4305 Nota van wijzigingen herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk
Tekst van het document
Nota van wijzigingen
‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (IDN-nr.: NL.IMRO.1916.Stedelijk-VG02) ter uitvoering van de tussenuitspraak Raad van State, d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RVS:2025:2049
Zaaknummer: 2006913
Raadsvergadering d.d. 8 juli 2025 Behorende bij raadsbesluit 2025 / Paraaf griffier,
Versie
:
Definitief
Datum
:
8 juli 2025
1
Inhoudsopgave A.
INLEIDING ...................................................................................................................................... 3
B.
BEROEPSSCHRIFTEN .................................................................................................................. 4 B1.
OVERZICHT BEROEPSSCHRIFTEN ................................................................................... 4
B2.
OVERWEGINGEN AANPASSINGEN BESTEMMINGSPLAN .............................................. 4
B2.1
INDIENER 1 ........................................................................................................................... 5
B2.2
INDIENER BEROEP 2 ........................................................................................................... 6
C.
WIJZIGINGEN IN HET BESTEMMINGSPLAN .............................................................................. 8
C1.
Wijzigingen naar aanleiding van de tussenuitspraak ................................................................. 8
Bijlage 1 ................................................................................................................................................. 10 Bijlage 2 ................................................................................................................................................. 11 Bijlage 3 ................................................................................................................................................. 13
2
A.
INLEIDING
In 2022 heeft de gemeente, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, besloten om al haar bestemmingsplannen voor het stedelijk gebied samen te voegen tot één bestemmingsplan. Deze samenvoeging was erop gericht om te komen tot overzichtelijke en geharmoniseerde planregels ten behoeve van het toekomstige omgevingsplan. Het bestemmingsplan ‘Stedelijk’ omvat de kernen Leidschendam, Voorburg en Stompwijk. Het nieuwe bestemmingsplan behoudt de bestaande regels voor gronden en bouwwerken en laat geen nieuwe of grotere ontwikkelingen toe in het gebied waarvoor het geldt. De Omgevingswet is na jaren vertraging op 1 januari 2024 in werking getreden. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Stedelijk’ heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) juncto afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter inzage gelegen van vrijdag 25 juni tot en met donderdag 5 augustus 2021. Het bestemmingsplan ‘Stedelijk’ is op 22 februari 2022 door de gemeenteraad van LeidschendamVoorburg (hierna: de gemeenteraad) vastgesteld. Tijdens de beroepstermijn zijn er 4 beroepsschriften en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De ABRvS heeft de indiener van de voorlopige voorziening op 16 augustus 2022 in het gelijk gesteld.
Om te voldoen aan de uitspraak van ABRvS heeft gemeenteraad op 17 januari 2023 het ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (kenmerk: NL.IMRO.1916.Stedelijk2-VG01) vastgesteld. Op 10 december 2024 heeft de ABRvS de verschillende beroepen op zitting behandeld. De ABRvS heeft in haar tussenuitspraak van 7 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2049) geoordeeld dat het bestemmingsplan niet op alle onderdelen met de juiste zorgvuldigheid en motivering is voorbereid. In 2 van de ingediende beroepen is de ABRvS het daarom eens met de indieners. De overige beroepsschriften zijn niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard. Bij het nemen van een nieuw besluit behoeft de raad geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het nieuwe besluit dient wel op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en medegedeeld. Deze nota beschrijft de, ten opzichte van het eerder vastgestelde ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (kenmerk: NL.IMRO.1916.Stedelijk2-VG01), bij de gerepareerde vaststelling van het plan doorgevoerde wijzigingen. In Onderdeel B wordt allereerst beschreven welke beroepschriften zijn ontvangen.
3
In Onderdeel C wordt beschreven welke inhoudelijke en/of redactionele aanpassingen naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn doorgevoerd in de plantoelichting, in de regels en op de verbeelding.
B.
BEROEPSSCHRIFTEN
Gedurende de beroepstermijn tegen het vastgestelde ‘bestemmingsplan Stedelijk’ dan wel het ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ zijn 4 beroepsschriften door de Raad van State ontvangen.
B1. Nr.
OVERZICHT BEROEPSSCHRIFTEN Indiener
Adres
Postcode/ plaats
Ontvangen door ABRvS
1.
Indiener 1
-
-
15 april 2022
2.
Indiener 2
-
-
08 april 2022 aangevuld d.d. 20 februari 2023
3.
Indiener 3
-
-
28 april 2022
4.
Poelmann Van den Broek
Postbus 1126
6501 BC
26 april 2022
advocaten Beroepsschrift 3 is ongegrond verklaard terwijl beroepsschrift 4 niet-ontvankelijk is verklaard. Beide beroepschriften worden in dit document niet verder behandeld.
B2.
OVERWEGINGEN AANPASSINGEN BESTEMMINGSPLAN
Voor de inhoudelijke beroepen, alsmede het standpunt van de Afdeling bestuursrechtspraak daarop, verwijzen wij naar bijlage 1. In deze paragraaf worden uitsluitend de beroepsgronden, genoemd onder punt 18 van de tussenuitspraak behandeld.
4
B2.1
INDIENER 1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) oordeelt, met inachtneming van rechtsoverweging 9.2 van de tussenuitspraak, dat de gemeenteraad (hierna: raad) naar het oordeel van de ABRvS geen blijk heeft gegeven van de gewijzigde omstandigheden in de besluitvorming.
De ABRvS citerend: Niet in geding is het feit dat het gebruik van het complex als bestaand legaal gebruik moet worden aangemerkt. De gemeenteraad dient echter bij de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging te maken van de belangen die zijn betrokken bij een goede ruimtelijke ordening. In dit geval, bij de vaststelling van een conserverend bestemmingsplan, heeft de gemeenteraad terecht geoordeeld dat het winkelcentrum onder bestaand legaal gebruik valt en om die reden als zodanig beschermd dient te worden. Dit is slechts anders indien in verband met gewijzigde omstandigheden of andere planologische inzichten de bestemming vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke onderbouwing niet langer aanvaardbaar is. De ontwikkeling van de Mall was al in het vorige (onherroepelijke) bestemmingsplan ‘Leidsenhage’ opgenomen. Het is niet gebruikelijk dat het opnieuw in een bestemmingsplan opnemen van een al bestaande legale situatie in een uitspraak van de bestuursrechter nogmaals ter discussie wordt gesteld. In haar tussenuitspraak komt de ABRvS echter tot de conclusie dat de gewijzigde omstandigheden of andere planologische inzichten de bestemmingen vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet langer aanvaardbaar zijn nu er door het bevoegd gezag geen nader onderzoek is uitgevoerd naar de effecten op de omgeving hiervan.
De ABRvS verwijst in de tussenuitspraak naar een eerdere uitspraak van de Afdeling op 29 januari 2025 waar evenzeer sprake is van een conserverend bestemmingsplan. Er is echter een wezenlijk verschil met de situatie rond de Mall. In het plangebied waar de door de ABRvS aangehaalde uitspraak naar verwijst, waren oorspronkelijk 2 padelbanen legaal aanwezig. Met de conserverende herziening van het plan was uitbreiding naar 9 padelbanen mogelijk. Dit ‘conserverende’ plan maakte dus een forse uitbreiding ten opzichte van wat voorheen bestond mogelijk met ook nog aanzienlijke extra ruimtelijk impact op de omgeving. Dat is bij de Mall niet het geval. De omvang van de Mall is op dezelfde maat gemaximeerd als in het eerder berstemmingsplan ‘Leidsenhage’. Ten opzichte daarvan is er geen enkele verruiming of verzwaring van functies. Het ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ zorgt dus niet voor extra of andere impact van de Mall dan het al onherroepelijk bestemmingsplan ‘Leidsenhage’. De ABRvS gaat niet mee met het standpunt van de gemeenteraad op de zitting dat er in verkeersmaatregelen bij het winkelcentrum wordt geïnvesteerd, om de mogelijke hinder voor de direct omwonenden op termijn beter te ondervangen, en de gemeenteraad onder die voorwaarden de verkeerscongestie op resterende piekmomenten vooralsnog aanvaardbaar acht.
5
In haar uitspraak constateert de ABRvS dat de gemeenteraad geen aandacht heeft gegeven aan de gewijzigde omstandigheden (uitblijven van het aanpassen van de kruisingen in de N14 door de Rijksoverheid) bij het vaststellen van het ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’. De ABRvS geeft in haar uitspraak geen oplossingsrichting aan, dit is aan de gemeenteraad. Binnen de gestelde periode van 16 weken is het onmogelijk om onderzoek uit te voeren, te verwerken en een nieuw besluit vast te laten stellen door de gemeenteraad. Om toch te voldoen aan de uitspraak wordt daarom nu gekozen voor een tijdelijke oplossing, waarbij het plandeel, gelegen tussen de Noordsingel, Johan Sebastian Bachlaan, Heuvelweg en het Groot Zijdepark, uit het ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ wordt gehaald en voor dit gedeelte wordt teruggegaan naar het hiervoor geldend en onherroepelijk bestemmingsplan ‘Leidsenhage’. Parallel wordt gewerkt aan een structurele oplossing, die op een later moment kan worden ingepast. In de tussenliggende periode zal tevens het contact met de Rijksoverheid via de MRDH regio en de provincie Zuid Holland over de aanpassing van de N14 worden gecontinueerd.
Samenvattend stelt het college de gemeenteraad voor om het plandeel voor de Mall, gelegen tussen de Noordsingel, Johan Sebastian Bachlaan, Heuvelweg en het Groot Zijdepark uit het ‘Herstelplan bestemmingsplan Stedelijk’ te halen. In bijlage 2 is de aangepaste verbeelding voor het plandeel opgenomen.
B2.2
INDIENER BEROEP 2
B2.2.1 TEGENSTRIJDIGE REGELING BIJBEHORENDE BOUWWERKEN De ABRvS heeft geconstateerd dat een 2-tal regels binnen de bestemming “Wonen – Grondgebonden’ innerlijk tegenstrijdig zijn. Het uitsluiten van bijbehorende bouwwerken op een perceel is in het bewuste artikel op verschillende wijze aangeduid. Die tegenstrijdigheid is ondervangen door een van beide regels te schrappen, te weten 31.2.1 onder d. De specifiek bouwaanduiding [-sba-bg] komt niet voor op de verbeelding behorende bij het plan en is derhalve overbodig. B2.2.2 GEBRUIKTE AANDUIDINGEN De ABRvS constateert dat de aanduiding “(-dh)” niet op de verbeelding voorkomt. De aanduiding “detailhandel uitgesloten” komt wel op de verbeelding voor maar niet in de planregels. Dit is aangepast door in de planregel eenzelfde aanduiding op te nemen als op de verbeelding.
6
B2.2.3 SPEELTUIN ROZENLAAN 16A De ABRvS constateert dat aan het perceel Rozenlaan 16a in Leidschendam de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ is toegekend. In de bijbehorende planregels is geregeld welke functies, waaronder een museum en een theater, zijn toegestaan. Dit zorgt ervoor dat er naast de huidige speeltuin ten onrechte nog andere functies zijn toegelaten. In het voorheen geldende bestemmingsplan was ter plaatse alleen een speeltuin toegestaan. De functieaanduiding ‘speeltuin’ wordt toegekend aan het perceel Rozenlaan 16a in Leidschendam zodanig dat er uitsluitend een speeltuin en dus geen andere functies aldaar zijn toegestaan. B2.2.4 KINDEROPVANG IN DE BESTEMMINGEN ‘GEMENGD-1’ EN ‘MAATSCHAPPELIJK’ De ABRvS constateert dat aan het perceel Prins Hendriklaan 30 in Leidschendam de bestemming “Maatschappelijk” is toegekend en aan de percelen Prins Hendriklaan 53, 57 en 84 de bestemming “Gemengd-1”. Uit de bij deze bestemmingen behorende planregels volgt dat alle vormen van kinderopvang zijn toegestaan binnen de genoemde bestemmingen. Vooraf is geen onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke gevolgen van het toestaan van deze functies Op dit moment zijn er op de genoemde percelen geen vormen van kinderopvang aanwezig.
De definitie van ‘maatschappelijke voorzieningen’ is aangevuld zodanig dat op de adressen Prins Hendriklaan 30, 53, 57 en 84 te Leidschendam geen vorm van kinderopvang is toegestaan. Indien er in de toekomst initiatieven zijn voor het vestigen van een vorm van kinderopvang kan op basis van een omgevingsvergunning medewerking worden verleend. Hiervoor dient er wel onderzoek te worden uitgevoerd naar de ruimtelijke effecten van de aanvraag op de omliggende omgeving.
7
C.
WIJZIGINGEN IN HET BESTEMMINGSPLAN
Ten opzichte van het eerder op 17 januari 2023 vastgestelde ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ de daarbij behorende zienswijzennota/nota van wijzigingen (integraal opgenomen en deeluitmakende van deze nota, zie bijlage 3) zijn naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van State meerdere wijzigingen opgenomen in het gerepareerde en vast te stellen ‘Herstelbesluit bestemmingplan Stedelijk’. De wijzigingen worden hieronder, paragraaf C1, weergegeven. Verder worden in paragraaf C2 eventuele ambtshalve wijzigingen benoemd.
C1.
Wijzigingen naar aanleiding van de tussenuitspraak
Algemeen Alle in onderdeel C1 genoemde artikelnummers verwijzen naar het ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ vastgesteld op 17 januari 2023. Door het verwijderen c.q. toevoegen van paragrafen en bijlagen zijn de opvolgende nummers automatisch vernummerd.
C1-1.
Toelichting
•
Paragraaf 1.3 ‘Ligging en begrenzing plangebied’ tekstueel gewijzigd;
•
Paragraaf 1.3 ‘Afbeelding plangebied’, geactualiseerd;
•
Paragraaf 1.4 onder 14 ‘Bestemmingsplan Leidsenhage’ verwijderd;
•
Paragraaf 2.1.1.2 ‘Afbeeldingen 18 t/m 21’, verwijderd;
•
Paragraaf 2.1.1.2 ‘Van Leidsenhage naar de Westfield Mall of the Netherlands’, verwijderd;
•
Paragraaf 2.1.2.3 ‘tekstpassage over Westfield Mall of the Netherlands’, verwijderd;
•
Paragraaf 2.2.4 Winkels en horeca, zinssnede ‘Westfield Mall of the Netherlands, bovenregionaal centrum voor recreatief winkelen’, verwijderd;
•
Paragraaf 2.2.4 Winkels en horeca, alinea ‘Westfield Mall of the Netherlands’, verwijderd;
•
Paragraaf 2.2.4 Opsomming van centrumlocaties ‘Westfield Mall of the Netherlands’, verwijderd;
•
Paragraaf 2.2.5 Onderwijs en kinderopvang, aangevuld met motivering aanvulling definitie ‘maatschappelijke voorzieningen’;
•
Paragraaf 11.3 Bestemmingsomschrijving ‘Bedrijf - Gasdrukmeet- en regelstation’, verwijderd;
•
Paragraaf 11.3 Bestemmingsomschrijving ‘Winkelcentrum’, verwijderd;
•
Paragraaf 11.3 bestemmingsomschrijving ‘Cultuur en ontspanning’, aangevuld;
C1-2.
Regels
•
Artikel 1.1 gewijzigd. Status IDN-nummer gewijzigd in NL.IMRO.1916.Stedelijk2-VG03;
•
Artikel 1.81 definitie ‘entertainment binnen bestemming Winkelcentrum' verwijderd;
•
Artikel 1.113 definitie ’integraal winkelcircuit’ verwijderd;
•
Artikel 1.134 definitie ‘maatschappelijke voorzieningen’ gewijzigd. Aan de definitie is de volgende zin toegevoegd: ‘met uitzondering van de adressen Prins Hendriklaan 30, 53, 57 en 84 te Leidschendam’;
•
Artikel 1.156 lid d. ‘op gronden met de bestemming 'Winkelcentrum' indien het bouwwerk in of op de grond wordt gebouwd: Nieuw Amsterdams Peil (NAP) + 0,10 meter’, verwijderd;
8
•
Artikel 1.158 definitie ‘pickup point’, verwijderd;
•
Artikel 1.160 definitie ‘proactief winkelcentrummanagement’, verwijderd;
•
Artikel 1.165 definitie ‘regionaal verzorgend winkelcentrum’, verwijderd;
•
Artikel 1.199 definitie ‘winkelformule’, verwijderd;
•
Artikel 4 ‘Bedrijf - Gasdrukmeet- en regelstation’, verwijderd;
•
Artikel 7.1.1 onder b ‘een speeltuin’ verwijderd;
•
Artikel 7.1.1 onder f de aanduiding ‘ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin' uitsluitend een speeltuin’ toegevoegd;
•
Artikel 12.1.1 onder n de aanduiding ‘detailhandel uitgesloten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (-dh)’ verwijderd;
•
Artikel 12.1.1 onder q de aanduiding ‘ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel uitgesloten’ is detailhandel uitgesloten’, toegevoegd;
•
Artikel 17.1.1 onder a sub 4 ‘Horeca t/m categorie 4, als bedoeld in de van deze regels deel uitmakende Staat van Horeca-activiteiten - Mall of the Netherlands, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (h<4)’, verwijderd;
•
Artikel 26.1.1 onder k, ‘evenemententerrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (ev)’, verwijderd;
•
Artikel 27.1.1 onder e, ‘een ijsbaan bestaande uit drijvende pontons ten behoeve van een seizoensgebonden kunstijsbaan met bijbehorende voorzieningen, waaronder mede begrepen horeca tot en met categorie 2 als bedoeld in de van deze regels deel uitmakende Staat van Horeca-activiteiten - Mall of the Netherlands, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (ijs)’, verwijderd;
•
Artikel 28 ‘Winkelcentrum’ geheel verwijderd;
•
Artikel 31.2.1 onder d, aanduiding ‘behorend bouwwerk uitgesloten, ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding [-sba-bg]’, verwijderd;
•
Artikel 48.16, ‘Wetgevingszone - wijzigingsgebied 7’, verwijderd;
•
Artikel 48.17, ‘Wetgevingszone - wijzigingsgebied 8’, verwijderd;
•
Artikel 50.2, ‘Uitsluiten cumulatieve werking wijzigingsbevoegdheid’, verwijderd;
•
Bijlage 3 bij de regels, ‘Staat van Horeca-activiteiten - Mall of the Netherlands’, verwijderd;
•
Bijlage 4 bij de regels, 'Overzicht van lokaal verzorgende winkelcentra', verwijderd;
•
Bijlage 5 bij de regels, ‘'Gebiedsvisie herontwikkeling winkelcentrum Leidsenhage', verwijderd.
C1-3. •
Verbeelding Plandeel de Mall, gelegen tussen de Noordsingel, Johan Sebastian Bachlaan, Heuvelweg en het Groot Zijdepark, verwijderd (bijlage 2);
•
Aanduiding ‘ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin' uitsluitend een speeltuin’ toegevoegd op het adres/ perceel Rozenlaan 16a in Leidschendam.
9
Nota van wijzigingen
‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (IDN-nr.: NL.IMRO.1916.Stedelijk-VG02) ter uitvoering van de tussenuitspraak Raad van State, d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RVS:2025:2049
Zaaknummer: 2006913
Bijlage 1
10
ECLI
ECLI:NL:RVS:2025:2049
Datum uitspraak
7 mei 2025
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de raad van de gemeente LeidschendamVoorburg het bestemmingsplan "Stedelijk" vastgesteld. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridische regeling voor het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het plan vervangt verschillende ter plaatse geldende plannen en is ook vastgesteld in voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de plantoelichting staat dat het plan conserverend is en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. [appellant sub 1] betoogt dat geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan. Hij wijst erop dat omwonenden in de huidige situatie al hinder ondervinden van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum, maar dat er desondanks geen actueel verkeersonderzoek aan het plan ten grondslag is gelegd. Evenmin is in het plan een oplossing voor de verkeersafwikkeling vastgelegd.
Volledige tekst 202202275/1/R3. Datum uitspraak: 7 mei 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, 2. [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] (hierna tezamen: [appellanten sub 2]), allen wonend in Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, 3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend in Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, 4. Stichting IMMO Huurwoningfonds 2 (hierna: de stichting), gevestigd in Eindhoven, appellanten,
1
en de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Stedelijk" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en Stichting IMMO Huurwoningfonds 2 beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Bij besluit van 17 januari 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "herstelbesluit Stedelijk" vastgesteld. [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 10 december 2024 behandeld, waar [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. I. El Mourabit, advocaat te Den Haag, [appellanten sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. Heijnen en D. van Berlo, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan "Stedelijk" is op 25 juni 2021 ter inzage gelegd.
Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan voorziet in een actueel planologisch-juridische regeling voor het stedelijk gebied van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Het plan vervangt verschillende ter plaatse geldende plannen en is ook vastgesteld in voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de plantoelichting staat dat het plan conserverend is en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Herstelbesluit 3. De stichting heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 16 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2370 op dat verzoek beslist. Naar aanleiding van deze uitspraak is met het besluit van 17 januari 2023 het bestemmingsplan "Stedelijk" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Daarmee is met dit besluit het besluit van 22 februari 2022, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Stedelijk", vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van Awb. 4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Aangezien het herstelbesluit niet geheel
2
aan de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2], en [appellant sub 3] tegemoetkomt, hebben die beroepen van rechtswege ook betrekking op dit herstelbesluit. De stichting heeft in haar zienswijze geschreven dat zij zich met het herstelbesluit kan verenigen omdat daarmee geheel is tegemoetgekomen aan haar beroep. Omdat de stichting in de zienswijze op het herstelbesluit heeft gesteld dat zij zich met het herstelbesluit kan verenigen, is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan. 5. In het vervolg van deze uitspraak zullen eerst de beroepen tegen het besluit van 17 januari 2023 worden besproken. Dit besluit is namelijk geheel in werking getreden en behelst het geldende planologische regime. Daarna zal worden bezien of nog aan de beoordeling van het besluit van 22 februari 2022 tot vaststelling van het plan "Stedelijk" wordt toegekomen. Toetsingskader 6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. 7. De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage van deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Het besluit van 17 januari 2023 Het beroep van [appellant sub 1] 8. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1] in Leidschendam. Zijn beroep gaat over het plandeel dat betrekking heeft op het perceel Liguster 202 in Leidschendam. Op dit perceel is winkelcentrum "Mall of the Netherlands" gevestigd. Verkeer 9. [appellant sub 1] betoogt dat geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan. Hij wijst erop dat omwonenden in de huidige situatie al hinder ondervinden van het verkeer afkomstig van het winkelcentrum, maar dat er desondanks geen actueel verkeersonderzoek aan het plan ten grondslag is gelegd. Evenmin is in het plan een oplossing voor de verkeersafwikkeling vastgelegd. 9.1. De Afdeling stelt voorop dat in een bestemmingsplan niet geregeld hoeft te worden hoe een weg of ontsluiting verkeerstechnisch wordt ingericht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2985, onder 18.1).
De inrichting heeft namelijk geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Wel is van belang of de raad zich er voldoende van heeft vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie en afwikkeling in en om het plangebied bestaat of kan worden gerealiseerd. 9.2. Het winkelcentrum "Mall of the Netherlands" betreft een ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan bestaand legaal gebruik. Uit het onder 6 weergegeven toetsingskader volgt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging dient te maken van de belangen die zijn betrokken bij een goede ruimtelijke ordening. In een geval als hier
3
aan de orde, waarin het gaat om de vaststelling van een conserverend bestemmingsplan, mag de raad daarbij betrekken dat het winkelcentrum onder het legaal bestaande gebruik valt en om die reden in beginsel als zodanig dient te worden bestemd. Dit is slechts anders indien in verband met gewijzigde omstandigheden of andere planologische inzichten de bestemming vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet langer aanvaardbaar is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:316, onder 5.1. De raad heeft op de zitting toegelicht dat er bij het verkeersonderzoek dat aan het vorige bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, van uit is gegaan dat de N14 zou worden aangepast door het realiseren van ongelijkvloerse kruisingen, waardoor de doorstroming van het verkeer en de bereikbaarheid van het winkelcentrum zouden verbeteren. De raad heeft toegelicht dat het rijk het project A4 Haaglanden-N14 heeft gepauzeerd en het vanwege de stikstofproblematiek niet de verwachting is dat deze ontwikkeling op korte termijn zal worden verwezenlijkt. Dit betekent dat de ongelijkvloerse kruisingen vooralsnog niet zullen worden aangelegd.
Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat ondanks de gewijzigde omstandigheden een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om het winkelcentrum bestaat of kan worden gerealiseerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 1] erop heeft gewezen dat de bereikbaarheid van de nabij het winkelcentrum gelegen woningen onder druk staat op de dagen dat er veel bezoekers naar het winkelcentrum komen. Het standpunt van de raad op de zitting dat er in verkeersmaatregelen bij het winkelcentrum wordt geïnvesteerd, waardoor de overlast voor de direct omwonenden op termijn zal afnemen, en het niet nader onderbouwde standpunt dat hij de verkeerscongestie op piekmomenten aanvaardbaar acht, leidt niet tot een ander oordeel. De raad heeft er naar het oordeel van de Afdeling geen blijk van gegeven dat deze gewijzigde omstandigheden in de besluitvorming, waarbij het plan is vastgesteld, zijn betrokken. Gelet hierop is het besluit van 17 januari 2023 in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. Overig 10. De Afdeling overweegt dat, voor zover [appellant sub 1] betoogt dat geen actuele onderzoeken naar luchtkwaliteit en flora- en fauna aan het plan ten grondslag zijn gelegd, dit betoog niet slaagt, alleen al omdat [appellant sub 1] dit betoog niet heeft onderbouwd.
Het beroep van [appellanten sub 2] 11. [appellanten sub 2] wonen aan de [locatie 2] en [locatie 3] in Leidschendam. Zij kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan omdat zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Rechtszekerheid 12. [appellanten sub 2] betogen dat het plan in strijd is met de rechtszekerheid. Daartoe voeren zij aan dat de planregels innerlijk tegenstrijdig zijn. Zo worden bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de bestemming "Wonen - Grondgebonden", die aan hun perceel is toegekend, zowel uitgesloten in artikel 31.2.1, aanhef en onder c, van de planregels als in artikel 31.2.1, aanhef en onder d, van de planregels. Verder voeren [appellanten sub 2] aan dat er een discrepantie bestaat tussen de verbeelding en de planregels. De planregels verwijzen naar aanduidingen die niet overeenkomen met de aanduidingen op de verbeelding. Zo spreekt artikel 12.1.1, aanhef en onder n, van de planregels over de aanduiding "(-dh)". Die
4
aanduiding komt echter niet voor op de verbeelding. 12.1. Over het betoog van [appellanten sub 2] dat genoemde planregels innerlijk tegenstrijdig zijn, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:939, onder 13.4, wordt een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk uitgelegd. In artikel 31.2.1, onder c, van de planregels is bepaald dat bijbehorende bouwwerken zijn uitgesloten ter plaatse van de bouwaanduiding "[bg]", terwijl in artikel 31.2.1, onder d, van de planregels is bepaald dat bijbehorende bouwwerken zijn uitgesloten ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding "[sba-bg]". Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee onvoldoende duidelijk geregeld dat bijbehorende bouwwerken op gronden met de bestemming "Wonen - Grondgebonden" niet zijn toegestaan. Gelet hierop is het besluit van 17 januari 2023 in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaagt in zoverre. 12.2. Over het betoog van [appellanten sub 2] dat de planregels verwijzen naar aanduidingen die niet overeenkomen met de aanduidingen op de verbeelding, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "(-dh)" niet op de verbeelding voorkomt. De aanduiding "detailhandel uitgesloten" komt wel op de verbeelding voor, maar niet in de planregels.
In artikel 12.1.1, aanhef en onder n, van de planregels is detailhandel namelijk ter plaatse van de aanduiding "(-dh)" uitgesloten. Dit heeft tot gevolg dat op de locaties waar op de verbeelding de functieaanduiding "detailhandel uitgesloten" staat, detailhandel toch is toegestaan. Gelet hierop is het besluit van 17 januari 2023 in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. Verruiming van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1" 13. [appellanten sub 2] betogen dat het plan ten onrechte meer mogelijk maakt dan het vorige plan, zonder dat daar onderzoek naar is gedaan. Daarover voeren zij aan dat de bestemming "Cultuur en ontspanning" naast een speeltuin ten onrechte verschillende andere functies toestaat, bijvoorbeeld musea en theaters. Ook de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1" staan ten onrechte andere functies toe, zoals een kinderopvang. De ruimtelijke gevolgen van de andere functies zijn volgens [appellanten sub 2] ten onrechte niet onderzocht, terwijl deze een geheel andere ruimtelijke uitstraling hebben dan de functies die op basis van het voorgaande bestemmingsplan waren toegestaan. 13.1. Over het betoog van [appellanten sub 2] dat de bestemming "Cultuur en ontspanning" naast een speeltuin ten onrechte diverse andere functies toestaat, overweegt de Afdeling als volgt.
Op de verbeelding is aan de gronden van het perceel aan de Rozenlaan 16a in Leidschendam de bestemming "Cultuur en ontspanning" toegekend. In artikel 7.1.1 van de planregels is geregeld welke functies, waaronder een museum en een theater, zijn toegestaan. De raad heeft erkend dat ten onrechte niet de functieaanduiding "speeltuin" aan het perceel is toegekend. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het besluit van 17 januari 2023 wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt in zoverre. 13.2. Over het betoog van [appellanten sub 2] dat de ruimtelijke gevolgen van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1" ten onrechte niet zijn onderzocht,
5
overweegt de Afdeling als volgt. Aan de gronden van het perceel Prins Hendriklaan 30 is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend, en aan de gronden van de percelen Prins Hendriklaan 53, 57 en 84 is de bestemming "Gemengd - 1" toegekend. Uit artikel 19.1.1, aanhef en onder a, in samenhang gelezen met artikel 1.134 van de planregels volgt dat alle vormen van kinderopvang zijn toegestaan op gronden met de bestemming "Maatschappelijk". Op grond van artikel 12.1.1, aanhef en onder f, in samenhang gelezen met artikel 1.134 van de planregels is dit ook toegestaan op gronden met de bestemming "Gemengd - 1". Tussen partijen is niet in geschil dat genoemde percelen niet voor kinderopvang worden gebruikt. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat beoogd is om in een uniforme regeling te voorzien door alle vormen van kinderopvang aan te merken als een maatschappelijke voorziening. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee niet inzichtelijk gemaakt waarom er in ruimtelijk opzicht geen sprake is van een verruiming van de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Gemengd - 1", en dat om die reden de ruimtelijke gevolgen voor de omgeving niet onderzocht hoefden te worden. Het besluit van 17 januari 2023 is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt. Het beroep van [appellant sub 3] 14.
[appellant sub 3] woont aan de [locatie 4] in Voorburg. Haar beroep gaat over het plandeel dat betrekking heeft op het perceel Vondelstraat 3 in Voorburg. Goede procesorde 15. [appellant sub 3] heeft op de zitting betoogd dat het plan in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. 15.1. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De goede procesorde laat het indienen van een nieuwe beroepsgrond niet toe als andere partijen onvoldoende op die beroepsgrond kunnen reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Dat is hier het geval. [appellant sub 3] heeft deze beroepsgrond pas op de zitting naar voren gebracht en daardoor was het voor de raad niet mogelijk om op adequate wijze op deze beroepsgrond te reageren. Niet gebleken is dat [appellant sub 3] deze beroepsgrond niet in een eerder stadium van de procedure naar voren kon brengen. Gelet hierop is het voor het eerst op de zitting aanvoeren van deze grond in dit geval in strijd met een goede procesorde. De Afdeling laat deze grond daarom buiten beschouwing. Dakhelling 16.
[appellant sub 3] betoogt dat de bouwregels ten onrechte niet in een maximum dakhelling voorzien. Als gevolg daarvan vreest zij voor schaduwhinder in haar achtertuin en een aantasting van het straatbeeld. 16.1. Aan de gronden van het perceel Vondelstraat 3, dat haaks op het perceel van [appellant sub 3] ligt, is de bestemming "Wonen - Grondgebonden" toegekend. Op grond van artikel 31.2.2, aanhef en onder b, van de planregels mag de dakhelling niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven. Aan het perceel Vondelstraat 3 is op de verbeelding geen aanduiding toegekend. 16.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat
6
het plan voor de woning aan de Vondelstraat 3 niet in een maximum dakhelling hoeft te voorzien. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat de maximum dakhelling van woningen wordt vastgelegd in het bestemmingsplan als de woningen cultuurhistorische waarden bezitten. De raad heeft toegelicht dat de maximum dakhelling voor 11 woningen aan de Rodelaan in het bestemmingsplan is vastgelegd vanwege de cultuurhistorische waarden van deze woningen. Het is de Afdeling niet gebleken dat de woning aan de Vondelstraat 3 is gelegen in een wijk die is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Nu dat niet het geval is, heeft de raad het in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet nodig hoeven achten om in de bouwregels in een maximum dakhelling te voorzien. De enkele, niet onderbouwde vrees voor schaduwhinder leidt niet tot een ander oordeel. Het betoog slaagt niet. Conclusie over het besluit van 17 januari 2023 17. Het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 17 januari 2023 is ongegrond. Bestuurlijke lus 18. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben gebreken in het besluit van 17 januari 2023 aan het licht gebracht.
De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om de hiervoor onder 9.2, 12.1, 12.2, 13.1 en 13.2 geconstateerde gebreken in het besluit binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak te herstellen. 19. De raad moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mededelen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en mededelen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit hoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Conclusie over het besluit van 22 februari 2022 20. Niet is gebleken dat [appellant sub 3] belang heeft bij het inhoudelijk beoordelen van haar beroep tegen het oorspronkelijke plan. Het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 22 februari 2022 is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat voor [appellant sub 3] deze uitspraak een einduitspraak is, zodat hiermee haar procedure bij de Afdeling tot een einde is gekomen. 21. Niet is gebleken dat de stichting belang heeft bij het inhoudelijk beoordelen van haar beroep tegen het oorspronkelijke plan. Het beroep van de stichting tegen het besluit van 22 februari 2022 is daarom niet-ontvankelijk.
Dit betekent dat voor de stichting deze uitspraak een einduitspraak is, zodat hiermee haar procedure bij de Afdeling tot een einde is gekomen. 22. In de einduitspraak zal worden beslist over de overige beroepen gericht tegen het oorspronkelijke plan. Slotoverwegingen 23. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 3] te vergoeden. 24. De raad moet, gelet op wat in overweging 4 staat, de proceskosten van de stichting vergoeden. 25. In de einduitspraak zal worden beslist over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2]. Ook zal in de einduitspraak worden
7
beslist op het verzoek van [appellanten sub 2] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] tegen het besluit van 17 januari 2023 ongegrond; II. verklaart het beroep van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] tegen het besluit van 22 februari 2022 niet-ontvankelijk; III. verklaart het beroep van Stichting IMMO Huurwoningfonds 2 tegen het besluit 22 februari 2022 niet-ontvankelijk; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg tot vergoeding van bij Stichting IMMO Huurwoningfonds 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg aan Stichting IMMO Huurwoningfonds het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt; VI.
draagt de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg op: - om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat is overwogen onder 9.2, 12.1, 12.2, 13.1 en 13.2, de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg van 17 januari 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herstelbesluit Stedelijk" te herstellen, en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Van der Heijden griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025 884-1091
BIJLAGE Bestemmingsplan "herstelbesluit Stedelijk" Artikel 1.134 "Maatschappelijke voorzieningen: voorzieningen van educatieve, sociale, culturele, medische
8
en levensbeschouwelijke aard al dan niet in combinatie met daaraan ondergeschikte voorzieningen ten behoeve van dienstverlening en/of sport alsmede ondergeschikte detailhandel en/of horeca ten dienste van deze voorzieningen. Binnen deze bestemming zijn alle vormen van kinderopvang toegestaan;" Artikel 7.1.1 "De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een museum; b. een speeltuin; c. een theater; […]" Artikel 12.1.1 "De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] f. maatschappelijke voorzieningen; […] n. detailhandel uitgesloten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (-dh); […]" Artikel 19.1.1 "De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; […]" Artikel 31.2.1 "Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming 'Wonen - Grondgebonden' uitsluitend worden gebouwd: […] c. bijbehorend bouwwerk uitgesloten, uitsluitend ter plaatse van de bouwaanduiding [-bg]; d. bijbehorend bouwwerk uitgesloten, ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding' [-sbabg]; […]" Artikel 31.2.2 "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: […] b. de dakhelling mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;
9
[…]"
10
Nota van wijzigingen
‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (IDN-nr.: NL.IMRO.1916.Stedelijk-VG02) ter uitvoering van de tussenuitspraak Raad van State, d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RVS:2025:2049
Zaaknummer: 2006913
Bijlage 2
11
Aangepaste verbeelding ‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’
12
Nota van wijzigingen
‘Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk’ (IDN-nr.: NL.IMRO.1916.Stedelijk-VG02) ter uitvoering van de tussenuitspraak Raad van State, d.d. 7 mei 2025 ECLI:NL:RVS:2025:2049
Zaaknummer: 2006913
Bijlage 3
13
Zienswijzennota/Nota van wijzigingen Bestemmingsplan
“Stedelijk” (IDN-nr.: NL.IMRO.1916.Stedelijk-VG01) Zaaknummer KCS: 698794
Versie
:
Definitief
Datum
:
21 december 2021
1
Inhoudsopgave A.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3
B.
ZIENSWIJZEN ................................................................................................................................. 5 B1.
OVERZICHT ZIENSWIJZEN ................................................................................................... 5
B2.
ONTVANKELIJKHEID ZIENSWIJZEN .................................................................................... 6
B3.
SAMENVATTING EN BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN ................................................... 8
C.
WIJZIGINGEN IN HET BESTEMMINGSPLAN N.A.V. ZIENSWIJZEN ........................................ 53
C1.
WIJZIGINGEN IN DE TOELICHTING ................................................................................... 53
C2.
WIJZIGINGEN IN DE REGELS ............................................................................................. 53
C3.
WIJZIGINGEN OP DE VERBEELDING ................................................................................ 53
D.
AMBTSHALVE WIJZIGINGEN IN HET BESTEMMINGSPLAN .................................................... 55
D1.
AMBTSHALVE WIJZIGINGEN IN DE TOELICHTING .......................................................... 55
D2.
AMBTSHALVE WIJZIGING IN DE REGELS ........................................................................ 55
D3.
AMBTSHALVE WIJZIGINGEN OP DE VERBEELDING ....................................................... 60
Bijlage 1: omzetting bestemming ‘Gemengd’ ........................................................................................ 65
2
A.
INLEIDING
De gemeente Leidschendam-Voorburg heeft meer dan 100 ruimtelijke plannen. In deze plannen is aangegeven hoe de gronden binnen de gemeente gebruikt mogen worden en welke bouwmogelijkheden/andere werkzaamheden op deze gronden zijn toegestaan. Deze wijze van het bestemmen van gronden gaat in de toekomst veranderen met de komst van de Omgevingswet. Met de invoering van deze nieuwe wet op 1 juli 2022 beschikt de gemeente nog maar over één ruimtelijk plan voor het gehele grondgebied: het omgevingsplan. In het omgevingsplan worden de komende jaren alle beleidsstukken en alle verordeningen op het gebied van de fysieke leefomgeving samengevoegd. Hierdoor wordt het omgevingsrecht in de toekomst meer inzichtelijk, meer samenhangend en eenduidiger. De gemeente heeft twee nieuwe bestemmingsplannen voorbereid, te weten het bestemmingsplan “Stedelijk” en het bestemmingsplan “Landelijk”. Beide plannen zijn een eerste, voorbereidende stap op weg naar het uiteindelijke omgevingsplan. Het plangebied van het bestemmingsplan “Stedelijk” dekt vrijwel het gehele stedelijk gebied van Stompwijk, Voorburg en Leidschendam (zie onderstaande afbeelding). Een aantal gebieden in de stedelijke kernen wordt nog wel buiten het bestemmingsplan gelaten. Hierbij gaat het om locaties waar al sprake is van een lopende ontwikkeling en waarvan het daarom niet wenselijk is die mee te nemen in deze brede herziening.
Plangebied bestemmingsplan “Stedelijk”
3
Het ontwerp van het bestemmingsplan “Stedelijk” heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) respectievelijk Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor iedereen zowel elektronisch als in papieren vorm ter inzage gelegen vanaf vrijdag 25 juni 2021 tot en met donderdag 5 augustus 2021. Gedurende deze termijn van zes weken bestond voor iedereen de gelegenheid om, naar keuze schriftelijk dan wel mondeling, zienswijzen over het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken bij de gemeenteraad. In totaal zijn er 21 zienswijzen ingediend. Een overzicht van de ontvangen zienswijzen is in tabelvorm opgenomen in Onderdeel B1 van deze nota. De hier voorliggende nota behandelt de ingekomen zienswijzen en beschrijft daarnaast de, ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerp, bij de vaststelling van het bestemmingsplan “Stedelijk” doorgevoerde wijzigingen. In Onderdeel B wordt allereerst beschreven van wie zienswijzen zijn ontvangen en wordt ingegaan op de ontvankelijkheid daarvan. Daarna worden ontvankelijke zienswijzen inhoudelijk samengevat en van een inhoudelijke reactie voorzien. In Onderdeel C wordt beschreven welke inhoudelijke en/of redactionele aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen zijn doorgevoerd in de plantoelichting, in de regels en op de verbeelding.
Onderdeel D ten slotte geeft een overzicht van de in het plan doorgevoerde zogenaamde ambtshalve wijzigingen.
4
B.
ZIENSWIJZEN
Gedurende de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan “Stedelijk” zijn daarover 21 schriftelijke zienswijzen ontvangen. Er zijn geen mondelinge zienswijzen ingediend. In Paragraaf B1 is in tabelvorm weergegeven van wie1 en op welke datum de verschillende schriftelijke zienswijzen zijn ontvangen. In Paragraaf B2 wordt ingegaan op de ontvankelijkheid van de ingediende zienswijzen. De ontvankelijke zienswijzen worden in Paragraaf B3 afzonderlijk samengevat, afzonderlijk beoordeeld en afgewogen en vervolgens van een reactie voorzien.
B1.
OVERZICHT ZIENSWIJZEN
Nr.
Zaaknummer
Indiener
Correspondentieadres
1.
698794
Reclamant 1
02 juli 2021
2.
698794
Reclamant 2
14 juli 2021
3.
698794
Reclamant 3
14 juli 2021
4.
698794
Wooninvest
Postbus 163
2270 AD Voorburg
19 juli 2021
5.
698794
VOF Leo Leoni
Rozenboomlaan 45
2271 VR Voorburg
19 juli 2021
5a.
698794
Reclamant 5a
19 juli 2021
5b.
698794
Reclamant 5b
19 juli 2021
5c.
598794
Reclamant 5c
19 juli 2021
6.
698794
Architectenburo Van Vliet
7.
698794
Reclamant 7
27 juli 2021
7a.
698794
Reclamant 7a
27 juli 2021
7b.
698794
Reclamant 7b
27 juli 2021
7c.
698794
Reclamant 7c
27 juli 2021
7d.
698794
Reclamant 7d
27 juli 2021
7e.
698794
Reclamant 7e
29 juli 2021
Delftsekade 31
Postcode & Plaats
2266 AJ Leidschendam
Datum ontvangst
26 juli 2021
1 Met dien verstande dat door private natuurlijke - en private rechtspersonen ingediende zienswijzen geanonimiseerd in deze
openbare nota zijn opgenomen en daarin slechts van officiële instanties de NAW-gegevens zijn vermeld.
5
8.
698794
Ontwikkelingscombinatie Damcentrum
Saturnusstraat 60, unit 78
2516 AH Den Haag
27 juli 2021
8a.
698794
Ontwikkelingscombinatie Damcentrum
Saturnusstraat 60, unit 78
2516 AH Den Haag
27 juli 2021
09.
698794
Reclamant 9
28 juli 2021
10.
698794
Reclamant 10
29 juli 2021
11.
698794
Reclamant 11
03 augustus 2021
12.
698794
Boswoning 3
2675 DZ Honselersdijk
04 augustus 2021
13.
698794
Postbus 25006
3001 HA Rotterdam
04 augustus 2021
14.
698794
EBH Legal advocaten en mediators, namens reclamant 12 Moree Gelderblom advocaten, namens reclamant 13 Stichting Mooi Voorburg
Postbus 57
2270 AB Voorburg
05 augustus 2021
15.
698794
VvE Damplein
p/a Damplein 84
2265 AD Leidschendam
05 augustus 2021
16.
698794
Reclamant 16
17.
698794
DAS Rechtsbijstand N.V., namens reclamant 17
Postbus 23000
1100 DM Amsterdam
06 augustus 2021
18.
698794
Gasunie transport services
Postbus 181
9700 AD Groningen
06 augustus 2021
19.
698794
Wijkvereniging Oud Voorburg
p/a Park Vronesteyn 27
2271 HP Voorburg
06 augustus 2021
20.
698794
Architectenburo Van Vliet Namens reclamant 20
Delftsekade 31
2266 AJ Leidschendam
26 augustus 2021
21.
698794
Jurable
Middelbroekweg 120a
2675 KJ Honselersdijk
8 november 2021
B2.
05 augustus 2021
ONTVANKELIJKHEID ZIENSWIJZEN
Het ontwerp van het bestemmingsplan “Stedelijk” heeft ter inzage gelegen van vrijdag 25 juni 2021 tot en met donderdag 5 augustus 2021. Zienswijzen die op de laatste dag van de termijn ter post zijn bezorgd worden bij de gemeente (in beginsel) als ingekomen geregistreerd op vrijdag 6 augustus 2021. Derhalve zijn zienswijzen met als registratiedatum 6 augustus 2021 daarom in elk geval aangemerkt als zijnde tijdig ingediend. Ook zienswijzen die binnen de termijn ter post zijn bezorgd en die binnen één week na het einde van de termijn bij de gemeente zijn ontvangen, worden aangemerkt als tijdig ingediend. Zienswijzen die na het einde van de termijn ter post zijn bezorgd of die weliswaar binnen de termijn ter post zijn bezorgd, maar meer dan één week na het einde van de termijn pas bij de gemeente worden ontvangen, worden aangemerkt als niet tijdig ingediend. Dergelijke zienswijzen hoeven formeel niet inhoudelijk in behandeling te worden genomen. De gemeenteraad kan er echter voor kiezen dergelijke zienswijzen alsnog ambtshalve van een beantwoording te voorzien.
6
De elektronische weg voor het indienen van zienswijzen is ten aanzien van het voorliggende bestemmingsplan expliciet uitgesloten, dit is in de bekendmaking van de terinzagelegging van het ontwerp ook uitdrukkelijk vermeld.
7
B3.
SAMENVATTING EN BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN
1.
Reclamant 1, particulier, woonachtig in Stompwijk.
Inhoud van de zienswijze: Reclamant heeft met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbestemmingsplan en geeft aan voor de nieuwe stedelijke plannen voor Stompwijk te zijn. Reclamant is ook voor uitbreiding van bebouwing in Stompwijk. Reclamant is eigenaar van een perceel grond ter grootte van 5000 m² in Stompwijk welke momenteel in gebruik is voor moestuinen en als paardenweide. Reclamant staat er voor open om samen met de gemeente te bekijken of het op termijn mogelijk is om groen, tuinen en bebouwing ter plaatse te combineren. Reclamant geeft aan hiervoor enkele mooie ideeën te hebben. Beantwoording van de zienswijze: Reclamant heeft op 23 november 2020 een initiatiefvoorstel bij de gemeente ingediend voor het realiseren van moestuintjes, het vervangen van 2 bestaande woningen en het realiseren van 4 nieuwe woningen op het perceel in Stompwijk. De gemeente heeft het initiatiefvoorstel met belangstelling bekeken en beoordeeld. Uit deze beoordeling is gebleken dat op basis van ruimtelijke en planologisch-juridische uitgangspunten het niet mogelijk was om medewerking te verlenen aan het verzoek van reclamant. Het initiatiefvoorstel is, na een tussentijds bericht van de gemeente met eerder genoemd negatief standpunt, aangepast naar enkel het realiseren van moestuintjes.
De gemeente is bereid om met reclamant en overige belanghebbenden in gesprek te gaan over zijn idee om groen, tuinen en bebouwing ter plaatse te combineren. Het initiatief hiervoor ligt echter bij reclamant. Hij kan hiervoor na participatie met belanghebbenden een nieuw initiatiefvoorstel indienen bij de gemeente. Conclusie: Deze zienswijze geeft geen aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
8
2.
Reclamant 2, 2 particulieren (buren) woonachtig in Leidschendam.
Inhoud van de zienswijze: Reclamant geeft in zijn zienswijze aan dat deze betrekking heeft op de bestemmingen ‘Wonen – grondgebonden’, ‘Gemengd – 1’ en ‘Cultuur en ontspanning’ en dan specifiek ter plaatse van een aantal adressen aan de Prins Hendriklaan in Leidschendam. Reclamant stelt dat de bouwregels voor bijgebouwen (artikel 31.2.3) een aantal bestaande, legale bouwwerken alsmede terrassen aan de achterzijde van de woningen onmogelijk maakt. Dit wordt ook niet afgedekt door de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 46. Reclamant verzoekt om de regels zodanig aan te passen dat de eerdere genoemde bouwwerken niet onder het overgangsrecht gaan vallen. Reclamant stelt dat de maximale goot- en bouwhoogte voor de woningen, gelegen aan de Rozenlaan, veel ruimer is dan de bestaande situatie. Dit in tegenstelling tot de maximale maten bij andere bebouwing. Reclamant verzoekt om de maximale goot- en bouwhoogte voor de eerdergenoemde locatie aan te laten sluiten bij de huidige bebouwing. Reclamant geeft aan dat binnen de bestemmingen ‘Gemengd – 1’ en ‘Cultuur en ontspanning’ diverse functies zijn toegelaten. Deze functies hebben uiteenlopende ruimtelijke effecten. Reclamant geeft aan dat in het bestemmingsplan niet is geborgd dat er, indien er een wijziging van gebruik van de gronden en gebouwen plaatsvindt, sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening.
Reclamant geeft als voorbeeld van (ontbreken van) voldoende parkeergelegenheid indien in plaats van de Leidschendamse speeltuinvereniging zich er een theater of museum vestigt. Reclamant geeft de gemeenteraad nog mee dat het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Stedelijk’ het uitgelezen moment is om regels op te nemen die aansluiten bij de gemeentelijke visie op de groene woongemeente. Reclamant denkt hierbij aan het opnemen van een voorwaardelijke verplichting over compensatie van groen of het maken van vegetatiedaken en -gevels. Reclamant heeft op 27 juli 2021 zijn zienswijze aangevuld met het verzoek om hier nog een naar te kijken: -
de aanduiding [-bg]. Volgens reclamant is deze niet conform de SVBP.
Beantwoording van de zienswijze: Het bestemmingsplan “Stedelijk” is opgebouwd volgens een bepaalde systematiek. In deze systematiek worden hoofdgebouwen (woningen) opgenomen in een bouwvlak. Bijbehorende bouwwerken (bv. een tuinschuur) liggen in het zogenaamde bebouwingsvlak. Op basis van de gehanteerde systematiek worden bijbehorende bouwwerken dan ook niet in een bouwvlak opgenomen.
9
Reclamant heeft gelijk ten aanzien van het punt dat de standaard regeling voor bijbehorende bouwwerken. Deze regeling voldoet niet in situaties waar, om moverende redenen, met omgevingsvergunning is afgeweken van het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Raadhuis is hiervoor een aparte regeling toegevoegd bij de vaststelling van het plan op 9 december 2014. De volgende regeling zal worden overgenomen in het vast te stellen bestemmingsplan “Stedelijk”: Indien de oppervlakte, bouwhoogte en/of andere maten van bestaande rechtmatig gebouwde bijbehorende bouwwerken afwijken van het bepaalde in de artikelen, <...>, <...> en <...> mogen de oppervlakte, bouwhoogte en/of andere maten van bijbehorende bouwwerken ten hoogste gelijk zijn aan de bestaande, afwijkende maten. Het bestemmingsplan “Stedelijk” is conserverend van aard. Dit betekent dat de geldende bouw- en goothoogte 1 op 1 worden overgenomen vanuit het voorgaande plan, in dit geval het bestemmingsplan “Raadhuis”. Uit een vergelijking tussen beide bestemmingsplannen is gebleken dat dit ook het geval is. Reclamant heeft een punt als hij stelt dat, indien de Leidschendamse speeltuinvereniging besluit om haar activiteiten te staken, op basis van de toegelaten functies een ander gebruik kan plaatsvinden.
De bestemming ‘Cultuur en ontspanning’ sluit in theorie gebruik van de gronden voor bijvoorbeeld een museum of theater niet uit. In de praktijk is echter een dergelijke functiewijziging niet zonder meer mogelijk. Ten eerste zal de grondeigenaar (de gemeente zelf) moeten instemmen met het nieuwe gebruik. Daarnaast dient een nieuw (en passend) gebruik van de gronden getoetst worden aan de huidige bouw- en gebruiksvoorschriften. De huidige bouwvoorschriften (goot- en bouwhoogte alsmede maximaal te bebouwen oppervlakte) zijn afgestemd op het huidige gebruik als lokale speeltuin. Zodra er een initiatief komt (en dit wijkt af van de voorschriften zoals opgenomen in de bestemming ‘Cultuur en ontspanning’) bestaat er de mogelijkheid voor direct belanghebbende om hun reactie in te brengen tegen de voorgenomen wijziging. Zoals eerder is aangehaald, is het bestemmingsplan “Stedelijk” een conserverend bestemmingsplan. Dit betekent dat enkel het bestaande beleid van de gemeente wordt opgenomen in het bestemmingsplan. De gemeente bereidt zich, met het opstellen van bouwstenen als voorbereiding op de Omgevingsvisie, terdege voor op de aanstaande Omgevingswet. De gemeentelijke omgevingsvisie zal, zodra deze is vastgesteld, als basis dienen voor het omgevingsplan. Het beleid dat reclamant noemt in zijn zienswijze wordt opgenomen in de omgevingsvisie.
10
De gemeentelijke bestemmingsplannen worden conform de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, afgekort SVBP, opgesteld. Binnen deze standaard is het mogelijk om functies/bouwwerken uit te sluiten door middel van het ‘–‘-teken. In tegenstelling tot wat reclamant suggereert is het derhalve wel toegestaan om de bouwaanduiding [-bg] op te nemen in bestemmingsplannen. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.
3.
Reclamant 3, woonachtig in Leidschendam.
Inhoud van de zienswijze: Reclamant heeft bezwaar tegen de aan het ontwerpbestemmingsplan Stedelijk ten grondslag liggende en aan de toelichting toegevoegde onderzoeken. Deze zijn veelal van meerdere jaren geleden waardoor zij geen enkel inzicht bieden in de leefkwaliteit binnen het plangebied. Reclamant geeft aan, zonder volledig te zijn, dat hij actuele onderzoeken mist met betrekking tot het verkeer, luchtkwaliteit, woningbehoefte en flora- en fauna. Reclamant stelt daarnaast dat het ontwerpbestemmingsplan geen enkel inzicht biedt in binnen een overzienbare periode te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot onder meer verkeer, woningbouw en bedrijvigheid. Het plan benoemt, op welk gebied dan ook, geen actuele knelpunten en oplossingen hiervoor. Reclamant is daarnaast van mening dat het enkel ter inzage legen van het ontwerpplan op de wettelijk voorgeschreven wijze onvoldoende participatie geboden wordt. Reclamant maakt als laatste punt ook nog bezwaar tegen de vermelding in de publicatie dat het niet mogelijk om een anonieme zienswijze in te dienen of een zienswijze in te dienen via de e-mail. Waarom niet? In de omliggende gemeenten in de regio is dit wel mogelijk. In de gemeenten Den Haag en Pijnacker worden de zienswijzen standaard geanonimiseerd. Reclamant stelt het op prijs om dit ook bij zijn zienswijze te doen.