3907 Was-Wordt lijst Verordening maatschappelijke ondersteuning
Tekst van het document
Onderdeel Titel
Was Hoofdstuk 1- begripsbepalingen
Wordt Hoofdstuk 1: Wat staat er in de verordening en voor wie is het?
Artikel 1
(toegevoegd) Artikel 1. Wat staat er in deze verordening? Deze verordening bevat de regels van de gemeente voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen a. Adviesraad: Een onafhankelijk orgaan bestaande uit personen • 1. In de verordening en de daarop berustende die vanuit de belangen en bepalingen wordt verstaan onder: ervaringen vanuit de o a. Algemeen gebruikelijke voorziening: inwoners en de een voorziening die niet speciaal verschillende doelgroepen bedoeld is voor mensen met een het College adviseert over beperking, die algemeen verkrijgbaar de voorbereiding en is en die niet aanzienlijk duurder is dan uitvoering van het beleid vergelijkbare producten; op het sociaal domein en o b. Algemeen gebruikelijk: naar geven daarmee uitvoering geldende maatschappelijke normen tot aan artikel 2.1.3 derde lid het gangbare gebruiks- dan wel van de wet. bestedingspatroon van een persoon b. Algemeen gebruikelijke als de aanvrager behorend; voorziening: een o c. Beperking: aan de persoon voorziening die: verbonden factoren die er toe leiden niet specifiek bedoeld is dat deze niet (volledig) in staat is tot voor personen met een deelnemen aan het maatschappelijke beperking; verkeer; daadwerkelijk beschikbaar o d.
Collectieve maatwerkvoorziening: is; een maatwerkvoorziening die door een passende bijdrage meerdere personen tegelijk kan levert aan het realiseren worden gebruikt; van een situatie waarin de o e. Dagbesteding: structurele cliënt in staat is tot tijdsbesteding met een welomschreven zelfredzaamheid of doel; participatie en; o f. Diensten: maatschappelijke financieel gedragen kan ondersteuning als bedoeld in worden met een inkomen hoofdstuk 7 en 8 van deze op minimumniveau. Verordening; c. Andere voorziening: o g. Gemeenschappelijke ruimten: voorziening anders dan in gedeelte(n) van een woongebouw, niet het kader van de wet; behorende tot de onderscheiden d. Beleidsregels: woningen, bestemd en noodzakelijk Beleidsregels om de woonruimte van de cliënt waar maatschappelijke deze zijn hoofdverblijf heeft vanaf de ondersteuning gemeente toegang tot het woongebouw te Leidschendam-Voorburg; bereiken; e. Beschermd wonen: o h. Huisgenoot: de persoon met wie de Volwassenen met cliënt duurzaam een gezamenlijk psychische of huishouden voert; psychosociale problemen, o i. Hulpvraag: de behoefte aan die 24 uur per dag hulp maatschappelijke ondersteuning, niet nodig hebben. zijnde informatie en advies waarvoor f. Centrumgemeente: Een een melding wordt gedaan; gemeente die een o j.
Hoofdverblijf: de woonruimte, bepaalde functie uitvoert bestemd en geschikt voor permanente voor andere gemeenten. bewoning, waar de cliënt zijn vaste g. Eigen kracht: De woon- en verblijfplaats heeft of zal mogelijkheden die de hebben en op welk adres hij in de client heeft om zelf tot gemeentelijke basisadministratie verbetering van zijn
o
o
o o
o
o
o
o o
o
ingeschreven staat of zal staan. Indien de cliënt met een briefadres in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres; k. Instelling: volgens de Wet toelating zorginstellingen, een ziekenhuis of kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in de Regeling langdurige zorg (Rlz) of een door het college goedgekeurde accommodatie van een aanbieder; l. Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont en gezamenlijk een huishouden voert; m. Meerkosten: kosten die uitgaan boven de kosten die als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen; n. Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning. Onder omstandigheden kan daaronder tevens de berging, de toegang tuin of balkon van de woning worden verstaan; o. Ondersteuningsplan: een in samenspraak met de cliënt opgesteld afsprakenkader over diens te vergen inzet, zijn sociaal netwerk, algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen gelet op zijn beperking(en) waaronder ook criteria als bedoeld in de zorgovereenkomst kunnen zijn inbegrepen; p.
Persoonlijk plan: een door de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, opgesteld plan met zijn persoonlijk arrangement over de omstandigheden als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met e van de wet; q. Specialistenpool: een groep van personen met specialistische inhoudelijke kennis over beperkingen van cliënten; r. Spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt; s. Vervoersvoorziening: een voorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich in zijn leefomgeving kan verplaatsen; t. Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling op grond waarvan de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;
zelfredzaamheid of participatie te komen. Van de client wordt verwacht dat hij zich in hoge mate in spant om, voor zover mogelijk, zelf te voorzien in maatschappelijke ondersteuning. h. Gebruikelijke hulp: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; i. Gemeenschappelijke ruimten: Een algemene ruimte in een gebouw dat niet tot een woning behoort. Het is een functionele en neutrale ruimte bedoeld voor gemeenschappelijk gebruik, zoals een hal of gezamenlijke stallingsruimte. j. Goedkoopst compenserend: Voorzieningen die het college op grond van deze verordening verstrekt, moeten zowel compenserend als de goedkoopste voorziening zijn. Met het begrip compenserend wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. k. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; l. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; m. Ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente LeidschendamVoorburg; n. Maatschappelijke Ondersteuning: Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen
o o
o
o
u. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; v. Woning: een woonruimte voor permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen mits bestemd voor permanent bewoning; w. Woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning. x. Zorgovereenkomst: Een schriftelijke overeenkomst tussen de cliënt en de zorgaanbieder. Hierin staan afspraken over de rechten en plichten van de cliënt en van de zorgaanbieder.
met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; het bieden van beschermd wonen en opvang; o. Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; ten behoeve van beschermd wonen en opvang; p. Medewerker: Gemandateerd persoon die namens het college een melding of aanvraag behandelt. q. Melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; r. Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
s.
Pgb: persoonsgebonden budget, een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren; t. Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; u. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. (toegevoegd) Artikel 3 Voor wie is deze verordening?
Hoofstuk 2 – procedureregels Artikel 2.2 Cliëntondersteuning en persoonlijk plan •
1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
•
2. Het college wijst de cliënt en zijn eventuele mantelzorger voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van gratis cliëntondersteuning.
•
3. Het college wijst de cliënt en zijn eventuele mantelzorger voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan.
•
4. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het gesprek als bedoeld in artikel 2.3 van de verordening.
1. Deze verordening gaat over de maatschappelijke ondersteuning voor inwoners van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Artikel 5. Cliëntondersteuning Bij cliëntondersteuning gaat het om informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van mensen. Daarnaast omvat cliëntondersteuning informatie, advies en algemene ondersteuning over de mogelijkheden op het vlak van een zo integraal mogelijke dienstverlening (ook bestaande uit hulpmiddelen, woningaanpassingen etc.) op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen ten behoeve van het maken van een keuze of het oplossen van een probleem. Dit leidt tot regieversterking van de cliënt (en
zijn omgeving) en bevordert de zelfredzaamheid en participatie. 1. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning. 2. Indien de cliënt dit wenst, kan de inwoner zich bij het doen of afhandelen van de melding laten ondersteunen door een onafhankelijk clientondersteuner. De medewerker wijst de cliënt en/of de mantelzorger tijdens de melding op de mogelijkheid een onafhankelijke cliëntondersteuner in te schakelen. Ook als het een aanvraag in het kader van de Wet langdurige zorg betreft. Artikel 6. Persoonlijk plan In een persoonlijk plan kan beschreven worden wie de client is, wat de situatie is, wat de reden is dat er ondersteuning gevraagd wordt, wat voor de client belangrijk is (nu en in de toekomst), voor welke zaken de client ondersteuning nodig heeft en wat de client zelf mogelijk kan oplossen. 1. De cliënt heeft tot zeven dagen na de melding de mogelijkheid een persoonlijk plan in te dienen. De medewerker wijs de cliënt hierop in de ontvangstbevestiging van de melding. 2. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 8 van deze verordening. Artikel 2.3 Het gesprek •
•
•
Artikel 8. Onderzoek
1. 1. Het college nodigt de cliënt met een hulpvraag als bedoeld artikel 2.1 eerste lid van de verordening zo spoedig mogelijk na de bevestiging van ontvangst van de hulpvraag uit voor het gesprek, waarbij in samenspraak met de cliënt een gesprekslocatie wordt bepaald. 2. 2. Ingeval van mantelzorg wordt, indien de cliënt dat wenst of het college dat noodzakelijk acht, de mantelzorger(s) uitgenodigd voor het gesprek. 3. Het college kan voorafgaande aan het 3. gesprek als bedoeld in het eerste lid eerst de van belang zijnde gegevens voor dat gesprek verzamelen alvorens een afspraak wordt gemaakt.
Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger. Bij het gesprek zijn indien mogelijk de mantelzorger en voor zover nodig andere personen aanwezig. De volgende onderwerpen maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek:
• •
4. Bij het gesprek staat het belang van de cliënt centraal. 5. Afhankelijk van de aard en omvang van de hulpvraag kan het college personen uit de specialistenpool raadplegen.
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van artikel
2.1.4a. van de wet verschuldigd zal zijn. 4. Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt op een zo begrijpelijke mogelijke manier uitgelegd welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 5. De medewerker informeert de cliënt over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 9 in te dienen. 6. Als dit nodig is voor het onderzoek kan de cliënt, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten worden opgeroepen voor een gesprek of een onderzoek door een onafhankelijk medisch adviseur. 7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan de medewerker onafhankelijk medisch advies opvragen bij een door het college aanwezen adviesinstantie. 8. De medewerker maakt van het onderzoek een verslag, waarin zowel de bevindingen van de medewerker als de client worden weergegeven. 9. De medewerker verstuurt het verslag en/of ondersteuningsplan na afronding van het onderzoek aan client.
Artikel 2.5 Verslag van het gesprek Hoofdstuk 3 – de aanvraag
Artikel 3.1 De aanvraag •
1. De aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier nadat het onderzoek is uitgevoerd, of na verloop van de onderzoeksperiode. Het college kan bepalen dat een aanvraag ook digitaal of mondeling kan worden ingediend.
10. Opmerkingen of aanvullingen van de client kunnen aan het onderzoeksverslag worden toegevoegd. Vervallen, opgenomen in artikel 8, zie hierboven. Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 9. De aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een cliënt schriftelijk of digitaal ingediend bij het college. Als in het onderzoek zoals bedoeld in artikel 6, zevende lid, is geconcludeerd dat de cliënt in
•
•
•
aanmerking kan komen voor 2. In afwijking van het eerste lid kan het een maatwerkvoorziening, college een ondertekend verslag als bedoeld in dan kan de cliënt de aanvraag artikel 2.5 van de verordening, voorzien van de ook mondeling indienen. In NAW-gegevens van de cliënt, aanmerken als geval van een mondeling aanvraag. aanvraag geldt de beschikking 3. Het college is bevoegd de beslistermijn als en/ of het gespreksverslag als bedoeld in artikel 2.3.5 tweede lid van de wet bevestiging dat een aanvraag op te schorten indien voor de beoordeling van is ingediend. aanspraak op, dan wel welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage (toegevoegd) kan leveren een deskundigenadvies nodig is. 4. Het college merkt een aanvraag welke 2. Een aanvraag kan tot voortkomt uit een verslag van het onderzoek maximaal 2 maanden na als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening dagtekening van het verslag, dat meer dan twee maanden vóór de als bedoeld in artikel 8, lid 8 ontvangst van de aanvraag is opgesteld, aan worden ingediend. Bij als een melding, tenzij er naar oordeel van het ontvangst na deze datum kan college tussen de aanvraag en het bedoelde besloten worden tot nieuw verslag geen wijzigingen hebben onderzoek. plaatsgevonden in de feiten en omstandigheden.
Artikel 3.2 Advisering Hoofdstuk 4 – Beoordeling van de aanspraak en inhoud van de beschikking Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening •
•
•
Vervallen, opgenomen in artikel 8, zie hierboven. Vervallen, opgenomen in hoofdstuk 3, zie hierboven. Artikel 10. Algemene criteria
1. 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente LeidschendamVoorburg komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: o a. op eigen kracht; o b. met gebruikelijke hulp; o c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel o d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. 2. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert, rekening houdend met het verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en 2. op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kan blijven. 3. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet:
Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de cliënt de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of; b. gebruikelijke hulp en/of; c. mantelzorg en/of; d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of; e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of; f. algemene voorzieningen en/of; g. andere voorzieningen. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de cliënt de problemen niet kan verminderen of
a. op eigen kracht; wegnemen door gebruik te b. met gebruikelijke hulp; maken van: c. met mantelzorg of met hulp van a. eigen kracht en/of; andere personen uit zijn sociale b. gebruikelijke hulp en/of; netwerk; dan wel c. mantelzorg en/of; o d. met gebruikmaking van algemene d. hulp van andere personen voorzieningen, uit het sociale netwerk en/of; kan verminderen of wegnemen. e. algemeen gebruikelijke 4. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het voorzieningen en/of; vorige lid levert, rekening houdend met het f. algemene voorzieningen verslag als bedoeld in artikel 2.5 van de en/of; verordening en indien aanwezig het persoonlijk g. andere voorzieningen. plan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd 3. Het college kan aanvullende wonen of opvang en aan het realiseren van beleidsregels opstellen over een situatie waarin de cliënt voldoende en op de maatwerkvoorzieningen die aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zo op grond van lid 1 en lid 2 zich snel mogelijk weer op eigen kracht op beschikbaar zijn. verantwoorde wijze te handhaven in de samenleving. Artikel 11. Voorwaarden en 5. Er bestaat slechts aanspraak op een weigeringsgronden maatwerkvoorziening voor zover: 1. Als een maatwerkvoorziening o a.
deze noodzakelijk is om de cliënt noodzakelijk is, verstrekt het voldoende en op aanvaardbare wijze college de goedkoopst in staat te stellen tot zelfredzaamheid compenserende voorziening. en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kunnen 2. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze blijven wonen; gezien de beperkingen van de o b. deze als goedkoopst passende cliënt, veilig voor hemzelf en bijdrage aan te merken is; zijn omgeving is, geen o c. deze in overwegende mate op de gezondheidsrisico’s met zich cliënt gericht is; meebrengt en niet antio d. er naar oordeel van het college revaliderend werkt. geen aanspraak kan worden gemaakt op een indicatie Wet langdurige zorg. 3. Geen maatwerkvoorziening 6. Geen aanspraak op een wordt verstrekt: maatwerkvoorziening bestaat: a. als voor de problematiek o a. indien in de hulpvraag van de cliënt die aanleiding geeft voor met een voor hem als algemeen de noodzaak tot gebruikelijk te beschouwen ondersteuning, een voorziening kan worden voorzien; voorziening op grond van o b. voor zover er aan de zijde van de een andere wettelijke cliënt geen sprake is van aantoonbare bepaling bestaat; meerkosten in vergelijking met de b.
als de cliënt de gevraagde situatie voorafgaand aan diens voorziening zelf voor de behoefte aan maatschappelijke melding heeft ondersteuning; gerealiseerd, tenzij er o c. indien een voorziening als die sprake is van een acute waarop de aanvraag betrekking heeft noodsituatie waardoor het reeds in het kader van enige wettelijke voor de cliënt dringend bepaling of regeling is verleend en noodzakelijk was de daarvan de normale voorziening te treffen; afschrijvingstermijn nog niet is c. als de cliënt de gevraagde verstreken, tenzij de eerder vergoede voorziening zelf na de of verleende voorziening verloren is melding en vóór datum gegaan als gevolg van van besluit heeft omstandigheden die niet aan de cliënt gerealiseerd, tenzij het zijn toe te rekenen; college daarvoor o d. indien de cliënt in redelijkheid van schriftelijk toestemming hem te vergen mogelijkheden heeft om heeft gegeven of de zelf voor een passende oplossing te noodzaak en passendheid zorgen voor de beperkingen in zijn van de voorziening en de zelfredzaamheid en participatie; o o o
• •
•
•
e. indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. 7. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget wordt in ieder geval geweigerd indien de maatwerkvoorziening is gerealiseerd vóór de melding dan wel de aanvraag. 8. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget kan worden geweigerd indien de maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd vóór de melding dan wel aanvraag, tenzij de noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld. 9. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget, niet zijnde opvang, bestaat indien de cliënt geen woonplaats heeft of zal hebben in de gemeente LeidschendamVoorburg. o
•
•
•
gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; d. als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; e. als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht; f. als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: a. deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden. b. de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Leidschendam-Voorburg. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis. 6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b.
als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de
woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; 7. Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Den Haag, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke
ondersteuning van deze centrumgemeente. (toegevoegd) Artikel 13. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking. 2. De cliënt moet na toekenning van een pgb het budget binnen 6 maanden na de besluitdatum gebruiken voor het resultaat waarvoor het is verstrekt.
HOOFDSTUK 6 – Persoonsgebonden budget Artikel 6.1 Criteria aanspraak en verplichtingen persoonsgebonden budget •
•
3. De client moet na toekenning van een maatwerkvoorziening in natura binnen 6 maanden na de besluitdatum, gebruik maken van de maatwerkvoorziening waar een beschikking voor is afgegeven. Vervallen, geen apart hoofdstuk meer. Artikel 15. Regels voor een pgb
1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening en de persoonsgebonden budget onverminderd ondersteuning zelf wenst in te artikel 2.3.6 van de wet. De cliënt heeft kopen door middel van een aanspraak op een persoonsgebonden budget pgb, toetst het college of indien: voldaan wordt aan de in artikel o a. de cliënt op eigen kracht, al dan niet 2.3.6. lid 2 van de wet met hulp uit zijn sociale netwerk of zijn opgenomen voorwaarden. De vertegenwoordiger, voldoende in staat cliënt dient daarvoor een is te achten tot een redelijke budgetplan in. waardering van belangen aangaande In het budgetplan is in elk de aan het persoonsgebonden budget geval opgenomen: verbonden taken op een verantwoorde a. hoe de cliënt zelf of met manier uit te voeren; hulp van iemand uit het o b. de cliënt zich in het gesprek als sociale netwerk of zijn bedoeld in artikel 2.3 van de vertegenwoordiger de aan verordening voldoende gemotiveerd een pgb verbonden taken op het standpunt stelt waarom hij de op verantwoorde wijze maatwerkvoorziening als gaat uitvoeren; persoonsgebonden budget wenst te b. wat de motivatie is om de krijgen en ter onderbouwing daarvan maatwerkvoorziening in een zorgovereenkomst tussen de de vorm van een pgb te cliënt en de zorgaanbieder kan ontvangen; overhandigen; c. welke voorziening de o c.
is gewaarborgd dat de diensten, cliënt met het pgb zou hulpmiddelen, woningaanpassingen en willen inkopen en bij welke andere maatregelen voldoen aan de uitvoerder; kwaliteitseisen van de wet en in d. op welke wijze de kwaliteit redelijkheid geschikt zijn voor het doel van de voorziening is waarvoor het persoonsgebonden gewaarborgd en duidelijk budget wordt verstrekt. is dat de voorziening 2. Het persoonsgebonden budget: geschikt is voor het doel o a. mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt
•
•
algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt; o b. mag niet worden besteed aan (administratieve) bemiddelingsbureaus, waaronder ook tussenpersonen/belangenbehartigers worden gerekend; 2. o c. mag niet worden besteed aan reiskosten, van degene aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed, tenzij dat is opgenomen in het door het college akkoord bevonden ondersteuningsplan of zorgovereenkomst; o d. wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan het college een langere termijn hanteren; o e. de cliënt die is aangewezen op een maatwerkvoorziening besteedt het 3. persoonsgebonden budget niet aan een persoon welke tot zijn leefeenheid behoort die feitelijk gebruikelijke hulp 4. op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 3. Het college stelt nadere regels over de voorwaarden die rechtstreeks voortvloeien uit dan wel verband houden met het recht op een persoonsgebonden budget. 4. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde ondersteuning of maatwerkvoorzieningen de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.
waarvoor het pgb wordt verstrekt; e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; e. reiskosten. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.
(toegevoegd) Artikel 16. Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die
nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Informele hulp is: a. Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp Artikel 6.4 Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget •
•
•
•
1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen bedraagt in ieder geval niet meer dan de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende bijdrage, waaronder gerekend onderhoud, reparatie en verzekering zoals die door het college aan de aanbieder verschuldigd is of zou zijn. 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen bedraagt in ieder geval niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura. 3. De hoogte van het persoonsgebonden budget waarmee diensten worden ingekocht bij een professionele ondersteuner (organisatie) bedraagt niet meer dan het tarief waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd. Het college kan rekening houden met een bepaald percentage van dat tarief. 4. In afwijking van het vorige lid wordt het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen, indien het persoonsgebonden budget niet wordt besteed aan het feitelijk wonen
Artikel 17. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor vervoersvoorzieningen, woningaanpassingen of rolstoelen wordt maximaal vastgesteld op: a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen
•
•
•
binnen een instelling, vastgesteld op basis van de (afzonderlijk) te indiceren ondersteuning. Daarbij blijven de woonkosten, zoals huur en 2. andere vaste lasten, buiten beschouwing. 5. De hoogte van het persoonsgebonden budget waarmee diensten worden ingekocht bij een persoon die niet als professionele ondersteuner (organisatie), waaronder ook de persoon uit het sociale netwerk, wordt aangemerkt wordt vastgesteld op basis van een tarief dat in ieder geval lager is dan welke geldt voor in het derde lid en bedraagt maximaal het op grond van artikel 5.2.2 tweede lid van de Regeling langdurige zorg geldende tarief. 6. Het college stelt nadere regels voor de 3. hoogte van het persoonsgebonden budget voor de gedifferentieerde tarieven voor diensten, rekening houdend met de reële overheadkosten, de kwaliteit en de van toepassing zijnde professionele standaard. 7. Het persoonsgebonden budget moet 4. toereikend zijn om geïndiceerde maatschappelijke ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan de kwaliteit met betrekking tot het doel (resultaat) waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend.
overeenkomst heeft gesloten. De hoogte van het pgb voor formele hulp voor begeleiding en huishoudelijke ondersteuning is maximaal 90% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. In uitzondering op lid 2, geldt voor het vervoer van en naar de dagbesteding (begeleiding groep) het zorg in natura tarief. De hoogte van het pgb voor informele hulp voor individuele begeleiding en huishoudelijke ondersteuning is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren.
5. Als de hoogte van het pgb in een individueel geval naar oordeel van het college onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het pgb tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. HOOFDSTUK 9 – Hulp gericht op het wonen
Bijna gehele hoofdstuk vervallen omdat dit reeds uit de wet volgt. Artikel 12 Primaat van verhuizen 1. Het college kan voorrang geven aan een verhuizing (toepassen primaat van verhuizen) indien de kosten van een noodzakelijke woningaanpassing niet als de goedkoopst compenserende voorziening is aan te merken. 2. Indien een verhuizing niet binnen een redelijke en/of
medische aanvaardbare termijn mogelijk is kan een client alsnog voor een woningaanpassing in aanmerking komen. Wat een redelijke en/of medische aanvaardbare termijn is zal in elk individueel geval bepaald moeten worden. Dit kan met informatie of documenten van de client of als het noodzakelijk is door het opvragen van onafhankelijk medisch advies. HOOFDSTUK 11 – Bijdrage in de kosten
Artikel 11.1 Maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget •
•
•
•
Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten Artikel 19. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen
1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in een maatwerkvoorziening verschuldigd, zolang natura of een pgb zolang hij hij van de maatwerkvoorziening in natura van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode gebruik maakt of gedurende waarvoor het persoonsgebonden budget is de periode waarvoor het pgb toegekend. De bijdrage in de kosten gaat de wordt verstrekt. kostprijs niet te boven . 2. Indien een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget wordt verleend ten 2. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt voor behoeve van een woningaanpassing voor een een woningaanpassing voor minderjarige cliënt, is de bijdrage verschuldigd een minderjarige cliënt is de door: bijdrage in de kosten o a. de onderhoudsplichtige ouders, verschuldigd door: de daaronder begrepen degene tegen wie onderhoudsplichtige ouders een op artikel 394 van Boek 1 van het en degene die anders dan als Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is ouder samen met de ouder afgewezen; en het gezag uitoefent over een o b. degene die anders dan als ouder cliënt. samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 3. Het college stelt nadere regels over het Artikel 20. Hoogte bijdrage in de verschuldigd zijn van de bijdrage in de kosten kosten waaronder de omvang met inachtneming van 1. De hoogte van de bijdrage het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
voor een of meerdere 4. De bijdrage voor de opvang wordt geïnd maatwerkvoorzieningen door de instantie die de opvang biedt. volgt uit het bepaalde in artikel 2.1.4a Wmo 2015.
1. De cliënt is een bijdrage in de kosten van
2. In afwijking van lid 1 is de hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer per rit gelijk aan het in het de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers.
3. In afwijking van lid 1 wordt de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang vastgesteld conform hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit. 4. De hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing en de in lid 2 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt. 6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 7. De bijdragen in de kosten voor de maatwerkvoorziening opvang worden door de aanbieder van opvang vastgesteld en geïnd.
Artikel 11.2 Kostprijs HOOFDSTUK 12 – Tegemoetkoming meerkosten Artikel 12.1 Aanspraak •
8. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een cliënt op grond van hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit geen bijdrage verschuldigd zijn. Vervallen, opgenomen in artikel 20, zie hierboven. Titel is vervallen, geen apart hoofdstuk meer. Artikel 18. Financiële tegemoetkoming
1. De persoon met een beperking of chronisch 1. Een cliënt komt in aanmerking psychisch of psychosociaal probleem kan in voor een financiële aanmerking komen voor een tegemoetkoming tegemoetkoming als dit een in de met die beperking of chronisch psychisch passende bijdrage levert aan of psychosociaal probleem verband houdende de zelfredzaamheid en aantoonbare of aannemelijke meerkosten ter participatie en het om één van ondersteuning van de zelfredzaamheid en de volgende voorzieningen participatie voor: gaat: o a. verhuiskosten en/of a. Verhuiskosten inrichtingskosten; b. Herinrichtingskosten o b. een sportrolstoel; c. Sportrolstoel
o c. individueel (rolstoel)taxivervoer. 2. De persoon als bedoeld in het eerste lid kan 2. De tegemoetkoming voor een sportrolstoel wordt maximaal slechts aanspraak maken op een eens per drie jaar verleend. tegemoetkoming indien deze persoon geen aanspraak heeft of kan hebben op een vergoeding van de (meer)kosten op grond van 3. Voor de vergoeding voor herinrichting wordt gebruik een voorliggende voorziening. gemaakt van het vastgestelde • 3. De persoon als bedoeld in het eerste lid kan Prijzenboek van de Bijzondere slechts aanspraak maken op een Bijstand van de gemeente tegemoetkoming voor individueel Leidschendam-Voorburg. Als (rolstoel)taxivervoer indien een er uit bewijsstukken blijkt dat maatwerkvoorziening (vervoersvoorziening) in de daadwerkelijke kosten natura, gelet op de aard van de beperkingen, lager zijn dan de vergoeding niet mogelijk is. gehanteerd in het Prijzenboek, • 4. De persoon als bedoeld in het eerste lid kan dan wordt alleen de kostprijs slechts aanspraak maken op een uitbetaald. Het betreft hier de tegemoetkoming verhuiskosten en/of kosten voor vloerbedekking, inrichtingskosten voor zover op deze persoon stoffering en onderhoud het primaat van verhuizen van toepassing is woning (verf/ behang). De als bedoeld in artikel 9.4 eerste lid van de hoogte van de overige verordening.
financiële tegemoetkomingen wordt vastgelegd in de Artikel 12.2 Aanvraag beleidsregels. •
• • •
1. De tegemoetkoming wordt op aanvraag verleend. 2. De tegemoetkoming voor een sportrolstoel wordt slechts eens per drie jaar verleend. 3. In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten toekennen in het besluit waarin het primaat van verhuizen wordt toegepast als bedoeld in artikel 12.1 van de verordening.
Artikel 12.3 Hoogte tegemoetkoming en uitbetaling •
•
1. De tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt niet eerder uitbetaald nadat de persoon als bedoeld in artikel 12.1 van de verordening is verhuisd naar de voor hem meest geschikte beschikbare woning gelet op zijn beperkingen in het normale gebruik van de woning. 2. Het college stelt nadere regels voor de hoogte van de tegemoetkomingen en wanneer de aanvraag ingediend moet worden.
Hoofdstuk 13 – Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Hoofdstuk 5: Bestrijding misbruik
Artikel 13.1 Schriftelijke overeenkomst bij diensten Artikel 21. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college niet-gebruik van een maatwerkvoorziening een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel (uitbetaling van) persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk beëindigen of opschorten, dan wel de inzet (levering) daarvan tijdelijk opschorten indien:
1. Het college informeert cliënten op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van
•
misbruik en oneigenlijk a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gebruik van de wet. gesteld bij of krachtens de wet of de verordening; • b. de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in 2. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet een instelling; steekproefsgewijs, of: • c. de cliënt zich niet houdt aan de a. de cliënt nog op de verplichtingen verbonden aan het gebruik van maatwerkvoorziening is de maatwerkvoorziening of de verplichtingen aangewezen; die zijn verbonden aan het persoonsgebonden b. de maatwerkvoorziening budget; of het daarmee • d. de cliënt is overleden. samenhangende pgb nog toereikend is; Artikel 13.2 Herziening of intrekking c. de cliënt nog voldoet aan de voorwaarden van de • 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet maatwerkvoorziening of het een cliënt aan het college desgevraagd of pgb; onverwijld uit eigen beweging mededeling van d. de verstrekte alle feiten en omstandigheden, waarvan hem voorzieningen worden redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze gebruikt dan wel besteed ten aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging behoeve van het doel van de beslissing als bedoeld in de artikelen waarvoor ze verstrekt zijn. 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Artikel 22. Verrekening • 2.
Het college kan onder toepassing van het eerste lid een besluit tot toekenning Het college kan een terug te tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in vorderen bedrag verrekenen met hoofdstuk 12 van de verordening intrekken betalingen op grond van de wet, indien achteraf blijkt dat de persoon bedoeld in die nog uitgekeerd moeten dat hoofdstuk onjuiste of onvolledige gegevens worden. heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zouden hebben geleid. • 3. Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden herzien of ingetrokken indien blijkt dat de cliënt niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 6.1 van deze verordening. Artikel 13.3 Terugvordering en verrekenen •
•
1. Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget of tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 12 van de verordening is herzien of ingetrokken: o a. het ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald persoonsgebonden budget terugvorderen; o b. de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming meerkosten terugvorderen; o c. de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen. 2. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de te compenseren beperkingen.
Hoofdstuk 14- Bestrijding, misbruik of oneigenlijk gebruik
Artikel 14.1 Fraudepreventiebeleid Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college cliënten informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Artikel 14.2 Controle Het college beoordeelt steekproefsgewijs de besteding van de persoonsgebonden budgetten als bedoeld in artikel 6.1 van de verordening. Tevens beoordeelt het college of de cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen. (toegevoegd) Hoofdstuk 6: Afstemming met andere voorzieningen Artikel 23. Veilig thuis Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen. Artikel 24. Afstemming met jeugdhulp 1. Het college zorgt voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouders op grond van de Jeugdwet. 2. Het college zorgt voor de continuïteit van ondersteuning onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. Artikel 25. Afstemmingen met voorzieningen werk en inkomen
Hoofdstuk 15 – overige bepalingen
Het college heeft bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning oog voor vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt. De cliënt wordt waar nodig, doorverwezen om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en reintegratievoorzieningen- te verkrijgen. Hoofdstuk vervallen, opgedeeld in meerdere hoofdstukken.
1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers
Hoofdstuk 8: Waardering mantelzorgers
Artikel 15.1 De wijze van waardering •
• •
Een mantelzorger is iemand die voor meer dan 3 maanden zorg 1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een verleend, of zorg biedt voor blijk van waardering voor mantelzorgers indien minimaal 8 uur per week. mantelzorg wordt verleend aan een cliënt die Artikel 29. Jaarlijkse waardering zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente mantelzorgers Leidschendam-Voorburg. 2. De wijze van waardering als bedoeld in het 1. Jaarlijks zorgt het college voor een blijk van waardering voor eerste lid komt tot stand in samenspraak met mantelzorgers van cliënten en een welzijnsorganisatie. inwoners die woonachtig zijn 3. Bij de waardering als bedoeld in het eerste in de gemeente lid heeft het college oog voor mantelzorgers Leidschendam-Voorburg. van cliënten die mogelijk alleen gebruik maken van algemene voorzieningen. 2. De invulling van de waardering komt tot stand in samenspraak met een lokale welzijnsorganisatie. 3. De jaarlijkse blijk van
waardering bestaat uit in ieder geval een cadeaubon 4. Betrekken van ingezetenen Artikel 15.6 - Betrekken van ingezetenen bij het beleid •
•
•
•
Artikel 32. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun 1. Het college betrekt ingezetenen van de vertegenwoordigers, gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of vroegtijdig in de gelegenheid hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding voorstellen voor het beleid van het beleid betreffende maatschappelijke betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens ondersteuning te doen, advies artikel 150 van de Gemeentewet gestelde uit te brengen bij de regels met betrekking tot de wijze waarop besluitvorming over inspraak wordt verleend. verordeningen en 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in beleidsvoorstellen betreffende de gelegenheid voorstellen voor het beleid maatschappelijke betreffende maatschappelijke ondersteuning te ondersteuning, en voorziet doen, advies uit te brengen bij de hen van ondersteuning om besluitvorming over verordeningen en hun rol effectief te kunnen beleidsvoorstellen betreffende vervullen. maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te 2. Het college zorgt ervoor dat kunnen vervullen. ingezetenen kunnen 3.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen deelnemen aan periodiek kunnen deelnemen aan periodiek overleg, overleg, waarbij zij waarbij zij onderwerpen voor de agenda onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien kunnen aanmelden, en dat zij van de voor een adequate deelname aan het worden voorzien van alle overleg benodigde informatie en benodigde informatie en ondersteuning. ondersteuning om goed te 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter kunnen deelnemen aan het uitvoering van het tweede en derde lid. overleg. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid. (toegevoegd)
Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. HOOFDSTUK 16 - SLOTBEPALINGEN
Hoofdstuk 10: Overgangsrecht en slotbepalingen (toegevoegd) Artikel 33. Geen bepalingen In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 16.4 Overgangsrecht •
•
Artikel 35. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
1. Met de inwerkingtreding van deze 1. verordening wordt de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leidschendam-Voorburg 2015 ingetrokken met dien verstande dat besluiten welke zijn genomen op grond van die Verordening met de daarbij behorende rechten en plichten in 2. stand blijven, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit wordt ingetrokken. 2. Het college is bevoegd om besluiten die zijn genomen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 of op basis van de aan deze verordening voorafgaande verordening(en) in te trekken. 3.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leidschendam-Voorburg 2016 wordt ingetrokken. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leidschendam-Voorburg 2016, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke
ondersteuning gemeente Leidschendam-Voorburg 2016 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld conform deze verordening. 4. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leidschendam-Voorburg 2016, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leidschendam-Voorburg 2016 die daarvoor zijn geldigheid behoudt.
Toelichting
-
-
5. Van lid 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Mag volgens Crvb geen onderdeel meer zijn van de verordening. Is daarom als bijlage toegevoegd.
Geactualiseerd: *Aanhef *Artikel 16.5 Citeerartikel *Artikel 16.6 Inwerkingtreding Vervallen (omdat dit reeds uit de wet volgt) * Artikel 4.2 Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning *Hoofdstuk 5 – Maatschappelijke Ondersteuning: Artikel 5.1 Maatschappelijke ondersteuning Artikel 5.2 Soorten maatwerkvoorzieningen * Artikel 6.3 Criteria aanspraak en verplichtingen bij hulpmiddelen en woningaanpassingen * Hoofdstuk 7 – Hulp bij schoon en leefbaar huis * Hoofdstuk 8 – Begeleiding, dagbesteding, kortdurend verblijf in een instelling en beschermd wonen. * Hoofdstuk 10 – Hulp bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer
-
Vervallen: *Artikel 6.2 Schriftelijke overeenkomst bij diensten (eis vanuit Sociale Verzekeringsbank) *Artikel 4.3 Gebruikelijke hulp (wordt opgenomen en verder gespecificeerd in de nader op te stellen beleidsregels) *Artikel 16.2 Indexatie (indexatie is opgenomen in de contracten en heeft geen plaats in de verordening) *Artikel 16.3 Evaluatie (Evaluatie is opgenomen in het beleidsplan en heeft geen plaats in de verordening.