redelijk gelijk is aan de referentiesituatie. De ontwikkelingen vinden voornamelijk binnenstedelijk plaats en er worden bovendien iets minder woningen toegevoegd in het noordoosten van Leidschendam en op de locatie bij Stompwijk. Dit betekent dat het landschap in alternatief 1 beperkt wijzigt in de verhouding tussen het bebouwd en onbebouwd gebied. Wel blijft het voor de ontwikkellocaties onduidelijk of er aandacht is voor landschappelijke inpassing en de concrete uitwerking hiervan.
Mitigerende maatregelen: - zorg voor een zorgvuldige inpassing van de woningbouwlocaties en locaties voor extra arbeidsplaatsen, bijvoorbeeld door het creëren van een (groene) bufferzone zodat de overgang tussen de te ontwikkelen gebieden wordt verzacht; - werk concreter uit hoe er wordt ingezet op de profilering van recreatie en toerisme. Zet bijvoorbeeld in op de versterking van bestaande groenblauwe netwerken, de ontwikkeling van wandel- en fietspaden en door voorzieningen zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen en informatieve borden; - werk concreter uit welke ontwikkelingen er worden voorzien in de Meeslouwerpolder; - minimaliseer de visuele impact van ontwikkelingen door in te zetten op een landschappelijke inpassing met bijvoorbeeld passende beplanting en het vergroenen van de randen, bijvoorbeeld bij het cluster in de Meeslouwerpolder. Alternatief 2 In alternatief 2 worden er tot 2050 6.445 extra woningen toegevoegd ten opzichte van de referentiesituatie. Dit gebeurt onder andere door het optoppen van bestaande woningen verspreid over de gemeente, wat leidt tot een verhoging van de woningvoorraad met 200 woningen. Daarnaast wordt er gebouwd op extra locaties ten opzichte van de referentiesituatie. Ten behoeve van het OER is een inschatting gemaakt van de mogelijke spreiding van de beoogde woningaantallen en arbeidsplaatsen over de verschillende ontwikkellocaties.
Ten opzichte van de referentiesituatie zijn dit de volgende ontwikkellocaties voor woningbouw. Ten eerste betreft het 3 locaties die zich aan de rand van de wederopbouwwijk De Heuvel en Prinsenhof bevinden (700 woningen). Daarnaast wordt er uitgebreid om en nabij de Mall of the Netherlands (750 woningen), het Koningin Julianaplein (475 woningen), Voorburg-West (200 woningen), het terrein om en nabij Overgoo (1.500 woningen) en bij bedrijventerrein de Star (175 woningen). Ook wordt er uitgebreid bij de OV-knooppunten, het gaat om Den Haag Mariahoeve (675 woningen), Den Haag Laan van NOI (200 woningen) en knooppunten Voorburg ’t Loo (400 woningen), station Leidschendam-Voorburg (200 woningen), station Voorburg (450 woningen) en de spoorzone tussen Den Haag Laan van NOI en Voorburg (100 woningen). Landschappelijk gezien is de verhoging van Stompwijk (80 woningen extra ten opzichte van de referentiesituatie) een aandachtspunt. Het is onduidelijk of er in Stompwijk wordt ingezet op uitbreiding en/of inbreiding. In de uitbreidingswijk in het noordoosten van Leidschendam worden er 55 woningen extra gebouwd ten opzichte van de referentiesituatie. Het betreft een voormalig glastuinbouwgebied. Het landschap wordt op deze locatie net als in de referentiesituatie anders gebruikt door de transformatie van de voormalige glastuinbouwlocatie naar woningbouw.
Wat betreft arbeidsplaatsen worden er ten opzichte van de referentiesituatie 2.000 arbeidsplaatsen toegevoegd rondom de OV-knooppunten en 2.000 arbeidsplaatsen worden verspreid toegevoegd. Het gaat dan bijvoorbeeld om toevoegingen op de bestaande bedrijventerreinen, bij de kernwinkelgebieden en bij the Mall of The Netherlands of in bestaand bebouwd gebied (zoals bij Overgoo en Voorburg-West). In het noordwesten van Stompwijk wordt bij de Meeslouwerpolder ingezet op een locatie voor glastuinbouw en een lichte bedrijfslocatie. Deze is in de huidige situatie ook aanwezig.
49 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Rondom Vlietland en de Nieuwe Driemanspolder wordt ingezet op de profilering van recreatie en toerisme, hoe dit concreet wordt vormgegeven is het echter onduidelijk. Ten slotte wordt er in alternatief 2 net als in de referentiesituatie geen ruimte geboden aan zon- en windenergie in het buitengebied vanwege het behoud van het landschap. Voor het aspect landschap geldt dat er in alternatief 2 sprake is van een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie. De ontwikkelingen vinden voornamelijk binnenstedelijk plaats, maar er wordt wel meer bebouwd ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast neemt het woningaantal licht toe bij de uitbreidingslocatie in het noordoosten van Leidschendam en op de locatie bij Stompwijk. Bovendien blijft het voor de ontwikkellocaties onduidelijk of er aandacht is voor landschappelijke inpassing en de concrete uitwerking hiervan. De beoordeling van alternatief 2 is dus ‘negatief’. Mitigerende maatregelen: - houd rekening met de effecten op het landschap van de aanvullende uitbreidingslocaties in het noordoosten van de gemeente en in Stompwijk door deze ontwikkelingen zorgvuldig in te passen met bijvoorbeeld een groene bufferzone; - voor de uitbreiding van de woningvoorraad in Stompwijk is het niet duidelijk of er wordt ingezet op inbreiding en/of uitbreiding. Het is belangrijk om dit te concretiseren.
Houd bij inbreiding rekening met de samenhang tussen bebouwing en bouwhoogtes, en bij uitbreiding met een inpassing in het omliggende, weidse gebied; - werk concreter uit hoe er wordt ingezet op de profilering van recreatie en toerisme. Zet bijvoorbeeld in op de versterking van het bestaande groenblauwe netwerken, de ontwikkeling van wandel- en fietspaden en door voorzieningen zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen en informatieve borden; - werk concreter uit welke ontwikkelingen er worden voorzien in de Meeslouwerpolder; - minimaliseer de visuele impact van ontwikkelingen door in te zetten op een landschappelijke inpassing met bijvoorbeeld passende beplanting en het vergroenen van de randen, bijvoorbeeld bij het cluster in de Meeslouwerpolder. Cultureel erfgoed en stedenbouw Alternatief 1 De ontwikkelingen bij Klein Plaspoelpolder en aan de Rijnlandstraat liggen - net als in de referentiesituatie - in de zone van het ondergrondse Kanaal van Corbulo. De ontwikkeling nabij OV-knooppunt Voorburg bevindt zich aan de rand van het beschermd stadsgezicht van Voorburg. Dit kan risico’s met zich meebrengen voor de uitstraling van (de omgeving van) het beschermd stadsgezicht. De ontwikkeling in het noordoosten van Leidschendam bevindt zich in een beschermd gezicht waarover afstemming heeft plaatsgevonden.
Aanvullend liggen ook de ontwikkelingen in Voorburg-West, bij OVknooppunt Voorburg en nabij het terrein van Overgoo in of nabij de zone van het ondergrondse kanaal van Corbulo. Ook liggen vrijwel alle woningbouwlocaties en de voorziene locaties voor de uitbreiding van de arbeidsplaatsen in gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In het alternatief worden geen uitspraken gedaan over (het behoud van) gebedshuizen en erfgoed. Deze constateringen leiden tot een verslechtering voor het aspect cultureel erfgoed en stedenbouw voor alternatief 1 ten opzichte van de referentiesituatie, oftewel een negatieve beoordeling. Mitigerende maatregelen: - houd in de woningbouwontwikkelingen rekening met het beschermd stadsgezicht in Voorburg zodat de cultuurhistorische identiteit niet wordt aangetast; - voer archeologisch onderzoek uit zodat er rekening wordt gehouden met het ondergrondse Kanaal van Corbulo en de mogelijke aanwezige archeologische waarden; - integreer historische elementen in de ontwerpen van nieuwe gebouwen en openbare ruimten om de cultuurhistorische waarden zichtbaar te maken voor bewoners én bezoekers; - zorg voor beleid en richtlijnen om het behoud en de bescherming van (archeologische) monumenten en (religieus) erfgoed te borgen, bijvoorbeeld het behoud van de Duivenvoordecorridor.
50 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Alternatief 2 De ontwikkelingen bij Kleinplaspoelpolder en aan de Rijnlandstraat liggen - net als in de referentiesituatie in de zone van het ondergrondse Kanaal van Corbulo. De ontwikkeling nabij OV-knooppunt Voorburg bevindt zich aan de rand van het beschermd stadsgezicht van Voorburg. Dit kan risico’s met zich meebrengen voor de uitstraling van (de omgeving van) het beschermd stadsgezicht. De ontwikkeling in het noordoosten van Leidschendam bevindt zich in een beschermd gezicht waarover afstemming heeft plaatsgevonden. Aanvullend liggen ook de ontwikkelingen nabij Voorburg-West, OV-knooppunten Voorburg en Leidschendam-Voorburg en de ontwikkeling nabij het terrein van Overgoo in of nabij de zone van het ondergrondse kanaal van Corbulo. Ook liggen vrijwel alle woningbouwlocaties en de voorziene locaties voor de uitbreiding van de arbeidsplaatsen in gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In het alternatief worden geen uitspraken gedaan over (het behoud van) gebedshuizen en erfgoed. Deze constateringen leiden tot een verslechtering voor het aspect cultureel erfgoed en stedenbouw voor alternatief 2 ten opzichte van de referentiesituatie. De beoordeling is daarom negatief.
Mitigerende maatregelen: - houd in de woningbouwontwikkelingen rekening met het beschermd stadsgezicht in Voorburg zodat de cultuurhistorische identiteit niet wordt aangetast; - zorg bij de locaties waar wordt ingezet op optoppen voor een integratie met de bestaande architectuur om het straatbeeld zo rustig mogelijk te houden; - voer archeologisch onderzoek uit zodat er rekening wordt gehouden met het ondergrondse Kanaal van Corbulo en de mogelijke aanwezige archeologische waarden; - integreer historische elementen in de ontwerpen van nieuwe gebouwen en openbare ruimten om de cultuurhistorische waarden zichtbaar te maken voor bewoners én bezoekers; - zorg voor beleid en richtlijnen om het behoud en de bescherming van (archeologische) monumenten en (religieus) erfgoed te borgen, bijvoorbeeld het behoud van de Duivenvoordecorridor.
6.1.3
Omgevingsveiligheid
Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordeling binnen het thema ‘omgevingsveiligheid’ voor alternatief 1 en 2.
51 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Tabel 6.3 Beoordeling thema omgevingsveiligheid Aspect
Beoordeling referentiesituatie
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2
omgevingsveiligheid
redelijk
-
-
de spreiding van woningen en arbeidsplaatsen in alternatief 1 biedt ruimte voor het strategisch positioneren van kwetsbare gebouwen en locaties, wat gunstig kan zijn voor de blootstelling aan risicobronnen. Tegelijkertijd maakt deze spreiding het risicobeheer complexer, doordat per locatie verschillende maatregelen nodig kunnen zijn. Op enkele plekken ontstaat bovendien een hogere dichtheid van kwetsbare gebouwen en locaties, wat de impact bij een incident vergroot. Hierdoor verslechtert het aspect omgevingsveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie
in alternatief 2 vindt de groei van woningen en arbeidsplaatsen plaats op een beperkt aantal geconcentreerde locaties. Dit maakt het mogelijk om veiligheidsmaatregelen gericht op deze gebieden toe te passen, wat het risicobeheer daar overzichtelijker maakt. Tegelijkertijd zorgt de hoge dichtheid van kwetsbare gebouwen en locaties, in combinatie met de nabijheid van risicobronnen zoals infrastructuur met gevaarlijk transport, voor extra druk op deze locaties. Hierdoor moeten de maatregelen aan meerdere risico’s tegelijk voldoen, wat hun effectiviteit kan beperken. Per saldo leidt dit tot een verslechtering van de omgevingsveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie
Omgevingsveiligheid Alternatief 1 In alternatief 1 is er sprake van een toename in het aantal woningen en arbeidsplaatsen ten opzichte van de referentiesituatie. Er is sprake van een relatief gespreide ontwikkeling. Dit biedt flexibiliteit voor de plaatsing van kwetsbare gebouwen en locaties en kan blootstelling verminderen als wordt ingezet op een gelijkmatige verdeling van risicobronnen. Wel verhoogt dit de complexiteit van het risicobeheer: flexibiliteit kan leiden tot het opstellen van verschillende plannen voor verschillende plaatsen. Dit kan de effectiviteit van de veiligheidsmaatregelen verminderen. Bovendien leidt de toename in woningen en arbeidsplaatsen bij ontwikkellocaties tot een hogere dichtheid van kwetsbare gebouwen en locaties ten opzichte van de referentiesituatie. Het risico op blootstelling aan risico’s blijft hierdoor aanwezig. Door de complexiteit van risicobeheer in dit alternatief, zorgt de gespreide opzet en een verhoogde druk ervoor dat het aspect omgevingsveiligheid verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie. Alternatief 2 In alternatief 2 neemt het aantal woningen en arbeidsplaatsen toe ten opzichte van de huidige situatie. Deze groei vindt plaats op een beperkt aantal specifiek aangewezen locaties: er is dus sprake van geconcentreerde ontwikkeling.
Deze aanpak biedt enerzijds voordelen: doordat de kwetsbare gebouwen en locaties (zoals woningen en kantoren) op vaste plekken komen, kunnen veiligheidsmaatregelen daar gericht worden ingezet. Dit maakt het risicobeheer op die locaties overzichtelijker. Tegelijkertijd zijn er ook nadelen. Door de hogere dichtheid van mensen en gebouwen op deze plekken neemt de druk op deze gebieden toe. Ook zijn er meer risicobronnen in de buurt, zoals wegen of spoorlijnen met gevaarlijk transport. Daardoor wordt het moeilijker om iedereen voldoende te beschermen. De veiligheidsmaatregelen moeten aan meer risico’s tegelijk voldoen, en dat maakt ze minder doeltreffend.
52 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Kortom: het wordt enerzijds makkelijker om maatregelen te richten op specifieke gebieden, maar door de toename van risico’s op die plekken neemt de kans toe dat de maatregelen tekortschieten. Hierdoor is er, vergeleken met de huidige situatie, sprake van een verslechtering op het gebied van omgevingsveiligheid. Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2: - sta geen vestiging toe van risicovolle milieubelastende activiteiten (binnen of nabij gebieden met hoge concentraties kwetsbare gebouwen en locaties); - formuleer duidelijke beleidskeuzes ten aanzien van aandachtsgebieden, zoals het uitsluiten van kwetsbare gebouwen en locaties binnen brand- en explosieaandachtsgebieden; - zorg voor gerichte veiligheidsmaatregelen bij geconcentreerde ontwikkelingshubs; - creëer voldoende afstand tussen risicobronnen (zoals spoorlijnen, autosnelwegen en ondergrondse leidingen, hogere milieugebruiksruimte-bedrijven en buurtbatterijen) en (zeer kwetsbare) functies om incidenten te voorkomen. Nieuwe objecten dienen op voldoende afstand van deze risicobronnen te liggen; - zorg voor frequente controles en onderhoud om potentiële risico's vroegtijdig te identificeren en te mitigeren; - ontwikkel robuuste noodplannen en informeer over de genomen veiligheidsmaatregelen om risico's effectief te beheren en zo het bewustzijn en vertrouwen onder bewoners te vergroten.
6.2
Goed verbonden
6.2.1
Mobiliteit en bereikbaarheid
Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordelingen binnen het thema ‘mobiliteit en bereikbaarheid’ voor alternatief 1 en 2.
53 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Tabel 6.4 Beoordeling thema mobiliteit en bereikbaarheid Aspect
Beoordeling referentiesituatie
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2
bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer
overwegend goed
-
-
de ontwikkeling van woningen en arbeidsplaatsen zal extra druk geven op al drukke verbindingen, waardoor congestie, files en overlast zullen toenemen
in dit alternatief wordt er meer ontwikkeld. De ontwikkeling van woningen en arbeidsplaatsen zal, ondanks de ontwikkelingen rondom (H)-OV haltes extra druk geven op al drukke verbindingen, waardoor congestie, files en overlast zullen toenemen
bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer
overwegend goed
0
+
er verandert in dit alternatief weinig aan de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het openbaar vervoer
doordat de ontwikkelingen zich in dit alternatief meer rondom (H)-OV haltes bevinden, zullen meer inwoners van de kernen Leidschendam en Voorburg voor hun dagelijkse mobiliteitsbehoeftes gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer en worden meer bestemmingen bereikbaar per openbaar vervoer
bereikbaarheid en toegankelijkheid langzaam verkeer
goed
0
0
er verandert in dit alternatief weinig voor het langzaam verkeer ten opzichte van de referentiesituatie. Vanwege de beperkte uitwerking van het STOMP-principe kunnen de effecten ervan niet beoordeeld worden
er verandert in dit alternatief weinig voor het langzaam verkeer ten opzichte van de referentiesituatie. Vanwege de beperkte uitwerking van het STOMP-principe kunnen de effecten ervan niet beoordeeld worden
verkeersveiligheid
overwegend goed
+
+
door de voorgenomen maatregel om op een aantal wegvakken de maximumsnelheid te verlagen van 50 km/uur naar 30 km/uur zal de verkeersveiligheid in de gemeente toenemen
door de voorgenomen maatregel om op een aantal wegvakken de maximumsnelheid te verlagen van 50 km/uur naar 30 km/uur zal de verkeersveiligheid in de gemeente toenemen
Bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer
54 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Alternatief 1 In alternatief 1 worden er extra woningen en arbeidsplaatsen toegevoegd in de gemeente LeidschendamVoorburg. Dit zal leiden tot extra verkeer. In dit alternatief worden er 2.455 extra woningen en 3.000 extra arbeidsplaatsen gerealiseerd ten opzichte van de referentiesituatie. Deze woningen zullen verspreid over de gemeente terechtkomen. Wel valt op dat veel van de woningen rondom de N14 worden gepland, zoals de woningen in Overgoo, de zone tussen Oosteinde en de Vliet en rondom de Mall of the Netherlands. Dit zorgt naar verwachting voor verdere druk op de kruispunten van de N14, die nu al overbelast zijn. Dit kan leiden tot files, overlast en reistijdverlies en dus een afname van de bereikbaarheid van het gemotoriseerd verkeer. Dit leidt voor alternatief 1 voor het aspect bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer tot een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie.
Mitigerende maatregelen: - kijk of een deel van de ontwikkeling verplaatst kan worden naar locaties die óf minder autogebruik stimuleren (door kortere afstand tot voorzieningen of (H)OV-haltes) óf naar locaties die de druk op de momenteel zwaar belaste wegen, zoals de N14 en de Noordsingel, kunnen verminderen; - onderzoek mogelijke stuurmiddelen om het gebruik van de privéauto (en dus de hoeveelheid verkeer) te verminderen bij ontwikkelingen rondom (H)OV-haltes, bijvoorbeeld door de toepassing van bepaalde parkeernormen en gereguleerd parkeren. Alternatief 2 In alternatief 2 worden er ook extra woningen en arbeidsplaatsen toegevoegd in de gemeente Leidschendam-Voorburg: 6.445 woningen en 4.000 arbeidsplaatsen extra ten opzichte van de referentiesituatie. Er wordt in dit alternatief de nadruk gelegd op ontwikkeling rond (H)OV-haltes, maar een aanzienlijk deel van de ontwikkelingen zal ook op plekken terecht komen waar voorzieningen en (H)OVhaltes niet op korte loopafstand zijn. Voor de bewoners van deze ontwikkellocaties zal de auto de meest voor de hand liggende vervoerskeuze zijn. Denk hierbij aan de uitleglocatie in het noordoosten van Leidschendam, welke naar verwachting extra druk zal geven op de Noordsingel. Ook in alternatief 2 wordt veel ontwikkeld rondom de N14.
Dit leidt voor alternatief 2 voor het aspect bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer tot een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie. Mitigerende maatregelen: - kijk of een groter deel van de ontwikkeling verplaatst kan worden naar locaties die óf minder autogebruik stimuleren (door kortere afstand tot voorzieningen of (H)OV-haltes) óf minder druk zetten op de wegen die op dit moment het drukst belast zijn, zoals de N14 en de Noordsingel; - onderzoek mogelijke stuurmiddelen om het gebruik van de privéauto (en dus de hoeveelheid verkeer) te verminderen bij ontwikkelingen rondom (H)OV-haltes, bijvoorbeeld door de toepassing van bepaalde parkeernormen en gereguleerd parkeren. Bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer Alternatief 1 In alternatief 1 worden 1.000 van de 2.445 toe te voegen woningen en 1.800 van de 4.000 toe te voegen arbeidsplaatsen ten opzichte van de referentiesituatie gerealiseerd rondom (H)OV-haltes. De overige toe te voegen woningen en arbeidsplaatsen worden verspreid over de gemeente Leidschendam-Voorburg ontwikkeld. Dit maakt dat een aantal van de ontwikkellocaties goed bereikbaar is met het openbaar vervoer, maar dat er ook een aantal locaties zijn die dat minder zijn, waaronder de uitleglocatie aan de noordoostkant van Leidschendam, en in Stompwijk. Deze uitleglocaties zijn ook onderdeel van de referentiesituatie.
In alternatief 1 wordt er op de uitbreidingslocaties een iets lager aantal ontwikkeld dan in de referentiesituatie. Over de hele gemeente gezien zal er ten opzichte van de referentiesituatie weinig veranderen in de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het openbaar vervoer aangezien hier geen ingrepen in zijn voorzien. Daarom wordt dit alternatief voor het aspect bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer gelijk beoordeeld aan de referentiesituatie.
55 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Mitigerende maatregelen: - onderzoek of het mogelijk is om nieuwe verbindingen te realiseren voor ontwikkellocaties die lastig bereikbaar zijn per openbaar vervoer. Een voorbeeld van zo’n nieuwe verbinding is de Vlietlijn; - zet in op frequentieverhoging van de bestaande verbindingen; - zorg voor goed voor- en natransport naar de haltes. Zet hiervoor bijvoorbeeld in op deelmobiliteit rondom OV-haltes; - onderzoek of er een business case mogelijk is voor nieuwe verbindingen naar de minder goed bereikbare delen van de gemeente, zoals Leidschendam-Zuid en Stompwijk; - onderzoek het draagvlak voor maatwerkvervoer. Alternatief 2 In alternatief 2 worden er 2.500 woningen van de 6.445 toe te voegen woningen en 2.000 van de 4.000 toe te voegen arbeidsplaatsen ten opzichte van de referentiesituatie gerealiseerd rondom (H)OV-haltes. De woningen, voorzieningen en overige bestemmingen die daar ontwikkeld zijn daardoor zeer goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Dit komt de algemene bereikbaarheid van de gemeente met het openbaar vervoer ook ten goede. De reispatronen van inwoners en bezoekers van de kernen Leidschendam en Voorburg zullen zich (iets) meer rond het openbaar vervoer gaan centreren. Dit leidt in dit alternatief voor het aspect bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer tot een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie.
Mitigerende maatregelen: - onderzoek of het mogelijk is om nieuwe verbindingen te realiseren voor ontwikkellocaties die lastig bereikbaar zijn per openbaar vervoer. Een voorbeeld van zo’n nieuwe verbinding is de Vlietlijn; - zet in op frequentieverhoging van de bestaande verbindingen; - zorg voor goed voor- en natransport naar de haltes. Zet hiervoor bijvoorbeeld in op deelmobiliteit rondom OV-haltes; - onderzoek het draagvlak voor maatwerkvervoer; - zorg dat de capaciteit van het openbaar vervoer uitgebreid wordt als er veel ontwikkeld wordt rondom (H)OV-haltes. Deze ontwikkelingen zullen zorgen voor extra reizigers, en de capaciteit van het openbaar vervoer zal die extra reizigers moeten reflecteren. Als de capaciteit niet meegroeit zouden er knelpunten kunnen ontstaan; - aanvullende ruimtelijke ontwikkelingen gericht op ov-reizigers kunnen bijdragen aan het rendabeler maken van bestaande lijnen of het introduceren van nieuwe lijnen. Bereikbaarheid en toegankelijkheid langzaam verkeer Alternatief 1 In alternatief 1 komt een deel van de nieuwe woningen rondom bestaande voorzieningencentra, zoals de Mall of the Netherlands, het gebied rondom de Damlaan, het Koningin Julianaplein en de Parkweg. Dit zal een positief effect hebben op de nabijheid van voorzieningen voor bewoners van deze nieuwe woningen.
Ze zullen de meeste van hun dagelijkse behoeftes in de buurt van hun woning kunnen doen, lopend of met de fiets. Dit komt de bereikbaarheid voor het langzaam verkeer ten goede. Voor de overige ontwikkelingen is onduidelijk op welke manier invulling wordt gegeven aan de bereikbaarheid voor langzaam verkeer. Een aantal van de ontwikkelingen sluit aan op nieuwe doorgaande fietsroutes, zoals de Verlengde Velostrada. Dit komt de bereikbaarheid voor het langzaam verkeer ten goede. Het is nog onduidelijk hoe de gemeente een mobiliteitstransitie naar meer duurzame manieren van vervoer op basis van het STOMP-principe wil vormgeven. De uitwerking van het STOMP-principe kan niet worden meegenomen in de beoordeling van dit alternatief, aangezien er onvoldoende informatie beschikbaar is over de maatregelen de gemeente beoogt te nemen. Er verandert daarmee in dit alternatief weinig aan de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het langzaam verkeer ten opzichte van de referentiesituatie en wordt daarom gelijk aan de referentiesituatie beoordeeld.
56 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Mitigerende maatregelen: - zorg dat een zo groot mogelijk deel van de gemeente voorzieningen op loop- of fietsafstand heeft. Dit geldt voor zowel de nieuwe ontwikkelingen als bestaande bebouwing; - ontwikkel een implementatieplan voor het STOMP-principe in de gemeente. Hoe gaat het STOMPprincipe leidend worden bij de ontwikkeling en herinrichting van infrastructuur? - zorg dat nieuwe ontwikkelingen een goede bereikbaarheid voor langzaam verkeer waarborgen door aan te sluiten op (nieuwe) doorgaande fietsroutes. Alternatief 2 In alternatief 2 wordt ook rondom dezelfde voorzieningencentra ontwikkeld, evenals rondom (H)OV-haltes. Dit zal er voor zorgen dat bewoners van deze ontwikkelingen voor een groot deel in hun mobiliteitsbehoeftes kunnen voorzien met een combinatie van langzaam verkeer en openbaar vervoer. Dit komt de bereikbaarheid voor het langzaam verkeer ten goede. Het is nog onduidelijk hoe de gemeente een mobiliteitstransitie naar meer duurzame manieren van vervoer op basis van het STOMP-principe wil vormgeven. De uitwerking van het STOMP-principe kan niet worden meegenomen in de beoordeling van dit alternatief, aangezien er onvoldoende informatie beschikbaar is over de maatregelen de gemeente beoogt te nemen.
Er verandert in dit alternatief weinig aan de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het langzaam verkeer ten opzichte van de referentiesituatie en wordt daarom gelijk aan de referentiesituatie beoordeeld. Mitigerende maatregelen: - zorg dat een zo groot mogelijk deel van de gemeente voorzieningen op loop- of fietsafstand heeft. Dit geldt voor zowel de nieuwe ontwikkelingen als bestaande bebouwing; - zorg dat nieuwe ontwikkelingen een goede bereikbaarheid voor langzaam verkeer waarborgen door aan te sluiten op (nieuwe) doorgaande fietsroutes; - ontwikkel voorzieningen nabij de woningbouwlocaties. Dit vergroot het aantal voorzieningen binnen loop- en fietsafstand waardoor een privéauto minder benodigd; - ontwikkel een implementatieplan voor het STOMP-principe in de gemeente. Hoe gaat het STOMP-principe leidend worden bij ontwikkeling en herinrichting van infrastructuur? Verkeersveiligheid Alternatief 1 en 2 In zowel alternatief 1 als 2 wordt op een deel van de wegvakken in de gemeente de maximumsnelheid verlaagd van 50 km/u naar 30 km/u. De wegvakken waarvoor dit geldt, worden (her)ingericht op een manier die past bij die snelheid. Dit heeft een zeer positief effect op de verkeersveiligheid. Echter zal ook in beide alternatieven de hoeveelheid verkeer en mogelijk daaropvolgend de congestie toenemen.
Hogere intensiteiten en meer congestie zorgen voor meer onveilige situaties en hebben dus een negatief effect op de verkeersveiligheid. Alternatief 1 wordt voor het aspect verkeersveiligheid vanwege het positieve effect van de snelheidsverlaging positief beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. In alternatief 2 worden er meer woningen en arbeidsplaatsen ontwikkeld, wat zorgt voor meer verkeer en druk op de gedeelde infrastructuur. In alternatief 2 wordt er echter ook meer rondom (H)OV-haltes ontwikkeld. Dit kan ervoor zorgen dat bewoners van deze nieuwe ontwikkelingen minder gebruik maken van een privéauto, waardoor de verkeersonveiligheid relatief minder toeneemt. Alternatief 2 wordt daarom ook voor het aspect verkeersveiligheid positief beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Mitigerende maatregelen: - afhankelijk van de precieze uitwerking van het STOMP-principe in beide alternatieven, kan een verschuiving naar meer duurzame modaliteiten een positief effect hebben op de verkeersveiligheid in de gemeente.
57 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
6.3
Plek van en voor iedereen
6.3.1
Wonen
Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordeling binnen het thema ‘wonen’ voor alternatief 1 en 2.
Tabel 6.5 Beoordeling thema wonen Aspect
Beoordeling referentiesituatie
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2
woningaanbod
slecht
+
+
het woningaantal neemt toe, maar het is onduidelijk in hoeverre dit woningaantal de huidige tekorten oplost. Het is onduidelijk om wat voor type woningen het gaat en hoe duurzaamheid wordt geïmplementeerd. De betaalbaarheidsnormen zijn onvoldoende om de tekorten aan betaalbare woningen op te lossen
het woningaanbod neemt flink toe ten opzichte van de referentiesituatie. Wel is het onduidelijk om wat voor type woningen het gaat en hoe duurzaamheid wordt geïmplementeerd. De betaalbaarheidsnormen zijn onvoldoende om de tekorten aan betaalbare woningen op te lossen
Woningaanbod Alternatief 1 In alternatief 1, ‘gematigd gespreid’, komen er 2.445 woningen bij ten opzichte van de referentiesituatie. Het betreft woningen rond de OV-knooppunten Station Voorburg (150 woningen), Den Haag Laan van NOI (125 woningen), Station Mariahoeve (400 woningen) en Voorburg ’t Loo (150 woningen). Verder wordt er binnenstedelijk gebouwd rond de Mall (100 woningen), in Overgoo (1.000 woningen), in Damsigt (450 woningen), bij kernwinkelcentra Julianabaan (175 woningen) en Leidschendam-Centrum (250 woningen), in de buurt van het Diaconessenhuis (200 woningen), bedrijventerrein De Star (175 woningen), en aan de rand van Prinsenhof (175 woningen). Buiten de kern Leidschendam, in de polder in het noordoosten van de gemeente, is een uitbreidingslocatie. Hier worden in alternatief 1 in totaal 70 woningen minder gebouwd ten opzichte van de referentiesituatie (500 woningen). In Stompwijk worden 20 woningen minder gebouwd ten opzichte van de referentiesituatie. Wel is het onduidelijk of in Stompwijk wordt ingezet op inbreiding en/of uitbreiding. Uit deze analyse blijkt dat de woningbouwopgave hoofdzakelijk binnenstedelijk wordt gerealiseerd nabij de bestaande wijken. Omdat het woningtekort in de huidige situatie niet bekend is, is onduidelijk in welke mate het alternatief het woningtekort oplost.
De toename van het aantal woningen ten opzichte van de referentiesituatie wordt echter als positief gezien. Op basis van het alternatief is niet duidelijk welke woningtypen en woonmilieus er worden gerealiseerd, en of en waar ruimte wordt geboden aan woonvormen, zoals flexwonen of collectief wonen. Hierdoor is het onduidelijk in hoeverre de woningvoorraad zal aansluiten bij de vraag van starters, ouderen, gezinnen, urgente groepen en kleine huishoudens. De betaalbaarheidsnormen zijn hetzelfde als in de referentiesituatie: bij een bouwplan met 12 of meer woningen is minimaal 2/3 betaalbare woningen, waarvan minimaal 30 % sociale huurwoningen. ‘Betaalbare woningen’ zijn sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen. Deze betaalbaarheidsnormen zijn onvoldoende om de huidige tekorten op te lossen. Het alternatief gaat niet in op de duurzaamheid van de te realiseren woningen. In de referentiesituatie is geen uitvoeringsstrategie beschikbaar om de ambities voor natuurinclusief, circulair en biobased bouwen, te behalen. Hierdoor blijft dit gelijk aan de referentiesituatie.
58 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Het woningaanbod neemt toe ten opzichte van de referentiesituatie. Het is niet duidelijk of het toevoegen van 2.445 tot 2050 woningen de huidige tekorten oplost. Ook is het onduidelijk om wat voor type woningen het gaat, in welke prijsklasse deze vallen en hoe duurzaamheid wordt geïmplementeerd. Dit leidt tot een positieve beoordeling voor het aspect woningaanbod voor alternatief 1 ten opzichte van de referentiesituatie.
-
-
-
-
Mitigerende maatregelen: voer een woningbehoefteonderzoek uit om te bepalen hoe groot het exacte woningtekort momenteel is. Zo kan beter ingeschat worden in hoeverre alternatief 1 bijdraagt aan het oplossen van het tekort; het is momenteel niet bekend hoe groot het woningtekort exact is. Wel komt uit het woningbehoefteonderzoek naar voren dat er voornamelijk tekorten zijn aan woningen voor starters, ouderen, gezinnen, kleine huishoudens en urgente doelgroepen zoals statushouders en doorstromers. Zorg dat het woningaanbod aansluit op de vraag van deze doelgroepen, door een mix van woningtypen en bouwvormen te overwegen. Neem hierin ook de mogelijkheden voor flexwonen of collectief wonen mee; bouw levensloopbestendig: dit houdt in dat woningen zo worden ontworpen dat ze geschikt zijn voor mensen in verschillende levensfasen, waarbij diverse typen bewoners (bijvoorbeeld jonge gezinnen, alleenstaanden, en ouderen) en gedeelde voorzieningen op gebouwniveau worden gestimuleerd om de betaalbaarheid en gebruiksvriendelijkheid te vergroten; schenk bij het ontwikkelen van woningbouwlocaties aandacht aan efficiënt ruimtegebruik. Maak waar mogelijk gebruik van optoppen (voor méér dan 200 woningen), onderzoek de mogelijkheden voor en bereidheid tot woningsplitsing, en zorg dat de woningbouw niet ten koste gaat van groen in het binnenstedelijk- of buitengebied.
Wanneer er toch gekozen wordt voor woningbouw op voormalige groenlocaties, ‘herplaats’ het groen dan in de vorm van groene daken, gevels en groene (fiets)parkeerplaatsen. Prioriteer binnenstedelijke verdichting boven uitbreiding in het buitengebied en beperk woningbouw op locaties die essentieel zijn voor maatschappelijke functies; neem bestaande en nieuwe duurzaamheidseisen voor nieuwbouwwoningen mee in de uitwerking van de alternatieven of het voorgenomen beleid. Denk bijvoorbeeld aan minimale normen voor natuurinclusief, circulair en biobased bouwen. Ontwikkel een uitvoeringsstrategie met concrete maatregelen om duurzaam bouwen te stimuleren. Alternatief 2 In alternatief 2, ‘geconcentreerd’, komen er tot 2050 6.445 woningen bij ten opzichte van de referentiesituatie. Het betreft uitbreidingen rondom de OV-knooppunten Station Voorburg (450 woningen), Den Haag Laan van NOI (200 woningen), Station Mariahoeve (675 woningen), Voorburg ’t Loo (400 woningen) en Station Leidschendam-Voorburg (200 woningen). Verder wordt er binnenstedelijk gebouwd in Overgoo (1.100 woningen), in Damsigt (600 woningen), bij kernwinkelcentra Julianabaan (475 woningen) en Leidschendam-Centrum (450 woningen), in de buurt van het Diaconessenhuis (200 woningen), bedrijventerrein De Star (175 woningen), en aan de rand van Prinsenhof (400 woningen).
Op de uitbreidingslocatie in het noordoosten van de gemeente worden in alternatief 2 in totaal 625 woningen gebouwd. In Stompwijk worden 70 woningen meer gebouwd dan in de referentiesituatie. Verder worden woningen toegevoegd op een aantal kleinere locaties binnen de gemeente. Ook worden woningen verspreid over de gemeente opgetopt. Dit leidt tot een verhoging van de woningvoorraad met 200 woningen. Omdat het woningtekort in de huidige situatie niet bekend is, is onduidelijk in welke mate het alternatief het woningtekort oplost. De toename van het aantal woningen ten opzichte van de referentiesituatie wordt echter als positief gezien. Op basis van het alternatief is niet duidelijk welke woningtypen en woonmilieus er worden gerealiseerd, en of en waar ruimte wordt geboden aan woonvormen zoals flexwonen of collectief wonen. Hierdoor is het onduidelijk in hoeverre de woningvoorraad zal aansluiten bij de vraag van starters, ouderen, gezinnen, urgente groepen en kleine huishoudens. De betaalbaarheidsnormen zijn hetzelfde als in de referentiesituatie: bij een bouwplan met 12 of meer woningen is minimaal 2/3 betaalbare woningen, waarvan minimaal 30 % sociale huurwoningen. ‘Betaalbare woningen’ zijn sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen. Deze betaalbaarheidsnormen zijn onvoldoende om de huidige tekorten op te lossen.
‘Betaalbare woningen’ zijn sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen.
59 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Het alternatief gaat niet in op de duurzaamheid van de te realiseren woningen. In de referentiesituatie is geen uitvoeringsstrategie beschikbaar om de ambities voor natuurinclusief, circulair en biobased bouwen, te behalen. Hierdoor blijft dit gelijk aan de referentiesituatie. Het woningaanbod neemt flink toe ten opzichte van de referentiesituatie. Wel is het onduidelijk om wat voor type woningen het gaat, in welke prijsklasse deze vallen en hoe duurzaamheid wordt geïmplementeerd. Dit leidt tot een verbetering voor het aspect woningaanbod voor alternatief 2 ten opzichte van de referentiesituatie.
-
-
-
-
Mitigerende maatregelen: voer een woningbehoefteonderzoek uit om te bepalen hoe groot het exacte woningtekort momenteel is. Zo kan beter ingeschat worden in hoeverre alternatief 2 bijdraagt aan het oplossen van het tekort; het is momenteel niet bekend hoe groot het woningtekort exact is. Wel komt uit het woningbehoefteonderzoek naar voren dat er voornamelijk tekorten zijn aan woningen voor starters, ouderen, gezinnen, kleine huishoudens en urgente doelgroepen zoals statushouders en doorstromers. Zorg dat het woningaanbod aansluit op de vraag van deze doelgroepen, door een mix van woningtypen en bouwvormen te overwegen. Neem hierin ook de mogelijkheden voor flexwonen of collectief wonen mee; bouw levensloopbestendig: dit houdt in dat woningen zo worden ontworpen dat ze geschikt zijn voor mensen in verschillende levensfasen, waarbij diverse typen bewoners (bijvoorbeeld jonge gezinnen, alleenstaanden, en ouderen) en gedeelde voorzieningen op gebouwniveau worden gestimuleerd om de betaalbaarheid en gebruiksvriendelijkheid te vergroten; schenk bij het ontwikkelen van woningbouwlocaties aandacht aan efficiënt ruimtegebruik. Maak waar mogelijk gebruik van optoppen (voor méér dan 200 woningen), onderzoek de mogelijkheden voor en bereidheid tot woningsplitsing en zorg dat de woningbouw niet ten koste gaat van groen in het binnenstedelijk- of buitengebied.
Wanneer er toch gekozen wordt voor woningbouw op voormalige groenlocaties, ‘herplaats’ het groen dan in de vorm van groene daken, gevels en groene (fiets)parkeerplaatsen. Prioriteer binnenstedelijke verdichting boven uitbreiding in het buitengebied en beperk woningbouw op locaties die essentieel zijn voor maatschappelijke functies; neem bestaande en nieuwe duurzaamheidseisen voor nieuwbouwwoningen mee in de uitwerking van de alternatieven of het voorgenomen beleid. Denk bijvoorbeeld aan minimale normen voor natuurinclusief, circulair en biobased bouwen. Ontwikkel een uitvoeringsstrategie met concrete maatregelen om duurzaam bouwen te stimuleren.
6.3.2
Voorzieningen
Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordeling binnen het thema ‘voorzieningen’ voor alternatief 1 en 2.
60 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Tabel 6.6 Beoordeling thema voorzieningen Aspect
Beoordeling referentiesituatie
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2
voorzieningen
redelijk
-
-
Het is onduidelijk in hoeverre er ruimte is om het aantal voorzieningen binnenstedelijk mee te laten groeien met het inwonertal, en om welke voorzieningen het gaat. Afhankelijk van de plaatsing van de voorzieningen (per buurt of alleen in grotere centra) zijn effecten op de afstand tot en toegankelijkheid van voorzieningen te verwachten. In het buitengebied kunnen nieuwe voorzieningen ten koste gaan van het groen. Ook daar is onduidelijk om welke voorzieningen het gaat en waar deze zullen komen.
Het is onduidelijk in hoeverre er ruimte is om het aantal voorzieningen binnenstedelijk mee te laten groeien met het inwonertal, en om welke voorzieningen het gaat. Afhankelijk van de plaatsing van de voorzieningen (per buurt of alleen in grotere centra) zijn effecten op de afstand tot en toegankelijkheid van voorzieningen te verwachten. In het buitengebied kunnen nieuwe voorzieningen ten koste gaan van het groen. Ook daar is onduidelijk om welke voorzieningen het gaat en waar deze zullen komen.
Voorzieningenaanbod Alternatief 1 en 2 In alternatief 1 en 2 groeien de voorzieningen mee met het inwonertal. Het is onduidelijk om welke voorzieningen het gaat. Betreft het supermarkten en huisartsen, of ook ontmoetingsplekken zoals buurthuizen? Ook is onduidelijk welke orde van grootte de beoogde groei heeft, en of daar plek voor is op de locaties waar de voorzieningen (het meest) nodig zijn. Omdat de gemeente voor het grootste gedeelte kiest voor inbreiding, kan een strijd om de schaarse ruimte ontstaan tussen woningen en voorzieningen. De nieuwe woningbouwlocaties zijn de locaties waar de meeste behoefte aan voorzieningen én de grootste strijd om de ruimte ontstaat. Dit geldt voor alternatief 1 en 2. Het risico is dat de nieuwe woningen en voorzieningen ten koste gaan van groen. In Leidschendam en Voorburg zijn op een aantal van de beoogde woningbouwlocaties momenteel weinig tot geen voorzieningen. Bijvoorbeeld in het noordoosten van de gemeente en rondom Station Mariahoeve. Omdat het onduidelijk is welke orde van grootte de groei van de voorzieningen heeft, en er een strijd om de beschikbare ruimte kan ontstaan, verslechtert het voorzieningenniveau in alternatief 1 en 2 ten opzichte van de referentiesituatie. Dit effect is extra groot in alternatief 2 omdat er in alternatief 2 meer woningen per locatie gebouwd worden.
In Stompwijk worden in alternatief 2 meer woningen gebouwd dan in de referentiesituatie. Het voorzieningenaanbod zal mee moeten groeien. Het is onduidelijk waar deze voorzieningen moeten landen (inbreiding of uitbreiding). Uit de alternatieven blijkt niet of extra voorzieningen in de centra van de wijken of meer verdeeld over de gemeente gerealiseerd worden. In het vigerend beleid geeft de gemeente aan dat zij complete wijken met alle voorzieningen wil creëren. Tegelijkertijd wil zij inzetten op enkel de kernwinkelcentra, en buurtcentra niet meer actief ondersteunen. De kernwinkelcentra zijn de Mall, Julianabaan, Huygenskwartier en LeidschendamCentrum. Een voorbeeld van een buurtwinkelcentrum is het gebied rond de Burgemeester Sweenslaan, in de wijk De Heuvel. Wanneer dit buurtwinkelcentrum niet meer actief ondersteund wordt en verdwijnt, wordt de afstand tot voorzieningen voor inwoners van De Heuvel groter. Nu is het dichtstbijzijnde kernwinkelcentrum (de Mall) niet veel verder, maar de Mall zal wel een grotere hoeveelheid inwoners moeten bedienen. Hierdoor ontstaat er een hogere druk op het winkelcentrum. Wat betreft gezondheidszorg bevindt zich in De Heuvel en in de Mall geen huisarts. Een toename van het aantal inwoners leidt tot langere wachttijden voor de dichtstbijzijnde huisarts.
Tegelijkertijd zal er door vergrijzing meer vraag zijn naar bijvoorbeeld zorgvoorzieningen, en is het van nog groter belang dat deze toegankelijk en gebruiksvriendelijk zijn. Dit verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie.
61 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
De gemeente geeft aan dat zij zich - net als in de referentiesituatie - sterker wil profileren op het gebied van recreatie en toerisme. Hierdoor kan de recreatiedruk in het buitengebied toenemen en zijn er daar meer voorzieningen nodig. Het toevoegen van extra voorzieningen kan ten koste gaan van groen en natuur(gebieden). Ook voor recreatievoorzieningen geldt dat het onduidelijk is waar de voorzieningen komen en welke soorten dit zullen zijn. Gaat het bijvoorbeeld om picknickplaatsen, speeltuinen, of recreatiestranden? Deze constateringen leiden ertoe dat er in beide alternatieven voor het aspect voorzieningen sprake is van een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie.
-
-
-
-
-
-
Mitigerende maatregelen: onderbouw bij elke woningbouwontwikkeling hoe wordt voldaan aan de ambitie om de voorzieningen mee te laten groeien met het inwonertal. Bekijk per woningbouwlocatie welke voorzieningen nog voldoende zijn, en welke voorzieningen niet toereikend zijn in de nieuwe situatie. Bepaal oplossingsrichtingen voor als de ambitie niet gehaald kan worden; leg in een vroeg stadium van de woningbouwontwikkeling vast welke locaties geschikt zijn voor de uitbreiding van bestaande, of de toevoeging van nieuwe voorzieningen. Dit geldt voor binnenstedelijke woningbouwlocaties en woningbouw in het buitengebied; bepaal wat voor soort voorzieningen het meest urgent zijn om te realiseren, met inachtneming van trends als individualisering en vergrijzing. Het opstellen van een richtlijn of norm biedt handvaten voor het omgaan met de strijd om de ruimte. Maak duidelijk of deze norm voor bestaande situaties of de toekomst geldt; om de druk op de ruimte te verminderen, kan gebruik gemaakt worden van flexibele bestemmingen.
Zo kan een school buiten de schooluren bijvoorbeeld gebruikt worden als buurthuis, of de gymzaal gebruikt worden voor (gratis) sportlessen; stimuleer de clustering van voorzieningen bij OV-knooppunten (zowel in alternatief 1 als 2) om de bereikbaarheid van de voorzieningen te optimaliseren; maak voorzieningen toegankelijk voor alle leeftijdsklassen door gebruik te maken van inclusief ontwerpen; stimuleer de ontwikkeling van schaalbare of gecombineerde zorgvoorzieningen, zoals een gezondheidscentrum met consultatiebureau dat richting 2040 steeds meer de focus op ouderenzorg krijgt. Zo kunnen fluctuaties in de typen zorgvraag opgevangen worden; zorg dat er voldoende draagkracht voor voorzieningen in Stompwijk is. Wanneer voorzieningen nu al bijna maximaal gebruikt worden, maar er onvoldoende nieuwe inwoners zijn om draagkracht te creëren voor een extra voorziening, ontstaan knelpunten. Bepaal welke voorzieningen wel en geen extra capaciteit hebben, en stel oplossingsrichtingen op om voorzieningen voor alle inwoners van Stompwijk beschikbaar en toegankelijk te houden.
6.3.3
Verbondenheid
Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordeling binnen het thema ‘verbondenheid’ voor alternatief 1 en 2.
62 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Tabel 6.7 Beoordeling thema verbondenheid Aspect
Beoordeling referentiesituatie
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2
sociale cohesie en veiligheid
redelijk
-
-
De uitbreiding van de woningvoorraad op binnenstedelijke locaties kan leiden tot een gevoel van anonimiteit (meer inwoners per km2). De ontwikkellocaties rond OVknooppunten zijn vanuit het gevoel van veiligheid een aandachtspunt omdat de sociale controle in deze gebieden tussen zonsondergang en zonsopkomst verminderd aanwezig is.
De uitbreiding van de woningvoorraad op binnenstedelijke locaties in combinatie met het optoppen kan leiden tot een gevoel van anonimiteit (meer inwoners per km2). De ontwikkellocaties rond OVknooppunten zijn vanuit het gevoel van veiligheid een aandachtspunt omdat de sociale controle in deze gebieden tussen zonsondergang en zonsopkomst verminderd aanwezig is.
Sociale cohesie en veiligheid Alternatief 1 en 2 Zowel in alternatief 1 als in alternatief 2 wordt er geen expliciete aandacht besteed aan het onderwerp sociale cohesie. Het algemene uitgangspunt is dat het voorzieningenaanbod meegroeit met het aantal inwoners. Het aanbieden van ontmoetingsplaatsen maakt onderdeel uit van het voorzieningenaanbod en is een breed begrip. Het stimuleren van ontmoetingen kan bijvoorbeeld door de plaatsing van (picknick)banken, speelpleinen, plekken voor jongeren, wijkcentra en binnen- en buitensportlocaties. Een variërend aanbod in ontmoetingsplaatsen kan leiden tot geplande en ongeplande ontmoetingen. Het wordt in de alternatieven niet duidelijk waar ontmoetingsplaatsen kunnen landen. Dit maakt dat het niet te beoordelen is of de ambitie om het aantal ontmoetingsplaatsen mee te laten groeien haalbaar is in de beschikbare ruimte. Hierin speelt het mede een rol dat de woningvoorraad voornamelijk binnenstedelijk wordt gerealiseerd. Het is uitdagend om binnen de hiervoor beschikbare ruimte ook voldoende ruimte te kunnen vrijmaken voor voorzieningen als deze. Dit soort voorzieningen zijn echter van wezenlijk belang, mede vanwege trends als individualisering, vergrijzing, digitalisering en thuiswerken. Door binnenstedelijke ontwikkelingen ontstaat er een druk op de beschikbare ruimte.
Het aantal inwoners per vierkante meter neemt toe en de beschikbare openbare ruimte neemt hierdoor af. Dit kan tot gevolg hebben dat er een toenemend gevoel van anonimiteit onder de bewoners ontstaat omdat zij omwonenden door het toegenomen aantal inwoners per vierkante meter niet goed kennen. In alternatief 2 speelt dit extra omdat er wordt opgezet op het optoppen van bestaande woningen. Wat betreft het gevoel van veiligheid zijn vooral de ontwikkeling van de OV-knooppunten aan te merken als aandachtsgebied. Vooral tussen zonsondergang en zonsopkomt kan er in deze aandachtsgebieden een verminderd gevoel van veiligheid optreden omdat de bewegingen rondom OV-knooppunten dan tot stilstand komen en de sociale controle wordt verminderd. Ook op de bedrijventerreinen is dit een aandachtspunt. Deze constateringen leiden ertoe dat er voor het aspect sociale cohesie en veiligheid zowel in alternatief 1 als in alternatief 2 sprake is van een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie.
63 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
-
-
-
-
Mitigerende maatregelen: maak expliciet hoe en waar de gemeente wil inzetten op de uitbreiding van ontmoetingsplaatsen en zorg voor een divers aanbod dat aansluit op de te verwachten demografische groepen; besteed aandacht aan de (financiële) ondersteuning van vrijwilligers en (buurt)evenementen die de sociale cohesie kunnen verbeteren. Een mogelijk fors tempo van de uitbreiding van de woningvoorraad kan van invloed zijn op de sociale samenhang tussen bestaande en toekomstige bewoners als hiervoor geen initiatieven worden ontplooid; heb oog voor koppelkansen tussen sociale cohesie en verduurzamingsmaatregelen, zoals het collectief oppakken van isolatie; heb aandacht voor de rol van wijkcentra en gebedshuizen als onderdeel van het sociale netwerk; geef ruimte aan een diversiteit aan woonvormen om de verbondenheid te vergroten en de wensen op de woningmarkt te kunnen beantwoorden. Met name collectieve woonvormen dragen bij aan sociale cohesie, bijvoorbeeld omdat de bewoners zich kunnen verenigen in het onderhoud van bijvoorbeeld de buitenruimte; zorg voor een stedenbouwkundig ontwerp van de openbare ruimte en gebouwen die bijdraagt aan het gevoel van veiligheid, met name rondom de ontwikkelingen bij OV-knooppunten en op bedrijventerreinen. Voorbeelden van een geschikt ontwerp zijn actieve plinten en verlichting; investeer in behoud van groen om ruimte te bieden aan ontmoeting.
6.4
Economisch vitaal, passend bij een woongemeente
6.4.1
Economie
Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordelingen binnen het thema ‘economie’ voor alternatief 1 en 2.
64 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
Tabel 6.8 Beoordeling thema economie Aspect
Beoordeling referentiesituatie
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1
Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2
werkgelegenheid
overwegend goed
0
0
het toevoegen van banen bij nietwonen functies en in de toerisme- en recreatiesector hebben een positief effect op de werkgelegenheid voor hoger- en lager opgeleiden. Om te voorkomen dat het aandeel banen voor lager opgeleiden kleiner is dan het aandeel lager opgeleiden op de arbeidsmarkt (ten gevolge van een sterke groei van de kenniseconomie), is het belangrijk om ook in te zetten op de zorgeconomie, innovatieve economie, bouw en logistiek. Het ruimtebeslag van deze laatste 3 sectoren is echter groot. In de gemeente is onvoldoende schuifruimte beschikbaar voor ruimteintensieve bedrijven
het toevoegen van banen bij nietwonen functies en in de toerisme- en recreatiesector hebben een positief effect op de werkgelegenheid voor hoger- en lager opgeleiden. Om te voorkomen dat het aandeel banen voor lager opgeleiden kleiner is dan het aandeel lager opgeleiden op de arbeidsmarkt (ten gevolge van een sterke groei van de kenniseconomie), is het belangrijk om ook in te zetten op de zorgeconomie, innovatieve economie, bouw en logistiek. Het ruimtebeslag van deze laatste 3 sectoren is echter groot. In de gemeente is onvoldoende schuifruimte beschikbaar voor ruimteintensieve bedrijven
0
0
het behoud van de huidige bedrijventerreinen creëert geen ruimte voor ruimte-intensieve bedrijven in de bouw en circulaire economie. Specialisatie van typen bedrijventerreinen maakt bedrijventerreinen aantrekkelijker, maar er is geen ruimte voor nieuwe bedrijven om zich te vestigen. Het gemengde woon-werkgebied is positief voor kennisintensieve bedrijven, mits zij voldoende personeel kunnen aantrekken. Het vestigingsklimaat voor toerisme- en recreatiebedrijven verbetert door de komst van recreatiepark Vlietland
het behoud van de huidige bedrijventerreinen creëert geen ruimte voor ruimte-intensieve bedrijven in de bouw en circulaire economie. Specialisatie van typen bedrijventerreinen maakt bedrijventerreinen aantrekkelijker, maar er is geen ruimte voor nieuwe bedrijven om zich te vestigen. Het gemengde woon-werkgebied is positief voor kennisintensieve bedrijven, mits zij voldoende personeel kunnen aantrekken. Het vestigingsklimaat voor toerisme- en recreatiebedrijven verbetert door de komst van recreatiepark Vlietland
vestigingsklimaat
redelijk
Werkgelegenheid Alternatief 1 en 2 In alternatief 1 (‘gematigd gespreid’) worden er 3.000 arbeidsplaatsen gecreëerd ten opzichte van de referentiesituatie, waarvan 1.800 rond OV-knooppunten en 1.200 gespreid. Ten behoeve van het OER is een inschatting gemaakt van de mogelijke locaties voor arbeidsplaatsen. Deze zijn als volgt. De OV-knooppunten waar de arbeidsplaatsen gerealiseerd worden zijn Station Laan van NOI (75 arbeidsplaatsen), Station Voorburg (300 arbeidsplaatsen), Voorburg ’t Loo (125 arbeidsplaatsen), en Station Mariahoeve (100 arbeidsplaatsen). De verspreide arbeidsplaatsen komen rond kernwinkelcentra Julianabaan (200 arbeidsplaatsen), de Mall (400 arbeidsplaatsen) en Leidschendam-Centrum (200 arbeidsplaatsen). Ook komen er arbeidsplaatsen rond Overgoo (600 arbeidsplaatsen), rond de bedrijventerreinen De Star (100 arbeidsplaatsen), Essesteijn (100 arbeidsplaatsen) en Prinses Irenelaan (100 arbeidsplaatsen). Verder worden in de wijken arbeidsplaatsen gerealiseerd: 50 in Voorburg-West, 150 rond de Klaverweide, 50 in de spoorzone tussen Station Voorburg en Station Laan van NOI, 100 rond De Heuvel en 200 rond Prinsenhof. Tot slot worden ook in Stompwijk (50 arbeidsplaatsen) en in de Meeslouwerpolder (100 arbeidsplaatsen) nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd.
65 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief
In alternatief 2 (‘geconcentreerd’) worden er 4.000 arbeidsplaatsen gecreëerd, waarvan 2.000 rond OVknooppunten en 2.000 gespreid. Ten behoeve van het OER is een inschatting gemaakt van de mogelijke locaties voor arbeidsplaatsen. Deze zijn als volgt. De OV-knooppunten waaromheen de arbeidsplaatsen gerealiseerd worden zijn Station Laan van NOI (150 arbeidsplaatsen), Station Voorburg (500 arbeidsplaatsen), Voorburg ’t Loo (300 arbeidsplaatsen), en Station Mariahoeve (500 arbeidsplaatsen). De verspreide arbeidsplaatsen komen rond kernwinkelcentra Julianabaan (400 arbeidsplaatsen), de Mall (500 arbeidsplaatsen) en Leidschendam-Centrum (250 arbeidsplaatsen). Ook komen er arbeidsplaatsen rond Overgoo (500 arbeidsplaatsen), rond de bedrijventerreinen De Star (50 arbeidsplaatsen), Essesteijn (100 arbeidsplaatsen) en Prinses Irenelaan (100 arbeidsplaatsen). Verder worden in de wijken arbeidsplaatsen gerealiseerd; 50 in Voorburg-West, 100 in de spoorzone tussen Station Voorburg en Station Laan van NOI, 50 rond De Heuvel en 250 rond Prinsenhof. Tot slot worden ook in Stompwijk (50 arbeidsplaatsen) en in de Meeslouwerpolder (100 arbeidsplaatsen) nieuwe arbeidsplaatsen gecreëerd. In alternatief 1 en 2 worden arbeidsplaatsen gerealiseerd rond de kernwinkelcentra. Het gaat hierbij om overige niet-wonen functies, niet zijnde detailhandel.
Dit heeft een positief effect op de werkgelegenheid ten opzichte van de referentiesituatie. Naast het vergroten van de werkgelegenheid, kan het toevoegen van arbeidsplaatsen bij niet-wonen functies rond kernwinkelcentra ervoor zorgen dat de kernwinkelcentra een breder gebruiksmoment en langere verblijfstijd per bezoeker krijgen. Dit heeft een positief effect op de economie in bredere zin. Het type banen dat gecreëerd wordt (en het benodigde opleidingsniveau van de werknemers) kan breed zijn, afhankelijk van het type functies dat toegevoegd wordt. Voorbeelden van nietwonen functies met verschillende vereiste opleidingsniveaus zijn bibliotheken, sportscholen, fysiotherapeuten en huisartsen. In beide alternatieven worden arbeidsplaatsen toegevoegd in de toerisme- en recreatiesector. De gemeente wil ‘recreatiepark Vlietland’ realiseren, wat een positief effect heeft op de werkgelegenheid in alternatief 1 en 2 ten opzichte van de referentiesituatie. In de toerisme- en recreatiesector kunnen banen met verschillende vereiste opleidingsniveaus gecreëerd worden. De gemeente geeft in haar vigerend beleid aan in te willen zetten op de kenniseconomie, innovatieve economie, dienstverlening en zorgeconomie. De verdeling van de groei naar sector is niet bekend.
Wanneer de grootste groei optreedt in de kenniseconomie, kan in alternatief 1 en 2 een mismatch tussen opleidingsniveau en beschikbare banen optreden. In de kenniseconomie zijn traditioneel meer theoretisch opgeleiden dan praktisch opgeleiden werkzaam. Een relatief grote groei van de werkgelegenheid in de kenniseconomie is, gezien het beperkte ruimtebeslag van bedrijven in deze sector, niet ondenkbaar. Bij een relatief grote groei van de werkgelegenheid in de kenniseconomie ten opzichte van de groei in de andere 3 voorgenoemde sectoren nemen de kansen voor werkgelegenheid voor praktisch geschoolden in de gemeente af in beide alternatieven. Om ook voldoende banen voor lager opgeleiden te creëren, is het belangrijk om, zoals hierboven benoemd, banen bij niet-wonen functies, toerisme en recreatie voor lager opgeleiden te faciliteren. Ook is het belangrijk dat er voldoende banen in bijvoorbeeld de bouw of logistiek zijn. Bedrijven in deze sectoren zijn echter ruimte-intensief. In de gemeente is onvoldoende schuifruimte beschikbaar voor ruimte-intensieve bedrijven. Daarnaast is de gemeente hiervoor aangewezen op gemeente Den Haag. Ook in Den Haag is er bijna geen ruimte meer beschikbaar op bedrijventerreinen. In alternatief 1 en 2 verslechtert de situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Dit zorgt voor nog minder schuifruimte.