CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4324 Bijlage 2 Omgevingseffectrapport Leidschendam-Voorburg

Commissie Omgeving 9 september 2025, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsbrief informeren ontwerp-Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg 205038.627 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Het toevoegen van banen bij niet-wonen functies en in de toerisme- en recreatiesector hebben een positief effect op de werkgelegenheid voor hoger- en lager opgeleiden. Om te voorkomen dat het aandeel banen voor lager opgeleiden kleiner is dan het aandeel lager opgeleiden op de arbeidsmarkt (ten gevolge van een sterke groei van de kenniseconomie), is het belangrijk om ook in te zetten op de zorgeconomie, innovatieve economie, bouw en logistiek. Het ruimtebeslag van deze laatste 3 sectoren is echter groot. In de gemeente is onvoldoende schuifruimte beschikbaar voor ruimte-intensieve bedrijven. Al met al worden beide alternatieven voor het aspect werkgelegenheid als neutraal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

66 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

-

-

-

Mitigerende maatregelen: verklein het risico op een de mismatch tussen opleidingsniveau en het type beschikbare banen. Stel ruimte beschikbaar voor bedrijven in sectoren waar praktisch geschoolden werkzaam in zijn, zoals de bouw. Zoek hiervoor ook de synergie met gemeente Den Haag of de MRDH op en bekijk of er schuifmogelijkheden zijn wanneer bedrijventerreinen in combinatie bekeken worden; stimuleer bij- en omscholing, bijvoorbeeld door opleidingsprogramma’s op te zetten gericht op praktisch geschoolden voor functies in de kenniseconomie en innovatieve economie; verbeter de infrastructuur rondom de Mall door middel van verkeersmanagementmaatregelen. Overweeg ook het realiseren van ongelijkvloerse kruisingen over de N14. Deze mitigerende maatregel kan opgepakt worden in samenhang met de vorige en volgende; zet in op mobiliteitshubs, zodat er meer overstappunten voor de fiets, het OV en deelmobiliteit ontstaan, de noodzaak om een privéauto te gebruiken in de gemeente afneemt en zo ook de druk op het verkeersnetwerk afneemt; Vestigingsklimaat Alternatief 1 en 2 In alternatief 1 en 2 blijven de huidige bedrijventerreinen behouden en worden ze gerevitaliseerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen stads- en buitengebied bedrijventerreinen. Van de kernen Leidschendam en Voorburg wordt in beide alternatieven een gemengd woon-werkgebied gemaakt.

In Overgoo wordt in alternatief 1 en 2 bedrijvigheid aan de woonomgeving toegevoegd. In beide alternatieven wordt ‘recreatiepark Vlietland’ ontwikkeld. De glastuinbouwsector in Stompwijk blijft in de alternatieven gelijk aan de referentiesituatie. Door de bedrijventerreinen te behouden (en niet uit te breiden) verslechtert het vestigingsklimaat in alternatief 1 en 2 ten opzichte van de referentiesituatie. De bedrijventerreinen zijn klein en bieden nu al weinig schuifruimte, waardoor nauwelijks plek is voor ruimte-intensieve bedrijven zoals bouwbedrijven en bedrijven in de circulaire economie. Het is belangrijk om in de toekomst ruimte te bieden aan bedrijven in de bouw, omdat dit een sector is die veel werkgelegenheid biedt aan praktisch geschoolden (Technicum, 2024). Een gunstig vestigingsklimaat voor bouwbedrijven helpt de werkgelegenheid in de bouw op peil te houden en zo de huidige werkloosheid onder praktisch geschoolden te verminderen. Het is belangrijk om ruimte te bieden aan bedrijven in de circulaire economie om de ambitie van een CO₂-neutraal LeidschendamVoorburg in 2050 te realiseren. De circulaire economie kan tot 40 % extra ruimte voor bedrijventerreinen vragen (Stec groep, 2024).

Het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden beperkt deze ontwikkeling en leidt tot een verslechtering van het vestigingsklimaat in alternatief 1 en 2 ten opzichte van de referentiesituatie. In alternatief 1 en 2 wordt onderscheid gemaakt tussen stads- en buitengebied bedrijventerreinen. Dit zorgt voor specialisatie, wat een positief effect heeft op de uitstraling van de bedrijventerreinen. Stadsbedrijventerreinen zijn aantrekkelijk voor bedrijven in de creatieve sector en start-ups. Buitengebied bedrijventerreinen zijn aantrekkelijk voor bedrijven die een sterke binding met de kern Stompwijk hebben. Het effect van de specialisatie op het vestigingsklimaat is in beide alternatieven gering: qua uitstraling worden de bedrijventerreinen aantrekkelijker, maar er is weinig ruimte beschikbaar voor nieuwe bedrijven. In alternatief 1 en 2 wordt van de kernen Leidschendam en Voorburg een gemengd woon-werkgebied gemaakt. Dit maakt de gemeente aantrekkelijker voor bedrijven in de kennisintensieve sector, zoals technologiebedrijven, start-ups en bedrijven in de zakelijke dienstverlening. Dit zijn typen bedrijven die makkelijker inpasbaar zijn in woongebieden qua ruimtebeslag en milieuzonering dan bijvoorbeeld logistieke bedrijven of datacenters (Van Vliet & Van Adrichem, 2020).

De grootte van dit positieve effect hangt onder andere af van de mate waarin kennisintensieve bedrijven personeel kunnen vinden. Eén van de grootste uitdagingen voor bijvoorbeeld zakelijke dienstverleners is nu al de krapte op de arbeidsmarkt (vandeez, z.d.). Het vestigingsklimaat voor recreatie- en toerismebedrijven wordt gunstiger in alternatief 1 en 2 ten opzichte van de referentiesituatie door de komst van recreatiepark Vlietland. In de referentiesituatie wordt slechts ingezet op ‘sterker profileren op het gebied van recreatie en toerisme’. De glastuinbouwsector in Stompwijk blijft in alternatief 1 en 2 gelijk aan de referentiesituatie. Er komen minder plekken beschikbaar door sanering, en de plekken die blijven worden aantrekkelijker door herinrichting. Ook het ontwikkelperspectief voor de landbouw in alternatief 1 en 2 blijft gelijk aan de referentiesituatie.

67 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

De beschreven effecten leiden in beide alternatieven niet tot een verbetering of verslechtering van het vestigingsklimaat ten opzichte van de referentiesituatie.

-

-

-

Mitigerende maatregelen: bied ruimte aan ruimte-intensieve bedrijven in de bouw en circulaire economie. Zoek hiervoor ook de synergie met gemeente Den Haag of de MRDH op. Kijk naar clusteringsmogelijkheden voor circulaire bedrijven zodat zij elkaars reststromen gemakkelijk en direct kunnen gebruiken. Zo is er geen extra ruimte voor opslag nodig. Wanneer er voldoende ruimte voor ruimte-intensieve bedrijven is, heeft revitalisering ook een hogere potentie om positieve effecten teweeg te brengen; de locaties van de nieuw te bouwen woningen zijn gedeeltelijk rondom OV-knooppunten. Dit heeft een gunstig effect op de bereikbaarheid per OV en langzaam verkeer. Realiseer de werklocaties in de woonwerkgebieden ook nabij de OV-knooppunten om de bereikbaarheid per OV en langzaam verkeer te bevorderen; zorg voor de realisatie van een goed woon-, werk- en leefklimaat bij functiemenging.

6.5

Duurzaam toekomstbestendig

6.5.1

Klimaatadaptatie

Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordelingen binnen het thema ‘klimaatadaptatie’ voor alternatief 1 en 2.

Tabel 6.9 Beoordeling thema klimaatadaptatie Aspect

Beoordeling referentiesituatie

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2

wateroverlast

overwegend goed

0

0

de geplande groei van woningen in binnen- en buitengebied leidt tot een toename aan verharding en minder ruimte voor groen en oppervlaktewater, dit vergroot de potentie voor wateroverlast. Echter wordt deze grotere kans op wateroverlast tegengegaan door de maatregelen die moeten plaatsvinden als gevolg van beleid

ruimte voor groen en water neemt verder af. Echter worden de effecten opnieuw geminimaliseerd door beleid

-

-

enkele locaties van de woningbouw bevinden zich in gebieden met kleine kans op overstroming

enkele locaties van de woningbouw bevinden zich in gebieden met kleine kans op overstroming. De effecten zijn sterker dan alternatief 1

0

0

vanwege het ontbreken van een concrete definitie voor de beoogde duurzame landbouw is het uitgangspunt dat landbouw gelijk blijft aan de referentiesituatie

vanwege het ontbreken van een concrete definitie voor de beoogde duurzame landbouw is het uitgangspunt dat landbouw gelijk blijft aan de referentiesituatie

waterveiligheid

waterkwaliteit

redelijk

redelijk

68 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Wateroverlast In beide alternatieven blijft, bij goede naleving van de relevante beleidsstukken, het risico op wateroverlast gelijk met de referentiesituatie. Hoewel de toename van woningbouw leidt tot meer verharding en een verminderd infiltrerend oppervlak wordt er als gevolg van de verplichte inpassing van compenserende maatregelen geen hogere kans op wateroverlast verwacht. Daarnaast wordt er in beide alternatieven gebouwd op locaties met een hoge grondwaterstand en in een polder met veen-klei grond, die van nature gevoelig is voor wateroverlast door de lage doorlatendheid van de bodem. Echter worden ook hier maatregelen voor genomen. Alternatief 1 In alternatief 1 vindt een gematigde groei plaats, voornamelijk geconcentreerd in het bestaande bebouwde gebied. Verdichting leidt, afhankelijk van het precieze ontwerp en de getroffen maatregelen, tot een toename van verharding ten opzichte van de referentiesituatie. Hierdoor is er minder ruimte voor groenvoorzieningen zoals parken, bomen of andere vegetatie, die water opnemen, infiltreren, zuiveren en de afvoer van regenwater vertragen. Daarnaast blijft er ook minder ruimte over voor oppervlaktewater, waar grote hoeveelheden water tijdelijk kunnen worden opgeslagen en eventueel afgevoerd.

Deze toename van verhard oppervlak kan leiden tot een snellere afvoer van regenwater naar het rioolstelsel en watergangen, wat de kans op wateroverlast vergroot, vooral tijdens piekbuien. Om schade door wateroverlast als gevolg van verdichting te voorkomen, zijn in lokaal en regionaal beleid diverse regels opgenomen. Zo stelt het de Verordening op de afvoer van hemelwater en grondwater Leidschendam-Voorburg dat een groot deel van de neerslag (50 mm) van een korte hevige bui (1/100 jaar, 70 mm in 1 uur) op privaat terrein moet worden opgevangen en vertraagd afgevoerd. Daarnaast stellen de waterschappen dat waterberging gerealiseerd moet worden wanneer het verhard oppervlak 500 m² of groter is (Rijnland) en dat een omgevingsvergunning inclusief compensatieplan moet worden aangevraagd wanneer het verhard oppervlak toeneemt (Delfland). In het Water- en Rioleringsplan 2022 - 2027 stelt gemeente Leidschendam-Voorburg dat er geen water woningen in mag stromen met een herhalingskans van 1 keer per 100 jaar bij een gedefinieerde ontwerpregenbui. In alternatief 1 wordt gebouwd op locaties met een ontwateringsdiepte (SHG, overschrijding 5 % van de tijd) van minder dan 0,5 meter onder maaiveld. Voorbeelden hiervan zijn de Hofzichtlaan, ten zuiden van de Oostvlietweg en het buitengebied bij Stompwijk.

In het water- en rioleringsplan is aangegeven dat in risicogebieden voor grondwateroverlast bij nieuwbouw direct drainage wordt aangelegd. Hoewel de risicogebieden niet zijn aangewezen op een kaart, kan directe drainage in de verdichtingslocaties de grondwateroverlast beperken. Dit betekent dat bij goede naleving van de relevante beleidsstukken, het risico op wateroverlast gelijk blijft aan de referentiesituatie. Hoewel de toename van woningbouw leidt tot meer verharding en een verminderd infiltrerend oppervlak wordt er als gevolg van de verplichte inpassing van compenserende maatregelen geen hogere kans op wateroverlast verwacht. Wel wordt er gebouwd op locaties met een hoge grondwaterstand en in een polder met veen-klei grond, die van nature gevoelig is voor wateroverlast door de lage doorlatendheid van de bodem. Echter worden ook hier maatregelen voor genomen. Dit leidt ertoe dat het alternatief voor het aspect klimaatadaptatie gelijk aan de referentiesituatie wordt beoordeeld. Alternatief 2 In alternatief 2 zijn de effecten zoals beschreven voor alternatief 1 ook aanwezig en zijn deze sterker ten opzichte van de referentiesituatie omdat er meer verdichting wordt uitgevoerd. Ook worden er in alternatief 2 meer woningen gerealiseerd op wateroverlast gevoelige locaties.

Afhankelijk van hoe de verdubbeling van woningbouw wordt gecreëerd neemt het verhard oppervlak licht tot sterk toe, met de bijbehorende gevolgen voor de waterhuishouding. Wanneer meer hoge gebouwen worden gerealiseerd is de toename naar waarschijnlijkheid kleiner dan wanneer voornamelijk laagbouw wordt gerealiseerd.

69 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Bij goede naleving van de relevante beleidsstukken geldt dat het risico op wateroverlast gelijk blijft aan de referentiesituatie. Hoewel de toename van woningbouw leidt tot meer verharding en een verminderd infiltrerend oppervlak wordt er als gevolg van de verplichte inpassing van compenserende maatregelen geen hogere kans op wateroverlast verwacht. Wel wordt er gebouwd op locaties met een hoge grondwaterstand en in een polder met veen-klei grond, die van nature gevoelig is voor wateroverlast door de lage doorlatendheid van de bodem. Echter worden ook hier maatregelen voor genomen. Dit leidt ertoe dat het alternatief voor het aspect klimaatadaptatie gelijk aan de referentiesituatie wordt beoordeeld.

-

-

-

Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2: minimaliseer zoveel mogelijk de toename aan verharding. Maak hierbij gebruik van nature based solutions zoals groene daken en waterdoorlatende bestrating met grind; pas de in het Water- en Rioleringsplan genoemde voorkeursvolgorde van gebruiken, vasthouden, bergen en afvoeren toe op waterbeheer; zet ook grijze maatregelen in om een toename aan direct afstromend water te beperken. Te denken valt aan regentonnen, gescheiden rioleringssystemen en infiltratiekratten. Opgevangen regenwater kan worden gebruikt voor irrigatie, toiletspoeling, of de wasmachine; zorg voor voldoende oppervlaktewater zoals vijvers en sloten. Deze kunnen grote hoeveelheden water tijdelijk opslaan en gecontroleerd afvoeren, waardoor de kans op wateroverlast afneemt; verhoog de ontwateringsdiepte door lokaal op te hogen; voer regelmatig onderhoud uit aan bestaande waterafvoersystemen en zorg voor tijdige inspectie en reiniging van riolen en afwateringskanalen om verstoppingen en overstromingen te voorkomen; betrek bewoners en lokale bedrijven bij waterbeheer door voorlichting te geven over het belang van waterdoorlatende maatregelen en het stimuleren van initiatieven zoals het aanleggen van regentuinen of het vergroenen van particuliere tuinen.

Dit vergroot het bewustzijn en de betrokkenheid van de gemeenschap bij het voorkomen van wateroverlast; richt specifieke gebieden in die uitsluitend bedoeld zijn voor tijdelijke waterberging tijdens extreme neerslag. Dit kunnen bijvoorbeeld bufferzones, wetlands of retentiegebieden zijn die water kunnen vasthouden en langzaam afgeven. Waterveiligheid Alternatief 1 en 2 De risico's voor waterveiligheid nemen in beide alternatieven licht toe in vergelijking met de referentiesituatie. In beide alternatieven vindt woningbouw plaats op locaties met een kleine kans (1/300 tot 1/3.000) op een overstroming vanuit zee, meer of rivier. Dit betreft de locaties bij Stompwijk, Schakenbosch, ten zuiden van de Oostvlietweg en in het noordelijke deel van Leidschendam. De schade als gevolg van een overstroming zullen daarmee groter zijn dan in de referentiesituatie. Daarbij is het risico voor alternatief 2 iets groter, aangezien het hier om meer getroffen woningen zal gaan dan in alternatief 1. Voor Stompwijk en het buitengebied geldt dat het gebied ten noorden van de Doctor van Noortstraat een hoger risico kent (veelal 1/30 tot 1/3.000 per jaar) dan het deel ten zuiden van de weg (1/300 tot 1/30.000 per jaar). In het buitengebied kan de waterdiepte dan oplopen tot 5 meter, in de meerderheid van de andere locaties wordt een mindere waterdiepte verwacht van maximaal 0,5 meter.

Deze constateringen leiden ertoe dat er in beide alternatieven voor het aspect waterveiligheid een verslechtering optreedt ten opzichte van de referentiesituatie.

70 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

-

-

-

Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2: zet in op meerlaagse veiligheid: preventie van overstromingen (1), aanpassingen in de ruimtelijke ordening (2) en crisisbeheersing (3); vergroot de waterveiligheid door overloopgebieden aan te wijzen in de laagste 5 tot 10 % van de polder, waar in het geval van een overstroming (bijvoorbeeld door een dijkbreuk of aanhoudende neerslag) het water geborgen kan worden. Er kan een bouwverbod ingesteld worden in deze overloopgebieden; ga na of bestaande keringen nog sterk genoeg zijn en versterk ze waar nodig om kans op doorbraken te verkleinen; stimuleer waterretentie op particulier terrein; stel strenge bouwvoorschriften op voor nieuwbouw in risicogebieden, waarbij bijvoorbeeld voldoende ophoging plaatsvindt zodat de begane grond hoger ligt dan het verwachte waterniveau bij overstromingen; stimuleer het gebruik van waterbestendige bouwmaterialen en constructiemethoden in nieuwbouwprojecten, zodat gebouwen beter bestand zijn tegen waterschade; ontwikkel en implementeer een effectief waarschuwingssysteem voor bewoners en bedrijven in risicogebieden, zodat zij tijdig op de hoogte worden gesteld van dreigende overstromingen en adequate maatregelen kunnen nemen; werk samen met regionale en nationale waterautoriteiten om een geïntegreerde aanpak voor waterveiligheid te ontwikkelen en te implementeren, waarbij rekening wordt gehouden met zowel

huidige als toekomstige risico's. Waterkwaliteit Alternatief 1 en 2 De waterkwaliteit rond Stompwijk wordt sterk beïnvloed door de landbouw. De verzilting van de diepe polders zal door zeespiegelrijzing toenemen. In Voorburg en Leidschendam zijn de emissies in de stad belangrijke verontreinigingsbronnen. In beide alternatieven is onvoldoende uitgewerkt hoe de gemeente verslechtering van de waterkwaliteit wil tegengaan. De overige ontwikkelingen betreffende woningbouw en arbeidsplaatsen hebben naar verwachting een minder groot effect op de waterkwaliteit. Het effect van het versterken en behouden van bedrijventerreinen op de waterkwaliteit wordt ingeschat als klein. Alhoewel de ontwikkeling gepaard gaat met een grotere kans op afstromend verontreinigd water wat in het oppervlaktewatersysteem terecht kan komen, wordt ervan uitgegaan dat de passende maatregelen worden genomen om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Wanneer het bedrijventerrein een hogere milieucategorie betreft is het cruciaal dat afstroming van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk tegen wordt gegaan. Wat betreft woningbouw zijn er ook weinig verschillen ten opzichte van de referentiesituatie die relevant zijn voor de waterkwaliteit. In beide alternatieven worden er meer woningen gerealiseerd, waardoor meer gebieden worden afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel.

Dit is het gevolg van het gemeentebeleid dat stelt dat bij nieuwe ontwikkelingen direct een gescheiden rioleringsstelsel wordt aangelegd. Het gescheiden stelsel zorgt ervoor dat regenwater en afvalwater apart worden afgevoerd, wat de kans op vervuiling van het oppervlaktewater vermindert. Aan de andere kant gaat een toename aan woningen vaak ook gepaard met een toename aan verharding. Bij regenbuien zal er meer water direct afstromen van verharde/erosiegevoelige gebieden zoals wegen in plaats van dat het water infiltreert. Vervuiling dat wordt meegevoerd vanuit deze gebieden stroomt in de vernieuwde gebieden het gescheiden rioleringsstelsel in waarna het direct op het oppervlaktewater wordt afgevoerd, zonder de zuiverende werking van de bodem. Dit leidt ertoe dat beide alternatieven voor het aspect waterkwaliteit als neutraal ten opzichte van de referentiesituatie worden beoordeeld.

71 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2 - beperk de definitie van ‘duurzame landbouw’ niet tot conservatieve maatregelen: · zorg dat de gewassen passen bij de bodem- en waterkundige situatie; · verminder het kunstmestgebruik waardoor de uitspoeling van stikstof en fosfor naar het oppervlaktewater wordt beperkt, dit helpt eutrofiëring van waterlichamen te voorkomen; · het beperken van chemische bestrijdingsmiddelen kan de aanwezigheid van schadelijke stoffen in het water verminderen, wat bijdraagt aan een gezonder aquatisch milieu; · het aanleggen van groene gebiedseigen oevers en kruidenrijke bermen langs landbouwpercelen kan daarnaast fungeren als bufferzones die de afspoeling van nutriënten en pesticiden naar het oppervlaktewater verminderen en de biodiversiteit bevorderen; · vorming van wetlands of retentiegebieden in het poldergebied: het creëren van wetlands kan fungeren als natuurlijke filters voor overtollige nutriënten die in het water terecht kunnen komen door landbouwafstroming of uitstroompunten van het gescheiden hemelwaterafvoer; - waterbuffering en infiltratievoorzieningen: in gebieden met woningbouw en uitbreiding van arbeidsplekken kunnen infiltratievoorzieningen zoals wadi’s, regenwaterbuffers of groenblauwe structuren worden toegepast om regenwater lokaal vast te houden en te infiltreren, zodat verontreiniging wordt gefilterd voordat het in het

oppervlaktewater terechtkomt; - het buitengebied kan mogelijk ingericht worden als nat natuurgebied. Deze kunnen waardevol zijn voor het verbeteren van de waterkwaliteit en het versterken van de biodiversiteit, doordat ze overtollig water opvangen, voedingsstoffen en vervuilende stoffen filteren, en een habitat bieden voor diverse plant- en diersoorten; - pas de in het Water- en Rioleringsplan genoemde voorkeursvolgorde van gebruiken, vasthouden, bergen en afvoeren toe.

6.5.2

Bodem

Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordelingen binnen het thema ‘bodem’ voor alternatief 1 en 2.

Tabel 6.10 Beoordeling thema bodem Aspect

Beoordeling referentiesituatie

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2

bodemkwaliteit

redelijk

0

0

r wordt geen verandering verwacht van de bodemkwaliteit in dit alternatief. Er is geen reden om de bodemkwaliteit aan te pakken

er wordt geen verandering verwacht van de bodemkwaliteit in dit alternatief. Er is geen reden om de bodemkwaliteit aan te pakken

0

0

een beoordeling voor bodemdaling is nog niet definitief te stellen. Bodemdaling in het landelijk gebied is sterk afhankelijk van de wijze van duurzame landbouwvoering. Daarbij kan het benodigd zijn om het grondwaterpeil laag te houden waardoor veen en/of klei verder inklinkt. De woningbouw heeft geen invloed op bodemdaling, aangezien het volgens beleid gebeurt op grondwater neutrale wijze

een beoordeling voor bodemdaling is om dezelfde reden als in alternatief 1 niet definitief te stellen. Dezelfde effecten zijn relevant: grondwater neutrale woningbouw en duurzame landbouwvoering inklinkt

bodemdaling (droogte)

redelijk

72 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Bodemkwaliteit Alternatief 1 en 2 De bodemkwaliteit blijft in beide alternatieven gelijk aan de referentiesituatie. In zowel alternatief 1 als 2 vindt er verdichting plaats op locaties waar verontreiniging in de grond zit. Echter wordt ervan uit gegaan dat deze niet worden aangepakt in de nieuwe situatie, aangezien de verontreiniging beperkt is en wonen veilig blijft. Daarnaast wordt er in beide alternatieven op locaties in het buitengebied gebouwd. Hier geldt volgens de ontgravingskaart uit de bijlage op Afbeelding I.47 een klasse 'wonen' of een 'achtergrondwaarde'. Hier is dus ook geen noodzaak om verontreiniging aan te pakken voor het nieuwe landgebruik. Deze constateringen leiden ertoe dat er in beide alternatieven voor het aspect bodemkwaliteit sprake is van dezelfde situatie als in de referentiesituatie.

Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2: - pak tijdens de nieuwbouwprojecten gelijk bodemverontreiniging aan wanneer deze zich bevindt op de locatie, ongeacht of de grenswaarde aanvaardbaar is voor de nieuwe functie van het gebied; - stimuleer het gebruik van duurzame bouwmethoden en materialen die de bodemkwaliteit niet verder aantasten, en vermijd het gebruik van chemische stoffen die de bodem kunnen verontreinigen; - monitor de bodemkwaliteit op regelmatige basis tijdens en na de bouwactiviteiten om eventuele veranderingen in de bodemgesteldheid tijdig te signaleren en aan te pakken. Bodemdaling (droogte) Alternatief 1 Door klimaatverandering worden de droge perioden langer en ernstiger. Hierdoor dalen de laagste grondwaterstanden en neemt de bodemdaling toe in klei- en veengebieden. Vooral de veendijken en het ongerepte veengebied (Westeinderpolder) zijn kwetsbaar. Ook door landbouw kan bodemdaling optreden. De gemeente zet in alternatief 1 in op duurzame landbouw. Vanwege het ontbreken van een concrete uitwerking van de transitie naar duurzame landbouw is het niet goed te voorspellen in hoeverre het landelijk gebied te maken krijgt met een toename aan bodemdaling door landbouw in vergelijking met de referentiesituatie.

Bodemdaling treedt vaak op wanneer het grondwaterpeil kunstmatig laag wordt gehouden, bijvoorbeeld voor de teelt van gewassen die niet goed gedijen in natte omstandigheden. Hierdoor kunnen de bodemlagen uitdrogen en inzakken, wat leidt tot verzakking van het land. Wat betreft woningbouw en arbeidsplaatsen, is er geen directe invloed op bodemdaling. In alternatief 1 worden circa 2.445 extra woningen gerealiseerd, voornamelijk binnen het bebouwde gebied. Het beleid van de gemeente waarborgt dat de grondwaterstand in nieuwe ontwikkelingen wordt beschermd, en nieuwe locaties worden grondwaterneutraal ontwikkeld, wat betekent dat de grondwaterstanden niet mogen dalen ten opzichte van de bestaande situatie. Daarnaast worden de nieuwe woningen op palen geplaatst, wat ervoor zorgt dat er geen extra druk op de bodem ontstaat die bodemdaling zou kunnen veroorzaken. Deze constateringen leiden ertoe dat voor het alternatief voor het aspect bodemdaling (droogte) nog geen uitspraak kan worden gedaan of een eventuele verslechtering of verbetering, dit is afhankelijk van de wijze van duurzame landbouw. Alternatief 2 Door klimaatverandering worden de droge perioden langer en ernstiger. Hierdoor dalen de laagste grondwaterstanden en neemt de bodemdaling toe in klei- en veengebieden. Vooral de veendijken en het ongerepte veengebied (Westeinderpolder) zijn kwetsbaar.

Ook door landbouw kan bodemdaling optreden. De gemeente wil in alternatief 2 inzetten op duurzame landbouw. Vanwege het ontbreken van een concrete uitwerking van de transitie naar duurzame landbouw is het niet goed te voorspellen in hoeverre het landelijk gebied te maken krijgt met een toename aan bodemdaling in vergelijking met de referentiesituatie. Bodemdaling treedt vaak op wanneer het grondwaterpeil kunstmatig laag wordt gehouden, bijvoorbeeld voor de teelt van gewassen die niet goed gedijen in natte omstandigheden. Hierdoor kunnen de bodemlagen uitdrogen en inzakken, wat leidt tot verzakking van het land.

73 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

In alternatief 2 worden er circa 6.445 extra woningen gerealiseerd, deze worden hoogstwaarschijnlijk op palen geplaatst, wat ervoor zorgt dat er geen extra druk op de bodem komt te staan. Daarnaast wordt er grondwaterneutraal gebouwd. Voor woningbouw wordt er daarom geen invloed op bodemdaling verwacht. Deze constateringen leiden ertoe dat er in het alternatief voor het aspect bodemdaling (droogte) nog geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de effecten. Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2: - woningbouw · gebruik funderingstechnieken die de druk op de ondergrond verminderen, zoals paalfunderingen of het toepassen van lichtgewicht materialen, om bodemdaling door zetting van veen en klei te minimaliseren; · voer periodiek monitoring uit van de bodemgesteldheid en de grondwaterstanden in risicogebieden om tijdig veranderingen te signaleren en passende maatregelen te kunnen nemen; · zorg voor een goede planologische inpassing van bouwprojecten op locaties met een hoge gevoeligheid voor bodemdaling, zodat de risico's worden geminimaliseerd; - landbouw: · ontwikkel en implementeer landbouwmethoden die minder afhankelijk zijn van lage grondwaterstanden.

Dit kan inhouden dat er gewassen worden verbouwd die beter bestand zijn tegen hogere waterstanden; · pas waterbeheerstrategieën toe die gericht zijn op het handhaven van een stabiele grondwaterstand, zoals het gebruik van peilgestuurde drainage of het bevorderen van infiltratie. Gebruik de functie van de bodem als een spons; · om bodemdaling te beperken in situaties waar grasland gebruikt wordt om vee op te laten grazen, is het belangrijk om beheersmaatregelen toe te passen die de bodemstructuur en het grondwaterpeil ondersteunen. Gecontroleerd en rotatief begrazen kan helpen om de druk op de bodem te verminderen, waardoor overbegrazing en bodemverdichting worden voorkomen. Daarnaast kan het inzaaien van grasland met diepwortelende plantensoorten de stabiliteit van de bodem verbeteren en het vocht vasthouden; - betrek boeren en andere belanghebbenden bij het ontwikkelen en toepassen van duurzame landbouwpraktijken die bijdragen aan het verminderen van bodemdaling, door middel van voorlichting en financiële prikkels.

6.5.3

Natuur

Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordelingen binnen het thema ‘natuur’ voor alternatief 1 en 2.

74 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Tabel 6.11 Beoordeling thema natuur Aspect

Beoordeling referentiesituatie

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2

beschermde natuurgebieden

slecht

-

-

door een toename van inwonersaantal en arbeidsplaatsen nemen de effecten van verzuring en vermesting toe op omliggende Natura 2000-gebieden. Een groei in inwonersaantal leidt ook tot meer recreatiedruk in beschermde natuurgebieden. Daarnaast vindt er oppervlakteverlies plaats van waardevolle weidevogelgebieden

effecten zijn vergelijkbaar met die van alternatief 1, alleen zijn de effecten groter in alternatief 2. Doordat de groei in inwonersaantal sneller gaat bij alternatief 2 zijn de effecten groter

-

-

door een toename van woningen en arbeidsplaatsen neemt de ruimte voor biodiversiteit af binnen de gemeente. Bovendien neemt door het toenemende inwonersaantal de druk op de biodiversiteit door recreatie toe

effecten zijn vergelijkbaar met die van alternatief 1, alleen zijn de effecten groter in alternatief 2. Doordat de groei in inwonersaantal sneller gaat bij alternatief 2 zijn de effecten groter

soortenbescherming en biodiversiteit

slecht

Beschermde natuurgebieden Alternatief 1 en 2 Het bouwprogramma en daarmee het inwonersaantal neemt in alternatief 1 (+2.450 woningen) toe ten opzichte van de referentiesituatie. Ten grondslag aan het toenemende inwonersaantal ligt een toename van woningen. Daarnaast is er ook een toename in arbeidsplaatsen in alternatief 1. Het bouwprogramma en daarmee het inwonersaantal neemt in alternatief 2 (+6.450 woningen) toe ten opzichte van de referentiesituatie. Ten grondslag aan het toenemende inwonersaantal ligt een toename van woningen. Daarnaast is er ook een toename in arbeidsplaatsen in alternatief 2 (+4.000 arbeidsplaatsen). Met een toename van het aantal woningen en de werkgelegenheid neemt ook het gebruik van het openbaar vervoer en auto’s toe, wat leidt tot een toename van stikstofemissie. Dit zorgt voor een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase, maar ook in de aanlegfase. Momenteel zijn er veel onzekerheden in Nederland over hoe om te gaan met stikstof in plannen en projecten. Het is niet uitgesloten dat stikstof de komende jaren beperkingen oplevert voor plannen en projecten in gemeente Leidschendam-Voorburg. Naast stikstofdepositie leidt een toename van het inwonersaantal ook tot verstoring van de natuurgebieden.

Inwoners en bezoekers kunnen recreëren in nabijgelegen Natura 2000-gebieden, waardoor de recreatiedruk en bijbehorende verstoring toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Dit heeft een negatieve invloed op deze Natura 2000-gebieden. De effecten in alternatief 1 en alternatief 2 zijn vergelijkbaar ten opzichte van de referentiesituatie, alleen zijn de ingrepen in alternatief 2 groter. Hierdoor zijn de negatieve effecten in alternatief 2 ook groter dan in alternatief 1 ten opzichte van de referentiesituatie. Het bouwprogramma vindt in beide alternatieven grotendeels buiten de grenzen van NNN plaats. Enkel in het zuidwesten van gemeente Leidschendam-Voorburg is in de alternatieven een zoekgebied voor woningbouw aangewezen waar mogelijk 150 woningen (alternatief 1) of 450 woningen (alternatief 2) worden toegevoegd. In dit zoekgebied is NNN-gebied aanwezig. Het betreft de natuurbeheertypen N04.02 Zoete plas, N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland, N14.03 Haagbeuken-en essenbos en N15.01 Duinbos.

75 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Wanneer binnen NNN-gebied woningen worden gerealiseerd is er sprake van oppervlakteverlies en verstoring van het NNN. Daarnaast geldt voor het NNN, net als voor Natura 2000-gebieden, dat een toename van het inwonersaantal leidt tot meer recreatie. Bij alternatief 2 zijn de negatieve effecten groter ten opzichte van de referentiesituatie dan bij alternatief 1 ten opzichte van de referentiesituatie. In beide alternatieven vindt een toename van het aantal woningen plaats ten opzichte van de referentiesituatie. In alternatief 1 wordt minder in het buitengebied gebouwd ten opzichte van de referentiesituatie. In alternatief 2 worden meer woningen gerealiseerd in het buitengebied ten opzichte van de referentiesituatie. In alternatief 2 leidt dit ter plaatse van Stompwijk tot oppervlakteverlies van weidevogelgebied. Stompwijk is namelijk ten oosten, zuiden en westen omgeven door weidevogelgebied. Hierdoor gaat waardevol gebied voor weidevogels verloren. Door de toename van het inwonersaantal neemt eveneens mogelijk de verstoring toe in weidevogelgebied door een toename in recreatie. Bij alternatief 2 zijn de negatieve effecten groter dan bij alternatief 1 ten opzichte van de referentiesituatie. Deze constateringen leiden ertoe dat er in beide alternatieven voor het aspect ‘beschermde natuurgebieden’ sprake is van een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie.

Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2 Om de negatieve effecten op natuur te mitigeren, zijn de volgende maatregelen opgesteld: - beperk de recreatiedruk in natuurgebieden door zonering en geleiding in natuurgebieden; - maak andere gebieden aantrekkelijk voor recreatie, bijvoorbeeld door het realiseren van voorzieningen (zoals wandelroutes) in het landbouwgebied; - realiseer een alternatief recreatiegebied in de stad om recreatiedruk in beschermde gebieden te verminderen; - voorkom dat woningbouw of het uitbreiden van arbeidsplaatsen plaatsvindt binnen het NNN; - voorkom woningbouw in waardevol weidevogelgebied of breng elders in de gemeente waardevol weidevogelgebied terug; - zorg voor gedegen monitoring van de biodiversiteit, beschermde soorten en natuurgebieden; - bevorderen van het gebruik van langzaam verkeer (zoals wandelen en fietsen) en het openbaar vervoer, dit reduceert de stikstofdepositie. Soortenbescherming en biodiversiteit Alternatief 1 en 2 In zowel alternatief 1 als alternatief 2 neemt het aantal woningen toe ten opzichte van de referentiesituatie. Verdichting vindt in alternatief 1 grotendeels binnen bebouwd gebied plaats. Dit betekent dat er in alternatief 1 elders in de gemeente meer ruimte overblijft voor groen dan in alternatief 2. Ten opzichte van de referentiesituatie vindt er echter geen toename plaats in de ruimte voor groen.

Verdichting brengt ook risico’s met zich mee. Het kan bijvoorbeeld leiden tot het verlies van rommelhoekjes die voor soorten zoals egels belangrijk zijn. In alternatief 2 vindt er ook meer woningbouw plaats in het buitengebied ten opzichte van de referentiesituatie, bijvoorbeeld bij Stompwijk. Door een toename van woonwijken in het buitengebied gaat leefgebied verloren en neemt biodiversiteit in de gemeente af. Door de groei van inwonersaantal in alternatief 1 en alternatief 2 ten opzichte van de referentiesituatie neemt ook verstoring toe, onder andere door recreatie. Dit heeft een negatieve invloed op de biodiversiteit. In beide alternatieven vindt uitbreiding plaats van arbeidsplaatsen in de Meeslouwerpolder. Hier wordt ruimte geboden aan glastuinbouw en lichte bedrijfslocaties. In beide alternatieven worden 100 extra arbeidsplaatsen gerealiseerd. Dit leidt tot een toename van verstoring door bijvoorbeeld lichtuitstraling van de glastuinbouw. Daarnaast leidt een toename in arbeidsplaatsen ook tot meer vervoersbewegingen wat ook leidt tot een toename van verstoring. Deze constateringen leiden ertoe dat er in beide alternatieven voor het aspect ‘soortenbescherming en biodiversiteit’ sprake is van een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie.

76 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2 De maatregelen die bij beschermde gebieden benoemd zijn, zijn ook van toepassing als mitigerende maatregelen voor soortenbescherming en biodiversiteit. Daarnaast mitigeren de volgende aanvullende maatregelen de negatieve effecten op beschermde soorten en biodiversiteit: - implementeer een groennorm in de gemeente. Voorbeelden van zulke groennormen zijn de 3 / 30 / 300-regel (3 bomen zichtbaar vanuit de woning, 30 % kruinbedekking in elke buurt en een park of groene ruimte op 300 meter afstand) en de ‘75 m2 groen per woning binnen 300 meter’-regel; - pas natuur-inclusieve woningbouw toe, dit draagt bij aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden; - creëer nieuw leefgebied voor soorten ter mitigatie van het leefgebied dat verloren gaat, bijvoorbeeld in het landelijk gebied door: · kruidenrijke slootkanten, bloemrijkere grasvelden, natuurrijke akkerranden en landschapselementen zoals houtwallen, hagen, bomen en poelen (positief voor biodiversiteit); · toename variatie in gras: meer grassen, kruiden en bloemen en afwisseling van hoogte van gras (positief voor biodiversiteit van bijvoorbeeld insecten en jonge weidevogels); · aangepast maaibeheer (positief voor vogels in de broedperiode); · toename nattigheid op land (positief voor biodiversiteit zoals weidevogels).

6.5.4

Klimaatmitigatie

Onderstaande tabel bevat een beknopt overzicht van de gegeven beoordeling binnen het thema ‘klimaatmitigatie’ voor alternatief 1 en 2. Tabel 6.12 Beoordeling thema klimaatadaptatie Aspect

Beoordeling referentiesituatie

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 1

Beoordeling omgevingseffecten alternatief 2

emissie broeikasgassen

matig

-

-

de emissie in broeikasgassen neemt toe door een stijging van het aantal woningen en arbeidsplaatsen, het is onduidelijk in hoeverre het STOMPprincipe leidt tot een vermindering, en of en waar er ruimte wordt geboden aan energieinfrastructuur- en voorzieningen

de emissie in broeikasgassen neemt toe door een stijging van het aantal woningen en arbeidsplaatsen, het is onduidelijk in hoeverre het STOMPprincipe leidt tot een vermindering, en of en waar er ruimte wordt geboden aan energieinfrastructuur- en voorzieningen

Emissie broeikasgassen Alternatief 1 en 2 In alternatief 1 en 2 leidt de extra uitbreiding van de woningvoorraad ten opzichte van de referentiesituatie tot een hogere emissie van broeikasgassen. Deze hogere emissies zijn toe te schrijven aan de uitbreiding van de woningvoorraad zelf (emissies door materiaalgebruik en bouwactiviteiten), als aan de toename in het aantal inwoners. De toename in aantal inwoners leidt bijvoorbeeld tot een stijgende energievraag (warmteen elektriciteitsvraag). Een aandachtspunt is bovendien dat de uitbreidingen voornamelijk binnenstedelijk worden gerealiseerd. Hierdoor raakt er meer openbaar groen verhard ten opzichte van de referentiesituatie, waardoor het geen mogelijkheid meer biedt om CO2 vast te leggen. Daarnaast neemt in beide alternatieven het aantal arbeidsplaatsen toe ten opzichte van de referentiesituatie. In alternatief 2 worden er meer arbeidsplaatsen toegevoegd ten opzichte van de referentiesituatie dan in alternatief 1. Het wordt uit beide alternatieven niet duidelijk welke werkzaamheden er bij deze arbeidsplaatsen worden verricht en wat hiervan de verwachte energievraag is. Hierdoor is niet goed in te schatten wat de impact is op de emissie van broeikasgassen.

77 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Wel geldt in zijn algemeenheid dat de energievraag stijgt door de toename in arbeidsplaatsen (emissies door materiaalgebruik, bouwactiviteiten, energievraag en een toename aan verkeersbewegingen). Omdat er in alternatief 2 een grotere uitbreiding van de woningvoorraad en het aantal arbeidsplaatsen plaatsvindt ten opzichte van de referentiesituatie zijn de effecten in alternatief 2 het sterkst aanwezig. Een gedeelte van de ontwikkelingen landt in beide alternatieven rondom OV-knooppunten, dit is positief omdat het gebruik van het OV hierdoor gestimuleerd wordt. Voor beide alternatieven geldt dat niet alle uitbreidingen nabij een OV-knooppunt liggen. Deze spreiding kan leiden tot een toename in het benodigde aantal verkeersbewegingen. Dit wordt versterkt door de toename in het aantal arbeidsplaatsen in beide alternatieven. Dit verhoogt de druk op de bestaande infrastructuur, wat kan leiden tot congestie, omdat de bestaande capaciteit niet wordt uitgebreid. Dit zorgt voor een toename in de emissie van broeikasgassen. Door de mate van uitbreiding zijn de effecten het sterkst in alternatief 2. Daarnaast bieden beide alternatieven geen inzicht hoe het transitie naar het STOMP-principe wordt behaald. De toenemende energievraag in de beide alternatieven vraagt om een uitbreiding van het energienetwerk, inclusief ruimte voor energieinfrastructuur- en voorzieningen.

Het wordt uit de alternatieven niet duidelijk of en waar er aan deze infrastructuur en voorzieningen ruimte wordt geboden. Daarnaast is de opwek van zon- en windenergie in het buitengebied niet toegestaan. Dit leidt tot een ongebalanceerde energieopwek jaarrond. Bovendien bestaat het risico dat toekomstige woningen en bedrijven niet kunnen worden aangesloten als er geen uitbreidingen op het net plaatsvinden. Deze risico’s zijn het grootst in alternatief 2 vanwege de grotere uitbreiding van de woningvoorraad en het aantal arbeidsplaatsen ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast is het niet duidelijk op welke warmtebron de nieuwe woningen en arbeidsplaatsen worden aangesloten. Deze constateringen leiden er in beide alternatieven voor het aspect klimaatmitigatie toe dat er een verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie optreedt. Mitigerende maatregelen alternatief 1 en 2: - denk aan maatregelen om de emissies tijdens de bouw- en gebruiksfasen van de nieuwe woningen en arbeidsplaatsen te verminderen; - zet de dialoog over de opwek van zon- en windenergie in de gemeente voort; - behoud en breid waar mogelijk de ruimte voor groen uit om CO2 vast te leggen; - implementeer lokale energieopslagsystemen en maak ruimte voor energie-infrastructuur- en voorzieningen om de toenemende energievraag te kunnen borgen.

Houdt hierbij rekening met aspecten vanuit omgevingsveiligheid en gezondheid; - werk de uitwerking van het STOMP-principe concreter uit zodat beter kan worden beoordeeld in hoeverre het verkeersbeleid de verschuiving naar duurzame mobiliteit kan ondersteunen.

78 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

6.6

Samenvatting effectbeoordeling alternatieven

Tabel 6.13 Samenvatting effectbeoordeling alternatieven van de gemeente Leidschendam-Voorburg

een hoogwaardig verblijfsklimaat

Thema

Aspecten

Effectbeoordeling alternatief 1

Effectbeoordeling alternatief 2

gezondheid

luchtkwaliteit

0

-

geluid

0

-

overige gezondheidsaspecten (geur, licht en trillingen)

0

-

hittestress

-`

-

landschap

0

-

cultureel erfgoed en stedenbouw

-

-

omgevingsveiligheid

omgevingsveiligheid

-

-

mobiliteit en bereikbaarheid

bereikbaarheid en toegankelijkheid gemotoriseerd verkeer

-

-

bereikbaarheid en toegankelijkheid openbaar vervoer

0

+

bereikbaarheid en toegankelijkheid langzaam verkeer

0

0

verkeersveiligheid

+

+

wonen

woningaanbod

+

+

voorzieningen

voorzieningenaanbod

-

-

verbondenheid

sociale cohesie en veiligheid

-

-

economie

werkgelegenheid

0

0

vestigingsklimaat

0

0

wateroverlast

0

0

waterveiligheid

-

-

waterkwaliteit

0

0

bodemkwaliteit

0

0

bodemdaling (droogte)

0

0

beschermde natuurgebieden

-

-

soortenbescherming en biodiversiteit

-

-

emissie broeikasgassen

-

-

ruimtelijke kwaliteit

goed verbonden

een plek van en voor iedereen

economisch vitaal, passend bij een woongemeente

klimaatadaptatie

duurzaam toekomstbestendig

bodem

natuur

Klimaatmitigatie

79 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

6.7

Doelbereik alternatieven

In deze paragraaf is het doelbereik van de alternatieven toegelicht. Het doelbereik is de mate waarin de alternatieven bijdragen aan het behalen van de ambities van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Dit zijn de ambities uit hoofdstuk 2 van de Koersnotitie onder ‘toekomstperspectieven’. De beoordelingsschaal voor het doelbereik is toegelicht in tabel 3.4 (in hoofdstuk 2).

6.7.1

Doelbereik alternatief 1

Tabel 6.14 Doelbereik alternatief 1 Toekomstperspectief

Doelbereik

een hoogwaardig verblijfsklimaat

beperkte potentie

goed verbonden

beperkte potentie

een plek van en voor iedereen

geen potentie

economisch vitaal, passend bij een woongemeente

beperkte potentie

duurzaam toekomstbestendig

geen potentie

Een hoogwaardig verblijfsklimaat De woningen in alternatief 1 (4.000) worden vooral binnenstedelijk toegevoegd. Hierdoor ontstaat het risico dat woningbouw ten koste gaat van het beschikbare openbare groen in de kernen. In Stompwijk worden 60 woningen bijgebouwd. Het is niet duidelijk in hoeverre de uitbreiding in Stompwijk binnen of buiten de bestaande kern wordt gerealiseerd en wat de impact op het groen is. Verdere inzet op de versterking van groen in het buitengebied of binnen de kernen komt in alternatief 1 niet aan de orde. Ook is het onduidelijk of en hoe er wordt ingezet op het onderhoud en beheer van de openbare ruimte. Naast woningbouw heeft de sterkere profilering op het gebied van recreatie en toerisme impact op de biodiversiteit en de leefgebieden van planten en dieren; deze nemen af. De sterkere profilering van recreatie en toerisme draagt wel bij aan een prettige leefomgeving. Vrijwel alle woningbouwlocaties liggen in gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Het niet kunnen behouden van historische gebieden en gebouwen is in dit alternatief een risico. In alternatief 1 groeit het aantal voorzieningen mee met het inwonertal, maar het is onduidelijk om welke voorzieningen het gaat. Er kan niet bepaald worden of er voldoende ruimte gereserveerd kan worden voor ontmoetingsplekken op zowel binnenstedelijke- als ontwikkellocaties.

In het alternatief wordt niet specifiek ingegaan op sport- en bewegingsfaciliteiten. De bouw van nieuwe woningen en daarmee gemoeide druk op de ruimte brengen het risico met zich mee dat er minder sport- en bewegingsfaciliteiten zijn in de toekomst. De luchtkwaliteit blijft gelijk. Doordat woningbouw gespreid over de gemeente plaatsvindt, is de toename van verkeer en emissies ook gespreid. De mate waarin duurzame landbouw bijdraagt aan het doelbereik wat betreft water-, bodem- en luchtkwaliteit is onbekend, omdat niet duidelijk is wat de gemeente verstaat onder duurzame landbouw. De potentie van alternatief 1 voor het doelbereik van ‘een hoogwaardig verblijfsklimaat’ is beperkt. Goed verbonden De uitbreiding van de woningvoorraad vindt gedeeltelijk plaats rondom de OV-knooppunten binnen de kernen Leidschendam en Voorburg. Dit kan een impuls geven aan de bereikbaarheid van de locaties met het openbaar vervoer. Er wordt gematigd ingezet op het STOMP-principe. De uitwerking van dit principe bepaalt de mate waarin positieve effecten optreden. De stimulering van langzaam verkeer draagt bij aan een duurzame mobiliteit, wat de milieubelasting door geur, geluid en fijnstof kan beperken.

80 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Echter, de toevoeging van 4.000 woningen en 3.000 arbeidsplaatsen vindt voor respectievelijk 75 en 40 % plaats buiten de OV-knooppunten. Dit zal de verkeersintensiteit en daarmee de congestie voor gemotoriseerd verkeer verhogen. Zo vindt een deel van de uitbreiding plaats rondom de N14, waar nu al sprake is van congestie. De milieubelasting van het verkeer (door geluid, geur en fijnstof) hangt af van de manier waarop en mate waarin invulling wordt gegeven aan het STOMP-principe. Het verlagen van de snelheid van 50 naar 30 km/u op bepaalde wegvakken vermindert de belasting van het verkeer op het milieu. Ook verbetert het verlagen van de snelheid de verkeersveiligheid. Door de toevoegingen van woningen en arbeidsplaatsen is het onduidelijk in welke mate het voorzieningenaanbod kan meegroeien. Daardoor is niet goed te beoordelen of aan het doel van voorzieningen in de nabijheid kan worden voldaan. Het concept van de 15-minutenstad is in de kern Stompwijk niet haalbaar. Alternatief 1 heeft een beperkte potentie om bij te dragen aan de doelen voor het toekomstperspectief ‘goed verbonden’. Een plek van en voor iedereen In alternatief 1 worden er 2.445 woningen toegevoegd ten opzichte van de referentiesituatie, het gaat in totaal om 4.000 woningen waarmee het doel van 6.000 woningen niet wordt behaald. Ook is onduidelijk wat voor type woningen er wordt gebouwd.

Voor de betaalbaarheid van nieuwbouwwoningen zijn de richtlijnen uit de aangepaste Verordening sociale en middeldure woningbouw aangehouden. In de Koersnotitie staan geen richtlijnen voor de betaalbaarheid van nieuwbouwwoningen. In de Verordening staat dat bij een bouwplan met 12 of meer woningen minimaal 2/3 betaalbare woningen, waarvan minimaal 30 % sociale huurwoningen, in het geplande woningbouwprogramma gerealiseerd moet worden. ‘Betaalbare woningen’ zijn sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en betaalbare koopwoningen. De aangepaste definitie van ‘betaalbare woningen’ en het verhogen van het aandeel betaalbare woningen lossen de huidige tekorten woningen niet op. De uitbreiding van de woningvoorraad draagt niet afdoende bij aan de ambitie om alle inwoners en in het bijzonder starters, jongeren, jonge gezinnen, senioren en urgente groepen een geschikte en betaalbare woning te bieden. Ook gaat het alternatief niet in op de mogelijkheden van woningsplitsing of kamerverhuur. De mate waarin de inwoners van de gemeente zich thuis kunnen voelen in de openbare ruimte gaat achteruit. De sociale veiligheid verslechtert in alternatief 1. Het tempo waarop de uitbreiding van de woningvoorraad op binnenstedelijke locaties wordt gerealiseerd, kan leiden tot een gevoel van anonimiteit.

De ontwikkellocaties rondom OV-knooppunten zijn vanuit het gevoel van veiligheid een aandachtspunt. In deze gebieden is de sociale controle tussen zonsondergang en zonsopkomst verminderd aanwezig omdat de bewegingen rondom OV-knooppunten dan tot stilstand komen. De gemeente vindt het belangrijk dat er genoeg voorzieningen voor iedereen beschikbaar zijn en laat deze daarom meegroeien met het inwonertal. Op basis van de gestelde uitbreiding van het aantal woningen en arbeidsplaatsen is de kans echter klein dat er voldoende voorzieningen zijn. De uitbreiding van het voorzieningenaanbod kan bovendien ten koste gaan van de nog beschikbare binnenstedelijke openbare ruimte. Dit kan ervoor zorgen dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om elkaar te ontmoeten, te sporten of te bewegen. Daarnaast worden er in het alternatief geen uitspraken gedaan over het behoud en/of de versterking van monumenten, gebedshuizen of het aanbod van kunst en cultuur. Ook deze voorzieningen dragen eraan bij dat de gemeente een plek van en voor iedereen kan zijn. Alternatief 1 heeft geen potentie om bij te dragen aan de doelen onder ‘een plek van en voor iedereen’. Economisch vitaal, passend bij een woongemeente In alternatief 1 worden 3.000 arbeidsplaatsen gerealiseerd tot 2050. Dit zijn meer arbeidsplaatsen dan het doel van 2.000 in 2030.

1.800 van de arbeidsplaatsen komen rondom OV-knooppunten zoals Station Voorburg, Station Mariahoeve, Voorburg ’t Loo en Laan van NOI, en 1.200 arbeidsplaatsen worden verspreid over de gemeente toegevoegd. De toevoeging van arbeidsplaatsen rondom de OV-knooppunten in combinatie met de uitbreiding van de woningvoorraad vergroot de aantrekkelijkheid van de gemeente als woongemeente.

81 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

Het alternatief maakt niet duidelijk op welke sectoren er voor deze arbeidsplaatsen wordt ingezet. Daarom is het lastig te beoordelen in welke mate dit bijdraagt aan de realisatie van arbeidsplaatsen in de dienstverlening, detailhandel en zorgsector. Daarnaast is het onduidelijk of en hoe de levendigheid, aantrekkelijkheid en bereikbaarheid van de 4 kernwinkelcentra worden verbeterd. Wel is het, vanwege de toenemende druk op de ruimte door onder andere woningbouw, het toevoegen van arbeidsplaatsen, het behouden van voldoende groen en het bieden van ruimte aan (energie-)infrastructuur onwaarschijnlijk dat er tenminste 5 % van de ruimte van bouwprojecten voor voorzieningen en bedrijvigheid kan worden gereserveerd. In het alternatief wordt het oppervlak van de huidige bedrijventerreinen behouden en worden de bedrijventerreinen gerevitaliseerd. Dit draagt bij aan het doel om het bestaande terrein te behouden. Daarnaast wordt er in het alternatief ingezet op de profilering van de gemeente voor recreatie en toerisme. Dit draagt bij aan het doel om hierop verder te ontwikkelen. Er wordt ingezet op de uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen, maar het is onduidelijk in welke sectoren deze uitbreiding plaatsvindt. Het is daarom lastig te beoordelen in hoeverre deze uitbreiding de huidige werkloosheid onder praktisch geschoolden oplost.

Alternatief 1 heeft beperkte potentie om bij te dragen aan de doelen voor ‘economisch vitaal, passend bij een woongemeente’. Duurzaam toekomstbestendig Het alternatief gaat niet in op de vraag hoe er wordt ingezet op de energie- en warmtetransitie. Wel is duidelijk dat er geen grootschalige zonne- of windenergie in het buitengebied van de gemeente landt. Daarnaast is het onduidelijk in hoeverre er wordt ingezet op natuur inclusieve en/of circulaire bouw. Ook is het onduidelijk hoe er wordt ingezet op de verduurzaming van de huidige gebouwen. Dit maakt dat het doel om in 2050 CO2-neutraal te zijn niet behaald kan worden. Door de uitbreiding van de woningvoorraad en het aantal arbeidsplaatsen neemt de mate van verharding binnen de gemeente toe. Dit heeft effect op de mate van hittestress en het optreden van (lokale) wateroverlast. Het is onduidelijk in hoeverre er maatregelen worden doorgevoerd om in te spelen op de toename van hittestress. Hiervoor is geen formeel beleid vastgesteld. Om wateroverlast tegen te gaan wordt hemelwater zo veel mogelijk afgekoppeld naar bodem- of oppervlaktewater. Enkele woningbouwlocaties bevinden zich in gebieden met een kleine kans op overstroming. De verduurzaming van de bedrijventerreinen wordt niet specifiek benoemd. Er is in de gemeente weinig schuifruimte om ruimte te creëren voor bedrijven in bijvoorbeeld de circulaire economie.

Dit zou bijdragen aan de realisatie van een circulaire economie maar is lastig haalbaar. Ook in de regio is hiervoor weinig ruimte beschikbaar. Dit vormt een knelpunt. De mate waarin duurzame landbouw bijdraagt aan het behalen van de doelen voor ‘duurzaam toekomstbestendig’ is onbekend, omdat niet duidelijk is wat de gemeente verstaat onder duurzame landbouw. Alternatief 1 heeft geen potentie om de doelen onder ‘duurzaam toekomstbestendig’ te halen.

82 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

6.7.2

Doelbereik alternatief 2

Tabel 6.15 Beoordeling doelbereik alternatief 2 Toekomstperspectief

Doelbereik

een hoogwaardig verblijfsklimaat

beperkte potentie

goed verbonden

beperkte potentie

een plek van en voor iedereen

geen potentie

economisch vitaal, passend bij een woongemeente

beperkte potentie

duurzaam toekomstbestendig

geen potentie

Een hoogwaardig verblijfsklimaat Er wordt in dit alternatief ingezet op een flinke uitbreiding van de woningvoorraad (8.000 woningen). Deze uitbreiding vindt grotendeels binnenstedelijk plaats. Dit kan ten koste gaan van het beschikbare openbare groen in de kernen. Het doel om het buitengebied onbebouwd te laten wordt mogelijk niet behaald omdat er wordt ingezet op een uitbreiding van 150 woningen in de kern Stompwijk. Het is niet duidelijk in hoeverre de uitbreiding in Stompwijk binnen of buiten de bestaande kern wordt gerealiseerd. De bouw van woningen in het buitengebied gaat ten koste van het onbebouwde gebied. Verdere inzet op de versterking van groen in het buitengebied of binnen de kernen komt in het alternatief niet aan de orde. Ook is het onduidelijk of en hoe er wordt ingezet op het onderhoud en beheer van de openbare ruimte. Naast woningbouw heeft de sterkere profilering op het gebied van recreatie en toerisme impact op de biodiversiteit en de leefgebieden van planten en dieren; deze nemen af. De sterkere profilering van recreatie en toerisme draagt wel bij aan een prettige leefomgeving. Vrijwel alle woningbouwlocaties liggen in gebieden met een hoge archeologische (verwachtings-)waarde. Ook is het onduidelijk of en hoe het alternatief het behoud van historische gebieden en gebouwen beter zichtbaar maakt.

De gemeente zet er op in om het voorzieningenaanbod mee te laten groeien met het aantal inwoners. Door de uitbreiding van de woningvoorraad ontstaat er ook een toenemende behoefte aan bijvoorbeeld ontmoetingsplekken en sportlocaties. Door de mate van uitbreiding bestaat er echter een lage potentie om het voorzieningenaanbod volledig mee te laten stijgen. De luchtkwaliteit gaat achteruit. De geconcentreerde stijging in woningen en arbeidsplaatsen zorgt voor een toename in verkeer en een toename in emissies. Door de toenemende woningvoorraad en het optoppen neemt de anonimiteit toe. Hierdoor gaat de veiligheid achteruit. In het alternatief worden geen concrete beleidsvoorstellen gedaan om dit te mitigeren. De mate waarin duurzame landbouw bijdraagt aan het doelbereik wat betreft water-, bodem- en luchtkwaliteit is onbekend, omdat niet duidelijk is wat de gemeente verstaat onder duurzame landbouw. De potentie van alternatief 2 voor het doelbereik van ‘een hoogwaardig verblijfsklimaat’ wordt als beperkt gezien. Goed verbonden De uitbreiding van de woningvoorraad vindt gedeeltelijk plaats rondom de OV-knooppunten binnen de kernen Leidschendam en Voorburg. Dit kan een impuls geven aan de bereikbaarheid van de locaties met het openbaar vervoer. Daarnaast wordt maximaal ingezet op het STOMP-principe. De uitwerking van dit principe bepaalt de mate waarin positieve effecten optreden.

De stimulering van langzaam verkeer en de concentratie van ontwikkelingen rondom de OV-knooppunten draagt bij aan een duurzame mobiliteit, wat de milieubelasting door geur, geluid en fijnstof kan beperken. Echter, de toevoeging van 8.000 woningen en 4.000 arbeidsplaatsen vindt voor respectievelijk 69 en 50 % plaats buiten de OV-knooppunten. Dit zal de verkeersintensiteit en daarmee de congestie voor gemotoriseerd verkeer verhogen. Zo vindt een deel van de uitbreiding plaats rondom de N14, waar nu al sprake is van congestie.

83 | 162 Witteveen+Bos | 145515/25-010.084 | Definitief

De milieubelasting van het verkeer (door geluid, geur en fijnstof) hangt af van de manier waarop en mate waarin invulling wordt gegeven aan het STOMP-principe. Het verlagen van de snelheid van 50 naar 30 km/u op bepaalde wegvakken vermindert de belasting van het verkeer op het milieu. Ook verbetert het verlagen van de snelheid de verkeersveiligheid. Door de toevoegingen van woningen en arbeidsplaatsen is het onduidelijk in welke mate het voorzieningenaanbod kan meegroeien. Daardoor is niet goed te beoordelen of aan het doel van voorzieningen in de nabijheid kan worden voldaan. Het concept van de 15-minutenstad is in de kern Stompwijk niet haalbaar. De potentie van alternatief 2 voor het doelbereik van ‘goed verbonden’ wordt als beperkt gezien. Een plek van en voor iedereen In alternatief 2 worden er 6.445 woningen toegevoegd ten opzichte van de referentiesituatie, het gaat in totaal om 8.000 woningen waarmee het doel van 6.000 woningen ruim wordt behaald. Het is echter onduidelijk wat voor type woningen er wordt gebouwd Voor de betaalbaarheid van nieuwbouwwoningen zijn de richtlijnen uit de aangepaste Verordening sociale en middeldure woningbouw aangehouden. In de Koersnotitie staan geen richtlijnen voor de betaalbaarheid van nieuwbouwwoningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=25f61d2d-9c34-4bd9-be6d-daa4ee63777a