CConstaterende datLeidschendam-Voorburg
Koppel je AI →
Document · PDF

4056 was-wordt lijst actualisatie Apv 2025

Raadsvergadering 11 maart 2025, gemeente Leidschendam-VoorburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen actualisatie Apv11.219 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Was-wordt-lijst Actualisatie Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg 2025 Was

Wordt

Artikel 1:1 Definities

Artikel 1:1 Definities - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, van de Omgevingswet; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

-

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; - bouwwerk: hetgeen in artikel 1.1 van de Bouwverordening LeidschendamVoorburg 2012 daaronder wordt verstaan; - gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; Artikel 1:2, lid 6 Beslistermijn In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, tweede lid, artikel 2:11, 2:12 of artikel 4:10b.

Artikel 1:2, lid 6 Beslistermijn Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:4, lid 3 Voorschriften en beperkingen Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden 1. De vergunning of ontheffing kan ingetrokken of gewijzigd als; worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of a. ter verkrijging daarvan onjuiste onvolledige gegevens zijn verstrekt; of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de b. op grond van een verandering omstandigheden of inzichten opgetreden van de omstandigheden of na het verlenen van de vergunning of inzichten opgetreden na het ontheffing, intrekking of wijziging verlenen van de vergunning of noodzakelijk is vanwege het belang of ontheffing, intrekking of de belangen ter bescherming waarvan wijziging noodzakelijk is de vergunning of ontheffing is vereist; vanwege het belang of de c. de aan de vergunning of ontheffing belangen ter bescherming verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt.

waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 2:10 Vergunning voor het plaatsen Artikel 2:10 Vergunning voor het van voorwerpen op of aan de weg of een plaatsen van voorwerpen op of aan de openbare plaats weg of een openbare plaats 1. Het is verboden zonder voorafgaande 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorafgaande vergunning van het openbare plaats of gedeelte daarvan college de weg of een openbare anders te gebruiken dan overeenkomstig plaats of een gedeelte daarvan de publieke functie daarvan anders te gebruiken dan 2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid overeenkomstig de publieke functie kan worden geweigerd: daarvan. a. indien het beoogde gebruik schade 2. Een vergunning bedoeld in het toebrengt aan de openbare plaats, eerste lid kan worden geweigerd: gevaar oplevert voor de a.

indien het beoogde gebruik bruikbaarheid van de openbare schade toebrengt aan de weg plaats of voor het doelmatig en veilig of openbare plaats, gevaar gebruik daarvan, dan wel een oplevert voor de bruikbaarheid belemmering kan vormen voor het van de weg of openbare plaats doelmatig beheer en onderhoud van of voor het doelmatig en veilig de openbare plaats; gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor b. indien het beoogde gebruik hetzij op het doelmatig beheer en zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke onderhoud van de weg of openbare plaats; eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of b. indien het beoogde gebruik beperking van overlast voor hetzij op zichzelf, hetzij in gebruikers van de in de nabijheid verband met de omgeving niet gelegen onroerende zaak. voldoet aan redelijke eisen van welstand; 3. Het verbod in het eerste lid, geldt niet c. in het belang van de voor: voorkoming of beperking van a. evenementen als bedoeld in artikel overlast voor gebruikers van de 2:24; in de nabijheid gelegen b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, onroerende zaak. tweede lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 3. Het verbod in het eerste lid, geldt 5:18; niet voor: d. zover over in het daarin geregelde a. evenementen als bedoeld in onderwerp wordt voorzien door de artikel 2:24; Wet beheer rijkswaterstaatswerken b.

terrassen als bedoeld in artikel of de Provinciale wegenverordening; 2:27, tweede lid; 4. De weigeringsgrond in het tweede lid, c. standplaatsen als bedoeld in onder b, geldt niet: artikel 5:18; a. voor bouwwerken; d. beperkingengebiedactiviteiten b. voorzover in het geregelde met betrekking tot een weg of onderwerp wordt voorzien door de waterstaatswerk waarvoor Wet milieubeheer; regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, 2

4. 5. Het verbod in het eerste lid, geldt niet voor door het college aangewezen categorieën van voorwerpen en mits deze voorwerpen voldoen aan het bepaalde in de nadere regels. 6. Het college kan nadere regels voor de 5. aangewezen categorieën vaststellen ter bescherming van belangen als bedoeld in het [tweede] lid en kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor een meldingsplicht geldt. 7. Op de aanvraag om een vergunning is 6. paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

7.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg mede verstaan alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 5. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het aanleggen van geveltuintjes of aanpassen van boomspiegels, mits degene die voornemens is het geveltuintje aan te leggen of de boomspiegel aan te passen, daarvan uiterlijk 2 weken van te voren melding doet aan het college en wordt voldaan

de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. De weigeringsgrond in het tweede lid, onder b, geldt niet: a. voor bouwwerken; b. voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Het verbod in het eerste lid, geldt niet voor de categorieën van voorwerpen die in nadere regels zijn opgenomen, mits deze voorwerpen voldoen aan het bepaalde in de nadere regels. Het college kan nadere regels voor categorieën voorwerpen vaststellen, ter bescherming van belangen als bedoeld in het tweede lid, en kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor een meldingsplicht geldt. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg mede verstaan alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor het aanleggen van geveltuintjes of aanpassen van boomspiegels, mits degene die voornemens is het geveltuintje aan te leggen of de boomspiegel aan te passen, daarvan uiterlijk 2 weken van te voren melding doet aan het college en wordt voldaan aan de nadere regels uit hoofde van het vijfde lid. 5. Het college stelt nadere regels voor het aanleggen van geveltuintjes en boomspiegels. 3

aan de nadere regels uit hoofde van het 6. zesde lid. 6. Het college stelt nadere regels voor het aanleggen van geveltuintjes en boomspiegels. 7. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2017. Artikel 2:12, lid 6 en lid 7 Artikel 2:12, lid 6 en lid 7 Omgevingsvergunning voor het maken, Omgevingsvergunning voor het veranderen van een uitweg maken, veranderen van een uitweg 6. Het bevoegd gezag weigert de vergunning 6. Het bevoegd gezag weigert de indien de aanleg of verandering van de vergunning indien de aanleg of uitweg in strijd is met een geldend verandering van de uitweg in strijd is bestemmingsplan. met het omgevingsplan. 7. Het verbod in het eerste lid geldt niet 7. Het verbod in het eerste lid is niet van voorzover in het daarin geregelde toepassing op onderwerp wordt voorzien door de Wet beperkingengebiedactiviteiten met beheer Rijkswaterstaatswerken, de betrekking tot een weg of Waterschapskeur of de Provinciale waterstaatswerk waarvoor regels wegenverordening. zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Artikel 2:14, lid 4 Winkelwagentjes Artikel 2:14, lid 4 Winkelwagentjes Het in het eerste lid bepaalde geldt niet Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp voorzover in het daarin geregelde wordt voorzien door de Wet milieubeheer. onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 2:21, lid 2 Voorzieningen voor Artikel 2:21, lid 2 Voorzieningen voor verkeer, verlichting of cameratoezicht verkeer, verlichting of cameratoezicht Het bepaalde geldt niet voorzover in het Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien daarin geregelde onderwerp wordt door de Waterstaatswet 1900, de voorzien door hoofdstuk 10 van de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Omgevingswet. Privaatrecht. Artikel 2:28, lid 1 en lid 2 Exploitatie Artikel 2:28, lid 1 en lid 2 Exploitatie openbare inrichting openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare te exploiteren zonder vergunning van de inrichting te exploiteren zonder burgemeester. Een leidinggevende is vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de niet in enig opzicht van slecht levensgedrag. vergunning als de exploitatie van de 2. De burgemeester weigert de vergunning openbare inrichting in strijd is met als: het omgevingsplan. a.

de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of

4

b. de leidinggevende niet voldoet aan de eis gesteld in het eerste lid, tweede volzin. Artikel 2:29, lid 6 Openingstijden horeca Het eerste tot met derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2:39, lid 3 Speelgelegenheden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

Artikel 2:29, lid 6 Openingstijden horeca Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. Artikel 2:34d Proeverijen in slijtersbedrijven 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld. Artikel 2:39, lid 3 Speelgelegenheden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.

Artikel 2:41a Tegengaan onveilig, niet Artikel 2:41a Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide leefklimaat leefbaar en malafide leefklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de a. bedrijfsmatige activiteit: bestuurder van een rechtspersoon activiteit in de uitoefening van of, indien van toepassing, de tot een beroep of bedrijf, die niet vertegenwoordiging van die valt onder de vergunningplicht rechtspersoon bevoegde natuurlijke bedoeld in artikel 3 van de persoon, voor wiens rekening en Alcoholwet of de artikelen 2:28 risico de bedrijfsmatige activiteiten of 3:3; worden uitgeoefend; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is a. beheerder: de natuurlijke persoon aangesteld voor de feitelijke die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de leiding over de bedrijfsmatige activiteit; bedrijfsmatige activiteiten; b. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit c. exploitant: natuurlijk persoon die plaatsvindt in een voor het of bestuurder van een publiek toegankelijk gebouw, niet rechtspersoon of tot zijnde een seksinrichting, of een vertegenwoordiging van die daarbij behorend perceel of enig rechtspersoon bevoegde andere ruimte, niet zijnde een natuurlijk persoon, voor wiens woning die als zodanig in gebruik is.

rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt 2. De burgemeester kan gebouwen, uitgeoefend. gebieden of bedrijfsmatige activiteiten 5

aanwijzen waar(op) het verbod uit het 2. derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend 3. voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: 4. a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d.

indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie 5. in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten; g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h.

een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt 6

5. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de 6. ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 6. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden 7. aangetast; of b.

door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning of 8. de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden 9. verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige 7

g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf nalatigheid kan worden personen werkzaam zijn of zullen verweten bij activiteiten of zijn in strijd met het bij of krachtens strafbare feiten die verband de Wet arbeid vreemdelingen of houden met de bedrijfsmatige Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; activiteit of toestaat of of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden h. de bedrijfsmatige activiteiten door de gepleegd waarmee de exploitant zijn beëindigd danwel openbare orde nadelig wordt sprake is van een gewijzigde beïnvloed; exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden c. er in de uitoefening van de aangenomen dat de feitelijke bedrijfsmatige activiteit toestand niet met het in de strafbare feiten hebben vergunning vermelde in plaatsgevonden of overeenstemming is; of plaatsvinden; j. de vestiging of de exploitatie in strijd d. er aanwijzingen zijn dat in de is met een geldend uitoefening van de bestemmingsplan, een geldend bedrijfsmatige activiteit ruimtelijk exploitatieplan, een personen werkzaam zijn of geldende beheersverordening, een zullen zijn in strijd met het bij geldend voorbereidingsbesluit, of de of krachtens de Wet arbeid Wet milieubeheer. vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 8. Indien een bedrijf in strijd met het verbod bepaalde; uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de e.

de exploitant de situaties als bedoeld in het zevende lid, bedrijfsmatige activiteit heeft sub a tot en met i, van toepassing is, kan beëindigd of gewijzigd; of f. redelijkerwijs moet worden de burgemeester de sluiting van het aangenomen dat de feitelijke bedrijf bevelen. toestand niet met het in de 9. Het is een ieder verboden een vergunning vermelde in overeenkomstig het achtste lid van deze overeenstemming is. bepaling gesloten bedrijf te betreden of 10. Als de bedrijfsmatige activiteit in daarin te verblijven. strijd met de vergunning of het 10. De sluiting kan door de burgemeester verbod wordt uitgeoefend of als worden opgeheven indien later bekend een van de situaties bedoeld in geworden feiten en omstandigheden het negende lid van toepassing is, hiertoe aanleiding geven. kan de burgemeester, 11. De exploitant is verplicht elke onverminderd het bepaalde in verandering in de uitoefening van zijn artikel 2:78, een besluit nemen tot bedrijf waardoor deze niet langer in sluiting van het gebouw of erf overeenstemming is met de in de waar de bedrijfsmatige activiteit vergunning opgenomen gegevens zo wordt uitgeoefend. spoedig mogelijk aan de burgemeester 11. De burgemeester brengt een te melden. De burgemeester verleent afschrift van zijn besluit tot een gewijzigde vergunning, als het sluiting aan op of nabij de toegang bedrijf aan de vereisten voldoet. 12.

Het is verboden een bedrijf voor van het voor het publiek bezoekers geopend te hebben zonder openstaande gebouw of erf. dat de exploitant of beheerder aanwezig 12. Eenieder is verplicht toe te laten is. dat het afschrift wordt 13. De exploitant en de beheerder zien erop aangebracht en aangebracht blijft, toe dat in het bedrijf geen strafbare zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een feiten plaatsvinden. overeenkomstig het tiende lid 14. In afwijking van het derde lid geldt dit gesloten gebouw of erf te verbod voor de exploitant die op het betreden of daarin te verblijven. moment van inwerkingtreding van het 14. De burgemeester kan de sluiting aanwijzingsbesluit reeds onder het opheffen als later bekend aanwijzingsbesluit vallende geworden feiten en bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor omstandigheden hiertoe die bestaande activiteiten op bestaande aanleiding geven en voldoende locaties eerst drie maanden na garanties aanwezig zijn dat geen inwerkingtreding van het herhaling van de feiten of aanwijzingsbesluit of met ingang van 8

inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:78 Toezicht op openbare gebouwen 1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw,

gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:58, lid 4 Verontreiniging door honden 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt, een plastic zakje of schepje of ander doeltreffend middel bij zich te hebben dat geschikt is voor de directe verwijdering van de uitwerpselen van de hond. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel 2:78 Toezicht op openbare gebouwen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of 9

niet zijnde een openbare inrichting of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing seksinrichting, of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceel op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de gedeelte of enige andere ruimte, niet Opiumwet voorziet. zijnde een woning die als zodanig in 3. De burgemeester brengt een gebruik is. 2. De burgemeester maakt de sluiting afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het bekend door het aanbrengen van een publiek openstaande gebouw of het afschrift van zijn bevel op of nabij de bij dat gebouw behorende erf. (hoofd)toegang van het voor het publiek 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat openstaande gebouw of het bij dat het afschrift wordt aangebracht en gebouw behorende er, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De aangebracht blijft, zolang de sluiting treedt in werking op het moment sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder zolang de sluiting van kracht is. 4. Het is de rechthebbende op en de toestemming van de burgemeester.

beheerder van een gebouw, ruimte of erf 6. De burgemeester kan een sluiting als bedoeld in het eerste lid verboden opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe daarin bezoekers toe te laten of daarin te aanleiding geven en voldoende laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. garanties aanwezig zijn dat geen 5. Het is een ieder verboden een herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben overeenkomstig het eerste lid gesloten geleid, zal plaatsvinden. gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6. Op aanvraag van een belanghebbende kan: a. een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden; b. een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Artikel 3:7, lid 1, aanhef en onder j Artikel 3:7, lid 1, aanhef en onder j Weigeringsgronden Weigeringsgronden Een vergunning wordt geweigerd als: Een vergunning wordt geweigerd als: j. de voorgenomen uitoefening van het j.

de voorgenomen uitoefening van het escortbedrijf strijd zal opleveren met een escortbedrijf strijd zal opleveren met geldend bestemmingsplan, een het omgevingsplan of een bestemmingsplan in ontwerp dat ter bekendgemaakte ontwerpwijziging inzage is gelegd, een beheersverordening. daarvan. Artikel 3:9, lid 1, aanhef en onder g Intrekkingsgronden De vergunning wordt ingetrokken als: g. de uitoefening van het escortbedrijf strijd oplevert met een geldend

Artikel 3:9, lid 1, aanhef en onder g Intrekkingsgronden De vergunning wordt ingetrokken als: g. de uitoefening van het escortbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan. 10

bestemmingsplan, een beheersverordening. Artikel 4:1 Definities Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: In deze afdeling wordt verstaan onder: a. collectieve festiviteit: festiviteit die niet a. Activiteitenbesluit milieubeheer: specifiek aan één of een klein aantal Activiteitenbesluit milieubeheer, inrichtingen is verbonden; zoals dat besluit luidde direct b. gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder voorafgaand aan de wordt verstaan in artikel 1.1. van het inwerkingtreding van de Activiteitenbesluit milieubeheer; Omgevingswet; c. gevoelige terreinen: hetgeen daaronder b. collectieve festiviteit: festiviteit die wordt verstaan in artikel 1.1. van het niet specifiek aan één of een klein Activiteitenbesluit milieubeheer; aantal inrichtingen is verbonden; d. houder van een inrichting: degene die c. gevoelige gebouwen: hetgeen als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of daaronder wordt verstaan in artikel anderszins een inrichting drijft; 1.1. van het Activiteitenbesluit e. incidentele festiviteit: festiviteit of milieubeheer; activiteit die gebonden is aan één of een d. gevoelige terreinen: hetgeen klein aantal inrichtingen; daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit f. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; milieubeheer, met dien verstande dat de e.

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, artikelen 4:2 en 4:3 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of beheerder of anderszins een type B als bedoeld in het inrichting drijft; f. incidentele festiviteit: festiviteit of Activiteitenbesluit milieubeheer; activiteit die gebonden is aan één of g. onversterkte muziek: muziek die niet een klein aantal inrichtingen; elektronisch is versterkt. g. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 en 4:3 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4:6 Overige geluidhinder Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in 1. Het is verboden buiten een inrichting de zin van de Wet milieubeheer of van op een zodanige wijze toestellen of het Besluit op een zodanige wijze geluidsapparaten in werking te toestellen of geluidsapparaten in werking hebben of handelingen te verrichten te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. veroorzaakt. 2.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of 3. Het verbod is niet van toepassing op krachtens de Omgevingswet, de situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit de provinciale milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of omgevingsverordening. de Provinciale milieuverordening.

11

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende 1. Het is verboden op of aan een zaak handelsreclame te maken of te voeren onroerende zaak handelsreclame te door middel van een opschrift, aankondiging maken of te voeren door middel van of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar een opschrift, aankondiging of wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat afbeelding waardoor het verkeer in voor de omgeving. gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Artikel 4:17 Definities Artikel 4:17 Definities In deze afdeling wordt onder kampeermiddel In deze afdeling wordt onder verstaan: Een onderkomen of voertuig kampeermiddel verstaan: Een nietwaarvoor geen omgevingsvergunning voor grondgebonden onderkomen of het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste voertuig, dat bestemd of opgericht is dan lid onder a van de Wet algemene bepalingen wel gebruikt wordt of kan worden omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of gebruikt voor recreatief nachtverblijf. opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18, lid 1 Recreatief nachtverblijf Artikel 4:18, lid 1 Recreatief buiten kampeerterreinen nachtverblijf buiten kampeerterreinen Het is verboden ten behoeve van recreatief Het is verboden ten behoeve van nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of recreatief nachtverblijf kampeermiddelen geplaatst te houden buiten een te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterrein dat als zodanig in het een kampeerterrein dat als zodanig in bestemmingsplan is bestemd of mede het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. bestemd. Artikel 5:5, lid 2 Voertuigwrakken Artikel 5:5, lid 2 Voertuigwrakken Het verbod geldt niet voorzover in het daarin Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de daarin geregelde onderwerp wordt Wet milieubeheer. voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 5:6, lid 3 Kampeermiddelen e.a. Artikel 5:6, lid 3 Kampeermiddelen e.a. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt Het in het eerste lid gestelde verbod is niet voorzover in het daarin geregelde niet van toepassing op onderwerp wordt voorzien door het beperkingengebiedactiviteiten met Provinciaal wegenreglement of de betrekking tot een weg waarvoor Provinciale landschapsverordening. regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:12, Overlast van fiets of Artikel 5:12, lid 1 Overlast van fiets of bromfiets bromfiets 1. Het is verboden op door het college in 1. Het is verboden op door het college het belang van het uiterlijk aanzien van in het belang van het uiterlijk aanzien de gemeente, ter voorkoming of van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming beëindiging van overlast, of ter van schade aan de openbare voorkoming van schade aan de gezondheid aangewezen plaatsen openbare gezondheid aangewezen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten plaatsen fietsen of bromfietsen de daarvoor bestemde ruimten of onbeheerd buiten de daarvoor plaatsen te laten staan. bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of 2. Het is verboden op door het college bromfietsen langer dan een door het aangewezen plaatsen fietsen of college vastgestelde periode bromfietsen langer dan een door het onafgebroken te laten staan. college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan. 12

3. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan. Artikel 5:18, lid 2 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Artikel 5:20, lid 1 Afbakeningsbepalingen Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 5:18, lid 2 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

Artikel 5:20, lid 1 Afbakeningsbepalingen Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 5:24, lid 4 Voorwerpen op, in, of Artikel 5:24, lid 4 Voorwerpen op, in, boven openbaar water of boven openbaar water De verboden zijn niet van toepassing op De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het beperkingengebiedactiviteiten met Wetboek van Strafrecht, de betrekking tot een waterstaatswerk Scheepvaartverkeerswet, het waarvoor regels zijn gesteld bij of Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer krachtens de Omgevingswet, de rijkswaterstaatswerken, de Provinciale provinciale omgevingsverordening of vaarwegenverordening of het bepaalde bij of de waterschapsverordening of op krachtens de Telecommunicatiewet. situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:25, lid 3 Ligplaats vaartuigen Artikel 5:25, lid 3 Ligplaats vaartuigen Het verbod is niet van toepassing op Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de beperkingengebiedactiviteiten met Woningwet, de Wet algemene bepalingen betrekking tot een waterstaatswerk omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, de waarvoor regels zijn gesteld bij of Woningwet, de Wet algemene bepalingen krachtens de Omgevingswet, de omgevingsrecht het provinciale omgevingsverordening of Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de waterschapsverordening of op Provinciale vaarwegenverordening, de situaties waarin wordt voorzien door het Provinciale landschapsverordening of de Besluit bouwwerken leefomgeving of Havenverordening Leidschendam-Voorburg het overige bepaalde bij of krachtens 2004. de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement of de Havenverordening LeidschendamVoorburg 2004.

Artikel 5:28, lid 2 Beschadigen Artikel 5:28, lid 2 Beschadigen waterstaatswerken waterstaatswerken Het verbod geldt niet voorzover in het daarin Het verbod is niet van toepassing op geregelde onderwerp wordt voorzien door situaties waarin wordt voorzien door het het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer Binnenvaartpolitiereglement, de rijkswaterstaatswerken, of de Provinciale provinciale omgevingsverordening. vaarwegenverordening.

13

Artikel 5:30, lid 2 Veiligheid op het water Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:30, lid 2 Veiligheid op het water Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 5:31b Verbod op vaartuigen Het college kan (delen van) openbaar water aanwijzen waar het verboden is zich te bevinden of te verplaatsen op gemotoriseerde of niet-gemotoriseerde vaartuigen. Artikel 5:33, lid 4 Beperking verkeer in Artikel 5:33, lid 4 Beperking verkeer in natuurgebieden natuurgebieden Het in het eerste lid gestelde verbod geldt Het in het eerste lid gestelde verbod voorts niet: geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste a. op wegen als bedoeld in artikel 1, lid, onder b, van de Wegenverkeerswet eerste lid, onder b, van de 1994; Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de Provinciale b. binnen de bij of krachtens verordening ‘Stiltegebieden’ provinciale aangewezen stiltegebieden, ten aanzien omgevingsverordening van motorrijtuigen die bij of krachtens die aangewezen stiltegebieden, ten verordening zijn aangewezen als aanzien van motorrijtuigen die bij of ‘toestel’. krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, of anderszins vuur aan te milieubeheer, zoals die wet luidde leggen, te stoken of te hebben. direct voorafgaand aan de 2. Mits er geen sprake is van gevaar, inwerkingtreding van de overlast of hinder voor de omgeving, is Omgevingswet, of anderszins vuur het verbod niet van toepassing op: aan te leggen, te stoken of te hebben. a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; 2. Mits er geen sprake is van gevaar, b. sfeervuren zoals terrashaarden en overlast of hinder voor de omgeving, vuurkorven, voor zover geen is het verbod niet van toepassing op: afvalstoffen worden verbrand; d. verlichting door middel van c. vuur voor koken, bakken en braden. kaarsen, fakkels en dergelijke; 3. Het college kan ontheffing verlenen van e. sfeervuren zoals terrashaarden het verbod. en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 f. vuur voor koken, bakken en kan de ontheffing worden geweigerd ter braden.

bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op 3. Het college kan ontheffing verlenen situaties waarin wordt voorzien door van het verbod. artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van 4. Onverminderd het bepaalde in artikel het Wetboek van Strafrecht of de 1:8 kan de ontheffing worden Provinciale milieuverordening. geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. 14

Daarnaast is in de toelichting van de Apv het één en ander gewijzigd en geactualiseerd. Hieronder een overzicht: a. Nieuwe algemene toelichting direct onder “Toelichting” De toelichting is, in navolging van de VNG, nog niet technisch aangepast aan de Omgevingswet. De VNG heeft aangegeven daar op een later moment mee te komen, bij een algehele herziening van de Apv. b. Toelichting op nieuw artikel 2:34d Artikel 2:34d Proeverijen in slijtersbedrijven Algemeen Het is voor slijters verboden in hun slijterij een proeverij te organiseren. Dat volgt uit de artikelen 3 en 14 van de Alcoholwet. Het is alleen toegestaan de klant te laten proeven indien hij daarom verzoekt en dat proeven moet bovendien gratis zijn (artikel 13, tweede lid, van de Alcoholwet). Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente. Andere winkels, zoals bijvoorbeeld supermarkten, die op basis van de Alcoholwet zwakalcoholhoudende drank mogen verkopen, mogen geen proeverijen in hun winkel organiseren. Deze winkels zijn geen slijtlokaliteit in de zin van de Alcoholwet. De vrijstelling geldt alleen voor slijtersbedrijven.

Sommige supermarkten hebben bij hun winkel een kleine slijterij (de zogenaamde borrelshop), waarvoor men over een alcoholwetvergunning beschikt. Als proeverijen zijn toegestaan dan kunnen deze ook in een borrelshop worden georganiseerd. Voorwaarden De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen staan genoemd in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Zo mogen maximaal 1 proeverij per dag en maximaal 3 proeverijen per week worden gegeven. Vóór aanvang van de proeverij moeten de kosten van deelname door een leidinggevende van het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. De deelnemers aan de proeverij moeten vóór aanvang bekend zijn bij de leidinggevende. De deur van de slijterij is tijdens de proeverij gesloten voor publiek. Alleen de deelnemers hebben toegang. Tijdens de proeverij mag alleen die (alcoholhoudende en alcoholvrije) drank worden verkocht die in het kader van de proeverij aan de deelnemers is verstrekt. Eerste lid Door het verlenen van een vrijstelling aan slijtersbedrijven om tegen betaling een proeverij in hun slijtlokaliteit te organiseren wordt een uitzondering gemaakt op twee verboden in de Alcoholwet, te weten een uitzondering op het verbod om zonder horecavergunning het horecabedrijf uit te oefenen (artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet). Vrijstelling van dat verbod is nodig omdat het geven van een betaalde proeverij geldt als het uitoefenen van het horecabedrijf.

Ten tweede wordt een uitzondering gemaakt op het verbod om een slijtlokaliteit in gebruik te hebben voor ook andere bedrijfsactiviteiten dan slijtersactiviteiten (artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet). De vrijstelling voor het organiseren van een proeverij in een slijtlokaliteit geldt voor alle slijtersbedrijven. Het is niet mogelijk om te differentiëren, dat staat de Alcoholwet niet toe. Het geven 15

van een proeverij kan dus niet nader afhankelijk gesteld worden van een vergunning of een ontheffing. Proeverijen mogen uitsluitend tegen betaling worden georganiseerd. Tweede lid Tijdens de proeverij mogen alleen de deelnemers aan de proeverij aanwezig zijn in de slijtlokaliteit (artikel 6.1 van het Alcoholbesluit). Een proeverij mag alleen plaatsvinden op een tijdstip dat de slijterij normaal gesproken is gesloten maar bij of krachtens de Winkeltijdenwet wel geopend zou mogen zijn (artikel 25e van de Alcoholwet). Dus als een slijterij gebruikelijk sluit om 18.00 uur, dan zou tussen 18.00 en 22.00 uur een proeverij kunnen worden gegeven. Als echter een slijterij gebruikelijk pas om 22.00 uur sluit, dan is een proeverij in de avonduren dus niet toegestaan. Het is niet mogelijk een slijtlokaliteit eerder dan normaal te sluiten om vervolgens een proeverij te organiseren. Het ligt voor de hand dat een proeverij in de avonduren plaatsvindt, maar een proeverij op zondag is ook denkbaar mits opening op zondag bij winkeltijdenverordening is toegestaan. c. Nieuwe toelichting bij artikel 2:41a Artikel 2:41a Tegengaan onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat Algemeen Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen.

Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. Uit de jurisprudentie volgt dat het juridisch-technisch mogelijk is om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten, maar dat de inzet van deze bevoegdheid wel goed moet worden gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de uitoefening van een bedrijf in de regel kwalificeert als het verrichten van een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op een vergunningstelsel dat de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert, heeft artikel 9 van de Dienstenrichtlijn betrekking. Dit betekent dat de burgemeester dient te onderbouwen dat een aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt (de openbare orde en veiligheid zijn een dwingende reden van algemeen belang), niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt (de maatregel is geschikt, noodzakelijk en evenredig).

Zie bijvoorbeeld ABRvS 03-03-2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 (Autoverhuurbranche Tilburg). Aandachtspunten bij de onderbouwing kunnen zijn: - De kwetsbaarheid van het aangewezen gebied of de aangewezen branche. Waarom staat de openbare orde en/of de leefbaarheid door de bedrijfsmatige activiteit daar onder druk? - De mate waarin de vergunningplicht geschikt is om deze problematiek aan te pakken. Welk doel wordt met de introductie van de vergunningplicht bereikt? Hoe draagt de vergunningplicht bij aan de oplossing? - De vraag of in het aangewezen gebied of branche malafide bedrijven zijn gevestigd. Waaruit blijkt dat bedrijven zijn gelieerd aan een malafide ondernemersklimaat? - De ervaringen van buurtbewoners of inwoners van de gemeente. Welke signalen ontvangt de gemeente van hen over de bedrijven of het aangewezen gebied? 16

-

Het type bedrijven dat in het aangewezen gebied of in de branche aanwezig zijn. Zijn dit in zijn algemeenheid ‘ondermijningsgevoelige’ bedrijven? Een bredere aanpak van een bepaald gebied of een bepaalde branche. Is de vergunningplicht ingebed in een bredere aanpak van een bepaalde branche, wijk of gebied? Sluit de vergunningplicht goed aan bij het doel van deze bredere aanpak en de daarvoor genomen maatregelen?

Eerste lid In dit lid worden in het artikel veel voorkomende begrippen omschreven. Bij de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit gaat het om bedrijfsmatige activiteiten in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Als bedrijfsmatige activiteit wordt niet aangemerkt (de uitoefening van) een slijtersbedrijf, horecabedrijf of andere openbare inrichting of een seksbedrijf, waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, respectievelijk artikel 2:28 of artikel 3:3 van de APV. Bij die vergunningaanvragen vindt al een vergelijkbare toetsing plaats. Ook de weigerings- en intrekkingsgronden zijn vergelijkbaar. In voorkomend geval kan sluiting plaatsvinden op basis van andere artikelen; zie artikel 2:78. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon.

Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder berusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Tweede lid De systematiek van dit artikel gaat uit van een gebouw-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche, gebouw of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren.

Het belang van de verbetering van de situatie kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen gebouw verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1:7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit. Als sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaald(e) branche, gebouw of gebied kan op grond van het APV-artikel een vergunningplicht voor een branche, gebouw of gebied worden ingevoerd. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking 17

hebben. Het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan echter ook de gehele gemeente beslaan. Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid of leefbaarheid gereguleerd moeten worden. Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Dit maakt het voor de gemeente ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door middel van een Bibob-toets. Sinds 2013 is het toepassingsbereik van de wet Bibob uitgebreid, waardoor elke gemeentelijke vergunning die wordt afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit aan zo’n toets kan worden onderworpen. Vierde lid Dit lid regelt de wijze van indiening van de aanvraag voor een vergunning en welke gegevens en bescheiden de exploitant moet overleggen. De genoemde aanvraagvereisten zijn nodig om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen.

Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Als dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit reden zijn om de vergunning in te trekken (negende lid, sub e en f). Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken. Dat vloeit voort uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. Vijfde lid De algemene weigeringsgronden staan vermeld in artikel 1:8. In het vijfde lid staan de specifieke weigeringsgronden vermeld. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Zesde lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Leidschendam&id=74408d44-292a-4ffe-a74d-c91e07e7bac4