CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4060 Bijlage 4 Advies Commissie mer

Gecombineerde Commissie 21 januari 2026, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg 20503.568 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

3961 TS advies Commissie mer

1

Advies over het OER in het kort

De gemeente Leidschendam-Voorburg wil een omgevingsvisie vaststellen. Dit is een integrale visie met strategische hoofdkeuzes van beleid voor de fysieke leefomgeving tot en met 2050. Voor het besluit hierover is een omgevingseffectrapportage (OER)1 opgesteld. Belangrijke 5

punten uit de omgevingsvisie zijn het bouwen van een flink aantal woningen (6.0002) en het zorgen voor meer arbeidsplaatsen (3.000 tot 4.0003). De gemeente heeft de Commissie gevraagd te adviseren over het OER. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) zich uit over de

10

juistheid en de volledigheid van het OER.

Wat staat in het OER? De gemeente heeft in de omgevingsvisie en het OER de ambities en de perspectieven uit de eerder vastgestelde Koersnotitie 20504 verder uitgewerkt, per thema en gebiedsgericht. In 15

het OER zijn vervolgens de huidige staat van de leefomgeving en de autonome ontwikkeling tot 2050 in beeld gebracht. Ook is beschreven in welke mate vastgestelde doelen per toekomstperspectief worden bereikt met het huidige beleid5. Een aantal (milieu)thema’s scoren ‘matig’ tot ‘slecht’, zoals geluidhinder, hittestress, woningaanbod, beschermde natuurgebieden en soorten en klimaatmitigatie.

20 In het OER zijn twee alternatieven uitgewerkt en vergeleken met de referentiesituatie. De alternatieven bevatten verschillende invullingen voor woningbouw, arbeidsplaatsen en de mate waarin duurzame vormen van mobiliteit op basis van het STOMP 6-principe worden toegepast. Deze alternatieven komen voort uit de eerder door de gemeente bepaalde 25

belangrijkste toekomstperspectieven: •

Alternatief 1 ‘gematigde gespreide groei’. Hierin bouwt de gemeente 4.000 woningen (1.000 rond Openbaar Vervoer (OV), 3.000 verspreid) en gaat ze uit van 3.000 extra arbeidsplaatsen (1.800 rond OV, 1.200 verspreid). Daarnaast voert ze het STOMPprincipe gematigd door.

30

•

Alternatief 2 ‘ambitieuze groei’. Dit bevat de bouw van 8.000 woningen (2.500 rond OV, 5.500 verspreid) en het creëren van 4.000 arbeidsplaatsen (2.000 rond OV, 2.000 verspreid). Daarnaast voert de gemeente het STOMP-principe maximaal door.

De alternatieven zijn beperkt onderscheidend in de effectbeoordeling. Alternatief 2 scoort op het gebied van luchtkwaliteit, geluid, landschap en overige gezondheidsaspecten (geur, licht 35

en trillingen) negatief ten opzichte van de referentiesituatie. Bij alternatief 1 is op deze thema’s geen aanzienlijke verandering te verwachten ten opzichte van de referentiesituatie.

1

OER Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg, 27 juni 2025. Witteveen+Bos. Het OER is formeel een milieueffectrapport (MER), maar gaat ook in op sociale en economische aspecten. Daarom is, in aansluiting op de Omgevingswet, de term ‘omgevingseffectrapportage’ gekozen.

2

Oplopend van circa 2.300 woningen tot 2030, circa 5.000 woningen tot 2040 en circa 6.000 woningen tot 2050. Pagina 41 van de ontwerp- omgevingsvisie.

3

Er wordt uitgegaan van circa 1%-groei van het aantal banen per jaar. Dit zorgt voor circa 3.000 tot 4.000 extra banen in 2050. Pagina 49 van de ontwerp-omgevingsvisie.

4

De ambities zijn vertaald in vijf perspectieven voor de leefomgeving: 1. Een hoogwaardig verblijfsklimaat 2. Goed verbonden 3. Een plek van en voor iedereen 4. Economisch vitaal, passend bij een woongemeente en 5. duurzaam toekomstbestendig.

5

De beoordelingsschaal voor het doelbereik is als volgt: hoge potentie, beperkte potentie en geen potentie.

6

Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service en Privéauto.

-1-

3961 TS advies Commissie mer

De alternatieven verschillen niet in de beoordelingen van doelbereik. Geen van de alternatieven zorgt voor een ‘hoge potentie’ voor het behalen van de doelen. Vervolgens is het voorgenomen beleid (in mer-termen vaak het voorkeursalternatief 5

genoemd) beoordeeld op milieugevolgen. Er zijn ten opzichte van de referentiesituatie negatieve effecten te verwachten op hittestress, omgevingsveiligheid, beschermde natuurgebieden en klimaatmitigatie. Er zijn positieve effecten te verwachten op cultureel erfgoed en stedenbouw, bereikbaarheid en langzaam verkeer, verkeersveiligheid, woningaanbod, sociale cohesie en veiligheid en voorzieningenaanbod.

10

Wat is het advies van de Commissie? De Commissie ziet een helder en goed opgezet OER. De huidige staat van de leefomgeving en autonome ontwikkeling zijn op een bij de visie passend abstractieniveau uiteengezet. Het laat goed de knelpunten zien, zoals de druk op de leef- en woonomgeving door geluidhinder 15

veroorzaakt door verkeer in vooral de kernen Leidschendam en Voorburg. Ook is het doelbereik op de toekomstperspectieven uitgewerkt en op een overzichtelijke manier beoordeeld. De Commissie signaleert bij de toetsing van het OER dat nog belangrijke informatie

20

ontbreekt, namelijk bij de referentiesituatie en het alternatievenonderzoek. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de omgevingsvisie. Referentiesituatie (zie paragraaf 2.1 van dit advies):

25

In het OER is aangegeven dat recreatiepark Vlietland onderdeel is van de autonome ontwikkeling, terwijl het ook is meegenomen in het alternatievenonderzoek en het voorgenomen beleid. Dat kan niet. Daardoor is bovendien niet duidelijk hoe het recreatiepark is meegenomen in de effectbeoordeling op de milieuthema’s.

30

Alternatieven (zie paragraaf 2.2. van dit advies): •

De alternatieven zijn mede gelet op de doelen van de omgevingsvisie niet breed en integraal genoeg. De huidige alternatieven hebben een grote focus op woningbouw en arbeidsplaatsen. Daarmee worden verschillende mogelijkheden om de doelen te halen niet onderzocht en in beeld gebracht.

35

•

Het is onduidelijk of de omgevingseffecten zoals weergegeven in de alternatieven door de inbreiding of uitbreiding van woningbouw komen.

•

Het alternatievenonderzoek geeft een te beperkte en te weinig onderscheidende invulling aan het STOMP-principe. Ook is hierdoor onduidelijk hoe de beoordeling van de alternatieven tot stand is gekomen.

40 De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over de omgevingsvisie. De Commissie merkt daarbij op dat sommige milieubeoordelingen in het MER nog grote 45

onzekerheden kennen. Dit geldt bijvoorbeeld voor verkeersveiligheid. De alternatieven en het voorgenomen beleid worden positief beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Dit terwijl het verkeer – en daarmee het risico op meer ongevallen - zal toenemen. Zo is het nu nog onzeker of en in welke mate een belangrijke verkeersveiligheidsmaatregel als het

-2-

3961 TS advies Commissie mer

verlagen van snelheid (van 50 km/h naar 30 km/h) op wegen7 wordt genomen. Om de weergegeven resultaten uit het OER te realiseren is het nodig om de voorgestelde maatregelen en beleid uit de omgevingsvisie uit te voeren. 5

In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze adviezen voor de op te stellen aanvulling. Verder geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject (paragraaf 2.3). Het gaat dan om aanbevelingen voor de nog op te stellen gemeentelijke programma’s, waar thematisch en gebiedsgericht uitvoering wordt gegeven aan de ambities uit de omgevingsvisie.

10

Figuur 1: de Omgevingsvisiekaart gemeente Leidschendam-Voorburg. Bron: ontwerpomgevingsvisie. Aanleiding OER

15

De omgevingsvisie beschrijft het beleid van de gemeente voor de fysieke leefomgeving tot en met 2050. Omdat de omgevingsvisie kaderstellend is voor mer-(beoordelings)plichtige projecten zoals stedelijke ontwikkelingsprojecten is het nodig om een plan-MER (OER) op te stellen. Een mer-plicht is ook van toepassing omdat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten. Er is daarom ook een Passende beoordeling opgesteld.

20 Locatiebezoek en startgesprek Op 23 september 2025 heeft de Commissie de gemeente bezocht. Zij heeft voorafgaand van de projectleiders een nadere toelichting gekregen op de omgevingsvisie en het OER. Ook hebben de leden van de Commissie vragen gesteld over de visie en het OER.

25 Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het OER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen 7 Onder andere de N14, de Laan van Nieuw Oosteinde en de Monseigneur van Steelaan zijn belangrijke ongevallenconcentraties.

-3-

3961 TS advies Commissie mer

milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Leidschendam - Voorburg - besluit over de omgevingsvisie. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan

5

in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3961 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

2

Toelichting op het advies

In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te 10

stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad. In de tekst doet de Commissie ook een aantal aanbevelingen. Deze zijn bedoeld om de

15

kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

2.1 Referentiesituatie recreatiepark Vlietland De gemeente heeft de intentie recreatiepark Vlietland mogelijk te maken, met als onderdeel het toevoegen van 222 recreatiewoningen. In het OER wordt op meerdere plekken 20

aangegeven dat het realiseren van recreatiepark Vlietland onderdeel is van de alternatieven 1 en 2, alsmede het voorgenomen beleid. In het OER wordt echter de indruk gewekt dat recreatiepark Vlietland onderdeel is van de autonome ontwikkeling, en daarmee is meegenomen in de referentiesituatie. Dit geeft verwarring. De Commissie constateert dat beter moet worden uitgelegd of de plannen voor het nieuwe recreatiepark Vlietland

25

meegenomen zijn in de referentiesituatie of juist in de alternatieven en het voorgenomen beleid. Daarbij dient het als er nog geen formeel en onherroepelijk besluit is genomen over het recreatiepark, onderdeel te zijn van de alternatieven en voorgenomen beleid. Het is daarnaast nodig om toe te lichten dit is meegenomen in de effectbeoordeling op de verschillende milieuthema’s (zoals biodiversiteit).

30 De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voorafgaand aan de besluitvorming, duidelijk te maken of de plannen rondom recreatiepark Vlietland onderdeel zijn van de referentiesituatie of van de toekomstige plannen. Laat daarnaast zien hoe dit is meegenomen in de effectbeoordeling. 35

2.2 Alternatieven Het doel van alternatieven en varianten is om te onderzoeken op welke manieren de gestelde doelen zijn te behalen, en of dat tot milieuvoordelen kan leiden. Het is daarmee een belangrijk onderdeel van een OER. Het zorgt ervoor dat verschillende mogelijkheden voor de ontwikkeling van de gemeente tegen elkaar kunnen worden afgezet.

40 Er zijn twee alternatieven onderzocht in het OER. Hierin zijn verschillende onderdelen samengenomen, namelijk woningbouw (aantal en mate van verspreiding of concentratie rondom OV), arbeidsplaatsen (aantal en mate van verspreiding of concentratie rondom OV) en mate van sturing op (duurzame) mobiliteit. De Commissie ziet drie bezwaren met 45

betrekking tot het alternatievenonderzoek:

-4-

3961 TS advies Commissie mer

Huidige alternatieven verbreden De huidige alternatieven hebben een grote focus op woningbouw en arbeidsplaatsen. Ze geven daarmee een smalle invulling aan het alternatievenonderzoek. Zo zijn de alternatieven 5

niet onderscheidend voor onder andere natuur, energie en water. Ook laat het OER zien dat er op dit moment geen zicht is op het halen van de doelen (‘lage of beperkte potentie’) voor de ambities uit de toekomstperspectieven duurzaam toekomstbestendig en hoogwaardig verblijfklimaat. Op een aantal belangrijke milieuthema’s (hittestress, impact op natuurgebieden, soorten en biodiversiteit) zijn zelfs negatieve effecten te verwachten ten

10

opzichte van de referentiesituatie. Dit is terwijl deze milieuthema’s in de referentiesituatie al matig tot slecht scoren. Bovendien maakt de Commissie uit de participatieverslagen op dat inwoners een groene en schone omgeving, en het versterken van biodiversiteit en ecologische kwaliteit belangrijk vinden.

15

Het is nodig de bestaande twee alternatieven te verbreden met andere (op grond van de ambities uit de omgevingsvisie) relevante onderwerpen. De Commissie ziet de volgende mogelijkheden: •

Natuur en biodiversiteit: de omgevingsvisie laat zien dat er spanning bestaat tussen de ambities van de gemeente en de praktische mogelijkheden om die te realiseren. Het

20

beschermen van natuurgebieden zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland en provinciaal beschermde weidevogelgebieden is in grote mate de taak van Rijk en provincie. Toch levert ook de gemeente een waardevolle bijdrage met natuur- en landschapsprojecten in de Driemanspolder en het Leidschendammerhout. Verder heeft de gemeente een sterk ontwikkeld stedelijk groenbeleid en neemt zij deel aan het

25

bovenregionale initiatief voor de Vlietzone. Dit is bedoeld om stedelijke gebieden op een groene manier te verbinden. Met dit regionale ‘stadslandschapspark’ kunnen er verbindingen met het buitengebied ontstaan, en tevens dwarsverbanden met regionale landschappen zoals het Groene Hart en het Duin-, Horst- en Weidegebied en het beoogd Nationaal park Hollandse Duinen. De Commissie ziet daarom kansen voor het

30

toevoegen van de groene ambities van de gemeente aan de bestaande alternatieven, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen grote en kleine inzet op die ambities of op verschillende manieren en/of plekken. Dit moet worden uitgewerkt in concrete, goed onderbouwde keuzes, inclusief het benodigde ruimtebeslag. Dit kan bijvoorbeeld door verschillende groene thema’s te bundelen, zoals verder wordt toegelicht in paragraaf

35

2.2. •

Energie: uit het OER blijkt dat er een lage en beperkte potentie is op respectievelijk de onderwerpen ‘klimaatneutraal’ en ‘overstap naar hernieuwbare energie’. In geen van de alternatieven is uitgegaan van zonneparken en windturbines8 terwijl daarover nog onderzoeken en overleggen lopen in de Regionale Energiestrategie (RES) regio,

40

bijvoorbeeld langs de A4. De extra benodigde energie-opwek in de gemeente kan uiteindelijk impact hebben op ruimtegebruik en voor de milieugevolgen die optreden. Niet is onderzocht wat de gevolgen zijn als een groter aandeel hernieuwbare energie terecht komt in de gemeente. Ga daarbij ook duidelijk in op de vraag wat de milieugevolgen zijn van het toestaan van erfmolens in bepaalde gebieden (kleine

45

windturbines).9 Deze kunnen namelijk, afhankelijk van de hoogte, op bepaalde soorten (vogels en vleermuizen) een negatief effect hebben.

8

Het gemeentelijk beleid maakt wel wind-erfmolens mogelijk.

9

In het voorgenomen beleid bestaat de mogelijkheid voor wind-erfmolens langs de A4, zie pagina 11 van het OER.

-5-

3961 TS advies Commissie mer

De gevolgen van woningbouw in huidige alternatieven duidelijker in beeld brengen Alternatief 2 onderscheidt zich van alternatief 1 door meer woningen. Die zijn zowel binnenals buitenstedelijk bedacht. Zo komen meer woningen op een aantal binnenstedelijke locatie, maar ook de wijk ten noorden van Leidschendam krijgt een groter aantal woningen 5

toebedeeld. Het is echter niet altijd duidelijk of de omgevingseffecten van alternatief 2 juist het gevolg zijn van de inbreiding of van de uitbreiding, terwijl dit in de praktijk vaak een belangrijke beleidskeuze blijkt te zijn.

Concretere en bredere uitwerking ‘STOMP’ nodig in huidige alternatieven 10

Voor mobiliteit zet de gemeente gedifferentieerd in op het doorvoeren van het STOMPprincipe. Dat staat voor: eerst inzet op Stappen, daarna Trappen, vervolgens Openbaar vervoer, daarna ‘Mobility as a Service’ en als sluitstuk de Privéauto. Dit mobiliteitsprincipe is een belangrijke pijler uit ambities voor het toekomstperspectief ‘goed verbonden’. In de alternatieven is dit echter niet uitgewerkt. Zo is niet duidelijk is wat de verschillen zijn tussen

15

het ‘gematigd’ (alternatief 1) en ‘volledig’ (alternatief 2) doorvoeren van het STOMP-principe en hoe de prioriteitsstelling is, anders dan het meer of minder concentreren van woningen en arbeidsplaatsen rondom bestaand OV. Het OER constateert dit zelf ook terecht, namelijk bij de suggesties voor mogelijke mitigerende maatregelen.10 Hiermee geeft het alternatievenonderzoek een te beperkte en te weinig onderscheidende invulling aan het

20

STOMP-principe. Ook is onduidelijk hoe op dit punt de beoordeling van de alternatieven tot stand is gekomen. De Commissie ziet daarnaast dat in alternatief 2 wordt gesproken over 2.500 woningen rond OV. Het is niet te herleiden hoeveel woningen in het voorkeursalternatief rond het OV zijn

25

voorzien. In tabel 7.8 en 7.9 uit OER worden wel alle locaties benoemd, maar daaruit kan niet worden afgeleid of maximaal wordt inzet op OV-locaties. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voorafgaand aan het besluit over de omgevingsvisie:

30

•

De bestaande alternatieven te verbreden met in elk geval natuur, biodiversiteit en energie. Geef daarbij invulling aan de ambities uit de toekomstperspectieven ‘een hoogwaardig verblijfsklimaat’ en ‘duurzaam toekomstbestendig’. Onderzoek wat hiervan de milieugevolgen zijn.

• 35

Duidelijk te maken bij de woningbouwlocaties in de alternatieven en het voorgenomen beleid of, en zo mogelijk in welke mate, de beschreven omgevingseffecten komen door inbreiding of uitbreiding.11

•

Een duidelijkere, concretere en onderscheidende uitwerking te geven van het STOMPprincipe in de huidige alternatieven. Ga daarbij ook in op wat ‘prioriteit’ betekent voor voetgangers en fietsers, en vervolgens openbaar vervoer en deelmobiliteit en hoe dit

40

landt in verschillende wijken. Laat duidelijk zien welke effecten daaruit naar voren komen.

Scenario Huygenstunnel Mobiliteit, barrièrewerking en geluidhinder spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van 45

de gemeente. Er is de wens om bij de autosnelweg A12 en het spoor een tunnel of overkluizing te realiseren, die onder de Vliet door zal gaan en centra weer met elkaar zal

10

Pagina 42 van het OER.

11

Dit kan bijvoorbeeld worden toegevoegd aan de tabellen 6.1 t/m 6.13 van het OER.

-6-

3961 TS advies Commissie mer

verbinden. De omgevingsvisie geeft aan dat hierdoor de leefbaarheid van woongebieden kan verbeteren en de aanleg van nieuw stedelijk gebied mogelijk is. Ook kan dit zorgen voor nieuwe mogelijkheden tot vergroening, recreatie, herstel van historisch erfgoed, ontmoeting en goede (langzaam verkeer) verbindingen. Op de omgevingsvisiekaart is deze tunnel met 5

stippellijn weergegeven.12 In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)13 werd aangegeven dat een verkenning zou worden uitgevoerd naar de effecten van de mogelijke ondertunneling op termijn. In het OER is uiteindelijk gekozen de tunnel niet te beschouwen omdat er nog geen concrete plannen zijn. Het OER verwijst naar eerdere adviezen, zoals het boek ‘Afslag Meerwaarde’, maar geeft aan dat er nog geen studies zijn gedaan naar positieve en negatieve

10

effecten. De Commissie beveelt aan om wel een scenario door te rekenen of een gevoeligheidsanalyse te maken om te beoordelen wat de kansen en milieueffecten zijn van een eventuele tunnel of overkluizing. Dit kan op een passend globaal abstractieniveau worden gedaan, net als de

15

andere ontwikkelingen die in de omgevingsvisie zijn onderzocht. Dan kan deze milieuinformatie betrokken worden bij het langetermijnbeleid en de uitwerking van programma’s voor de gemeente.

2.3 Gemeentelijke programma’s 20

In het OER en de ontwerp-omgevingsvisie staat meerdere keren dat nog concretere uitwerking in gemeentelijke programma’s zal plaatsvinden.14 De Commissie constateerde al in hoofdstuk 1 van dit advies dat in de milieubeoordelingen van het voorgenomen beleid en de onderzochte alternatieven nog veel onzekerheden zitten. Zij heeft daarom voor uitwerking van de omgevingsvisie in de programma’s nog enkele aanbevelingen en aandachtspunten.

25

Daarnaast is periodieke monitoring nodig om te kijken of de vastgestelde doelen worden behaald, of dat aanscherping nodig is.

Gezondheid De gemeente heeft stevige ambities op het gebied van gezondheid. Zo wil de gemeente 30

inzetten op het eerdergenoemde STOMP-principe voor mobiliteit. Er staan echter nu nog weinig concrete maatregelen in het OER om het autogebruik terug te dringen en het lopen en fietsen prioriteit te geven. Dat geldt ook voor de gemeentelijke ambities voor het terugdringen van emissies uit de land- en tuinbouw, bedrijven en woningen (zoals het verminderen van houtstook). Om de doelen te bereiken is nog een concretere uitwerking

35

nodig voor gemeentelijke programma’s. Gebruik daarbij onder andere het uitvoeringsplan Schone Lucht Akkoord15 en de ontwerpprincipes voor een hittebestendige stad16. In het OER wordt vergroening als mitigerende maatregel voor de toename van emissies als gevolg van extra inwoners en arbeidsplaatsen genoemd. Uit onderzoek is echter bekend dat

12

Pagina 70 van de ontwerp-Omgevingsvisie.

13

Notitie Reikwijdte en Detailniveau Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg 2050, 18 februari 2025.

14

In de ontwerp-Omgevingsvisie worden onder andere genoemd: programma volkshuisvesting, programma Milieu en Klimaatbestendige leefomgeving, programma groen, Programma Beleefbare Vliet, Gebiedsprogramma kern Stompwijk en warmteprogramma.

15

847 Voortgang en actualisatie Actieplan luchtkwaliteit 2019-2022.docx.pdf

16

De Hittebestendige stad. Kluck e.a. (2020)

-7-

3961 TS advies Commissie mer

vergroening niet bijdraagt aan het mitigeren van extra uitstoot van NOx en fijnstof.17 De Commissie adviseert om in de gemeentelijke programma’s dit daarom niet als mitigerende maatregel te behandelen. 5

Natuur, biodiversiteit, erfgoed en klimaatadaptatie De Commissie ziet dat de groenstructuren van de stad en het buitengebied afzonderlijk zijn beschreven, en de verbinding te weinig in beeld is. Het landschap is nu sterk gefragmenteerd en kent veel ecologische barièrres.18 Zij adviseert om aandacht te geven aan verbinding van de groenstructuren van de stad en het buitengebied. Dit versterkt het groennetwerk en

10

draagt ook bij aan toename biodiversiteit, meer mogelijkheden tot recreatie en betere klimaatadaptatie. Ook is winst te behalen door de functies biodiversiteit, leefomgeving, klimaatadaptatie en ruimtelijke kwaliteit slim te bundelen en als geïntegreerde combinaties toe te passen, zowel

15

binnenstedelijk als voor het buitengebied. Voor binnenstedelijk kan worden gedacht aan gecombineerd in te zetten op de vergroening van woonwijken19, ontwikkeling van natuurwaarden, regenwateropvang en het tegengaan van hittestress (zie eerdere ontwerpprincipes). Langs de Vliet kunnen daarbij ecologische corridors worden aangelegd, met behoud van ruimte voor scheepvaart. In het buitengebied kunnen met versterking van de

20

historische landschapsstructuur erfgoed, recreatie, ecologische verbindingen en klimaatfuncties aan elkaar worden gekoppeld. Bundeling maakt het mogelijk het daarvoor benodigd ruimtebeslag te bepalen, wat richting geeft aan gebiedsgerichte plannen voor het groene buitengebied, zoals de Vlietzone.

25

17

Groen en luchtkwaliteit in een stedelijke omgeving. Academische werkplaats Milieu & Gezondheid, Imke van Moorselaar en Saskia van der Zee, december 2020.

18

Open gebieden, zoals de Duivenvoordecorridor, zijn schaars maar essentieel voor groene verbindingen en soortenuitwisseling

19

Naar rato in de 3-30-300 richtlijn voor stedelijke vergroening.

-8-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=81b7113c-935f-4366-be19-b285b2551da2