4110 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde.
-
Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10 -5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar.
Het bevoegd gezag moet bij een nieuwe ontwikkeling bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is moet ook aandacht worden geschonken aan de volgende aspecten: -
Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen.
-
Hoogte van het groepsrisico.
| 28 november 2023
36
-
Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte).
-
Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: -
Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
-
Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerstgenoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. 4.6.1
Beoordeling
Ontwikkeling in relatie tot omgeving Het geluidscherm en de aarden wal met betonelement hebben in beginsel geen invloed op de veiligheid in het gebied. Er is geen sprake van een nieuwe functie die tot een risicovolle inrichting behoort, en ook wordt geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. Omgeving in relatie tot de ontwikkeling Langs de zuidzijde van het geluidscherm en de aarden wal met betonelement ligt een gasleiding van de Gasunie. In het vigerende bestemmingsplan is voor deze leiding een dubbelbestemming opgenomen met een breedte van 5 meter aan weerszijden van de leiding. Het geluidscherm en de aarden wal met betonelement worden buiten deze dubbelbestemming gerealiseerd. Er wordt geen schade toegebracht aan de leiding. Het scherm wordt met een fundering in de grond gerealiseerd, waarbij de afstand tussen de fundering en de gasleiding circa 6 meter is. De aarden wal bestaat uit opgehoogde aarde, zonder fundering in de grond. Het project is voorgelegd aan de Gasunie ter advies. De Gasunie is akkoord, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd conform de NEN3650 en VELIN graafvoorwaarden. Het uitgangspunt is dat bij de werkzaamheden hiermee rekening wordt gehouden. In dat geval zijn er geen belemmeringen.
Verder zijn er geen risicobronnen in de omgeving die een belemmering kunnen vormen voor de realisatie van het geluidscherm en de aarden wal met betonelement. Er is geen sprake van een nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare functie. Verdere toetsing als gevolg van de gasleiding, andere buisleidingen of de A4 als transportroute voor gevaarlijke stoffen kan daarom achterwege blijven. 4.6.2
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
| 28 november 2023
37
4.7
Bodem
In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.7.1
Beoordeling
In het kader van het project is een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage I). Uit het onderzoek blijkt dat er concrete aanwijzingen zijn dat 10 locaties langs de Vogelplas Starrevaart verdacht zijn op het voorkomen van bodemverontreiniging, in de vorm van een slootdemping. Eén van de locaties ligt in de nabijheid van het tracé van het geluidscherm. De aanbeveling uit het onderzoek is om bij de slootdempingen een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren voordat er grondroerende activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Voor het tracé langs de Noordplas geldt op basis van de bodemkwalisteitskaart en al uitgevoerde bodemonderzoeken dat er slechts lichte verontreinigingen in de grond voorkomen. Uit de eerdere onderzoeken blijkt daarnaast dat het grondwater verontreinigd is met verschillende zware metalen. Dit betreffen van nature aanwezige ‘regionaal verhoogde achtergrondconcentraties’. Voor dit tracé geldt dat grondverzet op basis van de bodemkwaliteitskaart is toegestaan. 4.7.2
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt naar verwachting geen belemmering voor dit plan. Wel moet er eerst een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd worden bij de slootdempingen voordat er grondroerende activiteiten kunnen plaatsvinden.
4.8
Waterhuishouding
Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de
| 28 november 2023
38
waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. Waterwet In de Waterwet staat het watersysteem centraal en zijn de doelstellingen van het waterbeheer gericht op het duurzaam goed functioneren van het watersysteem. Om het beheer in de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is van belang dat het huidige wettelijke instrumentarium wordt gestroomlijnd en gemoderniseerd. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. 4.8.1
Beoordeling
Ten behoeve van het project is op 03-10-2023 een digitale watertoets uitgevoerd (zie bijlage II). Op basis van de ingevoerde gegevens is de conclusie dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat er een advies aangevraagd moet worden bij het Hoogheemraadschap Rijnland. Het advies is opgevraagd op 03-10-2023. Het Hoogheemraadschap Rijnland heeft in het advies aangegeven dat minimaal 5 meter afstand aangehouden moet worden tot primaire watergangen, om het onderhoud van de watergangen mogelijk te houden. Om dit te bekrachtigen is voor de watergangen een beschermingszone opgenomen aan beide zijden van watergangen. In onderhavige projecten (beide tracés) is geen sprake van het plaatsen van bouwwerken in de beschermingszone van nabij gelegen watergangen. Voor tracé 4 wordt een minimale afstand van circa 11,5 meter aangehouden tot de dichtstbijzijnde primaire watergang. De kortste afstand naar een overige watergang is minimaal 6,5 meter. Ook hier wordt er niet in de beschermingszone gebouwd. Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen. Op de projectlocaties zijn verder geen activiteiten voorzien die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd.
Voor tracé 2 geldt ook de bovenstaande beoordeling, met als aanvulling dat langs de Noordplas een regionale waterkering aanwezig is. Zie ook onderstaand figuur. Het overgrote deel van de aardenwal met betonelement wordt gerealiseerd buiten de kernzone en beschermingszone (gele en oranje gebieden). Wel is er aan de zuid- en noordkant (aan beide uiteinden van de wal) sprake van het ophogen van gronden in de beschermingszone en kernzone van de waterkering. Conform artikel 3.3 lid l van de Keur Rijnland 2020 moet er een vergunning verleend worden voor het verzetten van grond in de kern- of beschermingszone van waterkeringen, wanneer: -
er meer dan 3,00 m³ wordt vergraven, en/of
-
dieper dan 0,30 meter wordt gegraven, en/of
-
graven en/of ophogen plaatsvindt op de kruin, en/of
| 28 november 2023
39
-
een ophoging of aanvulling plaatsvindt met klei meer dan 0,50 meter, en/of
-
een ophoging of aanvulling plaatsvindt met natte bagger op het gehele horizontale bovenvlak van de waterkering, het binnentalud of het buitentalud, en/of
-
een ophoging of aanvulling plaatsvindt met andere grondsoorten dan klei op de kruin, en/of
-
een ophoging of aanvulling buiten de kruin plaatsvindt voor zover het meer dan 0,50 meter bedraagt.
Tevens moet conform artikel 3.3 lid o een vergunning worden aangevraagd voor het aanbrengen en hebben van beplanting in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering, voor zover het betreft: -
het aanbrengen en hebben van een boom of struik op de kruin en/of het buitentalud en deze volgroeid hoger wordt dan 2,00 meter, of op het binnentalud en/of in de beschermingszone van een waterkering en deze volgroeid hoger wordt dan 5,00 meter;
-
het hebben van een boom hoger dan 5,00 meter.
In het ontwerp moet rekening gehouden worden met bovenstaande vergunningplicht. Mogelijk is er sprake van het ophogen van gronden ter plaatse van de kruin van de waterkering. In dat geval moet te zijner tijd ook een watervergunning hiervoor worden aangevraagd.
Figuur 4.1 Uitsnede legger regionale waterkeringen van hoogheemraadschap Rijnland
| 28 november 2023
40
Gezamenlijk is sprake van een toename van oppervlakteverharding van circa 1.000 m2 (150 m2 voor tracé 4 en 830 m2 voor tracé 2). Conform artikel 3.2 lid 2 sub g is het toegestaan om verharding aan te leggen met een oppervlakte tussen 500 m² en 5000 m² indien deze verharding wordt aangelegd op onverharde grond in een gebied dat niet op kaart 15 (behorende bij de Keur) is weergegeven. In dit geval is er sprake van onverharde grond dat niet is aangegeven op kaart 15 bij de Keur. Hierdoor geldt alleen de algemene regel met meldplicht voor het aanleggen van verharding. In de algemene regel is opgenomen dat er een compensatieplicht geldt waarbij 15% van het verhard oppervlak gecompenseerd moet worden in de vorm van: -
nieuw gegraven oppervlaktewater, en/of;
-
een afschrijving van een Berging Rekening Courant, en/of;
-
aantoonbaar extra gegraven oppervlaktewater in de vijf jaar direct voorafgaand aan de melding, dat niet is gegraven om te voldoen aan een andere compensatieverplichting.
4.8.2
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmeringen voor dit plan.
4.9
Flora en fauna
Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.
Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar moet het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming
| 28 november 2023
41
Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. 4.9.1
Beoordeling
In het kader van het plan is een quick scan ecologie uitgevoerd (zie bijlage III). In de quick scan zijn drie gebieden langs het recreatiegebied Vlietland onderzocht. Twee van die gebieden zijn het geluidscherm en de aarden wal met betonelement. Soorten Uit de quick scan blijkt dat in het totale onderzoekgebied (alle drie de gebieden) de aanwezigheid van de verschillende beschermde soorten niet is uit te sluiten. Voor het projectgebied van het geluidscherm gaat het alleen om de onderstaande waarnemingen: -
potentiële rust- en voortplantingsplaats en foerageergebied van algemeen grondgebonden zoogdieren en broedvogels;
-
foerageergebied en mogelijk aanwezige individuele exemplaren van de hermelijn en wezel;
-
potentieel foerageergebied als onderdeel van groter leefgebied en migratieroute van de ringslang;
-
potentieel foerageer-, overwinterings- en voortplantingsgebied en als onderdeel van groter leefgebied van algemene amfibieën;
-
potentiële voortplanting-, overwinterings- en foerageergebied van de rugstreeppad.
Voor al deze waarnemingen geldt dat er geen nader onderzoek nodig is, maar dat er wel voorzorgsmaatregelen gelden. Die staan beschreven in de quick scan. Voor het gebied van de aarden wal en betonelement geldt aanvullend dat voor verschillende soorten potentiële rust- en voortplantingsplaatsen en foerageergebied voorkomen. Het gaat om de bunzing, boommarter, diverse soorten vleermuizen, broedvogels, buizerd, havik, sperwer, ransuil en grote vos. Voor veel van deze soorten is een nader onderzoek benodigd. Natuurnetwerk Nederland
| 28 november 2023
42
Voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland wordt geconcludeerd dat tijdens de uitvoering sprake kan zijn van verstoring door geluid en optische verstoring op de karakteristieke soorten van de beheertypen en het landschapstype. Dit leidt echter niet op een wezenlijk effect op het NNNgebied wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in de periode september tot maart. Ook dienen er rijplaten te worden toegepast om spoorvorming en bodemverdichting zoveel als mogelijk te voorkomen Op de lange termijn worden geen negatieve effecten verwacht op het NNN-gebied. Er zijn geen vervolgstappen nodig. Stikstofdepositie In het kader van het project is een AERIUS berekening uitgevoerd (zie bijlage IV). PM De verwachting is dat tracé 4 (separaat van 1 en 2) geen overschrijding veroorzaakt. Vindt nog afstemming plaats met provincie. Rapport wordt later ingevoegd en onderbouwing aangevuld. 4.9.2
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor dit plan.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) is de implementatie van het Verdrag van Malta (1998) en regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Het archeologische erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Om het bodemarchief beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek. Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet.
De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een
| 28 november 2023
43
regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende zaken: -
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;
-
Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;
-
Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
4.10.1 Beoordeling Archeologie In het kader van het project is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage V). PM Dit onderzoek wordt nog uitgevoerd en na akkoord van gemeente definitief gemaakt. Daarna wordt het verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing. Cultuurhistorie Op de planlocatie zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten, of andere cultuurhistorisch waardevolle objecten of elementen aanwezig. 4.10.2 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor dit plan.
| 28 november 2023
44
5
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1
Algemeen
Bij een omgevingsvergunning voor planologisch afwijken van het bestemmingsplan moet op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in de plantoelichting van de planologische ontheffing omgevingsvergunning minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. 5.1.2
Grondexploitatie
Afdeling 6.4 van de Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen de gemeenten eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard: het primaat ligt bij vrijwillige, privaatrechtelijke afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelaar. Deze privaatrechtelijke afspraken worden vastgelegd in ofwel een anterieure overeenkomst (indien er nog geen exploitatieplan vastgesteld is) of in een posterieure overeenkomst (indien er wel al een exploitatieplan vastgesteld is). 5.1.3
Planschade
Artikel 6.1 van de Wro biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde ‘planschade’. Deze vergoeding wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degene die waardevermindering van onroerend goed ondervindt door het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken. Artikel 6.4 onder a van de Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om een met een initiatiefnemer van een plan (degene die om het besluit om van het bestemmingsplan af te wijken verzoekt) een overeenkomst te sluiten. Voor het onderhavige plan zal een planschadeovereenkomst ondertekend worden. Hiermee is het risico op planschade voor de gemeente afgedekt. 5.1.4
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Plan(vormings)proces
De ruimtelijke onderbouwing wordt gelijktijdig met de omgevingsvergunning voor de activiteit 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' ter inzage gelegd. Gedurende de ter inzage termijn wordt eenieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen te
| 28 november 2023
45
geven op het ontwerp van de omgevingsvergunning. Eventueel ingediende zienswijzen worden samengevat en beantwoord. 5.2.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een plan burgemeester en wethouders waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Van plan tot plan dient te worden beoordeeld met wie dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van het onderhavige plan is vooroverleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners. 5.2.3
Conclusie
Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.
| 28 november 2023
46
6
Conclusie
In de voorgaande hoofdstukken is het plan getoetst aan het relevante ruimtelijke beleid en aan de milieu- en omgevingsaspecten. Uit deze beoordeling zijn geen belemmeringen naar voren gekomen voor de uitvoerbaarheid van het plan. Geconcludeerd wordt dat vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening kan worden ingestemd met de realisatie van een geluidscherm en aarden wal met betonelement langs de A4 ter plaatse van recreatiegebied Vlietland.
LBP|SIGHT BV
J.C (Jos) Wiegman MSc
J.J. (Jacob Jan) van Burg MSc
| 28 november 2023
47